GEW_Bijlage 3 was wordt lijst van 2019 - 2022.pdf
Tekst van het document
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende
worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
hernummering
Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Opnieuw genummerd. Tekstuele wijziging voorgesteld door de VNG
toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakplaatsen aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44a Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen 1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2. Het verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het bedoelde voorwerp niet bestemd is voor het plegen van (winkel)diefstal. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen, te liggen of zich anderszins te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere weggebruikers, omwonenden of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt; 2.
Een ieder, die op een openbare plaats klimt, ligt of zich anderszins bevindt op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair, zich op of aan de weg zodanig ophoudt dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die
handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak. 4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Komt terug in Artikel 2:74a, het huidige artikel 2:47a is gebaseerd op een verwachtte wetswijziging in 2020 echter door demissionaire status van het kabinet is deze wijziging nog niet opgenomen in wetgeving. Dit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet.
Artikel 2:47a Verboden gebruik lachgas Het is verboden op een openbare plaats lachgas te gebruiken als daardoor hinder en/of overlast ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Voorstel VNG: De VNG hebben over de knelpunten overleg gehad met de Commissie feiten en tarieven (CFT)4 . De CFT acht openstelling van een feitcode voor de in 2020 in de toelichting op de Model-APV opgenomen voorbeeldbepaling (art.2:48a) niet wenselijk. Deze bepaling bevat het specifieke bestanddeel ‘distikstofmonoxide’. Dit brengt met zich mee dat in een strafzaak daadwerkelijk moet worden bewezen dat het ook specifiek om die stof gaat. Specifieke waarnemingen en eventuele foto’s van patronen of cilinders zullen nodig zijn in
het dossier. Wanneer alleen sprake is van een ‘ballon’ en een zwijgende verdachte zal het bewijs niet geleverd kunnen worden. Vanwege het geschetste bewijsprobleem zal daarom de genoemde voorbeeldbepaling worden geschrapt uit de Model-APV. Het advies is om, indien van toepassing, hetzelfde in de APV van uw gemeente te doen." In plaats hiervan is 2:74a opgenomen, waarmee gebruik van lachgas kan worden aangepakt.
Artikel 2:48 Openlijk gebruik van drank en softdrugs 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. 2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. 4. Het is verboden op een openbare
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 Wijziging in verband met van de Alcoholwet; de wijziging van Drank- en b. een andere plaats dan een Horecawet. De wet wordt horecabedrijf als bedoeld onder a, voortaan aangeduid als waarvoor een ontheffing geldt Alcoholwet door wijziging krachtens artikel 35 van de van de citeertitel in artikel Alcoholwet. 49 van de wet. Softdrugs is opgenomen in artikel 2:74 en 2:74a
plaats middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen of pleinen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek, poort, nis, abri of parkeergarage, op een bordes of onder een luifel of overkapping op te houden; b. op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen; c. zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speeltuin op te houden; d. Zich zonder redelijk doel op andere door het college aangewezen openbare plaatsen op te houden. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd.
Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen 1. Het is verboden op de weg of in voor
publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie. Artikel 2:50b Glaswerk op speelplaatsen Het is verboden op speelweiden of speelplaatsen glaswerk te gebruiken of voorhanden te hebben. Voorstel van de VNG: In dit onderdeel wordt na artikel 2:50 ingevoegd artikel 2:50c (nieuw). Zie hiervoor de toelichting op het tweede en derde lid van artikel 2:26. In artikel 2:50c wordt een verbod ingesteld voor openbare plaatsen en in Artikel 2:50c Verbod op zichtbare voor publiek openstaande uitingen van verboden gebouwen en daarbij organisaties 1. Het is verboden op openbare behorende erven. plaatsen of in voor het publiek Strafbaarstelling van het toegankelijke openstaande verbod vindt plaats in gebouwen en daarbij behorende artikel 6:1.
Voor het geval erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te van samenloop met de vervoeren die uiterlijke kenmerken strafbaarstelling in het zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk Wetboek van Strafrecht besluit verboden is verklaard of is (met name relevant na het ontbonden vanwege een onherroepelijk worden van werkzaamheid of doel in strijd met een rechterlijke uitspraak) de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover is voorzien in een antiin het daarin geregelde onderwerp samenloopbepaling wordt voorzien door het Wetboek (tweede lid). van Strafrecht.
NIEUW ARTIKEL
Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: Artikel 2:57 Loslopende honden a. op een voor het publiek 1. Het is de eigenaar of houder van een toegankelijke en kennelijk als zodanig hond verboden die hond te laten ingerichte kinderspeelplaats, verblijven of te laten lopen: zandbak of speelweide of op een a. op een voor het publiek toegankelijke andere door het college aangewezen en kennelijk als zodanig ingerichte plaats; kinderspeelplaats, zandbak of b. openbare plaatsen binnen de speelweide of op een andere door het bebouwde kom op de weg als de college aangewezen plaats; hond niet is aangelijnd; b. binnen de bebouwde kom op de weg c. op de weg als die hond niet is b. als de hond niet is aangelijnd; voorzien van een halsband of een c. op de weg als die hond niet is voorzien ander identificatiemerk dat de van een halsband of een ander eigenaar of houder duidelijk doet identificatiemerk dat de eigenaar of kennen. houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is is niet van toepassing op door het niet van toepassing op door het college college aangewezen plaatsen. aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a 3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot tot en met c, is niet van toepassing en met c, is niet van toepassing op de op de eigenaar of houder van een Tekstuele wijziging, per eigenaar of houder van een hond die hond die zich vanwege zijn handicap abuis was twee keer lid 2 zich vanwege zijn handicap door een door een geleidehond of sociale sub b ontstaan. geleidehond of sociale hulphond laat hulphond laat begeleiden of die deze Lid 1 sub b, openbare begeleiden of die deze hond hond aantoonbaar gekwalificeerd plaatsen toegevoegd, aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot opleidt tot geleidehond of sociale zodat dit ook geld voor geleidehond of sociale hulphond. hulphond. parken etc. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden 1. Degene die zich met een hond of paard op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat paard onmiddellijk worden verwijderd. 2. De eigenaar of houder van een hond is verplicht er tijdens het uitlaten van een hond voor te zorgen opruimmiddelen bij zich te hebben die redelijkerwijs voor dit doel geschikt zijn. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of Artikel 2:59 Gevaarlijke honden hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of 1. Als de burgemeester een hond in houder van die hond een verband met zijn gedrag gevaarlijk of aanlijngebod of een aanlijn- en hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of muilkorfgebod opleggen voor zover houder van die hond een aanlijngebod of die hond verblijft of loopt op een een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen openbare plaats of op het terrein van voor zover die hond verblijft of loopt op een ander. een openbare plaats of op het terrein 2. De eigenaar of houder van de van een ander. hond aan wie een aanlijngebod is 2. Een aanlijngebod houdt in dat de opgelegd, is verplicht de hond kort eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden, met een lijn aangelijnd te houden met een lijn met met een lengte, gemeten van hand een lengte, gemeten van hand tot tot halsband, van ten hoogste 1,50 halsband, van ten hoogste 1,50 meter. meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de 3. De eigenaar of houder van de eigenaar of houder verplicht is de hond hond aan wie een aanlijn- en voorzien te houden van een muilkorf die: muilkorfgebod is opgelegd, is naast a. vervaardigd is van stevige kunststof, de verplichting bedoeld in het van stevig leer of van beide stoffen; tweede lid verplicht de hond b.
door middel van een stevige leren voorzien te houden van een riem zodanig rond de hals is aangebracht muilkorf die: dat verwijdering zonder toedoen van de a. vervaardigd is van stevige In dit onderdeel wordt de mens niet mogelijk is; en kunststof, van omschrijving van artikel c. zodanig is ingericht dat de hond niet stevig leer of van beide stoffen; 2:59, tweede en derde lid, kan bijten, dat de afgesloten ruimte b. door middel van een stevige leren aanhef, aangepast. binnen de korf een geringe opening van riem zodanig rond de hals is Daarmee wordt de bek toelaat en dat geen scherpe aangebracht dat verwijdering zonder uitdrukkelijker aangegeven delen binnen de korf aanwezig zijn. toedoen van de mens niet mogelijk dat de eigenaar of houder 4. In plaats van, of aanvullend op het is; en van de hond zich moet bepaalde in lid 1 van dit artikel kan de c. zodanig is ingericht dat de hond houden aan een opgelegd burgemeester een gedragscursus en/of niet kan bijten, dat de afgesloten aanlijn- of muilkorfgebod een assessmenttest bij een door de ruimte binnen de korf een geringe in plaats van een dierenpolitie erkende instantie voor die opening van de bek toelaat en dat omschrijving te geven van hond aan de eigenaar of houder van die geen scherpe delen binnen de korf wat een aanlijn- resp. hond opleggen. aanwezig zijn. 5. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, 4.
Onverminderd artikel 2:57, eerste muilkorfgebod inhoudt. aanhef en onder c, dient een hond als lid, aanhef en onder d, dient een bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn hond als bedoeld in het eerste lid van een door de minister die het aangaat voorzien te zijn van een door de op aanvraag verstrekt uniek minister die het aangaat op aanvraag identificatienummer door middel van verstrekt uniek identificatienummer een microchip die met een chipreader door middel van een microchip die afleesbaar is. met een chipreader afleesbaar is.
Omdat in de feitcodes van het Openbaar Ministerie ‘kort aangelijnd’ staat, is ‘kort’ toegevoegd aan het tweede lid. Voorstel van de VNG.
5. In plaats van, of aanvullend op het bepaalde in lid 1 van dit artikel kan de burgemeester een gedragscursus en/of een assessmenttest bij een door de dierenpolitie erkende instantie voor die hond aan de eigenaar of houder van die hond opleggen.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporingsen verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2:59b Toegang tot uitrengebieden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een door het college aangewezen hondenuitrengebied nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
hond gevaarlijk of hinderlijk acht. Ook bij ongewenste gedragingen van geleiders van de honden kan de toegang tot de uitrengebieden ontzegd worden.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Opschrift wordt gewijzigd, Afdeling 9. Bestrijding van heling van voorstel van de VNG. goederen Nieuwe nummering.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) Tekstuele wijziging, van toepassing. voorgesteld door de VNG
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1o. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Afdeling 13. Vuurwerk en carbid Artikel 2:71 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. b. carbid schieten: acetyleengas of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze tot verbranding te brengen. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbid
Tekstuele wijziging, voorstel van de VNG.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
Tekstuele aanpassing, voorgesteld door de VNG
consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73a Carbid schieten 1. Het is verboden met carbid te schieten. 2. Het verbod geldt niet wanneer a. het carbid schieten plaatsvindt op een door de burgemeester aangewezen locatie; en b. het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 13.00 uur en 18.00 uur; c. gebruik wordt gemaakt van (melk)bussen met een maximum inhoud van 50 liter per bus; d. de plaats, vanwaar geschoten wordt, gelegen is: i) op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing; ii) op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg en gebedshuizen; iii) op een vrije afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren. 3. De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu.
Afdeling 14. Drugoverlast Afdeling 11. Drugsoverlast
Opschrift wordt gewijzigd in verband met de nieuwe nummering.
Artikel 2:74 Drugshandel en drugsgebruik op straat 1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, al dan niet met of bij een voertuig, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of Artikel 2:74 Drugshandel en te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn drugsgebruik op straat of daarin te bemiddelen. Onverminderd het bepaalde in de 2. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op Opiumwet is het verboden op of aan de een openbare plaats op te houden, al weg, op een voor publiek toegankelijke dan niet met of bij een voertuig, met plaats of in een voor publiek toegankelijk het kennelijke doel om, al dan niet gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 tegen betaling, middelen als bedoeld van de Opiumwet te gebruiken, toe te in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of dienen, dan wel daarop gelijkende waar, al dan niet voorbereidingshandelingen daartoe te tegen betaling af te leveren, aan te verrichten of ten behoeve van dat bieden of te verwerven, daarbij gebruik voorwerpen of stoffen behulpzaam te zijn of daarin te Voorstel VNG ivm voorhanden te hebben. bemiddelen.
invoegen 2:74a Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Een aantal gemeenten heeft daarom al enkele jaren een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik wordt verboden. De Het is verboden op of aan de weg, op rechtspraak is een aantal een andere openbare plaats of in een jaren wisselend geweest, voor publiek toegankelijk gebouw waarbij in een aantal middelen als bedoeld in de artikelen gevallen zo’n bepaling 2 of 3 van de Opiumwet of daarop onverbindend werd geacht gelijkende waar te gebruiken, toe te omdat de rechter van dienen, dan wel voorbereidingen oordeel was dat door de daartoe te verrichten of ten behoeve overlap met de Opiumwet van dat gebruik voorwerpen of (men kan immers stoffen voorhanden te hebben. verboden substanties niet
Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:3, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 2:73 groepsgewijs niet naleven.
gebruiken zonder deze – in strijd met de Opiumwet – voorhanden te hebben) de bovengrens van de gemeentelijke regelgevende bevoegdheid werd geschonden. Maar inmiddels is er een rechterlijke consensus ontstaan waarbij zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Zie over de betekenis van ‘daarop gelijkende waar’ het gestelde bij de toelichting op artikel 2:74* *de toelichting op artikel 2:74 APV Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. Opschrift wordt tekstueel Afdeling 12. Bijzondere gewijzigd , voorstel van de bevoegdheden van de burgemeester VNG.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van overige plaatsen die niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen maar wel voor een ieder toegankelijk zijn. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die
opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in Artikel 2:79 Woonoverlast als artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die bedoeld in artikel 151d woning behorend erf gebruikt, of tegen Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, adres in de gemeente in de draagt er zorg voor dat door basisregistratie personen is gedragingen in of vanuit die woning ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt ernstige en herhaaldelijke hinder voor veroorzaakt. omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van onder bestuursdwang wegens het eerste lid in ieder geval opleggen bij overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en ernstige en herhaaldelijke: herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die b. hinder van dieren; c.
hinder van bezoekers of personen tijdelijk in een woning of op een erf die tijdelijk in een woning of op een aanwezig zijn; erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een verwaarlozing van een woning of een erf; erf; e. intimidatie van derden vanuit een e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. woning of een erf. Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; - beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; - bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het
Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. Voorstel van de VNG.
publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; - escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; - prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; - seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; - seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
Artikel 3:3 Vergunning 1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 4. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend. 5. De vergunning wordt voor bepaalde tijd verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. 6. De vergunning kan ten hoogste tweemaal worden verlengd. Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbuiten voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen Het college kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.
Artikel 3:6 Aanvraag 1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; f. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; g. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; h. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; i. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; j. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; k.
voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; l. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting
waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding. 3. Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in vereenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in vereenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden
Wijziging in verband met de wijziging van Drank- en Horecawet. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. Voorstel VNG: In het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een schikking met een veroordeling gelijkgesteld. Hiervoor is in het verleden aansluiting gezocht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. De verwijzing naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is geactualiseerd.
zal handelen met aan de vergunning aangenomen dat de aanvrager in verbonden beperkingen of voorschriften; strijd zal handelen met aan de g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het vergunning verbonden beperkingen seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of voorschriften; of zullen zijn die nog niet de leeftijd van g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij 21 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn het seksbedrijf personen van mensenhandel of verblijven of tewerkgesteld zijn of zullen zijn die werken in strijd met het bepaalde bij of nog niet de leeftijd van 21 jaar krachtens de Vreemdelingenwet 2000; hebben bereikt, slachtoffer zijn van h. de exploitant of de beheerder minder mensenhandel of verblijven of dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat werken in strijd met het bepaalde bij de vergunning wordt aangevraagd, of krachtens de Vreemdelingenwet wegens een misdrijf onherroepelijk is 2000; veroordeeld tot een onvoorwaardelijke h. de exploitant of de beheerder vrijheidsstraf van meer dan zes minder dan vijf jaar voorafgaand aan maanden; de dag dat de vergunning wordt i.
de exploitant of de beheerder minder aangevraagd, wegens een misdrijf dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat onherroepelijk is veroordeeld tot een de vergunning wordt aangevraagd, bij onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan één rechterlijke uitspraak of meer dan zes maanden; strafbeschikking onherroepelijk i. de exploitant of de beheerder veroordeeld is tot een minder dan vijf jaar voorafgaand aan onvoorwaardelijke geldboete van € 500 de dag dat de vergunning wordt of meer of tot een andere hoofdstraf als aangevraagd, bij meer dan één bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, rechterlijke uitspraak of van het Wetboek van Strafrecht, wegens strafbeschikking onherroepelijk dan wel mede wegens overtreding van: veroordeeld is tot een 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens onvoorwaardelijke geldboete van € de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, 500 of meer of tot een andere de Vreemdelingenwet 2000, de Wet hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 eerste lid, onder a, van het Wetboek van de Algemene Plaatselijke van Strafrecht, wegens dan wel Verordening Sliedrecht 2019; mede wegens overtreding van: 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 1°.
bepalingen, gesteld bij of 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met krachtens de Alcoholwet, de 420quinquies, 426 en 429quater van het Opiumwet, de Vreemdelingenwet Wetboek van Strafrecht; 2000, de Wet arbeid vreemdelingen 3°. artikel 69 van de Algemene wet en hoofdstuk 3 van deze inzake rijksbelastingen; verordening; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, 2°. de artikelen 137c tot en met alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis van de Wegenverkeerswet 1994; tot en met 420quinquies, 426 en 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de 429quater van het Wetboek van weerkorpsen; of Strafrecht; 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet 3°. artikel 69 van de Algemene wet wapens en munitie. inzake rijksbelastingen; j. de voorgenomen uitoefening van het 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid,
De schikking is in die wet vervangen door een bestuurlijke strafbeschikking, waarin een geldboete kan worden opgelegd (artikel 76, tweede lid, AWR). Ook in het Alcoholbesluit dat het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet per 1 juli 2021 vervangt, is deze wijziging op deze wijze doorgevoerd. In verband hiermee is ook het woord ‘vrijwillige’ voor ‘betaling’ geschrapt. Voor de schikking op grond van artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht volgt de vrijwilligheid uit het accepteren van de schikkingsvoorwaarden.
seksbedrijf strijd zal opleveren met een alsmede de artikelen 6 juncto 8 en geldend bestemmingsplan, een 163 van de Wegenverkeerswet 1994; bestemmingsplan in ontwerp dat ter 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op inzage is gelegd, een de weerkorpsen; of beheersverordening of een aanwijzing 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet als bedoeld in artikel 3:4. wapens en munitie. 2. Met een veroordeling als bedoeld in j. de voorgenomen uitoefening van het eerste lid, onder h, wordt het seksbedrijf strijd zal opleveren gelijkgesteld: met een geldend bestemmingsplan, a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een bestemmingsplan in ontwerp dat een zodanige voorwaardelijke straf; ter inzage is gelegd, een b. vrijwillige betaling van een geldsom beheersverordening of een als bedoeld in artikel 74, tweede lid, aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. onder a, van het Wetboek van Strafrecht 2. Met een veroordeling als bedoeld of artikel 76, derde lid, onder a, van de in het eerste lid, onder h, wordt Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelijkgesteld: tenzij de geldsom minder dan € 375 a. een bevel tot tenuitvoerlegging bedraagt. van een zodanige voorwaardelijke 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in straf; het eerste lid, onder h en i, wordt bij de b.
betaling van een geldsom als intrekking van een vergunning bedoeld in artikel 74, tweede lid, teruggerekend vanaf de datum van de onder a, van het Wetboek van intrekking van deze vergunning. Strafrecht of artikel 76, tweede lid, , 4. Voor de berekening van de periode van de Algemene wet inzake van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, rijksbelastingen, tenzij de geldsom onder h en i, telt de periode waarin een minder dan € 375 bedraagt. onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in ondergaan, niet mee. het eerste lid, onder h en i, wordt bij 5. Een vergunning kan in ieder geval de intrekking van een vergunning worden geweigerd: teruggerekend vanaf de datum van a. voor een seksbedrijf waarvoor de de intrekking van deze vergunning. vergunning op grond van artikel 3:9, 4. Voor de berekening van de eerste lid, aanhef en onder a tot en met periode van vijf jaar, bedoeld in het f, of tweede lid, aanhef onder a tot en eerste lid, onder h en i, telt de met g, of in het geval en onder de periode waarin een voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is Wet bevordering ondergaan, niet mee. integriteitsbeoordelingen door het 5. Een vergunning kan in ieder geval openbaar bestuur is ingetrokken, worden geweigerd: gedurende een periode van vijf jaar na a.
voor een seksbedrijf waarvoor de de intrekking; vergunning op grond van artikel 3:9, b. als niet is voldaan aan een bij of eerste lid, aanhef en onder a tot en krachtens artikel 3:6 gestelde eis met met f, of tweede lid, aanhef onder a betrekking tot de aanvraag, mits de tot en met g, of in het geval en onder aanvrager de gelegenheid heeft gehad de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 de aanvraag binnen een door het van de Wet bevordering bevoegde bestuursorgaan gestelde integriteitsbeoordelingen door het
termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning 1. De vergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam van de exploitant; b. voor zover van toepassing, de naam van de beheerder; c. voor welke activiteit de vergunning is verleend; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; f. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; g. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; h. de geldigheidsduur van de vergunning; i. het nummer van de vergunning. 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1. De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c.
is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van
de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g.
de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Nieuw artikel
Artikel 3:9a Sluiting van een seksinrichting 1. Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning. 2. Het bevoegde bestuursorgaan Vanuit het RIEC bestaat maakt de sluiting bekend door het een Regionaal aanbrengen van een afschrift van Controleteam het bevel op of nabij de toegang of Mensenhandel. Dit is in de toegangen van de seksinrichting. De regio Rijnmond gestart als sluiting treedt in werking op het een pilot waarbij de moment dat bedoeld afschrift is afdeling aangebracht. Vreemdelingenidentificatie 3. Een ieder is verplicht toe te laten en Mensenhandel (AVIM) dat het in het tweede lid bedoelde van de politie samenwerkt afschrift wordt aangebracht en met o.a. het Regionaal aangebracht blijft, zolang de sluiting Operationeel Beleidsteam van kracht is. (ROBT) van het RIEC in de 4. Het is de exploitant of beheerder aanpak van van een seksinrichting verboden mensenhandel. Bestuurlijk daarin bezoekers toe te laten of te trekker is Peter Oskam, laten verblijven zolang de sluiting burgemeester van Capelle van kracht is. aan den IJssel. 5. Het is een ieder verboden een Het team focust zich met overeenkomstig het eerste lid name op (illegale) gesloten seksinrichting te bezoeken prostitutie en streeft naar of als bezoeker daarin te verblijven.
een regionale aanpak om 6. Een sluiting kan op aanvraag van een waterbedeffect te een belanghebbende door het voorkomen. Omdat zowel bevoegde bestuursorgaan worden vanuit politie als ROBT opgeheven, wanneer later bekend functionarissen actief zijn, geworden feiten en kan zowel strafrechtelijk omstandigheden hiertoe aanleiding als bestuursrechtelijk geven en naar het oordeel van het worden doorgepakt. bevoegde bestuursorgaan Voorgesteld is om dit voldoende garanties aanwezig zijn, artikel op te nemen in de dat geen herhaling van de situatie APV. die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel 3:11 Verlenging vergunning 1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden. 2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten. Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 uur en 12.00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald. 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. 3.
Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.