CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 - toelichting en regels ontwerpplan.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 12 mei 2026, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Wijziging omgevingsplan blok B Burgemeester Winklerplein30.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Conclusie

Met inachtneming van bovenstaande is vanuit het aspect omgevingsveiligheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1

Toetsingskader

De Omgevingswet streeft naar een evenwichtige benadering van het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, met specifieke aandacht voor diverse belangen, waaronder cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Deze wet, in combinatie met de Omgevingswet, biedt een allesomvattende bescherming van het cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed, inclusief werelderfgoed. Dit vereist een grondige inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen, gevolgd door het opnemen van een passend beschermingsregime in het omgevingsplan. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen2: •

Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed).

•

Archeologische monumenten.

•

Stads- en dorpsgezichten.

•

Cultuurlandschappen.

•

Roerend en immaterieel erfgoed.

Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om deze elementen te beschermen via hun omgevingsplannen. Een cruciale overweging hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed zich binnen hun grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke specifieke elementen men wil (of moet) beschermen. Hierbij dienen de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (met betrekking tot rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht te worden genomen. Provincies en gemeenten krijgen hierbij ondersteuning van specialisten van zowel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries dragen bij aan de ontwikkeling van de wet en de daarbij behorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en leveren kennis en informatie voor andere overheidsinstanties.

2

https://www.cultureelerfgoed.nl/binaries/cultureelerfgoed/documenten/publicaties/2020/01/01/handreiking-begrippenkader-cultureel-erfgoed-onder-deomgevingswet/Handreiking-Begrippenkader-cultureel-erfgoed-onder-Omgevingswet-2022.pdf

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

49

De wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland is vastgelegd in het Bkl, Bal, en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen. Op basis hiervan is het verplicht om bij de afweging van belangen de vijf elementen van cultureel erfgoed in overweging te nemen. Voor de bescherming van het landschap in Nederland is het Europees landschapsverdrag van toepassing. Dit verdrag erkent de landschappen als integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Volgens artikel 1.2, lid 1, sub g van de Omgevingswet worden ‘landschappen’ officieel aangemerkt als onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het beleid met betrekking tot landschappen kan worden vastgelegd in een omgevingsvisie door het Rijk, de provincie of de gemeente. Sommige landschapswaarden zijn ook verankerd in instructieregels van het Bkl. Een voorbeeld hiervan is te vinden in artikel 5.129 van het Bkl, waar een instructieregel is opgenomen met betrekking tot het behoud van het uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld betreft de instructieregel over het cultureel erfgoed, waarbij onder andere de bescherming van cultuurlandschappen wordt benadrukt. Overheden dienen ook rekening te houden met landschappelijke kwaliteit bij het toewijzen van functies aan locaties, zoals bepaald in artikel 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet. 4.10.2

Onderzoek

Archeologie De gemeente Sliedrecht heeft momenteel geen eigen archeologisch beleid geformuleerd. Om die reden is het archeologische beleid van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd. Conform de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Zuid-Holland kent het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde (zie figuur 4.4). Er is een kleine kans op archeologische sporen. De beoogde ontwikkeling vormt daarmee geen bedreiging voor archeologische waarden.

Figuur 4.4 Archeologische waardenkaart, provincie Zuid-Holland

Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische kaart (CHW kaart) van de provincie Zuid-Holland zijn erin en nabij het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen gelegen. In figuur 4.5 is een uitsnede van de CHW kaart opgenomen. Hierop is te zien dat in de omgeving geen monumenten, lijnen, structuren of elementen liggen

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

50

van cultuurhistorische aard waar dit project effect op heeft. Het onderdeel cultuurhistorie zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Figuur 4.5: Uitsnede CHW kaart Zuid-Holland

4.10.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Bodem

4.11.1

Toetsingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie (artikel

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

51

5.89p Bkl). Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen (artikel 5.89o Bkl). 4.11.2

Onderzoek

De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste ontwikkeling. Met het planvoornemen is namelijk sprake van de ontwikkeling van een bodemgevoelig gebouw. Het uitgangspunt is dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling middels een bodemonderzoek wordt aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de te realiseren activiteit en dat sprake is van een uitvoerbaar plan. Vooronderzoek Er is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem conform NEN 5725 uitgevoerd in voorbereiding op de ontwikkeling van het appartementencomplex. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 10, onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen opgenomen. Het doel van het vooronderzoek is het vaststellen of er sprake is of is geweest van potentieel bodemverontreinigende activiteiten op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie en of hierdoor aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn om de werkzaamheden uit te voeren. Uit de bestudeerde informatie blijkt dat er, voor zover bekend, op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie verschillende bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Daarbij zijn hooguit licht verhoogde gehalten c.q. concentraties gemeten. Een significante verontreiniging valt daarmee niet te verwachten binnen de onderzoekslocatie. Bij toekomstig grondverzet dient de af te voeren grond onderzocht te worden op PFAS.

Dit kan meegenomen worden in de dan noodzakelijk partijkeuring (AP-04). PFAS onderzoek op voorhand is daarmee niet noodzakelijk. Op het maaiveld is puin aangetroffen. Tijdens eerdere onderzoeken is ook in de bodem puin aangetroffen, zowel binnen als direct buiten de huidige onderzoekslocatie. Binnen de huidige onderzoekslocatie is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en buiten de huidige onderzoekslocatie zijn analytisch geen asbestverontreinigingen (>100 mg/kg d.s.) aangetoond. Daarmee wordt binnen de huidige onderzoekslocatie geen asbestverontreiniging verwacht. Asbestonderzoek wordt om die reden niet noodzakelijk geacht. Verder wordt opgemerkt dat de grondwaterstand wisselt tussen 0,8 en 1,5 m-mv. Hier moet rekening mee worden gehouden tijdens de werkzaamheden. In het grondwater zijn over het algemeen licht verhoogde concentraties aan met name zware metalen aangetroffen. Met betrekking tot het grondwater is geen aanvullende veiligheidsklasse van toepassing. Wel moet in dat geval rekening worden gehouden met maatregelen ter verlaging van de grondwaterstand. Tot slot wordt opgemerkt dat in 2016 is geadviseerd om rekening te houden met een verhoogd gehalte aan PAK en een ondoordringbare laag, deze bevinden zich buiten het huidige plangebied en dus niet van toepassing op onderhavige onderzoekslocatie.

Wat betreft de gedempte sloot is met het latere onderzoek uit 2022 voldoende mate vastgesteld dat de demping welke zich binnen de huidige onderzoekslocatie bevindt niet significant verontreinigd is. De bodemkwaliteit komt overeen met de kwaliteit van de overige bodemlagen. Verder onderzoek ter plaatse van de demping wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

52

Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aanvullend geldt het advies om bij toekomstige graafwerkzaamheden continue aandacht te besteden aan eventuele niet eerder aangetoonde bodemverontreiniging. Indien het vermoeden van bodemverontreiniging bestaat wordt geadviseerd om de werkzaamheden op dat terreindeel te staken en bodemonderzoek uit te voeren. Verkennend onderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese onverdacht voor bodemverontreiniging dient te worden verworpen. Dit naar aanleiding van de aangetroffen lichte verontreiniging met zware metalen, PCB en /of PAK. Deze verontreiniging geeft geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Er is geen milieukundige begeleiding nodig bij de graafwerkzaamheden. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik (nieuwbouwwoningen en parkeerplaats). Op basis van de verkregen onderzoeksgegevens geldt ter plaatse van onderhavige locatie bij graafwerkzaamheden in het traject van 0-1 m-mv geen veiligheidsklasse. De regels voor Basishygiëne zijn van toepassing. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek of (sanerings-)maatregelen.

Bij de geplande nieuwbouw op de locatie zal er waarschijnlijk meer dan 25 m3 aan grondverzet nodig zijn, zodat er een melding van een milieubelastende activiteit (MBA) via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) nodig zal zijn. Het zal dan gaan om de melding ‘graven in grond met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (graven <I). Bij ontgraving en afvoer van grond dient conform het Besluit bodemkwaliteit grond van verschillende bodemkwaliteitsklassen en/of texturen zoveel mogelijk gescheiden te worden ontgraven. Om vermenging van verschillende kwaliteiten te voorkomen is het aan te bevelen om voorafgaand aan graafwerkzaamheden - vanaf een volume van 25 m3 – een ontgravingsplan op te stellen. Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklas 4.11.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Weging van het waterbelang

4.12.1

Toetsingskader

Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Bkl artikel 5.37, lid 1, een “weging van het waterbelang” uit te voeren. Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers nagaan of hun ruimtelijk plan voldoende rekening houdt met de waterbelangen. 4.12.2

Onderzoek

Om de waterbelangen in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld te hebben is in de Omgevingswet opgenomen dat een weging van het waterbelang moet plaatsvinden. In het kader van het toetsingsproces worden

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

53

hierbij de relevante en beschikbare wateraspecten bekeken. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 11. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. De ontwikkeling op de locatie heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 1.897 m2, zie tabel 4.4. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd.

Tabel 4.4 Verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie

Ter plaatse van de onderzoekslocatie dient 414 m2 nieuw wateroppervlak gerealiseerd te worden, uitgaande van een T=10 bui (436 m³/ha) met een maximale peilstijging van 0.2 m (1.897 x 0,0436 / 0,2 = 414 m2). Deze vuistregel is alleen van toepassing als de nieuw aan te leggen waterberging wordt uitgevoerd in de vorm van open water. Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi’s of ondergrondse infiltratiekratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Het plangebied is centraal gelegen in een verstedelijkt gebied zonder oppervlaktewater in de directe omgeving. Het huidige ontwerpplan biedt slechts beperkte ruimte voor de aanleg van nieuw open water. De hoge grondwaterstand en de lokale kweldruk zorgen ervoor dat ondergrondse voorzieningen, zoals infiltratiekratten of lavastenen, weinig effect zullen hebben. Voor de verwerking van hemelwater blijven derhalve de volgende opties over: •

Groene daken: indien sprake is van platte daken, deze zoveel mogelijk als groendak uitvoeren, eventueel in combinatie met gevelbegroeiing.

•

Buitenplanse berging: de bergingsopgave buiten het plangebied en bovenstrooms compenseren. Hiervoor zal grond van derden moeten worden aangekocht.

•

Aansluiting op hemelwaterriool: het afvoeren van hemelwater via het aanwezige hemelwaterriool, Hiervoor is goedkeuring vereist van de bevoegde gezagen. Hemelwater mag niet aangesloten worden op het vuilwaterstelsel.

Om een ontwateringsdiepte te bereiken van 0,7 m zal het plangebied circa 0,5 meter moeten worden opgehoogd. Ten gevolge van het ophogen mag geen wateroverlast ontstaan ter plaatse van de aangrenzende percelen. De mogelijke oplossingsrichtingen vergen extra tijd om uitgewerkt te worden. Dit hoeft echter geen vertraging op te leveren voor de wijziging van het omgevingsplan. In overleg met de gemeente is besloten dat het voldoen aan de bergingsopgave als voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen in de regels van het TAM

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

54

omgevingsplan. De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit en het verharden van het terrein wordt verleend nadat de benodigde compenserende maatregelen zijn getroffen en deze voldoen aan de normen van het waterschap. Concreet betekent dit dat de uiteindelijke oplossingsrichting in samenspraak met Waterschap Rivierenland zal worden uitgewerkt en door het waterschap geaccordeerd moet worden. 4.12.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect weging van het waterbelang is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorwaardelijke verplichting in de regels zorgt dat voldoende waterberging gerealiseerd zal worden.

4.13

Natuur en landschap

4.13.1

Toetsingskader

Met ingang van 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. Onder artikel 5.1, lid 1 Omgevingswet is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een natura 2000-activiteit te verrichten. Tevens is onder artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. In het Bkl staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bkl). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). Natura2000-gebieden Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een natura 2000-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn.

Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Omgevingswet). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Bkl). Stikstof Stikstofemissie betreft de uitstoot van stikstof, afkomstig van bijvoorbeeld verkeer, energiecentrales en industriële activiteiten. Stikstofdepositie is de neerslag van stikstof op de grond. Met name voor de natuur vormt dit een uitdaging, omdat het de bodem verrijkt met voedingsstoffen, wat nadelig is voor de biodiversiteit in het betreffende gebied. Het behoud van alle planten- en diersoorten vereist zowel voedingsrijke als voedingsarme bodems. Wanneer een project zich nabij een Natura 2000-gebied bevindt en potentieel significante stikstofuitstoot en -depositie kan veroorzaken, is het verplicht een stikstofberekening uit te voeren (voor de bouw- en/of gebruiksfase) met behulp van het rekeninstrument AERIUS. In artikel 4.15 van de Omgevingsregeling staat deze methode vermeld voor het berekenen van stikstofdepositie bij Natura 2000-activiteiten. Om het project te kunnen uitvoeren, mogen de berekende resultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.

Wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan, kunnen negatieve significante effecten op het betreffende Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten, waardoor het project op basis daarvan kan worden voortgezet.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

55

Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden mogen alleen plaatsvinden indien ze geen nadelige effecten hebben op de essentiële kenmerken of waarden van het gebied, of als dergelijke effecten kunnen worden voorkomen of verminderd door het implementeren van mitigerende maatregelen. Houtopstanden en soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bkl. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bkl) en herplantplicht (art. 11.129 Bkl) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten 'bebouwingscontour houtkap'. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl).

Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bkl) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bkl);

•

omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bkl);

•

omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bkl).

Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bkl, schadelijke handelingen Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bkl en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bkl. 4.13.2

Onderzoek

Natura2000 – Stikstof en ecologische voortoets Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is ‘Biesbosch’, gelegen op circa 900 meter ten zuiden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van o.a. woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Voor de volledige Notitie stikstof en de bijbehorende stikstofdepositieberekeningen wordt verwezen naar bijlage 12 bij deze ruimtelijke motivering. Hieruit blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 49,6 kg per jaar en in de aanlegfase 36,5 kg per jaar bedraagt. De berekening met de AERIUS calculator laat zien dat er in de aanlegfase en in de gebruiksfase sprake is van een beperkte depositie op de Natura 2000-gebied De Biesbosch (andere gebieden worden niet getroffen).

Om die reden is een ecologische voortoets opgesteld welke aan bijlage 12 is toegevoegd. De conclusies van de voortoets zijn hierna samengevat.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

56

Op basis van de criteria die worden gehandhaafd in de Handreiking Voortoets Stikstof (BIJ12, 2021) kunnen de volgende conclusies worden getrokken. 1. Er is sprake van stikstofdepositie en er is een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde op een aantal hexagonen. Voor de getroffen leefgebieden LG08 is in de aanlegfase geen sprake van een overschrijding van de KDW door de hoge achtergronddepositie. Op basis van criterium 1 kunnen significant negatieve effecten daarom voor LG08 in de aanlegfase worden uitgesloten. Voor LG08 in de gebruiksfase en LG11 in zowel de aanleg- als gebruiksfase kunnen significant negatieve effecten niet worden uitgesloten. 2. Er is geen sprake van stikstofdepositie op alleen een leefgebied van een soort en de soort komt niet voor of er gelden geen uitbreidingsdoelstellingen voor de soort. De doelsoort voor leefgebieden LG08 en LG11 is de bruine kiekendief. De doelstelling voor deze soort in de Biesbosch is behoud van de omvang en kwaliteit van de leefomgeving. Er zijn geen uitbreidings-doelstellingen vastgesteld. Daarom kan op basis van criterium 2 voor beide leefomgevingen significant negatieve effecten worden uitgesloten. 3. Er is sprake van een overschrijding van de KDW op een zeer klein oppervlak. Dit oppervlak is echter niet kleiner dan het minimumoppervlak van de betreffende habitat.

Aan dit criterium 3 wordt niet voldaan omdat het getroffen oppervlak groter is dan het minimumoppervlak van 0,01 hectare per leefgebied. Op basis van dit criterium kunnen significante effecten daarom niet worden uitgesloten. 4. Er is sprake van stikstofdepositie op alleen stikstofgevoelig leefgebied, maar stikstofdepositie is geen knelpunt voor dit leefgebied. Voor de leefgebieden LG08 en LG11 zijn geen knelpunten vastgesteld. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat stikstof een knelpunt vormt voor de leefgebieden LG08 en LG11 waardoor significante negatieve effecten van stikstof op LG08 en LG11 kunnen worden uitgesloten. 5. Er is sprake van stikstofdepositie maar er staat vast dat de instandhoudingsdoelstellingen van een soort/habitattype niet in het geding komt door stikstofdepositie. Uit deze voortoets blijkt dat stikstof geen knelpunt is voor de aangewezen doelsoort, de bruine kiekendief voor LG08 en LG11. De instandhoudingsdoelstellingen komen daarom ook niet in het geding. Significant negatieve effecten van stikstofdepositie op deze soort kan daarom op voorhand worden uitgesloten. 6. Er is sprake van stikstofdepositie en dit is tijdelijk of binnen de norm (0,05 mol/hectare/jaar gedurende twee jaar) Dit criterium wordt niet meer gehanteerd door het bevoegd gezag. 7. Er is stikstofdepositie maar het habitat- en/of leefgebied type komt feitelijk niet voor.

Dit criterium blijkt niet van toepassing. Samenvattend, voor de getroffen hexagonen/habitattypen kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten aan de hand van een aantal criteria genoemd in de handreiking voortoets stikstof. Een passende beoordeling is niet nodig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 600 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden en soortenbescherming

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

57

Binnen het projectgebied zijn geen (onderdelen van ) houtopstanden aanwezig. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden is niet aan de orde. In het verleden is onderzoek gedaan naar flora en fauna ten behoeve van de destijds te slopen woningen en apotheek. Uit dat onderzoek bleek dat er een ontheffing nodig was van om te mogen slopen. Die ontheffing is verleend, waarna de woningen en de apotheek zijn gesloopt. Momenteel is er sprake van een braakliggend terrein in het centrum van Sliedrecht. De verleende ontheffing is als bijlage 15 bij deze motivering opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling zal geen negatieve effecten hebben op beschermde soorten. In het kader van dit TAM-omgevingsplan is nader onderzoek niet nodig. Voorafgaande aan de start van de werkzaamheden zal nog een inspectie plaatsvinden in het plangebied. Op die manier worden de juiste zorgplichtmaatregelen genomen. 4.13.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect natuur en landschap is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14

Geur

4.14.1

Toetsingskader

Er bestaan diverse sectoren en activiteiten waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Om geurhinder en gezondheidsschade te voorkomen, zijn in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl instructieregels voor geur door het Rijk opgesteld. Het rekening houden met geur werkt twee kanten op: •

bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;

•

bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

In artikel 5.91 zijn geurgevoelige gebouwen aangewezen die beschermd moeten worden. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. De gemeente moet daarmee in het omgevingsplan rekening houden (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Voor deze gebouwen zijn specifieke beoordelingsregels aan geurbelasting gesteld. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor milieubelastende activiteiten staan in artikel 8.20 van afdeling 8.5 van het Bkl. Het bevoegd gezag gebruikt in beide gevallen de beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. Voor overige gebouwen en/of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. 4.14.2

Onderzoek

Het projectgebied is centraal in de kern Sliedrecht gelegen. Rondom de planlocatie zijn diverse andere geurgevoelige gebouwen gelegen. In de omgeving van het projectgebied zijn er geen veehouderijen die een negatieve invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat wat betreft het aspect geur. Vice versa zijn er ook geen veehouderijen die in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de beoogde woningen en ook geen andere zuiveringstechnische werken en andere agrarische activiteiten. 4.14.3

Conclusie

Gezien vanuit het aspect geur kan worden gesteld dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

58

4.15

Kabels en leidingen

4.15.1

Toetsingskader

Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Niettemin kunnen sommige ondergrondse leidingen en bovengrondse hoogspanningslijnen een potentieel risico vormen voor de omgeving. De Omgevingswet bevat daarom specifieke regels en instrumenten om dergelijke risico's te voorkomen en te beperken. Zo adviseert het Rijk aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van gevoelige gebouwen, zoals woningen, bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen rekening te houden met de magneetvelden 3. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Voor de regeling omtrent buisleidingen wordt verwezen naar paragraaf 4.5 ‘Omgevingsveiligheid’. 4.15.2

Onderzoek

Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) kan achterhaald worden of het projectgebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen4. Uit deze kaart volgt dat er in de nabije omgeving van het projectgebied geen hoogspanningslijnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde 150 kV hoogspanningslijn (Papendrecht - Arkel) bevindt zich op een afstand van circa 1,65 kilometer van het projectgebied. Uit de Netkaart volgt dat ten aanzien van deze hoogspanningslijn kan worden uitgegaan van een magneetveldzone van 40 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Het projectgebied valt ruimschoots buiten deze magneetveldzone. De dichtstbijzijnde 380 kV hoogspanningslijn (Krimpen – Geertruidenberg) bevindt zich op een afstand van circa 1,7 kilometer van het projectgebied. Uit de Netkaart volgt dat ten aanzien van deze hoogspanningslijn kan worden uitgegaan van een magneetveldzone van 110 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Het projectgebied valt ruimschoots buiten deze magneetveldzone. Verder zijn in het projectgebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die bescherming behoeven. 4.15.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.16

Trilling

4.16.1

Toetsingskader

Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen:

3 4

https://iplo.nl/thema/praktijksituaties/hoogspanningsverbinding/toelaten/toelaten-gevoelige-gebouwen/ https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/netkaart

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

59

•

continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer);

•

herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).

Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren. In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan 5. Omgevingsvisie Provincies en gemeenten kunnen langetermijndoelen, ambities en beleidskeuzes voor trillingen vastleggen in een omgevingsvisie. De omgevingsvisie geeft een beschrijving van hoe het onderwerp trillingen doorwerkt in bijvoorbeeld plannen voor een woningbouwproject. Trillingen spelen over het algemeen geen prominente rol in een omgevingsvisie. Dat is wel het geval wanneer in het projectgebied van de omgevingsvisie een spoor aanwezig is of wordt aangelegd. De omgevingsvisie is dan een geschikt instrument om vast te leggen dat bij nieuwbouw vroegtijdig rekening wordt gehouden met hinder door spoortrillingen. Omgevingsplan Het aspect trilling is vooral een lokaal probleem.

Gemeenten mogen zelf regels stellen over trilling door milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan. Hiervoor gelden de instructieregels over (continue en herhaald voorkomende) trillingen door activiteiten op trilling gevoelige gebouwen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.4). De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor: •

het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan;

• •

het op een locatie toelaten van een trilling gevoelig gebouw en het aanpassen daarvan; een combinatie van beide.

Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw in een frequentie van 1 tot 80 Hz. Er zijn ook activiteiten die uitgezonderd zijn van de instructieregels: •

trilling gevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79, lid 2, onder a, Bkl);

•

de activiteit wonen;

•

verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

In het omgevingsplan leggen gemeenten vast welke trillingen door een activiteit in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Bkl). 4.16.2

Onderzoek

Het planvoornemen maakt een trilling gevoelig gebouw mogelijk, namelijk een appartementencomplex. Het is van belang dat de bewoners geen hinder ervaren van trilling door de omgeving.

5

https://iplo.nl/thema/trillingen/trillingen-instrumenten/omgevingsplan/nieuwbouw-langs-spoor/

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

60

Uit een analyse is gebleken dat er geen bedrijven zijn gelegen in de nabije omgeving met continue of herhaald voorkomende trillingen door een activiteit, waar het gebouw hinder van kan ervaren. Tevens zijn er al diverse woonbestemmingen rondom het projectgebied gelegen. Ook is er geen treinspoor in de directe omgeving van het projectgebied gelegen. Het dichtstbijzijnde spoor ligt op een afstand van circa 700 meter. Gezien het projectgebied buiten het onderzoeksgebied van 100 meter en 250 meter valt, kan hinder door trillingen van het treinverkeer worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.16.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.17

Gezondheid

4.17.1

Toetsingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen.

Volgens artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het waarborgen van gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag ook het belang van gezondheidsbevordering in overweging nemen. Een fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben wanneer deze uitnodigt tot gezond gedrag, mensen aanspoort tot meer bewegen, gezonder eten en sociale interactie. Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5.1.4). Deze randvoorwaarden worden geïntegreerd in het omgevingsplan. 4.17.2

Onderzoek

De ontwikkeling van een appartementencomplex met 55 appartementen en commerciële functies in de plint op een braakliggend terrein in het centrum van Sliedrecht draagt positief bij aan het aspect gezondheid binnen de fysieke leefomgeving. In het inrichtingsplan wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de inpas-

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

61

sing van groen binnen het projectgebied, denk aan halfverharding en groenelementen tussen de parkeerplaatsen. Een groene leefomgeving is niet alleen gunstig voor welzijn en gezondheid van bewoners. Groen kan zorgen voor waterafvoer door de afwezigheid van bestrating, voor waterberging en verkoeling. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid zouden kunnen veroorzaken. Andere milieuaspecten, die nauw verbonden zijn met gezondheid (zoals geluid en luchtkwaliteit) en in deze ruimtelijke motivering aan bod komen, bevestigen dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. 4.17.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

62

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Deze wijziging van het omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien. De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd. Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van artikel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten voor de grondexploitatie meegenomen inclusief eventuele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van kostenverhaalsregels in het omgevingsplan is dus niet noodzakelijk. Niet is gebleken dat de projectontwikkelaar over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge financiële risico's. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan voldoende geborgd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren. Daarnaast is in de wet bepaalde dat de gemeente een kennisgeving van het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan moet publiceren (artikel 16.29 Omgevingswet). 5.2.1

Participatie

De gemeente Sliedrecht beschikt over een participatiebeleid (d.d. 11 augustus 2023 ) namelijk De Sliedrechtse participatieleidraad. De gemeente vindt het belangrijk dat wanneer er iets veranderd in de fysieke leefomgeving de omgeving hierbij wordt betrokken. Een goed initiatief vraagt om samenwerking en afstemming met inwoners, ondernemers, overheid en andere organisaties. Dit noemen we participatie. Initiatiefnemer heeft de omgeving geïnformeerd over de plannen. In de bijlagen bij deze motivering is een participatieverslag opgenomen. In de Sliedrechtse Participatie leidraad is aangegeven dat bij het “niveau” informeren het van belang is dat betrokkenen vroegtijdig op de hoogte van het initiatief zijn en dat inspanning verricht zijn om alle betrokkenen te bereiken. Inititiatiefnemer heeft ruim 350 flyers verspreid in de directe omgeving van het plan. Ook zijn de 750 geïnteresseerden die zich in de loop van de jaren hebben aangemeld op de website van ABB, uitgenodigd. Verder is via de gemeente de winkeliersvereniging en Tablis wonen geïnformeerd. En tenslotte is een week voor de participatieavond ook nog een advertentie geplaatst in “Het Kompas” en heeft er een bericht gestaan op de website Sliedrecht24. Tijdens de participatieavond op 15 oktober 2025 in de Lockhorst hebben ca 250 genodigden/ geïnteresseerden de avond bezocht.

Verreweg het grootste deel van de aanwezigen was positief over het plan (“hoe sneller de woningen er komen, hoe beter”). Er is positief gereageerd op het feit dat er ook wat bedrijvigheid in de

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

63

plint is voorzien, de gepresenteerde plattegronden en dat het gebouw bijna 7 meter naar het Noorden is opgeschoven (was een aandachtspunt uit eerdere participatie). Een aantal belangstellenden die in de directe omgeving van het plan wonen, waren wat kritischer. Hun zorgen betroffen de wijziging van de rijrichting in de Antonie van Leeuwenstraat, een uitrit van het parkeerterrein op die zelfde Antonie van Leeuwenstraat, het bezoekers-parkeren en schaduwwerking van de nieuwbouw op omliggende woningen. Daarnaast was er de nodige scepsis over de vraag of er nu écht iets gaat gebeuren. Op basis van de reactie is nog kritisch gekeken naar het parkeerterrein en de rijrichting op de Antonie van Leeuwenstraat. Ook zijn een aantal andere ingrepen in de openbare ruimte van tekening afgehaald. Eventuele maatregelen in de openbare ruimte zal de gemeente in een later stadium uitwerken en met ondernemers en bewoners afstemmen. Voor meer informatie wordt verwezen naar het verslag in de bijlagen. 5.2.2

Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg in het concept omgevingsplan gedeeld met de vooroverlegpartners, te weten het waterschap, de provincie, de veiligheidsregio en de GGD. Daarnaast is het plan intern rondgestuurd binnen de gemeente en de omgevingsdienst. Er zijn reacties gegeven op verschillende aspecten, waarop het plan vervolgens is aangevuld/aangepast. Dit heeft er ook toe geleid dat sommige onderzoeken in de bijlagen een update hebben gekregen. Het gaat onder andere om extra motivering rondom de provinciale omgevingsverordening en de onderzoeken naar water, geluid, omgevingsveiligheid, luchtkwaliteit, stikstof en parkeren. 5.2.3

Procedure

Afdeling 3.4 Awb is van toepassing op de voorbereiding van een (nieuw of gewijzigd) omgevingsplan. Het college van burgemeester en wethouders heeft in het kader van de coördinatieprocedure volgens afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht de ontwerpwijziging van het omgevingsplan (TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht) en de ontwerpomgevingsvergunning voor de ontwikkeling Burgemeester Winklerplein te Sliedrecht van 19 december 2025 tot en met 30 januari 2026 ter inzage gelegd. Binnen deze termijn zijn vier zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn ontvankelijk. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien. Voor de volledige Nota beantwoording zienswijzen wordt verwezen naar bijlage 20. Het omgevingsplan wordt vervolgens, na het doorvoeren van aanpassingen, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Tegen het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van het omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

64

6

Juridische planopzet

6.1

Algemene opzet

6.1.1

Inleiding

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch mogelijk maken van de gebiedsontwikkeling Windroos Blok B te Sliedrecht. Met beoogd planvoornemen, dat in hoofdstuk 3 uitvoerig is beschreven, wordt de locatie ontwikkelt tot woongebied met beperkte commerciële ruimten. De huidige woonbestemmingen met groen en verkeer vervallen en wordt met dit TAM-Omgevingsplan ‘wegbestemd’. Het TAM-Omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Sliedrecht. Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Sliedrecht. Het TAM-omgevingsplan bestaat uit de onderstaande onderdelen: 6.1.2

De motivering

In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet. 6.1.3

De regels

De regels worden zoals gezegd opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Sliedrecht. De regels bevatten onder andere de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan. Waar nodig worden hierop uitzonderingen gemaakt; deze zijn in de regels benoemd. Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels in dit TAM-omgevingsplan, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is waar mogelijk aansluiting gezocht bij de basisset omgevingsplanregels van de gemeente. Hiermee wordt de rechtseenheid binnen het (tijdelijke) omgevingsplan bevorderd. 6.1.4

De (digitale) verbeelding

Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies. Deze worden in paragraaf 6.2 nader toegelicht. Daarnaast zijn enkele werkingsgebieden opgenomen, gekoppeld aan specifieke regels.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

65

6.2

Toelichting op de regels

Gemengd – 1 De beoogde ontwikkeling van de appartementen en beperkte commerciële functie is mogelijk gemaakt middels de functie ‘Gemengd – 1’. Er is een bouwvlak opgenomen en er zijn regels opgenomen ten aanzien van de maximale bouwhoogte. Er is een aanduiding opgenomen die op een specifieke locatie ook wonen op de begane grond toestaat. Het aantal woningen en het type en oppervlak aan commerciële ruimte is vastgelegd in de regels. Verkeer De functie ‘Verkeer’ is opgenomen ter plaatse van de beoogde parkeerterrein en omliggende gronden. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden, parkeren, groen, nutsvoorzieningen, e.d. Er is geen bouwvlak opgenomen. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Algemene regels In de algemene regels is een aantal regels opgenomen, dat geldt binnen het gehele plangebied van dit TAMomgevingsplan. Dit betreft onder meer algemene bouwregels met betrekking ondergeschikte bouwdelen, een algemene strijdig gebruiksregel en borging van voldoende waterberging. Overgangsregels Tot slot is in het plan een overgangsregeling opgenomen ten aanzien van bouwwerken en functies.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

66

7

Belangenafweging en conclusie

7.1

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Om te beoordelen of het planvoornemen resulteert in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving nauwkeurig onderzocht en afgewogen. Met name uit de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 kan worden geconcludeerd dat de het woningbouwplan (met beperkte commerciële ruimte) leidt tot een situatie waarin er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij doeltreffend verband is gelegd tussen de instrumenten van de Omgevingswet en recent beleid. Onderzoeken zijn gedaan naar onder andere geluid, water, stikstof en bodem, waaruit blijkt dat het project niet tot belemmeringen leidt en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoewel het plan ook enkele nadelige effecten voor de fysieke leefomgeving met zich meebrengt, wegen de positieve effecten van het plan zwaarder dan deze nadelige gevolgen. De nadelige effecten beschouwen we ook niet als onevenredig, zoals onderbouwd in dit document. Er is bij dit project van de Windrood Blok B duidelijke link gecreëerd tussen de belangen van de initiatiefnemer, de doelen van de gemeente, en de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden.

7.2

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen voldoende gemotiveerd is en dat borging in het omgevingsplan op een verantwoorde wijze plaatsvindt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

67

Separate bijlagen Bijlage 1 Parkeerbalans Bijlage 2 Bezonningsstudie Bijlage 3 Ladder wonen Bijlage 4 Ladder commerciële voorzieningen Bijlage 5 Aanmeldnotitie Bijlage 6 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7 Luchtkwaliteit Bijlage 8 Milieuzonering Bijlage 9 Externe veiligheid Bijlage 10 Vooronderzoek bodem Bijlage 11 Watertoets Bijlage 12 Stikstofonderzoek en ecologische voortoets Bijlage 13 Participatieverslag Bijlage 14 Stedenbouwkundige randvoorwaarden en beeldkwaliteitsplan Bijlage 15 Besluit aanvraag ontheffing soorten Bijlage 16 Nader bodemonderzoek Bijlage 17 Ontwerpbeschikking PM Bijlage 18 Situatietekening PM Bijlage 19 Gevelaanzichten PM Bijlage 20 Nota beantwoording Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Regels

TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

Inleidende bepalingen Toepassingsbereik Begrippen Meet en rekenbepalingen

4 4 5 8

Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5

Activiteiten Gemengd - 1 Verkeer

9 9 12

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Algemene regels Toepassingsbereik Aanvraagvereisten Anti-dubbeltelregel Bouwactiviteit - algemeen Gebruiksactiviteit - algemeen

13 13 14 15 16 18

Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

19 19 20

2

Inhoudsopgave (ontwerp)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht

Regels Preambule Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van het appartementencomplex Windroos blok B, Sliedrecht en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Sliedrecht. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Sliedrecht. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

Regels (ontwerp)

3

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende bepalingen

Toepassingsbereik

Omgevingsplan gemeente Sliedrecht

Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Sliedrecht in die zin dat na hoofdstuk 22 [een hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan gemeente Sliedrecht. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a.] gelezen worden. 1.2

Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3

Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan. 1.4

Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0610.TAMopBWpleingebB-1001 zoals vastgelegd op 'Regels op de kaart' https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

4

Regels (ontwerp)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht

Artikel 2

Begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22a van dit omgevingsplan, tenzij in dit artikel daarvan is afgeweken met onderstaande aanvullende begrippen. 2.1

Plan

Het TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht Hoofdstuk 22a met identificatienummer NL.IMRO.0610.TAMopBWpleingebB-1001 van de gemeente Sliedrecht. 2.2

TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.3

Omgevingsplan gemeente Sliedrecht

Het omgevingsplan van de gemeente Sliedrecht. 2.4

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 2.5

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 2.6

Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgeoefend door de hoofdbewoner, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publiekstrekkend zijn en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. 2.7

Bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2.8

Bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 2.9

Bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 2.10

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 2.11

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

Regels (ontwerp)

5

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Windroos blok B, Sliedrecht

2.12

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 2.13

Bouwperceelsgrens

Een grens van een bouwperceel. 2.14

Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 2.15

Bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 2.16

Dagelijkse detailhandel

Detailhandel voor voedings- en genotmiddelen (vgm) en artikelen op het gebied van persoonlijke verzorging, zoals aanbod in vgm-speciaalzaken, drogisterij- en parfumeriezaken. 2.17

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 2.18

Dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen. Seksinrichtingen worden hiertoe niet gerekend. 2.19

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 2.20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/1110/documents/14443