CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6b - Bijlage bij de toelichting Bestemmingsplan Sliedrecht Buiten & Stationspark III (groot bestand) - kopie_Deel2.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 28 mei 2024, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Vaststelling bestemmingsplan Sliedrecht Buiten en Stationspark III19.131 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Breur Ecologie & Onderzoek

• • • •

ARVALIS

Natuur & Landschap te

Lg11 - Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied Lg08 - Nat, matig voedselrijk grasland H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

Daarom wordt aanbevolen om nader te onderzoek uit te laten voeren naar het effect van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Een der­ gelijke analyse valt buiten de scope van deze quickscan.

6.2 Verordening ruimte Op ca. 700 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich de rivier de Beneden-Merwede. Deze rivier en delen van de noordelijke oeverzone behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gezien de afstand tot het plangebied en de aard van de ontwikkeling valt uit te sluiten dat er sprake is van negatief effect op de wezenlijke waar­ den en kenmerken, de oppervlakte of de samenhang van het Natuur­ netwerk Nederland. De geplande ontwikkeling conflicteert niet met de provinciale Verordening Ruimte.

Stationspark III ""UAspur—

=

—

eFTUNKEFAD.

_

Figuur 4: Ligging 'stationspark III (rood) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (groen)

Hardinxveld-Giessendam

897

906

BtN

SCFAPEOMIE]

SPORTLAA)

2

thie Da "OPNcvenas,—L —90/ WW®

AUIIENDANs

5

N.VLameosst.car Al BACHTS STRGAT inDusmRies?

Beneden -Merwede

Quick Scan Stationspark III --------------------------------------------------- 13

7 Beschermde soorten 7.1 Planten Gelet op het aanwezige habitat, de waterhuishouding en het gebruik van het plangebied is het uit te sluiten dat er strikt beschermde vaatplanten in het plangebied aanwezig zijn. Het grootste deel van het plangebied is tevens in gebruik als voetbalveld (deels kunstgras) of is bestraat. Beschermde plantensoorten stellen

doorgaans specifieke eisen aan de standplaats, voedselarme en/of kalkrijke situaties, kwelsystemen, enz. Geschikte groeiomstandigheden voor beschermde soorten afwezig. In het plangebied zijn enkel zeer alge­ mene soorten waargenomen zoals Hondsdraf, Herik, Kleefkruid, Paar­ se dovenetel en Smalle weegbree. Ook uit literatuurbronnen zijn geen gegevens van beschermde soorten bekend.

Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor bescherm­ de flora niet noodzakelijk.

7.2 Vogels Op het terrein zijn tijdens de quickscan diverste oude boomnesten aan­ getroffen van vermoedelijk Ekster, Houtduif en Zwarte kraai. Deze oude nesten kunnen geschikt zijn voor boombroedende roofvogels zoals de Sperwer. Nesten van deze vogels zijn jaarrond beschermd. Ook bestaat er potentie voor aanwezigheid van de Huismus: er is voldoende geschikt struweel aanwezig (leefgebied) en het terrein rondom de voetbalkantine

kan aantrekkelijk zijn vanwege voedselresten. Aan de achterzijde van de tribune zijn, achter het rotte houten dakoverstek, sporen van nesten aangetroffen. Mogelijk betreffen dit nesten van de Huismus.

Naast boombroedende roofvogels en Huismus bestaat er potentie voor nestplaatsen van algemene boom- en struweelbroeders waarvan de nestplaatsen niet jaarrond beschermd zijn. Hierbij valt te denk aan soorten zoals Merel, Winterkoning, Houtduif en Zwarte kraai. Voor alle soorten vogels geldt dat in gebruik zijnde nesten nooit worden verstoord of vernield (ongeacht de periode). Eventuele kapwerkzaamheden die­ nen buiten het broedseizoen (15 maart t/m 31 augustus) uitgevoerd te worden. Daarnaast is ten aanzien van de Huismus en boombroedende roofvogels aanvullend onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of deze soorten inderdaad in het plangebied voorkomen.

14

Quick Scan Stationspark III

9 Breur •

Ecologie & Onderzoek

ARVALIS

Natuur & Landschap te

7.3 Grondgebonden zoogdieren In de omgeving van het plangebied komen de beschermde Noordse woelmuis en Waterspitsmuis voor. Deze soorten hebben echter een duidelijke voorkeur voor natuurlijke habitats. Natuurlijke oeverzones, met natte gradiënten en structuurrijke ruige vegetatie zijn niet aanwe­ zig in het plangebied. De oeverzones van de sloten langs het plangebied lopen steil af en geschikte vegetatie ontbreekt. Op basis hiervan kan aanwezigheid van de Noordse woelmuis en Waterspitsmuis worden uitgesloten. Wel is het plangebied geschikt voor algemene(re) soorten zoogdieren waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betref­ fen algemene muizensoorten, Bunzing, Hermelijn, Wezel, Mol en de Egel. Ten aanzien van deze soorten is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel dient men de zorgplicht in acht te nemen (zie Hfst. 4.4).

7.4 Vleermuizen In het plangebied bestaat potentie voor aanwezigheid van vleermuis­ verblijfplaatsen. Met name in de achterzijde van de tribune (het gedeel­ te met de kleedkamers) en in het kassahuisje bevinden zich geschikte kieren en gaten die kunnen functioneren als verblijfplaats van vleermui­ zen. Hierbij valt met name te denken potenties voor Gewone- en Rui­ ge- dwergvleermuis en (in mindere mate) de Laatvlieger. Hiernaast zijn

er in het plangebied diverse bomen met holtes en/of loshangende bast waargenomen. Hier bestaat potentie voor aanwezigheid van de Ruige dwergvleermuis en de Watervleermuis.

De kier linksboven van het raamkozijn biedt potentie voor vleermuizen

De kieren tussen de bakstenen gevel en het houten boeiboord bieden potentie voor vleermuizen

Quick Scan Stationspark III ---------------------------------------- 15

) Ruimtes achter loshangende boombast zijn geschikt als ver­ blijfplaats voor de Ruige dwergvleermuis.

Boomholte in het plangebied

Geen van de potentiële verblijfplaatsen zijn geschikt als winterverblijfplaats. De gebouwen zijn slecht geïsoleerd en mogelijke verblijfplaatsen bevinden zich direct achter dunne gevelbeplating. Dergelijke plekken zijn niet vorstvrij en niet stabiel genoeg qua temperatuur om te kunnen functioneren als winterverblijfplaats. In het plangebied bestaat enkel potentie voor kraamkolonies, zomerverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen. Hiernaast zal onderzocht moeten worden of de bomenlanen in het plangebied functioneren als vliegroute en/of foerageergebied. Aanvul­ lend onderzoek naar vleermuizen is hierom noodzakelijk in de periode mei t/m september.

7.5 Amfibieën en Reptielen Amfibieën In de omgeving van het plangebied komen naast algemene vrijgestel­ de soorten voor, zoals Gewone pad, Bastaardkikker, Meerkikker, Bruine kikker en Kleine watersalamander, Voor de algemene soorten amfibieën geldt de algehele zorgplicht. Dit heeft vooral betrekking op de voorgenomen werkzaamheden aan watergangen en het landhabitat. De werkzaamheden dienen onder ecologische begeleiding of middels een goedgekeurde gedragscode te worden uitgevoerd. Van de habitatrichtlijnsoort Rugstreeppad zijn waarnemingen uit de pol­ ders ten noorden van het plangebied. Daarnaast zijn recent Rugstreeppadden aangetroffen op het naastgelegen bedrijventerrein Nijverwaard. Het is niet uitgesloten dat de Rugstreeppad ook in het plangebied voor­ komt. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Het plangebied heeft geen geschikt habitat voor Heikikker die in deze regio gebonden is aan open veenweidelandschap.

16 ------------------- Quick Scan Stationspark III

Breur Ecologie & Onderzoek

ARVALIS

Natuur & Landschap te

Reptielen Uit het plangebied en directe omgeving zijn geen waarnemingen bekend van reptielen. Het plangebied biedt daarnaast geen optimaal geschikt habitat. Het is uitgesloten dat in het plangebied (beschermde) reptielen voorkomen.

7.6 Vissen Uit onderzoek dat RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissenonderzoek Nederland) heeft verricht in opdracht van Waterschap Rivierenland ter actualisatie van de verspreidingsgegevens van Grote modderkruiper (De Bruin et al, 2016), blijkt dat deze beschermde soort in lage dichtheden voorkomt in de Alblasserwaard.

In het watersysteem waar het plangebied deel vanuit maakt is geschikt habitat voor Grote modderkruipers aanwezig. Het is daarom niet uit te sluiten dat de Grote modderkuiper in de wateren rondom Stationspark III voorkomt. De Grote modderkruiper is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort is aangewezen als nationaal beschermde soort. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de Grote mod­ derkruiper. Daarnaast komt mogelijk de Kroeskarper voor in de sloten van Stationspark III De Kroeskarper heeft de status van kwetsbaar op de Rode lijst en is bekend uit de Alblasserwaard.

Overige beschermde vissoorten worden binnen het plangebied niet ver­ wacht.

Quick Scan Stationspark III --------------------------------------------------- 17

7.7 Overige soorten Vlinders, Libellen en Overige ongewervelden Beschermde soorten vlinders en libellen en overige ongewervelden stel­ len specifieke eisen aan het habitat, waaronder bijvoorbeeld de aanwe­ zigheid van waardplanten en komen doorgaans alleen voor in natuurter­ reinen.

In het plangebied is dergelijk habitat niet aanwezig. Het is daardoor niet aannemelijk dat dergelijke soorten voorkomen in het plangebied. De plannen in Stationspark III leiden niet tot aantasting van leefgebieden van overige beschermde soorten. Nader onderzoek naar deze soortgroepen is niet noodzakelijk.

18

Quick Scan Stationspark III

Breur Ecologie & Onderzoek

ARVALIS

Natuur & Landschap te

8 Conclusies en aanbevelingen 8.1 Conclusies - De geplande ontwikkeling kan negatief effect hebben op Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of grenswaardes ten aanzien van stikstofdepositie worden daadwerkelijk worden overtreden. Indien grenswaardes overschreden worden geldt een vergunningplicht. - De geplande ontwikkeling doet geen afbreuk doet aan de wezenlijke waarden en kenmerken, de oppervlakte of de samenhang van Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van een overtreding van de Provinciale Verordening Ruimte. - De bomen in het plangebied vallen binnen de “bebouwde kom” zoals deze gedefinieerd is voor houtopstanden. Er is dus geen sprake van een vergunnings- en of herplantingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Enkel een kapvergunning en eventuele andere gemeentelijke voorwaarden zijn van toepassing voor de kap van bomen in het plangebied.

In het plangebied bestaat potentie voor diverse beschermde soorten, aanvullend onderzoek is noodzakelijk naar: - Boombroedende roofvogels - Huismussen - Vleermuizen - Rugstreeppad - Grote modderkruiper Uit het aanvullend onderzoek zal blijken of het plangebied inderdaad een functie vervult voor beschermde diersoorten. Indien dit het geval is dient gekeken te worden of negatief effect op deze soorten kan worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is dient een ontheffing voor de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Hiernaast bestaat er in het plangebied potentie voor algemene vogel­ soorten waarvan de nestplaatsen alleen beschermd zijn wanneer het nest in gebruik is. Ten aanzien van deze vogels is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk, wel dient men rekening te houden met het broedseizoen (zie 8.2 Aanbevelingen).

Quick Scan Stationspark III --------------------------------------------------- 19

8.2 Aanbevelingen - In het kader van de zorgplicht dient men zorg te dragen voor alle in het wild levende planten en dieren. Onnodige schade dient te allen tijde te worden voorkomen. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat wanneer er zich bijvoorbeeld een Egel of Gewone pad in het werkveld bevindt dat deze verplaatst wordt, danwel de gelegenheid dient te krijgen om het werk gebied op eigen kracht te verlaten. - Met de planning van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het vogelbroedseizoen (grofweg maart t/m augustus).

20

Quick Scan Stationspark III

Breur Ecologie & Onderzoek

ARVALIS

Natuur & Landschap te

Bronvermelding Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruim­ telijke ingrepen. Mertens. 2017. Quick Scan Beschermde Planten- en Diersoorten Recre­ atief Knooppunt en Stationspark 3 te Sliedrecht. Advies Bureau Mertens B.V. Bennekom

De Bruin A. F. Spikmans, J. Kranenbarg & J. Herder, 2017. Verspreidingsonderzoek grote modderkruiper Waterschap Rivierenland 2013 en 2016. Actualisatie verspreiding en strategie instandhouding. Stichting RAVON, Nijmegen. Kaarmateriaal: http://pdokviewer.pdok.nl Beschermde gebieden: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl

Overig: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocu menten-soorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/ https://www.verspreidingsatlas.nl https://waarneming.nl/ https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/wet-natuurbescher ming-16-december-2015-paragraaf-32-beschermingsregimesoorten-van-de https://www.aerius.nl/nl/over-aerius/producten/calculator

Quick Scan Stationspark III --------------------------------------------------- 21

BIJLAGE I

Beschermingsregime soorten : Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb

Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te ivangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.10 lid la Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid lb Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Ar 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

i Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

^ Breur •

•

Ecologie & Onderzoek

22 ------------------------------ Quick Scan Stationspark III

ARVALIS Natuur & Landschap 3

Noot In dit document zijn gedeeltes onleesbaar gemaakt op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: • (...) • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (naam)

Bijlage 6

Quickscan Stationspark III (2022)

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

138 - 721

y Eoout VEENWEIDE •

Onderzoek

natuur en landschap

Quick Scan STATIONSPARK III

(Y. V

ie

4

19 A

M'i n.

Breur Onderzoek

In opdracht van gemeente Sliedrecht

VEENWEIDE natuur en landschap

April 2022

Datum: Auteur: Opdrachtgever: Projectnummer: Wijze van citeren

25 april 2022 & Gemeente Sliedrecht QS2022-003 , 2022. Quickscan E ologie, Stationspark III. Rapportcode: QS2022-003. Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht, Veenweide Natuur & Landschap. Nieuw-Lekkerland

Breur

V

Ecologie & Onderzoek

NW ID

natuur en Landschap

Breur Ecologie & Onderzoek

Veenweide Natuur & Landschap

Disclaimer Op alle tekst, foto's en afbeeldingen in dit rapport berust - tenzij anders vermeld - het auteursrecht van Breur Ecologie & Onderzoek en Veenweide Natuur & Landschap. Deze rapportage, inclusief eventuele bijlage(s), is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde. Verstrekking aan en gebruik door anderen dan de geadresseerde is zonder toestemming niet toegestaan. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Breur Ecologie & Onderzoek en Veenweide Natuur & Landschap kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade als gevolg van een onjuiste of onvolledige weergave van de gegevens in dit rapport.

Copyright © Veenweide Natuur en Landschap & Breur Ecologie en Onderzoek 2022.

2

Quick Scan Stationspark III

Breur VEENWEIDE Ecologie & Onderzoek

natuur en landschap

Inhoudsopgave Samenvatting

4

1 Aanleiding

5

2 Doel

5

3 Werkwijze

6

4 Wettelijk kader 4.1 Beschermde soorten 4.2 Beschermde gebieden 4.3 Beschermde houtopstanden 4.4 Zorgplicht

7 7 8 8 8

5 Plangebied & ontwikkeling 5.1 Huidige situatie 5.2 Geplande ontwikkeling 5.3 Toekomstige situatie 5.4 Planning

9 10 10 10 10

6 Beschermde gebieden 6.1 Wet natuurbescherming 6.2 Verordening ruimte

11 11 12

7 Beschermde soorten 7.1 Planten 7.2 Vogels 7.3 Grondgebonden zoogdieren 7.4 Vleermuizen 7.5 Amfibieën en Reptielen 7.6 Vissen 7.7 Overige soorten

13 13 13 14 15 15 16 17

8 Conclusie & aanbevelingen 8.1 Conclusies 8.2 Aanbevelingen

18 18 19

Bronvermelding

20

Bijlage I

21

Quick Scan Stationspark III

3

Samenvatting Breur Ecologie & Onderzoek en VeenWeide Natuur & Landschap hebben in opdracht van Gemeente Sliedrecht een quickscan ecologie uitgevoerd op het terrein genaamd ‘Stationspark III’ te Sliedrecht. De gemeente onderzoekt de mogelijkheid om dit sportcomplex te ontwikkelen tot bedrijventerrein.

Deze quicksan heeft tot de volgende conclusies geleid:

- De geplande ontwikkeling kan een negatief effect hebben op nabijgelegen Natura-2000 gebied ‘de Biesbosch’ als gevolg van stikstofdepositie. Mogelijk is de ontwikkeling hierdoor vergunningsplichtig. Dit dient onderzocht te worden. - Er is geen sprake van een overtreding van de Provinciale Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Nederland). - De bomen in het plangebied vallen binnen de “bebouwde kom” zoals deze gedefinieerd is voor houtopstanden, waardoor er geen sprake is van een vergunnings- en of herplantingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. - Er zijn op dit moment geen jaarrond beschermde nesten aanwezig in het plangebied. Indien de geplande ontwikkeling nog enkele jaren op zich laat wachten wordt aangeraden om dit nogmaals te onderzoeken aangezien toekomstige broedgevallen van bijvoorbeeld een buizerd nooit helemaal zijn uit te sluiten. - Het plangebied heeft potentie als functioneel leefgebied voor vleermuizen, nader onderzoek naar het terreingebruik van deze soortgroep is nood­ zakelijk. Wanneer dit aanvullend onderzoek aantoont dat het plangebied essentiële functies vervult voor vleermuizen, en negatief effect op vleermuizen niet kan worden voorkomen, dan dient men een ontheffing voor de Wet natuurbescherming aan te vragen.

- De rugstreeppad komt voor in de directe nabijheid van het plangebied, In de huidige staat is het plangebied ongeschikt voor deze soort, maar gezien het pioniersgedrag van deze soort zijn maatregelen nodig om vestiging in de bouwfase te voorkomen.

Afgezien van beschermde soorten is het plangebied geschikt voor onbeschermde, danwel vrijgestelde soorten (zoals Mol, Haas, Bruine kikker en Gewone pad). Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten niet nodig, wel geldt te allen tijden de zorgplicht (zie aanbevelingen).

4 --------------------------------- Quick Scan Stationspark III

Ah 9 —Breur VEENWEIDE • Ecologie & •

Onderzoek

natuur en landschap

1 Aanleiding De Gemeente Sliedrecht is voornemens om op de huidige locatie van de Sliedrechtse voetbalvereniging en tennisclub (S.L.T.C.) een bedrijventerrein te ontwikkelen, genaamd Stationspark III. De locatie voor Stationspark III is gelegen tussen de A15 en het spoor (Betuweroute).

Het sportpark van de voetbalvereniging en tennisclub wordt verplaatst naar het nieuw te ontwikkelen recreatieterrein Sliedrecht Buiten ten noorden van de spoorlijn. Door middel van een quickscan ecologie wordt vastgesteld of deze geplande ontwikkeling leidt tot het overtreden van de Wet natuurbescherming en/of de Verordening Ruimte. Deze quickscan richt zich specifiek op het Stationspark III. De ontwikkeling m.b.t. Sliedrecht Buiten worden niet in dit onderzoek behandeld.

2 Doel Het doel van deze quickscan ecologie is om antwoord te geven op de volgende vragen: - Is het plangebied gelegen in/nabij beschermde natuurgebieden? - Zijn beschermde soorten flora en fauna (potentieel) aanwezig in het plangebied? - Leidt de geplande ontwikkeling tot een overtreding van de Wet natuurbescherming? - Dienen er vervolgstappen genomen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming?

Quick Scan Stationspark III

5

3 Werkwijze Door middel van een bureaustudie en een veldbezoek is een compleet beeld gekregen van het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten flora en fauna in het plangebied en het effect van de ontwikkeling op nabijgelegen beschermde gebieden.

Bureaustudie Door middel van een literatuur- en internetstudie is onderzocht welke beschermde soorten (potentieel) voor kunnen komen in en om het plangebied. Hierbij is tevens gebruik gemaakt van in het verleden uitgevoerde onderzoeken in/om het plangebied. Ook zijn verspreidingsatlassen en openbaar beschikbare waarnemingen bestudeerd. Daarnaast beschikken Breur Ecologie en Veenweide Natuur & Landschap over veel regionale natuurkennis. Ten aanzien van de beschermde gebieden zijn de officiële websites van de betreffende overheidsinstanties geraadpleegd. Veldbezoek Een oriënterend veldbezoek is uitgevoerd door en op 1 maart 2022. Het gehele plangebied is te voet onderzocht, belangrijke elementen zijn gefotografeerd en indien nodig met de verrekijker geïnspecteerd. Op 21 april 2022 heeft een aanvullend veldbezoek plaatsgevonden gericht om uit te kunnen sluiten of er sprake was van boombroedende roofvogels in het plangebied.

6

Quick Scan Stationspark III

‘(hn Breur VEENWEIDE Ecologie & Onderzoek

natuur en landschap

4 Wettelijke kaders 4.1 Beschermde soorten De bescherming van flora en fauna is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze soortbescherming onderscheidt drie categorieën: Vogelrichtlijnsoorten Gebaseerd op de Europese Vogelrichtlijn (1979). Dit heeft betrekking op alle in Europa natuurlijk voorkomende vogelsoorten. Van enkele specifieke vogelsoor­ ten is in Nederland de nest- of verblijfplaats jaarrond beschermd, ook wanneer hier niet gebroed wordt. Hierbij valt te denken aan gebouwbewonende vogels zoals de huismus en gierzwaluw of boombroedende roofvogels zoals de sper­ wer en de boomvalk.

Habitatrichtlijnsoorten Gebaseerd op de Europese Habitatrichtlijn (1992). Onder deze categorie vallen specifieke soorten uit verschillende groepen (vaatplanten, zoogdieren, vissen etc.) waarvoor op Europees niveau instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld. Nationaal beschermde soorten In de wet worden dit ook wel “andere soorten” genoemd. Dit betreft specifieke soorten verschillende groepen (vaatplanten, zoogdieren, vissen etc.) die op nationaal niveau beschermd zijn. Let wel: Als bevoegd gezag mogen provincies soorten uit deze derde categorie vrijstellen van een ontheffingsplicht. Zo kan de bescherming van deze soorten tussen provincies van elkaar verschillen. Per beschermingscategorie gelden verschillende verbodsbepalingen, deze zijn in tabelvorm weergegeven in Bijlage I. Basis voor de soortbescherming is het “nee, tenzij” principe: handelingen met negatief effect op soorten in verbo­ den tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan.

Quick Scan Stationspark III

7

4.2 Beschermde gebieden De bescherming van beschermde gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbe­ scherming en in de provinciale Verordening Ruimte.

Wet natuurbescherming De gebiedsbescherming in deze wet heeft uitsluitend betrekking op Natura 2000-gebieden. Deze gebieden hebben instandhoudingsdoelstellingen vast­ gesteld op Europees niveau. Invloeden (ook van buitenaf) mogen deze in­ standhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Verordening Ruimte In de verordening ruimte is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd. Dit is een nationaal netwerk van groene gebieden, voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het ruimtelijke beleid voor het NNN is ge­ richt op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNN. Aanvullend op dit nationale netwerk kan de provincie ook andere gebieden een planologische bescherming toekennen, dit gebeurt bijvoorbeeld bij belangrijke provinciale landschappen of belangrijke weidevogelgebieden.

4.3 Beschermde houtopstanden De kap van houtopstanden (bos, lanen, houtwallen, hagen, struwelen etc.) is onderhevig aan de regelgeving van de Wet natuurbescherming indien: - De houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2). - Het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. - De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’.

Voor zover bekend heeft de Gemeente Sliedrecht geen bebouwde ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ gedefinieerd. In dat geval dient de bebouwde komgrens te worden aangehouden, zoals was vastgesteld ten tijde van de Boswet. Op de kaart “toepassing boswet bebouw­ de kom” van Sliedrecht (daterend uit 1964) is te zien dat het tracé van de spoorlijn geldt als begrenzing van de bebouwde kom. Het gebied ten zuiden van deze grens, waaronder Stationspark III, valt binnen de bebouwde kom. Hiermee vervalt een meldingsplicht, herplantingsplicht of ontheffingsaanvraag.

Voor de kap van houtopstanden in Stationspark III geldt enkel een kapvergunning en eventuele andere gemeentelijke voorwaarden. De Wet natuurbescherming is niet van toepassing op deze houtopstanden.

4.4 Zorgplicht Overkoepelend geldt voor alle in het wild levende planten en dieren de zorg­ plicht. Deze zorgplicht houdt in dat onnodige schade aan dieren en planten te allen tijde dient te worden voorkomen.

Bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren dienen maatregelen genomen te worden (binnen wat redelijkerwijs van de initiatiefne­ mer verwacht mag worden) om dit negatief effect zoveel mogelijk te voorkomen of te verminderen.

8 ------------------------------- Quick Scan Stationspark III

ƒAh —Breur VEENWEIDE Ecologie &

,7

Onderzoek

natuur en landschap

5 Plangebied en Ontwikkeling 5.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in de gemeente Sliedrecht in de provincie Zuid-Holland (zie figuur 1). Het plangebied is gelegen tussen de A15 en de Betuweroute, en bestaat uit twee sportcomplexen: een voetbalvereniging en een tennisclub. Het plangebied wordt begrensd door de A15 (zuid), de Sportlaan/spoorlijn Betuweroute (noord), het zwembad de Lockhorst (west) en het bestaande bedrijventerrein Stationspark 2 (oost). Het plangebied bestaat voornamelijk uit sportvelden met groenstructuren. Bebouwing is aanwezig op het terrein in de vorm van een tribune, kantines, kleedkamers en diverse bijgebouwen. De tribune is een half open staal­ constructie en de overige bebouwing betreft laagbouw met platte daken en veelal trespa gevelbekleding. Het voetbalcomplex dateert uit de jaren ‘70, het is verouderd en de panden verkeren in slechte staat.

Zowel de voetbalvelden als de tennisvelden worden omzoomd door een brede groenstrook met els, es, esdoorn en zomereik. De zuidzijde van de voet­ balvelden bestaat uit een lange bomensingel van overwegend oude essen. De ondergroei van de bomensingels bestaat uit inheems bosplantsoen met hazelaar, meidoorn, braam en vlier. Bij de tennisclub zijn tevens verschillende sierheesters aanwezig en één grote conifeer. De voetbalclub en de tennisclub worden van elkaar gescheiden door een sloot, en rondom het totale sportcomplex bevindt zich eveneens een sloot (moet uitzondering van de toegang van de sportcomplexen aan de noordzijde. Deze sloot is deels voorzien van een lage houten beschoeiing.

*J — F ■

107 “

—

Figuur 1 Kaart plangebied Stationspark III

Quick Scan Stationspark III

9

5.2 Geplande ontwikkeling Het terrein wordt bouwrijp gemaakt en heringericht als bedrijventerrein, het totale wateroppervlak in het plangebied zal worden vergroot door aanleg van nieuwe sloten en verbreding van huidige watergangen.

5.3 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is in het plangebied ingericht als een bedrijventerrein met kavels van verschillende groottes en een waterpartij. Het terrein kent twee ontsluitingsroutes aan de noordzijde.

Door een verhoging van het waterpeil (dit wordt momenteel laag gehouden voor de voetbalvelden) zullen veel huidige bomen, ook wanneer zij behouden kunnen blijven het in de nieuwe situatie waarschijnlijk niet overleven.

5.4

lanning

De voorlopige planning ziet er als volgt uit:

2023 2027 2028

bestemmingsplan procedure afgerond sloop- en bouwrijp maken eerste oplevering Stationspark III

50o tLAp

/34lv,?

?

)

(.)

?

{

?

2148

705w?

/ 21 8 148# /Audi

SJsun

734/w 2y8n2

944191 21 00

Water bestaand Nieuw te graven water

2148w " _

8602 m2

0,86 ha.

10563 m2

1,06 ha.

uitgeefbaar verharding (weg en stoep)

68317 m2

6,83 ha.

12294 m2

1,23 ha.

totale verharding te compenseren water 23%

80611 m2

8,06 ha.

18541 m2

1,85 ha.

verschil in te compenseren water

7978 m2

0,80 ha.

percentage niet te verharden uitgeefbaar

12%

/

4004.2

F 8

i

Sliedrecht, 27 april 2022

Figuur 2 Impressie Stationspark III

10

C

8vzuy0n,//7.

Quick Scan Stationspark III

Breur VEENWEIDE Ecologie & Onderzoek

natuur en landschap

6 Beschermde gebieden 6.1 Wet natuurbescherming Nationaal Park de Biesbosch is het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied op ca. 1,3 km ten zuiden van het plangebied. De ontwikkelingen van Stationspark III leiden niet tot fysieke aantasting van het Natura 2000-gebied.

De ontwikkelingen kunnen echter wel een extern effect hebben, met negatieve gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000gebieden. In dit geval kan gedacht worden aan negatief effect als gevolg van een toename in stikstofdepositie door het te realiseren bedrijventerrein. Wanneer deze depositie de vastgestelde grenswaarde overschrijdt dient er een vergunning te worden aangevraagd.

Er kan zelfs sprake zijn van negatief effect als gevolg van stikstofuitstoot op Natura 2000-gebieden op grotere afstand dan de Biesbosch. Het is hierbij belangrijk om te realiseren dat in de huidige stikstofcrisis drempelwaardes aangepast kunnen worden. Zo is per 2 november 2022 de bouwvrijstelling (die per 1 juli 2021 van kracht was) juridisch ongeldig verklaard. Het effect op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie dient daarom aanvullend onderzocht te worden door een gespecialiseerd bureau, waarbij - gezien de doorlooptijd van dit project - ook zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met toekomstige ontwikkelingen omtrent wetgeving op dit vlak.

KWELDAMWEG

PAr,

«yriEN:

(G

Stationspark III —— BETUWEPA

—====-- —

Nieuweweg

Sliedrecht

4

IE . Beneden-Merwede

Natura 2000-gebied Biesbosch Figuur 3: Ligging Sliedrecht Buiten t.o.v. Natura 2000-gebied de Biesbosch

Quick Scan Stationspark III

^------------- 11

6.2 Verordening ruimte Op ca. 700 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich de rivier de Beneden-Merwede. Deze rivier en delen van de noordelijke oeverzone beho­ ren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gezien de afstand tot het plangebied en de aard van de ontwikkeling valt uit te sluiten dat er sprake is van negatief effect op de wezenlijke waarden en ken­ merken, de oppervlakte of de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. De geplande ontwikkeling conflicteert niet met de provinciale Verordening Ruimte.

T y .

'

1

DISLIuDeceIE

H I ra inaveld-Gi essenda m -EUVEn-

Hardinzveld

Sliedrecht

—= wi is

Figuur 4: Ligging 'Stationspark III (rood) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (groen)

12

Quick Scan Stationspark III

Ah 9 —Breur VEENWEIDE • Ecologie & •

Onderzoek

natuur en landschap

7 Beschermde soorten 7.1 Planten Gelet op het aanwezige habitat, de waterhuishouding en het gebruik van het plangebied is het uit te sluiten dat er strikt beschermde vaatplanten in het plangebied aanwezig zijn. Het grootste deel van het plangebied is in gebruik als voetbalveld (deels kunstgras), tennisveld (gravel) of is bestraat. Beschermde plantensoor­ ten stellen doorgaans specifieke eisen aan de standplaats, voedselarme en/of kalkrijke situaties, kwelsystemen, enz. Geschikte groeiomstandigheden voor beschermde soorten afwezig. In het plangebied zijn enkel zeer algemene soorten waargenomen zoals Hondsdraf, Herik, Kleefkruid, Paarse dovenetel en Smalle weegbree. Ook uit literatuurbronnen zijn geen gegevens van beschermde soorten bekend. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde flora niet noodzakelijk.

7.2 Vogels Op het terrein zijn tijdens het veldbezoek t.b.v. de quickscan op 1 maart 2022 alle grotere boomnesten in kaart gebracht. Omdat er op dit moment nog geen blad aan de bomen zat waren deze nesten goed zichtbaar.

De aangetroffen nesten waren van vermoedelijk Ekster, Houtduif en Zwarte kraai. Dergelijke nesten kunnen ook geschikt zijn voor boombroedende roof­ vogels zoals de Sperwer of buizerd. Nesten van deze roofvogels zijn jaarrond beschermd. Hoewel deze vogels relatief verstorings gevoelig zijn bij voorkeur op rustige plekken broeden, vallen broedgevallen op sportterreinen niet volledig uit te sluiten.

Hierom is er op 21 april 2022 in de ochtend een aanvullend veldbezoek uitge­ voerd om vast te stellen of er sprake was van jaarrond beschermde nesten. Hiervan bleek geen sprake, er werden enkel twee broedgevallen van zwarte kraai aangetroffen. Ook de data van andere onderzoeken welke hier in het verleden hebben plaatsgevonden duiden niet op broedgevallen van boombroedende roofvogels. Aanwezigheid van broedgevallen of roestplaatsen van de ransuil is eveneens uitgesloten. Op potentieel geschikte nest- of roestplaatsen, zoals bijvoorbeeld de grote conifeer op de tennisclub is uitvoerig gezocht naar sporen van deze soort (veren, braakballen, krijtsporen), maar deze zijn niet aangetroffen. Aanwezigheid van de ransuil wordt hierom uitgesloten. Voor gebouwbroedende soorten zoals de huismus vervult het terrein geen essentiële functie. De bebouwing is ongeschikt als nestplaats voor deze vo­ gels (laagbouw met plat dak en strakke dakrandconstructies zonder openingen). Incidentele aanwezigheid van huismussen kan nooit worden uitgesloten, maar de soort is nergens in het plangebied waargenomen. Dit terwijl het terrein tweemaal is bezocht op gunstige tijdstippen en onder gunstige omstandigheden in het broedseizoen van de huismus, welke dan erg vocaal zijn en gemakkelijk waarneembaar.

Op basis hiervan wordt aanwezigheid van nesten of essentieel functioneel leefgebied van de huismus uitgesloten. Quick Scan Stationspark III

---------- 13

In het plangebied bestaat wel altijd potentie voor nestplaatsen van algemene boom- en struweelbroeders waarvan de nestplaatsen niet jaarrond beschermd zijn.

Hierbij valt te denk aan soorten zoals roodborst, merel, winterkoning, houtduif en zwarte kraai. Voor alle soorten vogels geldt dat nesten altijd beschermd zijn wanneer zij in gebruik zijn (nestbouwfase, broedfase of jongen in nest). Eventuele kapwerkzaamheden dienen daarom buiten het broedseizoen (1 maart t/m 31 augustus) uitgevoerd te worden. Let wel: het broedseizoen is geen vaste periode. Bij twijfel over de aan- of afwezigheid van nesten die in gebruik zijn dient een deskundige ingeschakeld te worden.

Datum

Soort

Tijdstip

Weer

1

1 maart

nesten roofvogels

09.45-11.45

4-6°C - ZO2- zwaar bewolkt

2

21 april

nesten roofvogels

09.30-11.45

12-16°C - O3 - onbewolkt

Ronde

Op 21 april waren twee nesten bewoond door zwarte kraai

Inspectie van de bomen met een telescoop

7.3 Grondgebonden zoogdieren In de omgeving van het plangebied komen de beschermde Noordse woelmuis en Waterspitsmuis voor. Deze soorten hebben echter een duidelijke voorkeur voor natuurlijke habitats. Natuurlijke oeverzones, met natte gradiënten en structuurrijke ruige vegetatie zijn niet aanwezig in het plangebied. De oeverzones van de sloten langs het plangebied lopen steil af en geschikte vegetatie ontbreekt. Op basis hiervan kan aanwezigheid van de Noordse woelmuis en Waterspitsmuis worden uitgesloten.

Wel is het plangebied geschikt voor algemene(re) soorten zoogdieren waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen algemene muizensoorten, Bunzing, Hermelijn, Wezel, Mol en de Egel. Ten aanzien van deze soorten is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel dient men de zorgplicht in acht te nemen (zie Hfst. 4.4).

14

Door

Quick Scan Stationspark III

-- Breur V Onderzoek

NW ID

natuur en landschap

7.4 Vleermuizen De bebouwing en bomen in het plangebied zijn uitvoerig geïnspecteerd met verrekijker, zaklamp en endoscoop camera. De gevels van zowel de voetbalkantine als de kantine van de tennisclub bestaan overwegend uit glas en trespa gevelbeplating (glad materiaal zonder grip). De stalen daklijsten sluiten naadloos op deze gevels aan gaan over in het platte bitumen dak. Hier bestaat geen potentie voor vleermuisverblijfplaatsen. Enkele kleine schuurtjes zijn van binnen en buiten uitvoerig geïnspecteerd, er was hierbij geen sprake van spouwmuren of geschikte donkere nisjes waar vleermuizen zouden kunnen verblijven. Er zijn dan ook geen sporen aangetroffen zoals keutels of resten van nachtvlindervleugels (dit laatste kan indicatief zijn voor eet- of verblijfplaatsen van de grootoorvleermuis).

Hoewel er enkele bomen wat ouder zijn bevindt de bossingel zich overwegend nog in een groeifase en nog niet in de veteranenfase. Er is geen sprake van grote holten, scheuren of grote plakkaten loshangende bast. Wel zijn er enkele ingerotte knoesten waargenomen, maar deze waren niet diep genoeg ingerot om te kunnen functioneren als vleermuisverblijfplaats. Het groen in het plangebied kan echter wel functioneren als essentieel foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen. Rondom de sportvelden zijn veel groenstructuren aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosplantsoen. Met name de zuidelijke randzone van zowel de tennisclub als voetbalvereniging is een vrij lange en brede groenzone. Aanvullend vleermuisonderzoek is daarom noodzakelijk om vast te stellen of deze groenstructuren inderdaad functioneren als vliegroute en/of essentieel functioneel leefgebied.

7.5 Amfibieën en Reptielen Amfibieën In de omgeving van het plangebied komen algemene vrijgestelde soorten voor, zoals Gewone pad, Bastaardkikker, Meerkikker, Bruine kikker en Kleine watersalamander. Voor de algemene soorten amfibieën geldt de algehele zorgplicht. Dit heeft vooral betrekking op de voorgenomen werkzaamheden aan watergangen en het landhabitat. De werkzaamheden dienen onder ecologische begeleiding of middels een goedgekeurde gedragscode te worden uitgevoerd. Van de beschermde habitatrichtlijnsoorten de Rugstreeppad en Heikikker zijn waarnemingen bekend uit de polders ten noorden en ten noordoosten van het plangebied. Het habitat in het plangebied is voor beide soorten echter niet optimaal geschikt (sportvelden en relatief donkere overschaduwde slootjes) en inventarisaties in 2019 in dit gebied, hebben dan ook geen waarnemingen van deze soorten opgeleverd in of rondom het sportterrein. In de regio lijken beide soorten voornamelijk gebonden aan open veenwei-

delandschap. Aanwezigheid van deze beschermde soorten amfibieën mag daarom worden uitgesloten.

Quick Scan Stationspark III

15

Ten aanzien van de rugstreeppad dient men wel rekening te houden met het feit dat deze soort relatief snel nieuwe gebieden kan koloniseren. Het is een echte pionierssoort die - naast veenweideslootjes - ook houdt van open en zanderige terreinen. De rugstreeppad kan relatief grote afstanden afleggen en snel nieuwe terreinen ontdekken.

Ideaal voortplantingswater bestaat uit ondiepe tijdelijke poelen en plassen, die vrij snel opwarmen en waar niet of nauwelijks vis of libellenlarven voorkomen. Bouwplaatsen daarom erg geschikt zijn voor deze soort. In feite zijn bouwplaatsen kunstmatige pioniershabitats. Regenplassen op dergelijke bouwplaatsen kunnen in de periode april - juli ideaal geschikt zijn als voortplantingswater van de rugstreeppad. Hoewel het terrein in de huidige staat dus niet aantrekkelijk is voor deze soort, kan de rugstreeppad zich wel vestigen op het terrein wanneer hier werkzaam­ heden zullen plaatsvinden. Maatregelen worden daarom aanbevolen om te voorkomen dat deze soort zich op het terrein kan vestigen tijdens de werk­ zaamheden. Men moet met name denken aan het plaatsen van een amfibieënscherm rondom het gehele terrein. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol, op te stellen door een deskundige op het gebied van rugstreeppadden. Reptielen Uit het plangebied en directe omgeving zijn geen waarnemingen bekend van reptielen. Het plangebied biedt daarnaast geen optimaal geschikt habitat. Het is uitgesloten dat in het plangebied (beschermde) reptielen voorkomen.

7.6 Vissen Uit onderzoek dat RAVON (Reptielen, Amfibieen en Vissenonderzoek Nederland) heeft verricht in opdracht van Waterschap Rivierenland ter actualisatie van de verspreidingsgegevens van Grote modderkruiper (De Bruin et al, 2016), blijkt dat deze beschermde soort in lage dichtheden voorkomt in de Alblasserwaard. Dit betreft echter watergangen ten noorden van de spoorlijn. In het plangebied zijn optimale sloten voor grote modderkruiper niet aanwezig (overstromingszones, ondiepe sloten met veel onderwatervegetatie), en een e-DNA onderzoek uit 2019 heeft dan ook geen waarnemingen van grote modderkruiper aangetoond in het plangebied. Op basis hiervan wordt de aanwezigheid van grote modderkruiper uitgesloten in het plangebied. Overige beschermde vissoorten worden binnen het plangebied niet verwacht. Wel geldt ten aanzien van werkzaamheden in/aan watergangen altijd de zorg­ plicht. Indien er bijvoorbeeld watergangen zullen worden gedempt dan dient dit te gebeuren onder ecologische werkbegeleiding (waarbij vissen en ander aquatisch leven uit de te dempen sloten wordt geschept en overgeplaatst naar naastgelegen geschikt water).

16 --------------------------------- Quick Scan Stationspark III

Breur VEENWEIDE Ecologie & Onderzoek

natuur en landschap

7.7 Overige soorten Vlinders, Libellen en Overige ongewervelden Beschermde soorten vlinders en libellen en overige ongewervelden stellen specifieke eisen aan het habitat, waaronder bijvoorbeeld de aanwezigheid van waardplanten en komen doorgaans alleen voor in natuurterreinen.

In het plangebied is dergelijk habitat niet aanwezig. Het is daardoor niet aannemelijk dat dergelijke soorten voorkomen in het plangebied. De plannen in Stationspark III leiden niet tot aantasting van leefgebieden van overige be­ schermde soorten.

De platte schijfhoren komt verspreid voor in de veenweide sloten van de Alblasserwaard. Het plangebied is echter geen onderdeel van dit veenweide gebied. De watergangen in het plangebied zijn daarnaast beschaduwd, er valt veel blad van bomen in, en de onderwatervegetatie is zeer schaars. Op basis hiervan wordt aanwezigheid van de platte schijfhoren uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soortgroepen is niet noodzakelijk.

iio:

11y

l wasast

huidige situatie plangebied Stationspark III

Quick Scan Stationspark III

^------------- 17

8 Conclusies en aanbevelingen 8.1 Conclusies - De geplande ontwikkeling kan negatief effect hebben op Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of grenswaardes ten aanzien van stikstofdepositie worden daadwerkelijk worden overtreden. Indien grenswaardes overschreden worden geldt een vergunningplicht. - De geplande ontwikkeling doet geen afbreuk doet aan de wezenlijke waarden en kenmerken, de oppervlakte of de samenhang van Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van een overtreding van de Provinciale Verordening Ruimte. - De bomen in het plangebied vallen binnen de “bebouwde kom” zoals deze gedefinieerd is voor houtopstanden. Er is dus geen sprake van een vergunnings- en of herplantingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Enkel een kapvergunning en eventuele andere gemeentelijke voorwaarden zijn van toepassing voor de kap van bomen in het plangebied. - Het plangebied vervult mogelijk een functie als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Aanvullend vleermuisonderzoek is noodzakelijk om dit vast te stellen. - Hiernaast bestaat er in het plangebied potentie voor algemene vogelsoorten waarvan de nestplaatsen alleen beschermd zijn wanneer het nest in gebruik is.

Ten aanzien van deze vogels is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk, wel dient men rekening te houden met het broedseizoen (zie 8.2 Aanbevelingen). - Het plangebied heeft in de huidige staat geen functie voor rugstreeppadden. Bouwterreinen kunnen echter wel geschikt zijn als voortplantingshabitat van de rugstreeppad, en gezien het pioniersgedrag van deze soort zijn maatregelen nodig om vestiging in de bouwfase te voorkomen. Deze maatregelen dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol en bestaan met name uit het afrasteren van het terrein met een amfibieënscherm.

18 -------------------------------------- Quick Scan Stationspark III

h la Breur VEENWEIDE Ecologie & Onderzoek

natuur en landschap

8.2 Aanbevelingen - In het kader van de zorgplicht dient men zorg te dragen voor alle in het wild levende planten en dieren. Onnodige schade dient te allen tijde te worden voorkomen. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat wanneer er zich bijvoorbeeld een Egel of Gewone pad in het werkveld bevindt dat deze verplaatst wordt, danwel de gelegenheid dient te krijgen om het werk gebied op eigen kracht te verlaten. - Met de planning van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het vogelbroedseizoen (grofweg maart t/m augustus).

Quick Scan Stationspark III

19

Bronvermelding Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. 2017. Quick Scan Beschermde Planten- en Diersoorten Recre atief Knooppunt en Stationspark 3 te Sliedrecht. Advies Bureau Mertens B.V. Bennekom , 2017. Verspreidingsonderzoek grote modderkruiper Waterschap Rivierenland 2013 en 2016. Actualisatie verspreiding en strategie instandhouding. Stichting RAVON, Nijmegen.

Kaarmateriaal: http://pdokviewer.pdok.nl

Beschermde gebieden: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl Overig: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocu menten-soorten-ontheffingen-we -natuurbescherming/ https://www.verspreidingsatlas.nl https://waarneming.nl/ https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/wet-natuurbes her ming-16-december-2015-paragraaf-32-beschermingsregimesoorten-van-de https://www.aerius.nl/nl/ove -aerius/produ ten/calculator

20

Quick Scan Stationspark III

f Breur VEENWEIDE • Ecologie & •

Onderzoek

natuur en landschap

BIJLAGE I

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb

Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.10 lid la Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Breur

VEENWEIDE

Ecologie & Onderzoek

natuur en landschap

Quick Scan Stationspark III

21

Noot In dit document zijn gedeeltes onleesbaar gemaakt op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (naam) • (...) • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (handschrift)

Bijlage 7 III

Aanvullend onderzoek Stationspark

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

161 - 721

f,

Enour VEENWEIDE

,7

Onderzoek

natuur en landschap

Aanvullend Natuuronderzoek

STATIONSPARK III

Breur Onderzoek

In opdracht van gemeente Sliedrecht

VEENWEIDE natuur en landschap

November 2022

Datum: Auteur: Opdrachtgever: Projectnummer: Status: Wijze van citeren

5 november 2022 &

Gemeente Sliedrecht AO2022-005 Concept , 2022. Aanvullend Onderzoek, Stationspark III Rapportcode: QS2022-0XX. VeenWeide Natuur & Landschap. Nw-Lekkerland, Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht

Breur

V

Ecologie & Onderzoek

NW ID

natuur en landschap

Breur Ecologie & Onderzoek

Veenweide Natuur & Landschap

Disclaimer Op alle tekst, foto’ s en afbeeldingen in dit rapport berust - tenzij anders vermeld - het auteursrecht van Breur Ecologie & Onderzoek en Veenweide Natuur & Landschap. Deze rapportage, inclusief eventuele bijlage(s), is vertrouwelijk en uitsluitend bestemd voor de geadresseerde. Verstrekking aan en gebruik door anderen dan de geadresseerde is zonder toestemming niet toegestaan. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Breur Ecologie & Onderzoek en/of Veenweide Natuur & Landschap kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade als gevolg van een onjuiste of onvolledige weergave van de gegevens in dit rapport.

Copyright © Breur Ecologie & Onderzoek en Veenweide Natuur & Landschap & 2022.

2

Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

/ Breur VEENWEIDE onderzoek

natuur en landschap

Inhoudsopgave Samenvatting

4

1 Aanleiding

5

2 Doel

5

3 Plangebied & ontwikkeling 3.1 Huidige situatie 3.2 Geplande ontwikkeling 3.3 Toekomstige situatie 3.4 Planning

6 6 7 7 7

4 Onderzoeksmethodiek

8

5 Onderzoeksresultaten

9

6 Effectbeoordeling

11

7 Conclusie & aanbevelingen 7.1 Conclusies 7.2 Aanbevelingen

11 11 12

Bronvermelding Bijlage I

13 14

Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

3

Samenvatting Breur Ecologie & Onderzoek en VeenWeide Natuur & Landschap hebben vleermuisonderzoek uitgevoerd op het huidige sportpark waar het Stationspark III is gepland. Het onderzoek, dat is uitgevoerd conform de geldende onderzoekmethodieken, vond plaats in het kader van de voorgeno­ men functieverandering van sportpark met boszoom naar bedrijventerrein.

De aanleg van dit terrein zal - volgens de huidige plannen - gepaard gaan met grootschalige grond- en kapwerkzaamheden. Uit dit aanvullend natuur­ onderzoek is naar voren gekomen dat een groenzone in het plangebied essentieel foerageergebied is van de gewone- en ruige dwergvleermuis. Dit leefgebied is via de Wet natuurbescherming beschermd. De omvorming van en functieverandering van sportterrein met boszoom naar bedrijventerrein en daarmee gepaarde werkzaamheden, kan leiden tot nega­ tief effect op dit essentieel foerageergebied, in dat geval zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn om de ontwikkeling uit te kunnen voeren. Echter adviseren wij om op de planlocatie voldoende groen te behouden, en om in de nieuwe situatie groenstroken van vergelijkbare kwaliteit (ten aanzien van de functie als foerageergebied) te realiseren. Wanneer vleermuizen tijdens en na de werkzaamheden voldoende foerageermogelijkheden blijven houden is er geen sprake van significant negatief effect en is een ontheffingsaanvraag niet meer aan de orde.

Deze aanpak wordt aanbevolen omdat eventuele maatregelen in het kader van een ontheffingsaanvraag tot eenzelfde behoud van foerageergebied zou moeten leiden. Door behoud en realisatie van nieuw foerageergebied mee te nemen in de planvorming worden deze zaken echter al aan de “voorkant” van het proces afgehandeld, waardoor een kostbaar en tijdrovend ontheffingsproces wordt voorkomen.

4

Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

Breur Ecologie & Onderzoek

VEENWEIDE natuur en landschap

1 Aanleiding De Gemeente Sliedrecht is voornemens om op de huidige locatie van de Sliedrechtse voetbalvereniging en tennisclub (S.L.T.C.) een bedrijventerrein te ontwikkelen, genaamd Stationspark III. De locatie voor Stationspark III is gelegen tussen de A15 en het spoor (Betuweroute).Het sportpark van voetbal­ vereniging Sliedrecht wordt verplaatst naar het nieuw te ontwikkelen recreatie­ terrein Sliedrecht Buiten in de polder ten noorden van de spoorlijn (geen onderdeel van dit soortgericht onderzoek).

Tijdens de Quickscan is vastgesteld dat de geplande ontwikkeling rondom Stationspark III mogelijk leidt tot het overtreden van de Wet natuurbescherming vanwege een potentiële functie als leefgebied voor vleermuizen.

2 Doel Het doel van dit aanvullend natuuronderzoek is om antwoord te geven op de volgende vragen: - Zijn beschermde soorten aanwezig in het plangebied?

- Welke functie vervult het plangebied voor deze soorten? - Leidt de geplande ontwikkeling tot een overtreding van de Wet natuurbescherming? - Welke vervolgstappen dienen genomen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming?

Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

5

3 Plangebied en Ontwikkeling 3.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in de gemeente Sliedrecht in de provincie Zuid-Holland (zie figuur 1). Het plangebied is gelegen tussen de A15 en de Betuweroute, en bestaat uit twee sportcomplexen: een voetbalvereniging en een tennisclub. Het plangebied wordt begrensd door de A15 (zuid), de Sportlaan/spoorlijn Betuweroute (noord), het zwembad de Lockhorst (west) en het bestaande bedrijventerrein Stationspark 2 (oost). Het plangebied bestaat voornamelijk uit sportvelden met groenstructuren. Bebouwing is aanwezig op het terrein in de vorm van een tribune, kantines, kleedkamers en diverse bijgebouwen. De tribune is een half open staal­ constructie en de overige bebouwing betreft laagbouw met platte daken en veelal trespa gevelbekleding. Het voetbalcomplex dateert uit de jaren ‘70, het is verouderd en de panden verkeren in slechte staat. Zowel de voetbalvelden als de tennisvelden worden omzoomd door een brede groenstrook met els, es, esdoorn en zomereik. De zuidzijde van de voetbalvelden bestaat uit een lange bomensingel van overwegend oude essen. De ondergroei van de bomensin­ gels bestaat uit inheems bosplantsoen met hazelaar, meidoorn, braam en vlier.

Bij de tennisclub zijn tevens verschillende sierheesters aanwezig en één grote conifeer. De voetbalclub en de tennisclub worden van elkaar gescheiden door een sloot, en rondom het totale sportcomplex bevindt zich eveneens een sloot (moet uitzondering van de toegang van de sportcomplexen aan de noordzijde. Deze sloot is deels voorzien van een lage houten beschoeiing.

al , —====!

—sr

J

E

‘4

Figuur 1 Kaart plangebied Stationspark III

6 --------------------------------------- Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

?Ah — Breur V Ecologie & ,7

Onderzoek

NW ID

natuur en landschap

3.2 Geplande ontwikkeling Het sportcomplex van vv Sliedrecht wordt verplaatst naar recreatieterrein Sliedrecht Buiten ten noorden van de spoorlijn. Op de vrijgekomen gronden wordt bedrijventerrein Stationspark III ontwikkeld. Het terrein wordt bouwrijp gemaakt en heringericht als bedrijventerrein, het totale wateroppervlak in het plangebied zal worden vergroot door aanleg van nieuwe sloten en verbreding van huidige watergangen.

3.3 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is in het plangebied ingericht als een bedrijventerrein met kavels van verschillende groottes en een waterpartij. Het terrein kent twee ontsluitingsroutes aan de noordzijde.

Door een verhoging van het waterpeil (dit wordt momenteel laag gehouden voor de voetbalvelden) zullen veel huidige bomen, ook wanneer zij behouden kunnen blijven het in de nieuwe situatie waarschijnlijk niet overleven.

734/v42 2448w

241» 2ly8v

205w? "y8ni

2yu8w

734/w,

Q8w4

SJsun

2q8n2

11

2001

2448w

018.2

Water bestaand Nieuw te graven water

8602 m2

0,86 ha.

10563 m2

1,06 ha.

uitgeefbaar verharding (weg en stoep)

68317 m2

6,83 ha.

12294 m2

1,23 ha.

totale verharding te compenseren water 23%

80611 m2 18541 m2

8,06 ha. 1,85 ha.

verschil in te compenseren water percentage niet te verharden uitgeefbaar

7978 m2

0,80 ha.

4604

8140w2

12% Sliedrecht, 27 april 2022

Figuur 2 Impressie Stationspark III

3.4 Planning De voorlopige planning ziet er als volgt uit:

? 2023 bestemmingsplan procedure afgerond ? 2027 sloop- en bouwrijp maken ? 2028 eerste oplevering Stationspark III

Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

7

4 Onderzoeksmethodiek Uitgangspunt voor het onderzoek op Stationspark III is het vleermuisprotocol 2021, op basis hiervan was de volgende onderzoeksinspanning nodig: 2 bezoeken in de periode 15 april - 15 oktober, waarvan tenminste 1 bezoek in de kraamperiode (15 mei - 15 juli). Het plangebied wordt gekenmerkt door grote velden en lijnvormige groenelementen met lange zichtlijnen. Voor voldoende overzicht waren 4 personen nodig. In het voorjaar is er echter voor gekozen om het plangebied op te splitsen in twee deelgebieden (oostelijk deel en westelijk deel) en deze gebieden elk met 2 personen te onderzoeken op verschillende nachten (waardoor het gebied als geheel dus met 4 personen is onderzocht). Dit heeft als voordeel dat het plangebied op meer verschillende data is bezocht en de resultaten daardoor minder beïnvloed zijn door toevallige omstandigheden (soms hebben bepaalde insectensoorten bijvoorbeeld een piek, hetgeen de foerageeractiviteit van vleermuizen op dat moment erg kan beïnvloeden). Aan het begin van de nachten in het voorjaar ging de onderzoeksaandacht vooral uit naar het waarnemen van vliegroutes, wanneer het moment van uitvliegen voorbij was en vleermuizen sporadisch in willekeurige richtingen vliegend werden waargenomen richtte de onderzoeksinspanning zich meer op het waarnemen van foerageergedrag en het inschatten van aantallen foeragerende dieren.

Het gehele plangebied is tijdens de bezoeken te voet doorkruist. Op strategische plekken met goed overzicht is herhaaldelijk gepost. Elke onderzoeker heeft gebruik gemaakt van de Pettersson D240x als batdetector. Tijdens elke ronde was er tevens één onderzoeker aanwezig met een warmtebeeldcamera: de Pulsar Helion 2 XP50 Pro. Indien er twijfel bestond over de soort zijn er time expansion opnames gemaakt welke na iedere ronde zijn geanalyseerd m.b.v. Batexplorer.

Onderzoekers

Tijd begin

Tijd einde

Temp (°C)

Wind

Bewolkingsgraad

Neerslag

19-5-2022

,

21:25 uur

23:35 uur

17-13

N1

2/8

geen

30-5-2022

,

21:45 uur

23:50 uur

14-12

NO1

3/8

geen

12-9-2022

,

20:00 uur

22:15 uur

21-20

Z1

6/8

geen

Datum

,

,

figuur 3 tabel met onderzoeksmomenten vleermuisonderzoek 2022 Stationspark III

8

Aanvullend natuuronderzoek Stationpark III

Breur Ecologie & Onderzoek

VEENWEIDE natuur en landschap

5 Onderzoeksresultaten In totaal zijn vier soorten vleermuizen aangetroffen tijdens het Vleermuisonderzoek (in volgorde van abundantie):

- gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) - ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) - laatvlieger (Eptesicus serotinus) - baard/brandt’s vleermuis (Myotis mystacinus/brantii)

Beide soorten dwergvleermuizen maakten het meeste gebruik van het plange­ bied. De laatvliegers werden slechts enkele malen overvliegend of foeragerend waargenomen, met name boven de sportvelden (zij leken niet gebonden aan de groenstructuren). De baard/brandt’s vleermuis is slechts eenmaal waargenomen, het betrof een kortstondig foeragerend dier. Van deze vleermuis is een geluidsopname gemaakt ter determinatie, op basis van enkel het geluid kan echter geen onderscheid gemaakt worden tussen baard- en brandt’s vleermuis. Gezien de regionale verspreiding is de baardvleermuis echter de meest waarschijnlijke soort. Zo zijn afgelopen jaren veel baardvleermuis waargenomen bij onderzoeken langs de N214.

er — 1.4

Ar

743 # si

o

50

100

Legenda I

I Onderzoeksgebied

Vleermuizen

Foerageergebied

•

Gewone Dwergvleermuis

•

Laatvlieger

*

Ruige Dwergvleermuis

o

Baard/Brandts' vleermuis

figuur 4 Overzicht waarnemingen vleermuizen in plangebied Stationspark III

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/723/documents/9213