CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6f - Bijlage bij de toelichting Bestemmingsplan Sliedrecht Buiten & Stationspark III (groot bestand) - kopie_Deel6.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 28 mei 2024, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Vaststelling bestemmingsplan Sliedrecht Buiten en Stationspark III19.504 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

51

2.46 Graafwerkzaamheden en andere bodembewerkingen zijn binnen de kwetsbare boomzone zonder toe­

stemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. Wanneer graafwerkzaamheden of andere bodembewerkingen toch binnen de kwetsbare boomzone moeten plaatsvinden (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan gelden minimaal de randvoorwaarden in artikelen 2.46 tot en met 2.51. Zonder expliciete toestemming (Goedgekeurd Werkplan) mogen genoemde graaf- en bodembewerkingen binnen de kwetsbare zone niet anders dan uitsluitend handmatig worden uitgevoerd.

Onder bodembewerkingen wordt hier onder andere verstaan: graven, afgraven, spitten, frezen, boren, egaliseren, afwerken maaiveld, heien, (her)bestraten, aftrillen, plaatsen van kunstwerken op en (reclame) bebordingen in de bodem et cetera. Voor bodembewerking ten behoeve van de aanleg of (her)inrichting van groeiplaatsen gelden aanvullend de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen. KLIC: om eventuele schade aan ondergrondse infrastructuur (kabels en/of leidingen) te voorkomen, is de aannemer verplicht werkzaamheden in de bodem ten minste 3 werkdagen vóór aanvang te melden bij het Kadaster via een KLIC-melding op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION of ‘grondroerdersregeling), Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 3.

Gaslekkages (als gevolg van schades aan gasleidingen bij graafwerkzaamheden) vormen een acute bedreiging voor bomen (art. 2.37). 2.47 Bodembewerkingen (art. 2.46) binnen de kwetsbare boomzone mogen niet onder (te) natte (verzadigde,

overzicht 2.37), met sneeuw bedekte of bevroren bodemomstandigheden worden uitgevoerd. Grondwerk­ zaamheden mogen nooit leiden tot verslemping of structuurbederf van de bodem. Wanneer de veldcapaciteit van de bodem wordt overschreden is er sprake van een verzadigde bodem. Structuurbederf: wanneer graafwerkzaamheden of bodembewerkingen als gevolg van weers-, terrein- of

bodemomstandigheden structuurbederf van de bodem kunnen veroorzaken (bijvoorbeeld tijdens en direct na aanhoudende of zware regen) dan moeten deze werkzaamheden (tijdelijk) zolang als nodig (in overleg) worden onderbroken en uitgesteld.

Plasvorming (op een onverhard maaiveld) duidt op bodemverslemping of structuurbederf en moet direct gemeld en in overleg hersteld worden. 2.48 Bij de uitvoering van bodembewerkingen (binnen de kwetsbare boomzone) mogen geen onverteerde

organische materialen in of door de bodem worden verwerkt (zoals ‘doorspitten’ van de strooisellaag, blad, graszoden, verse organische mest et cetera). Daarnaast mag de bestaande toplaag (0 tot 20 cm) niet worden verwerkt met andere, dieper gelegen of opgebrachte bodemlagen en mogen zuurstofloze (anaerobe) bodem­ lagen niet worden doorgemengd met de zuurstof houdende (aerobe) bodemlagen (art. 2.37). De bodem moet bij bewerking of verwerking vrij zijn van kruiden die zich door wortelstok kunnen ver­ meerderen en vrij zijn van grondkluiten (kluitgrootte maximaal 10 cm) en ongerechtigheden zoals puin, stenen, metaal, bouwhout, glasscherven, plastic et cetera. Aangetroffen onregelmatigheden moeten worden beschouwd en verwerkt als vrijkomend materiaal. Vrijkomende grond en materialen mogen niet zonder toe­ stemming (tijdelijk) worden gestort of opgeslagen binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.32).

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

H2 | RANDVOORWAARDEN GRAAFWERKZAAMHEDEN EN ANDERE BODEMBEWERKINGEN

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

52

2.49 Wortelschades: ter voorkoming van (ontoelaatbare) wortelschades gelden strikte randvoorwaarden voor bodembewerkingen en graafwerkzaamheden. Blootliggende (levende) wortels moeten direct worden afgedekt (bijvoorbeeld met grond) om uitdrogen te voorkomen, maar altijd op zodanige wijze dat broei en zuurstof­ problemen (art. 2.37) worden voorkomen.

Bodembewerking en graafwerkzaamheden zijn binnen de kwetsbare boomzone uitsluitend toegestaan met toestemming of met een Goedgekeurd Werkplan (art. 2.46). WORTELS DIKKER DAN 2,5 CM Wortels dikker dan 2,5 cm moeten bij bodembewerking of graafwerkzaamheden altijd haaks op de groeirichting worden doorgezaagd of doorgeknipt (nooit: frezen, hakken, lostrekken of doorscheuren): dit voorkomt onnodige, extra omvangrijke wortelschade door ‘rafelen’ en ‘kapot trekken’. Wortels dikker dan 5 cm mogen niet of (bij uitzondering) alleen onder toezicht en met expliciete toestemming worden door­ gezaagd of verwijderd.

2.50 Minimale graafafstanden: de in overzicht en figuur 2.50 weergegeven minimale graafafstanden gelden vanuit het hart van de stamvoet van de boom. De maatvoering geldt als leidraad en is gerelateerd aan de stamdiameter van de boom gemeten op 1,3 m +m.v. in relatie tot de straal van de stabiliteitszone rondom de boom. Bodembewerking en graafwerkzaamheden zijn als regel binnen de weergegeven minimale graafafstanden niet toegestaan.

MINIMALE GRAAFAFSTANDEN De minimale graafafstand (overzicht 2.50) bevindt zich (doorgaans) binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16) en is dus alleen toegestaan mits gemotiveerd en uitgewerkt in een Goedgekeurd Werkplan. Graafwerkzaamheden en beoogde graafafstanden binnen de kwetsbare boomzone moeten op basis van gericht veldonderzoek altijd nader in het Werkplan zijn gemotiveerd. Met behulp van het rekenprogramma ‘Boommonitor’ kan (per situatie) meer specifiek de minimale graafafstand, afgestemd op de boomgrootte en boomomvang, worden berekend (art. 2.51). De weergegeven minimale graafafstanden (overzicht en figuur 2.50) zijn gebaseerd op een normale, vrije ontwikkeling van stabiliteitswortels, uitgaande van een actuele doorwortelde diepte van minimaal 75 cm -m.v. (overzicht 2.50 ‘kolom 1 ’). Bij een meer oppervlakkige wortelontwikkeling of scheefstaande boom zijn afwijkende normeringen van toepassing (overzicht 2.50 ‘kolom 2’). Overschrijding van de minimum graafafstanden leidt tot (potentiële) schade aan de stabiliteitswortels, dit kan de stabiliteit van de boom en daardoor de veiligheid van de boom en de directe omgeving in gevaar brengen.

Gestuurd boren en mantelbuizen: voor graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van kabels en leidingen binnen de kwetsbare boomzone is ‘gestuurd boren’ een gangbaar alternatief. Bij gestuurd boren moet steeds (bij elke boom) ten minste aan weerszijden van de boom de minimale graafafstand (overzicht 2.50) worden overbrugd. De boring moet op zodanige diepte (nader onderzoek) plaatsvinden dat schade aan de stabiliteitswortels wordt voorkomen (nadere uitwerking in Werkplan).

Preventief kunnen bij de aanleg van een groeiplaats mantelbuizen worden geplaats die een gecontroleerde doorvoer van kabels en leidingen binnen de bewortelingsruimte van een groeiplaats mogelijk maken (zie Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen | Bijlage: ‘aanvullende voorzieningen). Zuigen: soms is het als alternatief mogelijk de bestaande grond of zand tussen de wortels af te zuigen, zodat

er werkruimte ontstaat tussen de wortels zonder deze te beschadigen. Deze methode wordt bijvoorbeeld toegepast op plaatsen waar graafwerkzaamheden vanwege de aanwezigheid van zwaardere wortels (0 > 5 cm) niet zijn toegestaan.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

53

Stamdiameter op 1,3 m +m.v.

(kolom 1) minimale graafafstand, gerekend vanuit het hart van de stamvoet

20 cm 40 cm 60 cm 80 cm 100 cm 150 cm

> 1,25 m > 1,50 m > 1,75 m > 2,25 m > 2,50 m > 3,50 m

(2) minimale graafafstand bij eenzijdige wortelontwikkeling of scheefstaande boom (trekzijde), gerekend vanuit het hart van de stamvoet

> 2,0m > 2,5m > 3,0m > 3,5m > 4,0m > 5,0m

Graafwerkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone zijn uitsluitend toegestaan via een ‘Goedgekeurd Werkplan’.

De maatvoering binnen kolom 1 geldt voor bomen met een rondom normale evenwichtige (vrije) wortelontwikkeling, uitgaande van een actuele bewortelingsdiepte van minimaal 75 cm -m.v. Kolom 2 geldt specifiek voor bomen met een meer oppervlakkige of eenzijdige wortelontwikkeling en scheefstaande of aan de trekzijde belaste bomen (zie ook figuur 2.50).

2.50 Overzicht: Leidraad minimale graafafstanden in relatie tot stabiliteitskluit I Handboek Bomen 2018

LEIDRAAD MINIMALE GRAAFAFSTANDEN IN RELATIE TOT STAMDIAMETER

MINIMUM GRAAFAFSTAND ‘NORMAAL’:

0 STAM

GRAAFAFSTAND

0 20 cm

> 1,25 m

0 20 cm

> 2,0 m

0 40 cm

> 1,5 m

0 40 cm

> 2,5 m

0 60 cm

> 1,75 m

0 60 cm

> 3,0 m

0 80 cm

> 2,25 m

0 80 cm

> 3,5 m

0100 cm

> 2,5 m

0 100 cm

> 4,0 m

0150 cm

> 3,5 m

0 150 cm

> 5,0 m MIN. GRAAFAFSTAND HART STAMVOET (TREKZIJDE)

MIN. GRAAFAFSTAND HART STAMVOET NIET BINNEN KWETSBARE BOOMZONE!

KROONDIAMETER + 1,5M = KWETSBARE ZONE

GOEDGEKEURD WERKPLAN RAND­ VOORWAARDEN

BODEM­ BESCHERMING

GESTUURD BOREN

FIGUUR 2.50 Leidraad minimale graafafstanden in relatie tot stabiliteitskluit | Handboek Bomen 2018

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

LEIDRAAD MINIMALE GRAAFAFSTANDEN (uitsluitend met toestemming Goedgekeurd Werkplan)

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

54

2.51 Graafwerkzaamheden (en bodembewerking) buiten de minimale graafafstand (art. 2.50) - ook wel aange­ duid als de ondergrondse obstakelvrije zone - kunnen nog steeds leiden tot aanzienlijk wortelverlies en daar­ mee een bedreiging vormen voor de duurzame instandhouding van de boom.

Buiten de weergegeven graafafstand (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan) mag slechts een deel van het bestaande wortelvolume (tijdelijk) verloren gaan, mits dit verlies direct aansluitend wordt gecompenseerd, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van alternatieve doorwortelbare ruimte (herinrichting groei- en standplaats) of het direct aansluitend op de graafwerkzaamheden herstellen van de oorspronkelijke doorwortelbare ruimte. Wortelverlies kan in sommige gevallen ook (deels) worden gecompenseerd door de uitvoering van groeiplaats verbeterende maatregelen. Wanneer te veel beworteling c.q. doorwortelbare ruimte verloren gaat, kan dit vooral op een hangwaterprofiel of bij een boom met een verminderde conditie leiden tot ernstige (groei)schade aan de boom en daarmee de duurzame instandhouding ervan in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden en wortelverlies (binnen de kwetsbare boomzone) moeten altijd in het Werkplan worden gemeld en gemotiveerd. De mate waarin beworteling buiten de graafafstand (tijdelijk) verloren mag gaan en de benodigde maatregelen om dit te compense­ ren moeten middels vooronderzoek (BEA art. 2.6) worden vastgesteld. Kroonreductie: bij een aanzienlijk verlies van bestaande beworteling kan een kroonreductie ten behoeve van het corrigeren van de wortel-kroonverhouding noodzakelijk zijn.

Een dergelijke kroonreductie (innemen van de kroon) is een noodmaatregel (schade!) en geldt dus niet als reguliere beheermaatregel. Het innemen van de kroon wordt ook niet door elke boomsoort verdragen. De uitvoering van snoeimaatregelen in het algemeen en het innemen van een kroon in het bijzonder is zonder expliciete toestemming niet toegestaan, art. 2.29.

Boommonitor: overzicht 2.51 geeft een beeld van de richtlijnen die gelden voor de maatvoering van bomen en de benodigde groei- en standplaatsruimte (zie ook Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp).

Met behulp van het rekenprogramma Boommonitor kunnen belangrijke kengetallen van bomen en hun groei- en standplaats, bijvoorbeeld ten behoeve van een onderbouwing van een advies binnen de BEA worden doorgerekend. Naast benodigde doorwortelbare ruimte (m3) worden in Boommonitor ook de benodigde obstakelvrije boomzones (ondergronds en bovengronds) per situatie doorgerekend en schematisch weer­ gegeven. Figuur 2.51 geeft een voorbeeld van zo’n weergave binnen de Boommonitor.

LEIDRAAD: MAATVOERING BOMEN EN GROEIPLAATS Boomgrootte

Kroondiameter

Stamdiameter

Doorwortelbare ruimte m3 (hangwaterprofiel)

Doorwortelbare ruimte m3 (grondwaterprofiel)

Obstakelvrije zone (ondergronds)

1e grootte

15 > 20 m

60 - 80 cm

40 - 70 m3

25 - 40 m3

2,0 - 2,5 m

1e grootte 2e grootte

10 - 15 m

40 - 60 cm

30 - 50 m3

20 - 30 m3

1,5 - 2,0 m

1e grootte 2e grootte

8 - 12 m

30 - 40 cm

20 - 35 m3

15 - 20m3

1,25 - 1,5 m

3e grootte

3-8m

15 - 20 cm

10 - 20 m3

5 - 10 m3

1,0 - 1,25 m

vormboom

2 - 4 m (variabel)

20 - 40 cm

4 - 8 m3

3 - 5 m3

0,75 - 1,25 m

* Obstakelvrije zone(s) vanuit het hart van de boom (stamvoet):

- Obstakelvrije zone bovengronds = kroondiameter ‘beoogd eindbeeld’ x 0,6 - Obstakelvrije zone ondergronds = minimum graafafstand (art. 2.50) rondom ‘beoogde eindbeeld’

2.51 Overzicht: Richtlijnen maatvoering bomen en benodigde groei- en standplaatsruimte I Handboek Bomen 2018

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

55

Boominfo 20m

Beoogde omloop (cyclus):

Regulier (duurzaam groetend)

20

40

60

80

jaar

Benodigde doorwortelbare ruimte (m3) en grondvlak (m2):

(ambitieniveau) Optimaal

13 7

23 6

29.4

353

13.7

23 6

294

353

m2

(ambitieniveau) Redelijk

11

18 8

23 6

28 3

m3

11

18 8

23.6

28 3

m2

(minimum niveau) Marginaal

8.2

14.1

17.7

212

m3

82

14 1

17.7

21 2

m2

m3

Overige kengetallen: Doorwortelbare diepte

1

1

1

1

m

Bovengronds obstakelvrij

42

72

9

10 8

m

1.5

1.7

2.1

26

m

Ondergronds obstaketvnij

Regulier (duurzaam groeiend). 1e grootte (eindhoogte > 15m), Normale

kroon

= minimale graafafstand * Opengrond (humusarm < 2.5% org )

Kroonbreedte(verloop)

7

12

15

18

m Grondwater (direct contact GWST) 1 00 meter m v

= plantafstand

Plantsplegel

15

17

21

26

X

X

X

X

15

17

2.1

26

m

Minimale graafafstand: ' Overschrijding van de minimale graafafstand kan leiden tot een

reeel instabiliteitsgevaar

MAATVOERINGEN:

A. Kroondiameter (m) B. Obstakelvrije zone ondergronds (m)

= minimale graafafstand *

Minimale graafafstand is mede afhankelijk van bewortelbare diepte,

wortelontwikkeling en lokale windbelasting Beperkte

bewortelingsdiepte (< 75 cm), eenzijdige wortelontwikkeling (specifiek wortels trekzijde) en hoge (lokale) windbelasting

noodzaken tot een eventuele verruiming van de minimum graafafstand (zie Handboek Bomen 2014 | H 2 Werken rond

Bomen).

C. Doorwortelbare ruimte (m3 en m2)

D. Kroonprojectie (m2) E. Obstakelvrije zone bovengronds (m)

2.51 Figuur: Voorbeeld weergave rekenprogramma Boommonitor | Handboek Bomen 2018

Boommonitor is voor licentiehouders beschikbaar via de login op www.norminstituutbomen.nl.

Naast de obstakelvrije zones in overzicht en figuur 2.51, kan er ook sprake van een vereiste ‘wettelijke’ vrije doorgang voor het verkeer, die in het Werkplan moet worden geborgd. RICHTLIJN: VEREISTE (WETTELIJKE) VRIJE DOORGANG Extra vrije doorgang Auto(rij)weg Voet- en fietspad

6,5 m +m.v. (alleen wanneer extra vrije doorgang expliciet is voorgeschreven) 4,5 m +m.v. 2,5 m +m.v.

De 'wettelijk' vereiste vrije doorgang wordt gemeten vanaf het maaiveld of bij een verharding loodrecht boven de verharding, vanaf de doorgetrokken streep (of opstaande rand) langs de wegzijde (breedtemarkering) of de buitenzijde van de verharding indien een doorgetrokken breedtemarkering ontbreekt.

Wanneer fiets- en voetpaden ook worden gebruikt door andere voertuigen (bijvoorbeeld hulpdiensten, veeg- en strooiwagens etc.) dat geldt daarvoor ook de vereiste vrije doorgang van rijwegen. Wanneer er sprake is van extra benodigde vrije doorgang, bijvoorbeeld vanwege een trolleybus- of tramleiding of langs specifieke 'zwaarverkeerroutes', dan kan de benodigde vrije door­ gang bijvoorbeeld worden verruimd tot 6,5 m +m.v

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

REKENPROGRAMMA BOOMMONITOR: KENGETALLEN

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

56

H2 | RANDVOORWAARDEN OPHOGINGEN EN OMVORMING MAAIVELD 2.52 Ophogingen van de bodem en het omvormen van het bestaande maaiveld (herprofilering) zijn binnen

de kwetsbare boomzone zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. OPHOGINGEN Een ophoging of omvorming van het bestaande maaiveld wordt door de meeste bomen niet of slecht verdragen. Wanneer een ophoging of omvorming van het bestaande maaiveld toch binnen de kwetsbare boomzone moet plaatsvinden (uit­ sluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan gelden (op basis van nader onderzoek) minimaal de randvoorwaarden in artikelen 2.52 tot en met 2.59. Zonder expliciete goedkeuring binnen het Werkplan mogen genoemde ophogingen en omvorming van het maai­ veld binnen de kwetsbare zone uitsluitend handmatig worden uitgevoerd.

2.53 Bij een ophoging binnen de kwetsbare boomzone (uitsluitend met goedgekeurd Werkplan) moeten diffu­ sie (bodemlucht) en infiltratie (water) van de bestaande bodem en de opgebrachte grond middels het gebruik van geschikte ophoogmaterialen en verwerkingsmethoden geborgd worden. De tolerantie voor een ophoging is onder andere (sterk) boom- en bodemsoortafhankelijk.

Bij een ophoging rond kwetsbare boomsoorten moet direct grondcontact met het bestaande schorsweefsel van de stam en stamvoet worden voorkomen (wortelhals en wortelaanlopen niet afdekken). Dit kan bij­ voorbeeld door op het bestaande maaiveld rondom de stamvoet een keerrand of grondwerende kraag aan te brengen, of door (direct) rond de boom geen grond of zand op te brengen. Bij de ophoging moeten structuurbederf en bodemverslemping van zowel het bestaande profiel als het op te brengen ophogingsmateriaal (art. 2.47) worden voorkomen. De toplaag (bovenste 2 tot 3 cm) van het bestaande maaiveld moet een voldoende losse structuur hebben (eventueel oppervlakkig bodem bewerken toepassen) en mag niet te nat (niet verzadigd) zijn. Bij eventuele bodembewerking moet wortelschade worden voorkomen (art. 2.46 e.v.).

Een organische toplaag (bijvoorbeeld gras of een strooisellaag) moet ter plaatse van de voorgenomen op­ hoging, voorafgaand verwijderd worden. Deze organische toplaag mag nooit in de bodem worden doorgespit of doorgefreesd (zuurstofproblemen bij nadere vertering, art. 2.37 en 2.47). Materiaalkeuze en verwerking: een ophoging van slechts enkele centimeters kan funest zijn wanneer de materiaalkeuze en/of verwerkingswijze de mogelijkheden voor diffusie en infiltratie van de bodem negatief beïnvloeden (bijvoorbeeld afsluitende kleilaag). De materiaalkeuze voor een ophoging rond bomen is essenti­ eel. Eventuele organische bestanddelen moeten goed zijn uitgerijpt, zodat bodemzuurstofproblemen worden voorkomen (art. 2.37). Het ophoogmateriaal en de mate van verdichting moeten zodanig worden gekozen dat infiltratie van water en diffusie van lucht na verwerking niet worden verstoord; streefwaarde bodemzuurstof ten minste 16 - 18%. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van (grof) bomenzand (M50-cijfer: 420 - 700 um) of bomen­ granulaat als ophoogmateriaal op plaatsen waar verdichtingseisen relevant zijn. Bij een open maaiveld of berm (zonder verdichtingseisen) kan bijvoorbeeld gekozen worden voor bomengrond met 5 - 7% organische stof (bomengrond = teelaarde, specifiek voor bomen samengesteld).

Voor de levering en verwerking van bomengrond en bomenzand gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Levering bomensubstraten en H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.

In het Werkplan moeten de werkwijze, materiaalkeuze voor de ophoging en de verwerking ervan nader worden uitgewerkt (maatwerk). Lichten bomen: als alternatieve maatregel bij een ophoging of herprofilering kan (Goedgekeurd Werkplan) worden gekozen om de betrokken bomen te lichten en ter plaatse te herplanten. Hiermee kunnen de ver­ andering van de groei- en standplaats met een juiste (her)plantwijze worden afgestemd.

Voor het lichten en (her)planten gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H13 | Verplanten bomen.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

57

Een op te brengen zandlaag dient als regel te worden voorzien van een beluchtingssysteem (maatwerk) en afhankelijk van de belastbaarheid van de nieuw aan te brengen verharding te worden afgedekt met een drukverdelende of drukspreidende constructie of geotextuur (zuurstof- en waterdoorlatend en afgestemd op de toekomstige belastingseisen), waarop het zandcunet (EC-waarde < 1,5 mS/cm) ten behoeve van de verharding kan worden aangebracht. Indien er tevens sprake is van een ophoging, dan geldt een combinatie van art. 2.53 en art. 2.54 en is een na­ dere uitwerking van een specifiek gecombineerd (maatwerk)ophoogplan binnen het Werkplan noodzakelijk. Zwevende of zelfdragende constructie: voor ophogingen rond bomen en het aanbrengen van verhardingen op

een bestaand open maaiveld kan de toepassing van een zwevende ofzelfdragende (groeiplaats)constructie binnen de kwetsbare boomzone een goed alternatief bieden (maatwerk). 2.55 Bij een grondophoging met of zonder verharding (maaiveldverhoging) is borging (indien ter plaatse rele­ vant) van voldoende vrije doorgang (vrije doorrijhoogte) onder en naast de kroon noodzakelijk. Wanneer er sprake is van een onvoldoende vrije doorgang dient dit (tijdig) te worden gemeld. Leidraad (wettelijke) vrije doorrijhoogte: zie art. 2.51. 2.56 Ten behoeve van (voldoende) infiltratie (regenwater) en diffusie (lucht/zuurstof) geldt als regel binnen de kwetsbare boomzone het toepassen van een open of niet gebonden verharding; bijvoorbeeld grastegels, klinkers of tegels met een open voeg.

Halfverharding: optioneel (motivering Werkplan) is de toepassing van een ha,fverharding (grind, steenslag et cetera). Sommige hafverhardingen slaan gemakkelijk dicht ofspoelen uit en z,jn om die reden boomtechnisch ongeschikt. Gebruik daarom binnen de kwetsbare boomzone bijvoorbeeld geen schelpen, fijn split, leemhoudende materialen of gravel et cetera (zie ook Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp | art. 1.22). 2.57 Indien binnen de kwetsbare boomzone een bestaande verharding moet worden vervangen (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan) dan mag het ontgraven of uitkisten ‘vernieuwen van het (zand)cunet’ slechts (met toestemming) plaatsvinden wanneer er zich in het bestaande (te vervangen) cunet (nog) geen wortels met een diameter dikker dan 1,0 cm bevinden. Binnen de minimale graafafstand mag als uitgangspunt geen grond of zand worden ontgraven c.q. worden vervangen of worden bewerkt (art. 2.50).

In sommige gevallen is het mogelijk het bestaande cunet tussen de wortel met behulp van het zogenoemde afzuigen af te voeren (art. 2.50). Als alternatief geldt de optie om het nieuwe cunet aan te brengen boven op het bestaande cunet (art. 2.54). 2.58 Ter voorkoming van zoutinspoeling en het waarborgen van voldoende infiltratie dient binnen de kwets­ bare boomzone uitsluitend grof zoet (voeg- en cunet)zand of split te worden toegepast of grof zand dat vol­ doende is ontzilt (EC-waarde < 1,5 mS/cm).

De toepassing van gestabiliseerd zand (dit is zand met toevoeging van cement) is binnen de kwetsbare zone (als cunet) niet toegestaan. De mogelijkheden voor infiltratie en diffusie zullen door het toepassen van ge­ stabiliseerd zand verloren gaan. 2.59 Wanneer er binnen de kwetsbare boomzone sprake is van een (toekomstige) potentiële strooizoutbelasting, moeten in het Werkplan specifieke voorzieningen worden opgenomen om bijvoorbeeld de inspoeling van zout in de bodem te beperken (art. 2.56). Dit kan bijvoorbeeld middels het plaatsen een opstaande betonrand en het realiseren van een adequate waterafvoer, zodat het zoute smeltwater via inspoeling de groeiplaats niet negatief beïnvloedt (nadere uitwerking in Werkplan). Voor de randvoorwaarden van de groei- en standplaats van bomen gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp en H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

2.54 Aanbrengen van een verharding, indien het aanbrengen van een verharding op een (voorheen) open of met gras bedekt maaiveld binnen de kwetsbare boomzone noodzakelijk is (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), geldt als randvoorwaarde dat op het bestaande maaiveld eerst een laag grof (M50 cijfer > 400 mu) zoet zand wordt aangebracht nadat een eventuele organische toplaag (art. 2.53) is verwijderd. Dit houdt dus in dat het zandcunet moet worden aangebracht op het bestaande maaiveld en dat het ontgraven of uitkisten van het bestaande maaiveld ten behoeve van het zandcunet niet is toegestaan! (art. 2.57).

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

58

H2 | BIJLAGE 1 BOMENPOSTER ‘WERKEN ROND BOMEN’

BOMENPOSTER

WERKEN ROND BOMEN KWETSBARE BOOMZONE

PARKEREN EN TRANSPORT

1,5M

BRONBEMALING EN VERANDERINGEN IN GRONDWATERSTAND

1,5M

WST GWST’

MIN. 2M

RAND­ VOORWAARDEN

• Werkzaamheden en de opslag van materiaal en materieel zijn binnen de KWETSBARE BOOMZONE alleen toegestaan MET TOESTEMMING (goedgekeurd Werkplan).

RAND­ VOORWAARDEN

RANDVOORWAARDEN EN EISEN Plaats een niet-verplaatsbare fysieke bescherming rond de boom (vanaf 10 cm tot minimaal 2 m boven het maaiveld) en markeer deze als beschermd boomgebied. Binnen elke kwetsbare boomzone zijn de uitvoering van werk­ zaamheden en de opslag van materiaal en materieel alleen toegestaan met toestemming via een door de opdrachtgever of directie goedgekeurd Werkplan. Binnen elke kwetsbare boomzone gelden randvoorwaarden die uitgewerkt moeten zijn in het goedgekeurde Werkplan. Deze randvoorwaarden worden in de regel opgesteld aan de hand van een Bomen Effect Analyse (BEA). Het Werkplan vermeldt gedetailleerd (per boom) wanneer, op welke wijze, volgens welke randvoorwaarden en met welk materieel en welke hulpmiddelen werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone moeten worden uitgevoerd. Werkzaamheden mogen de duurzame instandhouding van de boom nooit in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone zijn uitsluitend toegestaan met toestemming via het goedgekeurde Werkplan.

Voor opslag, parkeren en transport gelden randvoorwaarden binnen de kwetsbare boomzone. Bijvoorbeeld het plaatsen van drukverdelende rijplaten. •R andvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!

GRAVEN, OPHOGEN EN ANDERE BODEM­ BEWERKINGEN

LEIDRAAD MINIMALE GRAAFAFSTANDEN (INDICATIEF) Stam Minimale graafafstand Eenzijdige wortelontwikkeling vanuit het hart van de of scheefstaande boom stamvoet (trekzijde) 20 cm > 1,25 m 2,0 m ~ 40 cm > 1,50 m _______ 2,5 m________ 60 cm > 1,75 m _______ 3,0 m________ 80 cm > 2,25 m _______ 3,5 m________ 100 cm > 2,50 m _______ 4,0 m________ 150 cm > 3,50 m 5,0 m

Voor bronbemalingen en veranderingen in de grondwaterstand gelden zowel binnen als buiten de kwetsbare boomzone randvoorwaarden. Bijvoorbeeld het toepassen van een gesloten bronbemaling.

•1 Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!

VLOEISTOFFEN EN GASSEN

0

die

Bodemvreemde gassen en vloeistoffen kunnen grote schade veroorzaken aan de groeiplaats van een boom. Houd gassen en vloeistoffen, maar ook cementmolens en (water)afvoeren, op grote afstand van de kwetsbare boomzone!

RAND­ VOORWAARDEN

1,5M

aoc BODEM­

BESCHERMING

GESTUURD BOREN

Voor graven, ophogen en bodembewerking gelden randvoorwaarden binnen de kwetsbare boomzone. Bijvoorbeeld minimale graaf­ afstanden en wortelbescherming.

ANNA] E ' — G

SNOEI­ WERKZAAMHEDEN

e STAM-

9 Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan! •Kwetsbare boomzone = Kroonprojectie + 1,5 meter

Kabelgoten, mantelbuizen en gestuurd boren bieden soms een goed alternatief. Let bij grond- en graafwerkzaamheden ook op kabels en leidingen (KLIC-melding, WION).

Kijk voor aanvullende informatie over randvoorwaarden en een goedgekeurd Werkplan op: www.bomenposter.nl

Het snoeien van bomen is alleen toegestaan met toestemming van de opdrachtgever of directie, ook wanneer er enkel sprake is van een gebroken of beschadigde tak.

Deze uitgave van Stadswerk is tot stand gekomen dankzij:

Stadswerk

NORM INSTITUUT BOMEN

vhg

Kijk voor meer info op www.norminstituutbomen.nl

vak-gro®?

Bomenposters zijn beschikbaar via LOGIN op www.norminstituutbomen.nl

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

59

KWETSBARE BOOMZONE!

1,5M

1,5M

MINIMALE GRAAFAFSTAND

STAM

@1 Kwetsbare boomzone = Kroonprojectie + 1,5 meter

ZONDER TOESTEMMING NIET TOEGESTAAN BINNEN KWETSBARE BOOMZONE:

WST 5WST»

OPSLAG, PARKEREN EN TRANSPORT

1,5M

BRONBEMALING

GRAVEN, OPHOGEN EN BODEMBEWERKING

RANDVOORWAARDEN EN WERKPLAN

1,5M

Voor de uitvoering van werkzaam­ heden rond deze boom gelden randvoorwaarden!

— creei

01))

MIN.2M

De uitvoering van werkzaam­ heden rond deze boom is uitsluitend toegestaan met een goedgekeurd werkplan!

RAND­ VOORWAARDEN

VOOR MELDINGEN OF OPMERKINGEN:

Deze uitgave is tot stand gekomen dankzij:

Kijk voor meer info op www.norminstituutbomen.nl

Bomenposters zijn beschikbaar via LOGIN op www.norminstituutbomen.nl

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

H2 | BIJLAGE 2 WEERBESTENDIGE BOMENPOSTER ‘KWETSBARE BOOMZONE!’

BOMENPOSTER

WERKEN ROND BOMEN KWETSBARE BOOMZONE

OPSLAG, PARKEREN EN TRANSPORT

1,5M

BRONBEMALING EN VERANDERINGEN IN GRONDWATERSTAND

1,5M

KWETSBARE ZONE

GWSTa

7“

GWST GWSTt

MIN. 2M

RAND­ VOORWAARDEN

• Werkzaamheden en de opslag van materiaal en materieel zijn binnen de KWETSBARE BOOMZONE alleen toegestaan MET TOESTEMMING (goedgekeurd Werkplan).

RAND­ VOORWAARDEN

GESLOTEN DAMWAND

GWST

RANDVOORWAARDEN EN EISEN Voor opslag, parkeren en transport gelden randvoorwaarden binnen de kwetsbare boomzone. Bijvoorbeeld het plaatsen van drukverdelende rijplaten.

2

• Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!

3

GRAVEN, OPHOGEN EN ANDERE BODEM BEWERKINGEN

4

5

6

Plaats een niet-verplaatsbare fysieke bescherming rond de boom (vanaf 10 cm tot minimaal 2 m boven het maaiveld) en markeer deze als beschermd boomgebied. Binnen elke kwetsbare boomzone zijn de uitvoering van werk­ zaamheden en de opslag van materiaal en materieel alleen toegestaan met toestemming via een door de opdrachtgever of directie goedgekeurd Werkplan. Binnen elke kwetsbare boomzone gelden randvoorwaarden die uitgewerkt moeten zijn in het goedgekeurde Werkplan. Deze randvoorwaarden worden in de regel opgesteld aan de hand van een Bomen Effect Analyse (BEA). Het Werkplan vermeldt gedetailleerd (per boom) wanneer, op welke wijze, volgens welke randvoorwaarden en met welk materieel en welke hulpmiddelen werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone moeten worden uitgevoerd. Werkzaamheden mogen de duurzame instandhouding van de boom nooit in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone zijn uitsluitend toegestaan met toestemming via het goedgekeurde Werkplan.

Voor bronbemalingen en veranderingen in de grondwaterstand gelden zowel binnen als buiten de kwetsbare boomzone randvoorwaarden. Bijvoorbeeld het toepassen van een gesloten bronbemaling.

• Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!

VLOEISTOFFEN EN GASSEN

LEIDRAAD MINIMALE GRAAFAFSTANDEN (INDICATIEF)

Stam 0

Minimale graafafstand vanuit het hart van de stamvoet

Eenzijdige wortelontwikkeling of scheefstaande boom (trekzijde)

20 cm 40 cm 60 cm 80 cm 100 cm 150 cm

> 1,25 m > 1,50 m > 1,75 m > 2,25 m > 2,50 m > 3,50 m

2,0 m _________ 2,5 m____________ _________ 3,0 m____________ _________ 3,5 m____________ _________ 4,0 m____________ 5,0 m

KWETSBARE ZONE

GIF/ZUUR/ CEMENT

Bodemvreemde gassen en vloeistoffen kunnen grote schade veroorzaken aan de groeiplaats van een boom. Houd gassen en vloeistoffen, maar ook cementmolens en (water)afvoeren, op grote afstand van de kwetsbare boomzone!

RAND­ VOORWAARDEN

1,5M

BODEM­ BESCHERMING

1,5M

SNOEIWERKZAAMHEDEN

GESTUURD BOREN

Voor graven, ophogen en bodembewerking gelden randvoorwaarden binnen de kwetsbare boomzone. Bijvoorbeeld minimale graafafstanden en wortelbescherming.

MINIMALE GRAAFAFSTAND

0 STAM-

• Randvoorwaarden moeten worden uitgewerkt in een goedgekeurd Werkplan!

Het snoeien van bomen is alleen toegestaan met toestemming van de opdrachtgever of directie, ook wanneer er enkel sprake is van een gebroken of beschadigde tak

• Kwetsbare boomzone = Kroonprojectie + 1,5 meter

Kabelgoten, mantelbuizen en gestuurd boren bieden soms een goed alternatief. Let bij grond- en graafwerkzaamheden ook op kabels en leidingen (KLIC-melding, WION).

Kijk voor aanvullende informatie over randvoorwaarden en een goedgekeurd Werkplan op: www.bomenposter.nl

Deze uitgave van Stadswerk is tot stand gekomen dankzij:

http://www.bom

Stadswerk

NORM INSTITUUT BOMEN

SleHTINÖ

vhg

sakeyokqboomspeddltya

7

elaaeonl ...........7

|Gkeur© Bouwend Nederland

Kijk voor meer info op www.bomenposter.nl

HEEFT U VRAGEN? ?

@BOMENWACHT.NL

& Bomenwacht Nederland Van Rietlaan 33 3461 HW kinschoten

Noot In dit document zijn gedeeltes onleesbaar gemaakt op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (naam) • (...) • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (e-mail) • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (telefoonnummer) • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (handschrift)

Bijlage 11 Waardebepaling groenstructuren

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

299 - 721

BoP

PFT-afwe===--ure —esT’eenetruCtu.n sToepaling grogsswonspar" waarde tockor"npei sportea" ■ R“"et, 9

(Sd

TU wal*

(ast

Vet

£t. rsete er I

stu 0

Laan e 68800

F

} 1 "

shl

and

re nt n ais.

in

sn.

Datum: Auteur: Opdrachtgever: Projectnummer: Wijze van citeren

September 2023 en Gemeente Sliedrecht 2023-0102 en 2023. Waardebepaling Groenstructuren Rapportcode: QS2023-0102. Veenweide Natuur & Landschap. Nieuw-Lekkerland en VanderHelm Milieubeheer BV, Berkel en Rodenrijs

V

NW ID

natuur en landschap VanderHelm Milieubeheer BV Nobelsingel 2 2652 XA Berkel en Rodenrijs

Veenweide Natuur & Landschap Middelweg 26 2957 TG Nieuw-Lekkerland

Disclaimer Op alle tekst, foto's en afbeeldingen in dit rapport berust - tenzij anders vermeld - het auteursrecht van VanderHelm Milieubeheer BV en Veenweide Natuur & Landschap. Deze rapportage, inclusief eventuele bijlage(s), is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde. Verstrekking aan en gebruik door anderen dan de geadresseerde is zonder toestemming niet toegestaan. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. VanderHelm Milieubeheer en Veenweide Natuur & Landschap kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade als gevolg van een onjuiste of onvolledige weergave van de gegevens in dit rapport.

Copyright © Veenweide Natuur en Landschap & VanderHelm Milieubeheer BV 2023.

2

waardebepaling groenstructuren De Lookhorst vs STP III

VEENWEIDE natuur en landschap

Waardebepaling groenstructuren sportpark De Lockhorst vs Stationspark III

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

HELM

Inleiding De verandering van het sportpark De Lockhorst tot bedrijventerrein Stationspark III (STP III) heeft grote gevolgen voor de bestaande groen­ structuren. Door een andere inrichting en het verhogen van het waterpeil zal het grootste deel van de bestaande groenstructuren verdwijnen. In deze notitie wordt een kwantitatieve en kwalitatieve vergelijking gemaakt van de waarden van de groenstructuren van de huidige situatie (sportpark De Lockhorst) t.o.v. de toekomstige situatie (bedrijventerrein STP IIII). Daarbij moet gezegd worden dat de waarden van de toekomstige situatie gebaseerd zijn op basis van de huidige plannen en de ontwikkeling van de groen- en waterstructuren over 20-25 jaar na de aanleg.

Huidige situatie Momenteel is de beoogde locatie voor STP III in gebruik als sportpark met twee gebruikers: de plaatselijke voetbalvereniging V.V. Sliedrecht en tennisvereniging ‘Sliedrechtse Lawn Tennisclub’.

De inrichting van het huidige sportcomplex bestaat uit een parkeerplaats en sportaccommodaties. Het geheel wordt omzoomd door een brede (oude) groenstrook. In de bestaande situatie is vooral de groenstrook die parallel loopt aan de A15 landschappelijk en ecologisch waardevol.

Dit bosplantsoen zorgt voor een afscheiding tussen de sportvelden en de drukke A15 en maakt onderdeel uit van de noordzijde van de Parkzone, een zone van aansluitende groenstructuren langs de noordzijde van de A15 (groenstructuurplan Sliedrecht). De beplanting rondom de velden is vrij eentonig en bestaat uit gewone es (186), esdoorn (92), meidoorn (50) en zwarte els (44). Ook staan er een aantal eiken (15) en iepen (10). Daarnaast is er veel ondergroei in de vorm van jonge boompjes en struiken. De 421 bomen op De Lockhorst zijn in augustus 2023 door de Bomenwacht Nederland beoordeeld op kwaliteit en levensverwachting. Uit de beoordeling blijkt dat 276 van de 421 bomen een slechte tot onvoldoende conditie heeft en dat de toekomstverwachting voor 218 bomen tussen de 1-5 jaar ligt. Dit betreft vooral de vele essen die te lijden hebben onder de essentaksterfte. Daarnaast speelt ook de hoge grondwaterstand en de onderlinge concurrentie een rol. De groenstructuren rondom het sportcomplex zijn van belang als leefgebied voor vleermuizen, die gebruik maken van de luwte en donkere plekken om te foerageren. Het is van belang dat in de nieuwe situatie leefgebied voor de vleermuizen gewaarborgd blijft.

4

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

VEENWEIDE natuur en landschap

HELM

toyr ire 4480 Ó 4

/5.’ J,

,

224

*

0

peller

, 3. , ok "oer ■ ter , h y"1a vgoet - “ -fuas

Pi

Scee

■ . 5

i ”

-s"

10 ■

4

‘ ( ye* "“kal *ir% 12 139;1 s. en,diers Pit ,5 rotte

21" -> —3

ü.teg

gons . , long

?l ia -

- T

’

2

fvy

sas..

JR3 “WaoftrI

S2 T‘(0 ‘A

1

eg 2‘ W

wr Wactie, arod

aria

—0.)

—4.1

25.4

gR%4

-983 AL* , 25 A 0 E■ 6 07 Sey •

ata"

Figuur 11mpressie van de huidige sitiatie (september 2023) 1 = oostzijde sportcomplex, 2= overzichtsfoto sportcomplex, 3= binnenplein tennisvereniging, 4 = tussensloot tussen voetbalveld en tennisvereniging, 5 = sloot tussen voetbalvelden en A15, 6 = ingang tennisvereniging.

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

5

Ontwikkelingen Op basis van het geactualiseerde ontwerp van STP III concludeert Bomenwacht Nederland in hun rapport dat er geen mogelijkheden zijn om de bestaande bomen te behouden. Hiervoor zijn een viertal oorzaken te benoemen. 1 Huidige conditie en levenverwachting groenbestand

Meer dan de helft van de bomen in de groenstructuren rondom het huidige sportcomplex hebben momenteel een levensverwa hting van slechts 1-5 jaar. Dit betreffen vooral oude essen met essentaksterfte, maar ook kastanjebloedingsziekte en iepziekte zijn waargenomen. 2 De herinrichting van het terrein Door de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg (rijbaan), bedrijfsgebouwen of - terreinen, watergangen en waterpartij gaat de standplaats van de bomen verloren en/of wordt het wortelsysteem van de bomen dusdanig aangetast dat bomen zullen afsterven. 3 Bouwrijp maken (ophogen maaiveld) Bijna het gehele terrein zal opgehoogd moeten worden vanwege de slechte ondergrond. Dit heeft nadelige gevolgen heeft voor het bomenbestand.

4 Verwijderen onderbemaling Door het verwijderen van de onderbemaling zal de peil van het oppervlakte- en grondwater stijgen. Dit heeft nadelige gevolgen voor een groot deel van het bomenbestand. Veel bomen sterven af als de bodem te nat wordt.

Figuur 2 tekening van de indeling van SIP III (

6

- Phaea design)

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

VE NWEIDE

HELM

natuur en landschap

Toekomstige situatie In het voorgestelde inrichtingsplan (zie figuur 2) wordt fasering voorgesteld om de belangrijke bestaande groenstructuur langs de A15 in de tijd te laten

transformeren van een boomsingel met vooral essen naar een open coulisselandschap met biodiverse bosschages en streekeigen landschapselementen zoals rietkragen, natuurvriendelijke oevers, takkenril en knotwilgen. Hiermee ontstaat een grote diversiteit aan streekeigen struiken en bomen, die beter bestand zijn tegen een variabel waterpeil en veranderende klimatologische omstandigheden. Door (delen) van dode en/of afstervende bomen te behouden en verwerken in de nieuwe groenstructuren kan de biodiversiteit verder gestimuleerd worden. Tussen het wandelpad langs de A15 en de nieuwe bedrijven ligt in de luwte een waterplas met rietkragen, natuurvriendelijke oevers en bosschages. Het water van de plas is verbonden met de overige watergangen op het terrein. De noord-zuid georiënteerde watergangen op STP III hebben, daar waar mogelijk, natuurvriendelijke oevers en/of worden beplant met streekeigen bomen die ook beter tegen natte omstandigheden kunnen (zoals zwarte els, berk, Gelderse rood, gewone lijsterbes en wilg). Verpreid langs de oevers staan brede rietkragen. Hetzelfde geldt voor de watergang aan de noordzijde van het terrein. Voor en tussen de kavels komen blokhagen met streekeigen struiken zoals liguster, hazelaar, meidoorn en veldesdoorn. De bermen worden ingezaaid met een streekeigen kruidenmengsel en ecologisch beheerd.

De nieuwe gebruikers van het bedrijventerrein worden door de gemeente Sliedrecht geadviseerd op welke wijze zij hun bedrijfsterrein en gebouw(en) natuurinclusief en klimaatadaptief kunnen inrichten.

a

, 9

2.239

— ? 88] 3

‘3

3

Figuur 3 tekening van groenstructuren op bedrijventerrein SP III (

Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten)

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

7

Vergelijking Sportcomplex De Lockhorst vs STP III Op basis van drie onderwerpen is een kwantitatieve en kwalitatieve analyse gemaakt van de huidige waarden van de groenstructuren op sportpark de Lockhorst ten opzichte van de toekomstige situatie van STP III. Hierbij moet gezegd worden dat de te verwachten waarden in de toekomstige situatie indicatief zijn en gebaseerd op basis van de huidige plannen en na een ontwikkeling van 20-25 jaar. Voor de vergelijking is gekeken naar de hier onder genoemde indicatoren: - kroonoppervlakte van de bomen: - het aantal bomen: - bijdrage aan de biodiversiteit:

Kroonoppervlakte van de bomen Het kroonoppervlakte van bomen is belangrijk omdat de omvang een aanzienlijke impact kan hebben op het ecosysteem, het milieu en menselijke activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn klimaatregulatie (verminderen hittestress), habitat voor dieren (biodiversiteit), landschappelijke waarde en natuurlijk zuurstofproductie. In de huidige situatie is er een boomkroonoppervlakte van ongeveer 33.500 m2. De schatting van de boomkroonoppervlakte in de toekomstige situatie, na een ontwikkeling van 20 tot 25 jaar, zal naar schatting ongeveer 27.500 m2 bedragen. Hierbij moet worden opgemerkt dat alleen het boomkroonoppervlak van de openbare ruimte van STP III is meegenomen in de berekening. Op de bedrijfskavels en het nieuwe sportpark Sliedrecht Buiten zullen nog vele honderden bomen worden aangeplant (zie figuur 5).

huidige situatie 33.500 m2

toekomstige situatie 27.500 m2

Aantal bomen Momenteel staan rondom en op het sportcomplex De Lockhorst 421 bomen met een diameter van 0.20 cm of meer. In de nieuwe situatie is er ruimte voor naar schatting ongeveer 348 bomen. Dit betreft alleen de bomen op de openbare gronden in STP III. Ook op de bedrijfskavels zelf en in Sliedrecht Buiten zullen vele honderden nieuwe bomen en struiken worden aangeplant.

huidige situatie 421 bomen

toekomstige situatie 348 bomen

8

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

VEENWEIDE natuur en landschap

•

VANDERI

% HELM

Biodiversiteit Huidige situatie Biodiversiteit is de verscheidenheid aan levende organismen en van vitaal belang voor diverse ecosysteemdiensten zoals bestuiving, weerstand tegen ziekte en plagen. Daarnaast speelt de beschikbaarheid van bijvoorbeeld voldoende insecten een belangrijke rol in de voedselpyramide.

In de huidige situatie is het bomenbestand vrij eentonig. Er staan vooral veel essen rondom het huidige sportcomplex. Uit onderzoek van de Bomenwacht Nederland blijkt dat een groot deel van deze bomen van slechte kwaliteit (218) is en een levensverwachting heeft van slechts 1-5 jaar (203). Veel van de bomen rond het complex zijn rond de 40 jaar oud. Door de dichte kroon wordt weinig licht doorgelaten. De overgang tussen de sportvelden en de bomenrij is vrij hard, van een zoom/mantelvegetatie is geen sprake.

De bomenstructuren op De Lockhorst zijn van belang voor diverse soorten algemene zangvogels zoals zwartkop, tjiftjaf en zwarte kraai. Daarnaast vormen de lijnvormige structuren een belangrijke functie als foerageergebied voor vleermuizen, die afkomen op de insecten die in de luwte van de boom vliegen. De sloten rondom het sportcomplex worden grotendeels beschaduwd door de overhangende takken, hetgeen gevolgen heeft voor de ecologische water­ kwaliteit. Door de afbraak van de bladeren lijkt er sprake van een laag zuurstofniveau in de sloten, hetgeen weer gevolgen heeft voor de aquatische flora en fauna. Er groeien niet of nauwelijks waterplanten in de sloten. Vermoedelijk heeft de beschaduwing, en hierdoor gebrek aan watervegetatie, ook gevolgen voor bijvoorbeeld libellen. Die zijn matig vertegenwoordigd. Andere insecten zijn vooral te vinden aan de randen van de groenstructuren. Het gaat hier vooral om algemene soorten vlinders zoals bont zandoogje en koolwitje. Door de harde overgang van sportveld naar hoog opgaande .beplanting zijn erweinig bloeiendekruiden—

Aren. 27 et-52 —Lr2N-

“Meet speur int arl’ , —Wens

Ss Ss 1i

Toekomstige situatie Het is de bedoeling om in de nieuwe situatie een diverser aanbod aan bomen en struiken te gebruiken met een grotere bloeiboog. Hierdoor is gedurende het hele seizoen nectar/stuifmeel voor insecten en hiermee voedsel voor tal van andere dieren, waaronder vogels en vleermuizen. Door geleidelijke overgang van laag naar hoog (zoom/mantel) te creëren zullen meer insecten en vogels gefacilliteerd kunnen worden. Langs de A15 zal worden getracht om oude afstervende en dode bomen te behouden. Tal van insecten en vogels zoals spechten, kauwen en spreeuwen, zullen hier­ van gebruik maken. De holtes die zullen ontstaan zijn aantrekkelijk als verblijf­ plaats voor vleermuizen. Door meer openheid (coullise) kan het zonlicht de bodem/water bereiken. Dit zal positieve gevolgen hebben voor de oever- en watervegetatie en hier­ mee de waterkwaliteit. Door de bosschages te combineren met natuurvriende­ lijke oevers, laanbeplanting, rietzomen en andere kleine landschapselementen ontstaat een gevarieerd biotoop. In de onderstaande tabel wordt een inschatting gemaakt van de waarden van de huidige groenstructuren en toekomstige inrichting voor het leefgebied van verschillende soortgroepen dieren. soortgroep

huidige situatie

toekomstige situatie

vleermuizen vogels zoogdieren vissen amfibieën dagvlinders libellen figuur 4 overzichtwaarden persoortgroep huidige situatie t.o.v. toekomstige situatie (1 = slecht, 2 = matig, 3 = voldoende, 4 = ruim voldoende, 5 = goed).

In de waardebepaling is alleen een kwalitatieve en kwantitatieve vergelijking gemaakt tussen het huidige sportcomplex de Lockhorst en de openbare ruimte van het toekomstige bedrijventerrein STP III.

Het nieuwe sportpark Sliedrecht Buiten, dat zal worden ontwikkeld in de polder ten noorden van het huidige sportpark, wordt ingepast in het polderlandschap met veel opgaande groenstructuren en andere landschapselementen. Een impressie van het toekomstige sportcomplex Sliedrecht buiten is te zien in figuur 5.

10

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

V

NWEIDE

natuur en landschap

HELM

yEu,

5"m to.lTes

s= 4!

?

Sir

figuur 5 impressie van hetnieuwe sportcomplex SliedrechtBuiten (

Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten)

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

11

Conclusie Van het huidige bomenbestand heeft meer dan de helft van de bomen een levensverwachting van slechts 1-5 jaar. Dit komt voornamelijk door de essentaksterfte. Door het uitplaatsen van het sportcomplex en de ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein Stationspark III en hiermee gepaard gaande werkzaamheden (bouwrijp maken, aanleg infrastrcutuur) wordt het lastig, zo niet onmogelijk, om bomen te behouden. Het verplicht verwijderen van de onderbemaling draagt hier niet aan bij. In de huidige situatie is hierdoor een groter kroonoppervlak ten opzichte van de toekomstige situatie. Hetzelfde geldt voor het aantal bomen. Momenteel zijn er 421 bomen met een stamdiameter van > 0.20 m. In de toekomstige situatie zullen dat er ongeveer 350 zijn. Daarbij is overigens alleen gekeken naar het aantal bomen en kroonoppervlak in de openbare ruimte.

De verwachting is dat de ondernemers bij het ontwikkelen van de bedrijfskavels tevens bomen en bosjes zullen aanplanten om hun bedrijfsterrein te verfraaien. Mogelijk kan de gemeente Sliedrecht het vergroenen en nemen van natuurinclusieve maatregelen stimuleren, zodat het aantal bomen in de toekomstige situatie op z’n minst gelijk blijft. Het is hierbij wel van belang dat de beplanting inheems en streekeigen is en zoveel mogelijk aansluit op bestaande groen­ structuren. In de toekomstige situatie zal de combinatie van meer en dieper water, natuurlijke oevers en rietkragen positieve gevolgen hebben voor de water­ kwaliteit en de aquatische flora en fauna. Soortengroepen als libellen, vissen en amfibieën zullen hiervan profiteren en toenemen in vergelijking met de huidige situatie. Veel soorten insecten zullen baat hebben bij de zoom/mantelovergangen, grotere diversiteit aan bomen en struiken en meer openheid tussen de bosschages en langs de oevers. Er zullen meer bloeiende kruiden zijn, die op hun beurt meer soorten wilde bijen, zweefvliegen en vlinders aantrekken, hetgeen positieve gevolgen heeft voor het voedselaanbod van vogels en vleermuizen. Door de grotere diversiteit in bomen en (lage) struiken zal de kwaliteit van het leefgebied voor vogels verbeteren en dat van vleermuizen behouden blijven.

De ontwikkelingen op Stationspark III zullen zorgen voor een toename van de biodiversiteit.

12

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

V ENWEIDE natuur en landschap

HELM

P=g

>

Z.

+

?

0

O

L D

U U

m 7.

m Z O

D

0

0 0

? G)

0 > O

Z

0 U > 2 20

7.

m

0 2

m

O

I

G5EE59

C -Om

figuur 6 impressie van toekomstige situatie Stationspark III (

m Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten)

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

13

Bronvermelding , 2019. Aanvullend natuuronderzoek, Sliedrecht Buiten Rapportcode: AO2019-003. Arvalis Natuur & Landschap. Nw-Lekkerland, Breur E ologie & Onderzoek. Dordrecht , 2019. Quickscan Ecologie, Sliedrecht Buiten. Rapportcode: QS2019-002. Arvalis Natuur & Landschap. Nw-Lekkerland, & Onderzoek. Dordrecht , , , de Haan N. 2023 Bomen Effect Analyse Planbeoordeling Stationspark III, Sliedrecht. Bomenwacht Nederland, Linschoten.

, 2021. Rapport Natuurwaarden Sliedrecht Buitengebied. Rapport 2021-014, gemeente Sliedrecht. Arvalis Natuur & Landschap, Nieuw-Lekkerland, Breur Ecologie en Onderzoek, Dordrecht.

VanderHelm Milieubeheer B.V. (2023). Kenmerk SLSB20230424. Activiteitenplan heikikker, poelkikker, platte schijfhoren en weidevogels Stationspark III & Sliedrecht Buiten te Sliedrecht, d.d. 29 september 2023

14

waardebepaling groenstructuren De Lockhorst vs STP III

Noot In dit document zijn gedeeltes onleesbaar gemaakt op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (naam) • (...)

Bijlage 12 Onderzoek stikstofdepositie

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

315 - 721

ADVIES

Berekening stikstofdepositie gebruiks- en aanlegfase Sliedrecht buiten & Stationspark III

(2304/121/JK-01.F)

fat 1 WN— "2 Adviseurs in bouwen, milieu & veiligheid

documen kenmerk: 2304/121/JK-01.F

Berekening stikstofdepositie gebruiks- en aanlegfase

In opdracht van Gemeente Sliedrecht T.a.v. Industrieweg 11 3361 HJ Sliedrecht

Betreffende locatie Sportlaan & Kweldamweg Sliedrecht Documentkenmerk 2304/121/JK-01 Versie F

Vestiging Breda

Datum 14 november 2023

opgesteld door:

gecontroleerd door:

Projectleider stikstof

Projectleider ruimtelijke ordening

Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie h tps://w ww .tr tium .nl/disclaim er/29-04-2021/

Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T. E.

@ tr tium.nl

I.

www. ritium .nl

KvK-nr. 17108024

Breda >> Nuenen >> Rijkevoort

Tritium/0 ES documentkenmerk: 2304/121/JK-01.F

pagina

1

Inleiding

1

2

Wettelijk kader

3

3

Opzet onderzoek

4

4

Uitgangspunten gebruiksfase

5

5

Uitgangspunten aanlegfase

8

5.1

Aanlegwerkzaamheden

8

5.2

Gebruik tijdens aanleg

12

6

Modellering

13

7

Resultaten

14

8

Intern salderen

16

9

Resultaten verschilberekening

18

10

Conclusie

22 24

documentkenmerk: 2304/121/JK-01.F

1

Inleiding

Om zekerheid te verkrijgen ten aanzien van eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiks- en aanlegfase van de beoogde planontwikkeling, is onderhavige

berekening uitgevoerd.

Het plan voorziet in de realisatie van een sportpark (Sliedrecht Buiten) en een bedrijventerrein (Stationspark III). Het sportpark wordt aan de kweldamweg gerealiseerd. Het bedrijventerrein

komt op de locatie waar de huidige sportverenigingen zullen verdwijnen (sportlaan). Het plan zal gefaseerd gerealiseerd worden waarbij eerst het nieuwe sportpark word gerealiseerd (2024 tot

2027) en daarna het bedrijventerrein (2027 tot 2029). Het bedrijventerrein zal gasloos worden aangelegd, er zal dus geen sprake zijn van stikstofemissies van stookinstallaties. Er is in onderhavige wel rekening gehouden met eventuele stikstofemissies ten gevolge van stationair

draaien van vrachtwagens en inzet van mobiele werktuigen. Ook het sportterrein wordt geheel gasloos gerealiseerd waardoor geen stikstofemissie veroorzaakt wordt door gasgestookte

stookinstallaties.

Figuur 1.1: Situatietekening planvoornemen (Stationspark III, bedrijventerrein).

pagina 1 van 23

documentkenmerk: 2304/121/JK-01.F

Jofoy Ar, Ore! "vele Semey

He h 53 1 102 2

I

I i

Ca

110)

"

out ral

o* ——

—alle

Figuur 1.2: Situatietekening planvoornemen (Sliedrecht Buiten, nieuw sportpark).

pagina 2 van 23

documentkenmerk: 2304/121/JK-01.F

2 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijke kader met betrekking tot de bescherming van

de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Een onderdeel daarvan zijn de Natura 2000-gebieden, waarvan er in Nederland ruim 160 zijn. Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden

met een Europese beschermingsstatus en zijn aangewezen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van

het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Veel van de gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de

stikstofdepositie kan leiden tot 'significante (negatieve) effecten’ op het beschermde natuurgebied. Op basis van de Wnb is het niet toegestaan een plan of project te realiseren dat afzonderlijk of in

combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura

2000-gebied.

Achterdijk

Sliedrecht

Dordrecht Maasdam Uitwik

oudslanid

tollar

Figuur 2.1: Ligging projectlocatie (aangeduid met blauw 'informatieteken’) met nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige habitat ligt in het Natura 2000-gebied 'Biesbosch’

(gebiedsnummer 137) op circa 1,9 kilometer afstand Het kabinet heeft besloten om de stikstofproblematiek structureel aan te gaan pakken, wat heeft

geleid tot de introductie van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), welke op 1 juli 2021 in werking is getreden. Met deze wet wordt beoogd de natuur te versterken en de stikstofuitstoot en depositie te verminderen.

Om de mogelijke (toename van) stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige Natura 2000-

gebieden inzichtelijk te maken, is voor de beoogde ontwikkeling een berekening stikstofdepositie opgesteld in zowel de gebruiksfase als in de aanlegfase. Dit middels het rekeninstrument AERIUS

Calculator 2023.

pagina 3 van 23

Tritium/0

(—1

documentkenmerk: 2304/121/JK-01.F

3 Opzet onderzoek Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving

van het plangebied is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2023.0.1. Voor de opzet en achtergrond van de invoergegevens en onderhavige rapportage is gebruik gemaakt van de

'Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2023.0.1’ zoals opgesteld door BIJ12 (verder: de invoerinstructie). In de berekeningen zijn de emissies van NOx, NO2 en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: •

Verkeersbewegingen binnen en buiten het plangebied (aanlegfase, gebruiksfase en referentiesituatie);

•

Mobiele werktuigen (gebruiksfase)

•

Stationair draaien van vrachtverkeer (gebruiksfase)

•

Sloop en aanlegwerkzaamheden (aanlegfase).

•

Meststoffen op landbouwgrond (referentiesituatie).

In het kader van de in de Wnb opgenomen instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-

gebieden dient onderzocht te worden wat de gevolgen zijn van het plan/project ten opzichte van de referentiesituatie.

In de volgende hoofdstukken worden de uitgangspunten ten aanzien van de berekening weergegeven en worden de emissies berekend die als input dienen voor de stikstofdepositie

berekening in AERIUS Calculator. Zowel de depositie in de gebruiksfase als in de aanlegfase zijn

berekend.

pagina 4 van 23

Tritium/0

(—1

documentkenmerk: 2304/121/JK-01.F

4 Uitgangspunten gebruiksfase Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein en een sportpark. Het plan zal volledig gasloos worden opgeleverd. Van stikstofemissie ten gevolge van stookinstallaties met aardgasverbruik in de gebruiksfase is derhalve geen sprake. Wel wordt er verwacht dat er

stikstofemissie ten gevolge van verkeersbewegingen, mobiele werktuigen (stationspark III) en

stationair draaien tijdens het laden en lossen van vrachtwagens (stationspark III) zal plaatsvinden. Voor het bepalen van de uitgangspunten in de gebruiksfase is aangesloten op het stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd door omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid d.d. 8 juni 2022 (Z-

21-400403) en het bijbehorende rekenblad 'Rekenblad Stikstofdepositie STPIII & Sliedrecht Buiten

- Gebruiksfase 28-4-22’ (bijlage 1 & 2). Waar nodig is de invoerwijze aangepast conform de 'Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2023). In dit hoofdstuk worden de

uitgangspunten voor Sliedrecht Buiten en Stationspark III beknopt beschreven. Verkeersbewegingen

Het verkeer voor sliedrecht buiten is gebaseerd op de bezetting van de 355 beoogde parkeerplaatsen, het uitgangspunt is dat er een bezetting van 100% en 20% voor respectievelijk

een weekenddag en een weekdag is. Het verkeer voor Stationspark III is gebaseerd op de verkeersgeneratie van 12 kleine bedrijven, 6 middelgrote bedrijven en 2 grote bedrijven.

Onderstaande tabel geeft het totaal aantal verkeersbewegingen weer in overeenstemming met het rekenblad 'Rekenblad Stikstofdepositie STPIII & Sliedrecht Buiten - Gebruiksfase 28-4-22’. Tabel 4.1: Totale verkeersbewegingen planvoornemen Bron

Sliedrecht Buiten

Stationspark III

Voertuigklasse

Bewegingen / etmaal

Licht verkeer

304

Middelzwaar verkeer

4

bussen

6

Totaal verkeersbewegingen Sliedrecht Buiten

314

Licht verkeer

1.504

Middelzwaar verkeer

80

Zwaar vrachtverkeer

64

Totaal verkeersbewegingen Stationspark III

1.648

Conform de invoerinstructie dient het verkeer meegenomen te worden totdat het opgaat in het heersend verkeersbeeld. Dit is het moment dat het verkeer zich qua rij- en stopgedrag niet meer

onderscheidend maakt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. In de regel

wordt het verkeer ten gevolge van de ontwikkeling in de berekening betrokken tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.

In onderhavige situatie wordt ervan uitgegaan dat het verkeer van en naar het sportpark ontsloten wordt via de Kweldamweg, vervolgens in zuidelijke richting rijdt en ter hoogte van de kruising met

de Sportlaan opgaat in het heersend verkeersbeeld. Het uitganspunt is dat al het verkeer van en naar het bedrijventerrein ontsloten wordt via de Sportlaan en hier 50/50 splits richting oostelijke en westelijke richting. Het verkeer in westelijke richting zal opgaan bij de kruising met de N482.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/723/documents/9217