GEW_Bijlage 1a - Gewijzigde Jaarstukken 2025.pdf
Tekst van het document
De verhoging van de Onroerend -zaakbelasting en de Afvalstoffenheffing is overeenkomstig de kadernota 2025. De rioolheffing is overeenkomstig het raadsbesluit WRP, waarbij geldt dat de rioolheffing maximaal kostendekkend is. Hieronder treft u per heffing een toelichting aan. Onroerendezaakbelastingen (OZB) De onroerendezaakbelastingen (OZB) zijn na de Algemene Uitkering uit het gemeentefonds de belangrijkste inkomstenbron voor de gemeente. Deze heffing bestaat uit een eigenarenbelasting voor zowel woningen als niet-woningen en een gebruikersbelasting voor niet-woningen (bedrijven, e.d.). De opbrengst vloeit naar de algemene middelen van de gemeente. De gemeenteraad bepaalt de tarieven en daarmee de door belastingplichtigen te betalen belasting. De heffingsgrondslag is de waarde van de onroerende zaak. Deze wordt vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Voor de WOZ-waarden 2025 geldt de waardepeildatum 1 januari 2024. Sinds 2009 is de verschuldigde OZB een percentage van de waarde van de onroerende zaak. De volgende tabel laat zien hoe de OZB-tarieven zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld.
Uitgangspunt bij het bepalen van de tarieven 2025 was de geraamde opbrengst 2024. Bij vaststelling van de tarieven is, naast de beleidsuitgangspunten voor 2025, rekening gehouden met de ontwikkeling van de WOZ-waarden. Bij een waardedaling, zoals tot en met 2015 het geval was, moest het tarief met een vergelijkbaar percentage worden verhoogd om een gelijkblijvende OZB-opbrengst te realiseren. Bij een waardestijging daarentegen moet het tarief worden verlaagd om een gelijkblijvende opbrengst te realiseren. Anders gezegd: bij gemiddeld 2% stijging van de WOZwaarden moet het tarief met ca. 2% worden verlaagd om een gelijkblijvende opbrengst te verkrijgen. 84
Afvalstoffenheffing De afvalstoffenheffing wordt geheven ter dekking van de kosten voor het inzamelen en verwerken van huishoudelijk afval. Wettelijk uitgangspunt is dat op begrotingsbasis de opbrengst niet hoger mag zijn dan de kosten voor inzameling en verwerking van het huishoudelijk afval. De berekening van de kostendekkendheid wordt samengevat in een overzicht aan het eind van deze paragraaf. De tarieven hebben zich de afgelopen jaren als volgt ontwikkeld (x € 1):
Rioolheffing De rioolheffing is een vergoeding ter dekking van kosten die gemeenten maken voor hun rioolstelsel. Ook de kosten van de wettelijke watertaken, zoals de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater en structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand, kunnen hiermee worden bekostigd. Welke kosten worden verhaald, is in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vastgesteld. De berekening van de kostendekkendheid wordt aan het eind van de paragraaf samengevat in een overzicht.
De tarieven hebben zich de afgelopen jaren als volgt ontwikkeld:
Sliedrecht heft van pandeigenaren een vast bedrag per jaar. Hierbij is de situatie op 1 januari bepalend. Ook gebruikers van panden betalen rioolheffing. Vergelijking andere gemeenten Om inzicht te krijgen in het algemene verloop van de hoogte van de woonlasten (OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing) is het goed een vergelijking met andere gemeenten te maken. Ook het landelijk gemiddelde is hierin opgenomen. Een vergelijking van woonlasten kan worden gemaakt met de Drechtstedengemeenten. Deze is gebaseerd op de actuele gegevens van de Digitale Atlas van de Lokale Lasten 2025 op www.coelo.nl en geeft de woonlasten van een meerpersoonshuishouden voor zowel eigenaar-bewoners als huurders weer. Voor eigenaar-bewoners is de OZB berekend op basis van de gemiddelde WOZwaarde van een koopwoning. Huurders betalen geen OZB en geen rioolheffing voor eigenaren. De woonlasten in 2025 in Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht laten zich samenvatten in onderstaande schema's (x € 1). Eigenaren-bewoners
85
De indicatie in de laatste kolom betreft een landelijk rangnummer en betekent: hoe lager het nummer, hoe lager de woonlasten in vergelijking met andere gemeenten. Huurders
De indicatie in de laatste kolom betekent: hoe lager het rangnummer, hoe lager de woonlasten. Benchmark lokale lasten De benchmark beoogt, door middel van meer vergelijking, de informatievoorziening over de ontwikkeling van de lokale lasten te bevorderen. De benchmark vergelijkt voor alle gemeenten binnen een provincie de hoogte van de woonlasten voor meerpersoonshuishoudens met een koopwoning. De woonlasten zijn de som van de gemiddeld betaalde OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing, minus een eventuele heffingskorting. In de benchmark voor 2025, opgenomen in de Coelo Atlas vanaf pagina 184, wordt een vergelijking gegeven van de gemeentelijke woonlasten en de gemeentelijke tariefontwikkeling per provincie, net als de landelijke en provinciale gemiddelden. Middels de (grafische) vergelijking voor Zuid-Holland op pagina 193 worden de onderlinge verschillen tussen gemeenten inzichtelijk gemaakt. Het overzicht vergelijkt binnen de provincie het cumulatieve bedrag van de drie heffingen per gemeente, minus de tegemoetkoming in de woonlasten (heffingskorting) voor 2025 en de mutatie van de woonlasten per gemeente ten opzichte van 2024.
86
De figuren bieden de mogelijkheid om gemeenten op verschillende punten te vergelijken. De positie op de x-as (hoe ver naar rechts staat de gemeente) geeft informatie over de hoogte van de gemeentelijke woonlasten in vergelijking met die van andere gemeenten in de provincie. De horizontale rode lijnen laten zien in hoeverre de gemeentelijke woonlasten en de mutatie afwijken van het gemiddelde in Nederland (doorgetrokken rode lijn) en de provincie (gestippelde rode lijn). Het gemiddelde voor Nederland bedraagt € 1.053 en voor Zuid-Holland is dit € 1.090. Het stijgingspercentage ten opzichte van 2024 bedraagt landelijk 5,9% en voor Zuid-Holland 5%. Verder kan de hoogte van de OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing worden vergeleken. Enkele gemeenten hanteren een korting op de totale aanslag (heffingskorting). De hoogte van de heffingskorting wordt weergegeven met een oranje balkje. Het bedrag van de heffingskorting is verrekend met de gemiddeld betaalde OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing in de gemeente door het gekorte bedrag te delen door drie en dit in mindering te brengen op de drie betaalde bedragen.
Overige lokale heffingen Hondenbelasting De Gemeentewet regelt dat gemeenten een belasting mogen heffen op het houden van honden. De hondenbelasting is een zuivere belasting die, net als de onroerendezaakbelastingen, naar de algemene middelen van de gemeente vloeit. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025.
87
Reinigingsrechten Voor het ophalen van afval bij niet-woningen (winkels, bedrijven, buurtcentra, etc.) kunnen gemeenten een reinigingsrecht heffen. Wettelijk uitgangspunt is dat de opbrengst niet hoger mag zijn dan de kosten ter zake. Gemeenten hebben niet de verplichting om afval bij bedrijven in te zamelen. Dit in tegenstelling tot de inzameling van huishoudelijk afval bij woningen. Bedrijven dienen zelf zorg te dragen voor het afvoeren van het afval en kunnen hiervoor een contract aangaan met een erkende afvalinzamelaar. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. Reclamebelasting Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kunnen gemeenten op openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg reclamebelasting heffen. In overleg met de desbetreffende ondernemersverenigingen heeft uw raad op 30 januari 2018 drie reclamebelastingen ingevoerd, namelijk voor Winkelgebied Kerkbuurt, Winkelgebied Burgemeester Winklerplein en Woonboulevard Sliedrecht. Deze reclamebelastingen zijn 1 februari 2018 ingegaan. Het doel is om met een ondernemersfonds het ondernemers- en verblijfsklimaat en daarmee de duurzame economische vitaliteit van de gebieden te versterken. De opbrengst van deze belasting wordt gestort in ondernemersfondsen voor deze gebieden. Afspraken hierover zijn vastgelegd in overeenkomsten tussen de verenigingen en de gemeente.
De belasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak, zijnde niet-woningen in het desbetreffende gebied. Als de onroerende zaak leeg staat en er een reclame-uiting wordt gevoerd, wordt de aanslag opgelegd aan de eigenaar. De jaartarieven 2025 zijn als volgt: Winkelgebied Kerkbuurt: Kernwinkelgebied: € 552,- per onroerende zaak zijnde niet-woning; Aanloopgebied: € 324,- per onroerende zaak zijnde niet-woning. Winkelgebied Burgemeester Winkelplein: € 350 per onroerende zaak zijnde niet-woning. Voor Woonboulevard Sliedrecht is het aanslagbedrag afhankelijk van de WOZ-waarde van de onroerende zaak, namelijk:
Havengeld Voor het gebruik van de gemeentelijke haven of andere openbare werken en voor het gebruik van alle binnen onze gemeente gelegen openbare wateren heft de gemeente havengeld. Het uitgangspunt daarbij is dat dit maximaal kostendekkend gebeurt. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025.
88
Lijkbezorgingsrechten Als gemeente heffen wij rechten voor het gebruik van de begraafplaats en voor het verlenen van gemeentelijke diensten in verband met de begraafplaats. Uitgangspunt is dat dit ten hoogste kostendekkend gebeurt. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. De tariefstijging is daarmee onvoldoende om de lijkbezorgingsrechten 100% kostendekkend te laten zijn. Bij de vaststelling van de belastingverordeningen zal een voorstel worden gedaan om de tarieven de komende drie jaar 6% extra te laten stijgen ten opzichte van de stijging zoals opgenomen in de Kadernota 2025.
Leges Leges worden geheven voor door de gemeente verleende diensten. Het uitgangspunt voor de berekening van de kostendekkendheid is toetsing op verordeningenniveau, waarbij de geraamde lasten van alle genoemde activiteiten worden gedekt door de gezamenlijke baten uit de te heffen leges. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. Marktgeld Op grond van artikel 229 van de Gemeentewet kunnen gemeenten marktgeld heffen. Uitgangspunt is dat dit ten hoogste kostendekkend gebeurt. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025.
Kwijtscheldingen Als een belastingplichtige wegens financiële omstandigheden niet in staat is een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, kan kwijtschelding worden verleend. De regels voor het toekennen worden vastgesteld door de rijksoverheid. Deze regels komen erop neer dat kwijtschelding mag worden verleend aan belastingplichtigen die een inkomen hebben dat niet hoger is dan 90% van de bijstandsnorm. Gemeenten mogen hiervan afwijken door deze inkomensgrens te verruimen naar 100% van de bijstandsnorm. Onze gemeente hanteert de 100%-norm, wat betekent dat inwoners met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel voor kwijtschelding in aanmerking kunnen komen. Wel vindt een vermogenstoets plaats. Gemeenten mogen wel zelf bepalen voor welke belastingen kwijtschelding wordt verleend. Er kan kwijtschelding worden aangevraagd voor: • • • •
Onroerendezaakbelastingen Afvalstoffenheffing Rioolheffing Hondenbelasting (tot maximaal de helft van de verschuldigde belasting voor de eerste hond)
Het recht op kwijtschelding wordt op twee manieren vastgesteld, namelijk: 1. Op basis van ingediende kwijtscheldingsverzoeken. 2. Geautomatiseerde kwijtscheldingstoets voor de toegekende verzoeken van het voorgaande jaar. Hiermee wordt direct bij aanslagoplegging kwijtschelding verleend. Dit wordt de verlengingstoets genoemd. In 2025 zijn 446 kwijtscheldingsverzoeken binnengekomen en afgehandeld. Hiervan zijn er 188 toegewezen. Op basis van de jaarlijkse verleningstoets zijn 441 aanslagen kwijtgescholden. In totaal zijn dus 629 aanslagen geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden. 89
Kostendekkendheid Voor gemeentelijke heffingen geldt de wettelijke eis dat tarieven maximaal kostendekkend mogen zijn. In de onderstaande tabel is de kostendekking voor 2025 inzichtelijk gemaakt. In de begroting is uitgegaan van de reguliere tariefstijgingen van 2,8%, zoals opgenomen in de Kadernota. Hierdoor wordt inzichtelijk dat de begrafenisrechten en de legesverordening nog niet 100% kostendekkend zijn. Een verdere stijging naar 100% zal worden bezien bij de behandeling van de belasting- en legesverordeningen.
90
Gemiddeld genomen liggen zijn de kostendekkendheidpercentages lager dan in de begroting opgenomen.. De 103% bij de afvalstoffenheffing wordt voornamelijk veroorzaakt door een voorlopig gunstige conceptafrekening van de verwerkingskosten. Over de kostendekkendheid wordt opgemerkt dat er voor gekozen is: 1. 2. 3. 4. 5.
overhead toe te rekenen op basis van personeelslasten; één systematiek van toerekening van overhead; toegroeien naar 100% kostendekkendheid; de kwijtschelding ten laste te brengen van de heffing; bij het bepalen van de tarieven van de lokale heffingen wordt geen rekening gehouden met dotaties en onttrekkingen aan reserves; 6. de afkoopbedragen zoals opgenomen binnen de Verordening begrafenisrechten 2025 gemeente Sliedrecht worden direct in het verantwoordingsjaar als baat verantwoord. Het gevolg hiervan is dat de kostendekkendheid hierdoor positief beïnvloed wordt, dit is een consistente gedragslijn met eerdere jaren.
91
Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing Inleiding In de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing wordt ingegaan op de bestaande risico's binnen de gemeente en het vermogen om deze risico's (financieel) op te vangen op het moment dat zij zich daadwerkelijk voordoen. De relevante kaders zijn vastgelegd in de nota Weerstandsvermogen en Risicobeheersing (vastgesteld september 2020). In eerste instantie is dit verder aangescherpt met behulp van het amendement 'Algemene risicoreserve', zoals aangenomen bij de behandeling van de Begroting 2021. Met het vaststellen van de Nota Reserves en Voorzieningen (juni 2023) is de één-opéén verwerking van het amendement vervallen. De intentie van het amendement is verwerkt in de Nota Reserves en Voorzieningen. De paragraaf is onderverdeeld in vijf blokken: • • • • •
Het risicoprofiel, hier wordt ingegaan op de bestaande risico's; De weerstandscapaciteit, hier wordt bepaald wat de ruimte is om risico's op te vangen; De ratio weerstandsvermogen, hier wordt beoordeeld in hoeverre de risico's in verhouding staan tot de weerstandscapaciteit; De financiële kengetallen, hier wordt bovenstaande in een breder (vanuit het BBV) verplicht perspectief geplaatst; De reserve Koers 2030, hier wordt inzicht gegeven in de opbouw van de reserve.
Risicoprofiel Het risicoprofiel wordt bottom-up opgebouwd. Alle risico's met een ingeschatte impact van meer dan € 10.000 worden hierbij meegenomen. Per risico wordt vervolgens bepaald of het een incidenteel of een structureel risico betreft. Een structureel risico wordt voor tweeënhalf jaar opgenomen in het risicoprofiel. Er is daarmee tweeënhalf jaar (gewogen) budget gereserveerd om voor een dergelijk risico een structurele oplossing te vinden. Dit is nodig omdat de weerstandscapaciteit niet structureel kan worden aangesproken. Per risico wordt vervolgens bepaald hoe groot de kans op optreden is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vier klassen:
Dit levert per risico een bedrag op. Met behulp van zeven risico gebieden zijn deze in onderstaande tabel weergegeven:
92
Het laatste risicoprofiel van de gemeente Sliedrecht is vastgelegd in de Begroting 2026, die door de raad op 11 november 2025 definitief is vastgesteld. In de Begroting 2026 bedroeg het totale risico € 13,1 miljoen. Het risicoprofiel in deze jaarrekening is ingeschat op € 17,1 miljoen. Het totale risico is daarmee gestegen met € 4,0 miljoen. Dit is met name het gevolg van een stijging van de risico's bij projecten. Deze zijn met € 4,9 miljoen toegenomen. Dit is niet zozeer het gevolg van nieuwe risico's, maar van een betere inventarisatie. Diverse andere risico's zijn gedaald: met betrekking tot de organisatie (€ 0,3 miljoen), de algemene uitkering (€ 0,2 miljoen) en dividend en rente (€ 0,4 miljoen). Tenslotte is er één groot risico dat niet is gekwantificeerd, maar wel benoemd moet worden: steeds vaker treffen we in Sliedrecht met PFAS vervuilde grond aan. Wanneer met deze grond wordt gewerkt, ontstaan er vragen waarbij elk antwoord meer budget vraagt dan werken met schone grond. De zes risico's met het hoogste risicobedrag (omvang risico x kans op optreden) worden nader toegelicht. Hiermee wordt 88% van het totale risicobedrag verklaard. 1. Projecten, € 6.672.000 (Projectrisico's) Het succesvol uitvoeren van projecten gaat, naast het realiseren van inhoudelijke doelstellingen, over het kunnen beheersen van risico’s.
Het uitvoeren van projecten gaat inherent gepaard met risico's. Deze risico’s bestaan bijvoorbeeld uit: • • •
Risico’s die verband houden met de aard van het plan, bijvoorbeeld de aannames over noodzakelijke werkzaamheden in verband met voorbelasting; Risico’s die verband houden met het tijdstip van realisatie van het plan: veel plannen schuiven door in afwachting van betere tijden. Dit kan leiden tot hogere rentekosten en werken door in de waarde van het plan; Risico’s die verband houden met gehanteerde parameters, bijvoorbeeld indexering van prijzen en rentestanden.
2. Gemeentefonds (herijking / stelposten), € 4.012.000 (Algemene uitkering) Het grootste risico ten aanzien van het gemeentefonds is dat de herijking wordt doorgezet. Concreet gaat dit om het risico dat de suppletie-uitkering van € 3,5 miljoen op termijn wegvalt. Hiervan is in de meerjarenbegroting € 1,6 miljoen voorzien. Daarnaast wordt er een opbrengst geraamd vanuit de teruggave van het BTW-compensatiefonds en is er nog een stelpost ten aanzien van een toename van het gemeentefonds, als gevolg van de verwachting dat maatstaven hoger worden. 93
3. Dekking overhead, € 1.346.000 (Organisatierisico's) Met ingang van de begroting 2025 begroten we (structureel) dekking van overhead vanuit projecten (investeringen) en grondexploitaties. Dit betekent concreet dat een deel van de overhead als kosten wordt toegerekend aan projecten. Dit wordt gerealiseerd door middel van een opslag op het uurtarief van medewerkers die werken aan projecten. In de begroting is een inschatting gemaakt van het aantal uren dat wordt ingezet. In de werkelijkheid zal dit afwijken van de begroting. 4. Verbonden partijen, € 1.158.000 (Verbonden partijen) Er is sprake van een algemeen risico door deelname aan een gemeenschappelijke regeling. Negatieve exploitatieresultaten worden doorgelegd naar de eigenaren, de gemeenten. De totale bijdrage aan verbonden partijen bedraagt in 2026 naar verwachting € 49,4 miljoen. In het risico wordt rekening gehouden met een overschrijding van 2,5% van deze bijdrage. Dit komt bovenop het risico zoals genoemd onder 6. 5. Renterisico, € 1.016.000 (Dividend en renterisico's) De in de begroting opgenomen ambities kennen een groot liquiditeitsbeslag; er is (op termijn) veel geld nodig. Geld dat niet allemaal op de bank staat. De uiteindelijk te betalen rente is afhankelijk van twee factoren: het tempo waarmee investeringen gerealiseerd worden en de stand van de rente.
Beide factoren zijn verre van stabiel en resulteren bij elke nieuwe berekening weer in een nieuwe waarde. Wanneer de rente hoger uitvalt dan begroot (4,0% voor aan te trekken leningen) en wanneer alle investeringen conform planning worden gerealiseerd, dan ontstaan er meer rentekosten dan begroot. Op de korte termijn speelt de onzekerheid over de opbrengst die wordt gerealiseerd met overtollige kasmiddelen. 6. Jeugdzorg, € 969.000 (Verbonden partijen) Omtrent de uitvoering van de jeugdzorg spelen diverse risico's. Allereerst is er de onzekerheid over de hoeveelheid zorg die geleverd moet worden; daarnaast is er onzekerheid over de bijbehorende prijs. Daarnaast zijn er diverse inhoudelijke risico's, bijvoorbeeld wat gaat er precies gebeuren rond de invoering van de eigen bijdrage en het sturen op de trajectduur.
Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit beschrijft het vermogen om de financiële effecten van risico's die zich voordoen op te vangen. De weerstandscapaciteit bestaat (conform de Nota Weerstandsvermogen en Risicobeheersing) uit het saldo van de algemene reserve en de opgenomen post voor onvoorzien. Daarnaast wordt voor de weerstandscapaciteit in Sliedrecht 20% van de niet-benutte belastingcapaciteit en 20% van de stille reserves meegerekend. Dit resulteert in de onderstaande weerstandscapaciteit. Voor de JR2025 zijn twee vergelijkende standen opgenomen. De stand 31-12-24 betreft de één-op-één-aansluiting met het boekwerk. De stand 01-01-25 betreft de stand zoals die resulteert na de besluitvorming over de resultaatbestemming 2024. Het weerstandsvermogen per 31-12-2025 bedraagt € 17,1 miljoen.
94
1. Algemene reserve De opgenomen stand bij de JR2025 (31-12-25) bevat de feitelijke stand van de reserve (€ 10.283.000), aangevuld met het rekeningresultaat vóór bestemming (€ 4.482.000). 2. Onvoorzien Bij de jaarrekening is er geen bedrag voor onvoorzien meer beschikbaar; dat is terechtgekomen in de algemene reserve. Structureel wordt € 61.000 aan onvoorzien per jaar begroot. 3. 20% van de stille reserves Doordat bezittingen tegen historische kostprijs moeten worden opgenomen op de balans (voorschrift BBV), is er sprake van zogenoemde stille reserves. Het gevolg hiervan is dat eventuele waardeontwikkeling niet zichtbaar is (een eventuele daling wel, want die moet direct worden afgeboekt). Een voorbeeld waarbij dit duidelijk werd is de verkoop van Eneco. Strikt gezien werd de gemeente hiervan niet rijker. Iets wat eigendom was van de gemeente (met de bijbehorende waarde) werd omgezet in geld. We onderkennen twee stille reserves: allereerst in het vastgoedbezit (€ 1,3 miljoen) en ten tweede in het aandelenbezit (€ 0,5 miljoen). Gezamenlijk resulteren deze stille reserves in een weerstandscapaciteit van € 1,8 miljoen.
Stille reserve vastgoed
Op vastgoed is een verschil te maken tussen vastgoed waarvoor een, wat de omvang betreft, redelijke markt is zoals voor woningen en kantoren, en vastgoed waarvoor een beperkte markt is zoals voor zwembaden en sportvoorzieningen. Voor de inschatting van de stille reserve vastgoed kan een vergelijking worden gemaakt tussen de WOZ-waarde en de boekwaarde. Hierbij is de WOZ waarde voor het vastgoed waarvoor een beperkte markt is, uit voorzichtigheidsprincipe uitgegaan van een executiewaarde van 70% van de WOZ-waarde. Uit deze vergelijking volgt een stille reserve van € 6,7 miljoen, waarvan 20% is opgenomen in de weerstandscapaciteit (€ 1,3 miljoen).
Stille reserve aandelen
De gemeente bezit aandelen van de Bank Nederlandse Gemeenten, ROM-D, Oasen en Stedin. De aandelen BNG kennen volgens het jaarverslag 2025 van de BNG een waarde van afgerond € 81,77 per aandeel. Uitgaande van deze waarde bestaat een stille reserve in de aandelen BNG van afgerond € 2,5 miljoen, waarvan € 0,5 miljoen is opgenomen in de weerstandscapaciteit. 4. 20% van de onbenutte belastingcapaciteit De wijze waarop het gemoeide bedrag van de onbenutte belastingcapaciteit moet worden bepaald, is beschreven in de regelgeving omtrent een eventuele artikel-12-status van een gemeente. Om hiervoor in aanmerking te komen moet de OZB-opbrengst eerst worden verhoogd tot 120% van het landelijk gemiddelde. Het bepalen van de onbenutte belastingcapaciteit betreft een complexe berekening, die voor Sliedrecht resulteert in een bedrag van € 2,8 miljoen. Dit resulteert in een weerstandscapaciteit van € 0,6 miljoen.
Ratio weerstandsvermogen Om te bepalen hoe de verhouding is tussen de benodigde weerstandscapaciteit en de beschikbare weerstandscapaciteit, wordt de ratio voor het weerstandsvermogen (weerstandsratio) gebruikt. De weerstandsratio wordt berekend door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de benodigde weerstandscapaciteit. Als streefwaarde ten aanzien van het weerstandsvermogen hanteert Sliedrecht een ratio van minimaal 1,0. Daarmee is voldoende dekking voor het totale risicoprofiel aanwezig en wordt niet onnodig beslag gelegd op middelen die voor de beleidsdoelstellingen kunnen worden ingezet. De berekening van de ratio weerstandsvermogen ziet er als volgt uit:
95
De ratio is ten opzichte van de Begroting 2026 verbeterd. Inclusief het rekeningresultaat is de ratio 1,25. Wanneer (conform bestemmingsvoorstel) wordt besloten het totale resultaat niet te storten in de algemene reserve, daalt deze tot 0,93, wat nog altijd marginaal hoger is dan de 0,90 bij de B2026. De bepaling van de weerstandsratio is per definitie gebonden aan een moment in de tijd. Het is daarom relevant om, naast de stand op een moment, ook zicht te hebben op het verloop vanuit het verleden naar de toekomst. In onderstaande tabel wordt dit in beeld gebracht:
De grafiek bevat veel lijnen, waarbij de twee belangrijkste conclusies zijn: •
De beschikbare weerstandscapaciteit (oranje lijn) ligt boven de benodigde weerstandscapaciteit (blauwe lijn). De blauwe lijn wordt bepaald door het opgestelde risicoprofiel. Wanneer wordt besloten het resultaat anders te bestemmen dan de algemene reserve, dan zal de oranje lijn lager komen te liggen, maar ook dan blijft deze boven de blauwe lijn. 96
•
De stand van de algemene reserve ligt bij de jaarrekening 2025 op het niveau van de ondergrens. Naar de toekomst toe daalt de AR onder de benodigde grens. Dit is met name het gevolg van de herijking van de risico's bij de grondexploitaties. Dit verdient nadere aandacht, mede omdat potentiële winsten in grondexploitaties niet worden gebruikt om risico's af te dekken. Er lijkt hiermee sprake van dubbele dekking voor de geïdentificeerde risico's.
Financiële kengetallen In de P&C-documenten moet een gemeente verplicht ingaan op de financiële kengetallen. Deze kengetallen geven een beeld van de financiële situatie waarin een gemeente zich bevindt. Het betreft de volgende kengetallen: netto schuldquote, solvabiliteitsratio, grondexploitatie, structurele exploitatieruimte en de gemeentelijke belastingcapaciteit. De netto schuldquote is de netto schuld als aandeel van de inkomsten. Het geeft aan of een gemeente investeringsruimte heeft. Het zegt daarnaast iets over de flexibiliteit van de begroting: veel schulden en kapitaallasten leiden tot een inflexibele begroting. Een netto schuldquote tussen de 90% en 130% wordt gezien als voldoende. Een lagere netto schuldquote dan 90% wordt gezien als goed. De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen op langere termijn te voldoen. Het geeft de verhouding weer tussen het eigen vermogen en het totale vermogen. Een percentage van 20% tot 50% wordt als voldoende gezien. Het kengetal grondexploitatie geeft een indicatie van de verhouding tussen de in exploitatie genomen gronden en de totale baten. Het geeft een indicatie of een gemeente veel geld in grond heeft geïnvesteerd, geld dat in de toekomst moet worden terugverdiend. Een kengetal grondexploitatie lager dan 20% wordt gezien als goed.
De structurele exploitatieruimte geeft weer hoe groot de structurele vrije ruimte binnen de jaarrekening is. Een kengetal groter dan 0 duidt op structurele ruimte. De belastingcapaciteit maakt inzichtelijk welke mogelijkheden de gemeente heeft om hogere baten te genereren. Dit kengetal geeft weer hoe de belastingdruk zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde. De woonlasten van een gezin met gemiddelde WOZ-waarde worden afgezet tegen het landelijk gemiddelde. Is het kengetal lager dan 100%, dan zijn de woonlasten lager dan gemiddeld in Nederland. Het verschil tussen het kengetal en 100% geeft de ruimte aan om de belastingen te verhogen tot het gemiddelde. In onderstaande tabel is dit schematisch weergegeven:
Bij de Jaarrekening 2025 horen de volgende financiële kengetallen:
97
Beschouwing financiële kengetallen
Eén kengetal in een enkel jaar geeft op zichzelf nog niet veel informatie. De kengetallen moeten vooral in samenhang worden gezien en naast de stand op een bepaald moment is vooral het verloop relevant om te bepalen welke ontwikkelingen spelen.
Netto schuldquote:
De waarde van de netto schuldquote valt in categorie A. De ambities uit Koers 2030 vragen forse investeringen; dit is terug te zien in het oplopen van de netto schuldquote. De werkelijkheid (JR2025) loopt hierbij achter op de verwachting (B2025).
Solvabiliteitsratio:
De feitelijke solvabiliteitsratio is constant. Wanneer geplande investeringen worden uitgevoerd, zal deze gaan dalen.
Grondexploitatie:
Dit kengetal valt in categorie A. De grondexploitaties vormen een zeer beperkt geheel ten opzichte van de totale exploitatie.
Gemeentelijke belastingcapaciteit
De vrije belastingcapaciteit is met 2% toegenomen ten opzichte van de Jaarrekening 2024. Dit impliceert dat er meer afstand is ontstaan ten opzichte van het landelijke gemiddelde
Structurele exploitatieruimte
De structurele exploitatie ruimte bedraagt 5,17%. Dit wordt allereerst veroorzaakt door het resultaat dat is gerealiseerd, dit doet zich voor op budgetten die een structureel karakter hebben.
Koers 2030 Een volledig zicht op het vermogen is niet compleet zonder inzicht in de reserve Koers 2030. De reserve Koers 2030 is bedoeld om doelen uit Koers 2030 te kunnen realiseren. Inzet vindt plaats voor specifiek goedgekeurde projecten dan wel programma's.
98
In onderstaande tabel zijn de nog niet verdeelde middelen toegedeeld aan de gereserveerde bestemmingen. Wanneer de bedragen op een regel muteren, is er reeds een raadsbesluit over de opgenomen mutaties en is het college bevoegd de middelen uit te geven.
Tenslotte is in onderstaande tabel weergegeven hoe de middelen vanuit Koers 2030 (tot en met 2022 vanuit de reserve Verkoop aandelen Eneco) zijn ingezet:
99
100