CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6a - Bijlage bij de toelichting Bestemmingsplan Sliedrecht Buiten & Stationspark III (groot bestand) - kopie_Deel1.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 28 mei 2024, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Vaststelling bestemmingsplan Sliedrecht Buiten en Stationspark III24.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Land van Matena

Regulier

0,3 ha

Gemeente

5,4 ha

Totaal hard Hardinxveld-Giessendam

Aanbod

’t Oog (tweede fase)

Regulier

6,1 ha

Totaal zacht

6,1 ha

Totaal aanbod

11,5 ha

Bron: IBIS (peildatum 1 mei 2023), bewerking Ecorys

Het aanbod in de gehele regio Drechtsteden (secundaire marktgebied) is in totaal een fractie toegenomen ten aanzien van het onderzoek in 2022 en bedraagt ca. 110 hectare. Het aanbod is echter voor het grootste deel afkomstig van terreinen die zich op een andere doelgroep dan

Stationspark III focussen, zoals de Dordtse zeehavens (11 hectare aanbod), grootschalige logistiek

op Dordste Kil I en III (19 hectare aanbod) en Distripark Dordrecht5 (33 hectare aanbod). Daarbij is het aanbod op Distripark Dordrecht pas vanaf 2026 mogelijk bouwrijp6.

5 6

Behoefteraming bedrijventerreinen Zuid-Holland 2021, Stec Groep 99%-versie Bedrijventerreinenvisie Zuid-Holland Zuid

Laddertoets Stationspark

ECORYS 4

11

Leegstand Naast uitgeefbaar aanbod en nog te ontwikkelen planaanbod kunnen bedrijven zich ook vestigen in leegstaande panden. In de door vorige versies van de laddertoets is geconstateerd dat de leeg­

stand in bestaande bedrijfspanden binnen het marktgebied van Stationspark III ongeveer 2,1%. In

2021 was de leegstand in de Drechtsteden was in 1,8% op oude bedrijventerrein en 3% op nieuwe bedrijventerreinen en daarmee in beide gevallen onder het gewenste frictieniveau van 5%7. In 2023

is de situatie vrijwel onveranderd, zo blijkt uit de conceptversie van de Bedrijventerreinenvisie Zuid-

Holland Zuid 2022 - 2030. Dit wil zeggen is sprake van een gezonde, maar gespannen marktsituatie.

Hieruit kan worden geconcludeerd worden dat de leegstand in bestaande bedrijfspanden niet

voldoende is om de ruimtevraag in het marktgebied te kunnen accommoderen.

7

Monitor Bedrijfsruimtemarkt Drechtsteden 2021

Laddertoets Stationspark

ECORYS 4

12

4

Conclusie

De totale ruimtevraag voor de periode tot en met 2030 bedraagt 7 tot 18 hectare in het primaire marktgebied. Het aanbod voor de doelgroep in dit marktgebied zonder ontwikkeling van

Stationspark III bedraagt 11,5 hectare. Dit is inclusief 10 hectare aanbod op ’t Oog in gemeente Hardinxveld-Giessendam, waarvan de ontwikkeling van 4 hectare onherroepelijk is vastgelegd

(eerste fase) en de overige 6 hectare zacht planaanbod betreft (tweede fase).

In het hoge scenario, waarvan volgens de Behoefteraming Zuid-Holland 2021 mag worden uitgegaan, is er dus sprake van aanbodtekort (Figuur 4.1). Dit betekent dat wanneer

bedrijventerrein Stationspark III niet ontwikkeld wordt er in het marktgebied een tekort aan ruimte voor lokale bedrijvigheid dreigt te ontstaan. Wanneer daarnaast de specifieke lokale binding van veel ondernemers in de gemeente Sliedrecht in ogenschouw genomen wordt, wordt duidelijk dat de

ontwikkeling van Stationspark III noodzakelijk is om lokale bedrijvigheid van voldoende (uitbreidings)ruimte te kunnen blijven voorzien. Stationspark III kan voor het grootste deel ruimte bieden aan reguliere bedrijvigheid. Hier is in het

primaire marktgebied ook het meeste ruimtevraag naar. Daarnaast zijn ook gemengd stedelijke bedrijvigheid en HMC (tot en met milieucategorie 4.2) werkmilieus waarvan regionaal sprake is van aanbodtekort en waar Stationspark III ruimte voor kan bieden.

Gebaseerd op de huidige behoefteraming en aanbodcijfers, luidt de conclusie dat gezien de verwachte ruimtevraag in de periode tot en met 2030, de ontwikkeling van Stationspark III nodig is

om voldoende ruimte te bieden aan de bedrijvigheid in Sliedrecht. Figuur 4.1 Vraag-aanbodconfrontatie Stationspark III tot en met 2030.

25 -

20 -

15 -

10 -

11,5

5

0 Vraag

Aanbod

Laddertoets Stationspark

ECORYS •

13

Over Ecorys

Ecorys is een toonaangevend internationaal onderzoeks- en adviesbureau dat zich richt op de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen. Door middel van uitmuntend, op onderzoek gebaseerd

advies, helpen wij publieke en private klanten bij het maken en uitvoeren van gefundeerde beslissingen die leiden tot een betere samenleving. Wij helpen opdrachtgevers met grondige

analyses, inspirerende ideeën en praktische oplossingen voor complexe markt-, beleids- en managementvraagstukken.

Onze bedrijfsgeschiedenis begon in 1929, toen een aantal Nederlandse zakenlieden van wat nu

beter bekend is als de Erasmus Universiteit, het Nederlands Economisch Instituut (NEI) oprichtten. Het doel van dit gerenommeerde instituut was om een brug te slaan tussen het bedrijfsleven en de

wereld van economisch onderzoek. Het NEI is in 2000 uitgegroeid tot Ecorys. Door de jaren heen heeft Ecorys zich verspreid over de wereld met kantoren in Europa, Afrika, het

Midden-Oosten en Azië. Wij werven personeel met verschillende culturele achtergronden en expertises, omdat wij ervan overtuigd zijn dat mensen met uiteenlopende eigenschappen een

meerwaarde kunnen bieden voor ons bedrijf en onze klanten. Ecorys excelleert in zeven werkgebieden: •

Economic growth;

•

Social policy;

•

Natural resources;

•

Regions & Cities;

•

Transport & Infrastructure;

•

Public sector reform;

•

Security & Justice.

Ecorys biedt een duidelijk aanbod aan producten en diensten: •

voorbereiding en formulering van beleid;

•

programmamanagement;

•

communicatie;

•

capaciteitsopbouw (overheden);

•

monitoring en evaluatie.

Wij hechten waarde aan onze onafhankelijkheid, onze integriteit en onze partners. Ecorys geeft om

het milieu en heeft een actief maatschappelijk verantwoord ondernemingsbeleid, gericht op

meerwaarde voor de samenleving en de markt. Ecorys is in het bezit van een ISO14001-certificaat dat wordt ondersteund door al onze medewerkers.

HEE/NZ1003015rap

ECORYS •

14

ECORYS — Postbus 4175

3006 AD Rotterdam Nederland

T F E

@ecorys.com

W www.ecorys.nl

Sound analysis, inspiring ideas

Be l g ië - Bu l g a r ij e - In d ia - Kr o a t ië - Ne d e r l a n d - Po l e n - Spa n j e - Tu r k ij e - Ve r e n ig d Ko n in k r ij k

Noot In dit document zijn gedeeltes onleesbaar gemaakt op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (telefoonnummer) • Art. 5.1 lid 2 onderdeel e Woo (e-mail) • (...)

Bijlage 4

Archeologisch onderzoek

(vastgesteld) Sliedrecht Buiten & Stationspark III NL.IMRO.0610.SBSTPIII-3001

78 - 721

IDDS

i

l Archeologisch bureauonderzoek

Sportlaan en Kweldamweg, Sliedrecht Gemeente Sliedrecht IDDS Archeologie rapport 2866

Colofon Projectnummer OM-nummer In opdracht van Auteurs Redactie Versie Status

A4294 5435613100 Gemeente Sliedrecht

1.3 concept

Autorisatie Senior KNA Archeoloog

20-06-2023

Goedkeuring

Gemeente Sliedrecht

© IDDS Archeologie Noordwijk, juni 2023 ISSN 2212-9650 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. ‘ s-Gravendijckseweg 37 2201 CZ Noordwijk IDDS.nl

Postbus 126 2200 AC Noordwijk info@idds.nl 071 - 402 8586

4

="

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS SAMENVATTING: IDDS Archeologie heeft in juni 2023 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de Sportlaan en Kweldamweg (deelgebieden Sliedrecht Buiten en Stationspark III) in Sliedrecht, gemeente Sliedrecht. De doel- en vraagstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een ontgonnen veenvlakte. In de ondergrond bestaat de bodemopbouw uit Hollandveen, op rivierafzettingen van de Formatie van Echteld, op afzettingen van de Basisveen Laag of de Laag van Wijchen op (grof) Pleistoceen zand. In een deel van het plangebied is een rivierduin aanwezig. Hierop is bij eerder onderzoek een vindplaats aangetroffen met een minimale ouderdom van 7.000 jaar (laat Mesolithicum). De maximale ouderdom is nog onbekend. De rivierduin zelf is gevormd in het laat Pleistoceen, waardoor bewoning mogelijk is geweest vanaf het Paleolithicum. Op basis hiervan kan in het plangebied één archeologisch niveau voorkomen. Dit niveau wordt verwacht vanaf ca. 7,0 m -mv (-8,5 m NAP) ter plaatse van de rivierduin en komt overeen met het niveau van de eerder aangetroffen vindplaats. Buiten het rivierduin heeft het plangebied een (zeer) lage archeologische verwachting.

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste bestaan uit een booronderzoek en dient er op gericht te zijn de contouren van de rivierduin nauwkeuriger vast te stellen. Vanwege de benodigde boordiepte van tenminste 7,0 m -mv zullen de boringen mechanisch uitgevoerd moeten worden. Voor de delen van het plangebied waar volgens het hoogtemodel geen rivierduin aanwezig is én die buiten het archeologisch monument vallen, wordt geadviseerd deze archeologisch vrij te geven. Voor een overzicht van de gebieden waarvoor wel en geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen, wordt verwezen naar Figuur 13 en Bijlage 5.

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS inhoudsopgave : ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED................................................................. 4

1. INLEIDING....................................................................................................................................... 5 1.1. Onderzoekskader ........................................................................................................................... 5 1.2. Doel- en vraagstellingen vanhet onderzoek.................................................................................... 5 1.3. Ligging van het plangebied............................................................................................................ 6 1.4. Werkwijze....................................................................................................................................... 7

2. GEOLOGIE, GEOMORFOLOGIE EN BODEM............................................................................... 8 2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap................................................................................................. 8 2.2. Geomorfologie en bodem.............................................................................................................. 9 3. ARCHEOLOGISCHE EN (BOUW)HISTORISCHE INFORMATIE............................................... 15 3.1. Archeologische en ondergrondsebouwhistorische waarden....................................................... 15 3.2. Historische situatie....................................................................................................................... 17 3.3. Huidig landgebruik........................................................................................................................ 20 3.4. Mogelijke verstoringen................................................................................................................. 20

4.

CONCLUSIE EN VERWACHTINGSMODEL................................................................................. 21

5.

AANBEVELINGEN........................................................................................................................ 22

LITERATUUR EN KAARTEN ...............................................................................................................24 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN.................................................................................... 26 BIJLAGEN 1. Topografische kaart 2. Archis-informatie 3. Locatiekaart 4. Periodentabel 5. Advieskaart

3

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem

Sportlaan en Kweldamweg

Onderzoekmeldingsnummer Plaats

5435613100 Sliedrecht

Gemeente

Sliedrecht

Provincie

Zuid-Holland

Deelgebied

Kweldamweg (Sliedrecht buiten)

Sportlaan (Stationspark III)

Sliedrecht L 589, 815, 662, 663, 746, 809, 1080, 1081, 1347, 1352

Sliedrecht L 295, 296, 297, 395, 586, 1171, 1189

113.703 / 427.012 113.535 / 427.388 (N) 114.039 / 427.068 (O)

113.856 / 426.691

113.796 / 426.865 (Z) 113.422 / 427.205 (W)

114.085 / 426.544 (Z) 113.513 / 426.652 (W)

Oppervlakte

Kadastrale aanduiding

666, 694, 695, 696,

Coördinaten Centrum Hoekpunten

114.136 / 426.796 (N) 114.157 / 426.712 (O)

Maaiveldhoogte

Ca 1,60 m NAP

Ca 1,40 m NAP

Grondwatertrap/-stand

GWT II

onbekend

CMA/AMK-status

Geen

Archis-mon umentn ummer

Archis-monument nr. 10491

Onderzoekskader

Omgevingsvergunning

Uitvoerder

IDDS Archeologie Contactpersoon:

Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel: 071-4028586 E-mail: @idds.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Sliedrecht Postbus 16

3360AA Sliedrecht Tel: 14 0184 E-mail: gemeente@sliedrecht.nl

Beheer en plaats van documentatie

IDDS Archeologie, Noordwijk

Uitvoeringsperiode onderzoek

juni 2023

4

="

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS 1.

Inleiding

1.1.

Onderzoekskader

In opdracht van de gemeente Sliedrecht heeft IDDS Archeologie in juni 2023 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied dat de deelgebieden Stationspark III en Sliedrecht Buiten omvat aan de Sportlaan en Kweldamweg in Sliedrecht, gemeente Sliedrecht. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande realisatie van een sport- en natuurcluster op de locatie Sliedrecht Buiten aan de Kweldamweg. Hier wordt recreatienatuur, een TOP locatie1, sportvoorzieningen (voetbal, tennis en Budokai) met bijbehorende gebouwen, en een recreatieterrein gerealiseerd. Stationspark III wordt gerealiseerd aan de Sportlaan, waar de huidige sportverenigingen zullen verdwijnen. Op deze locatie komt een bedrijventerrein. Het huidige onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de voorgenomen ontwikkelingen. De diepte van de bodemverstoring die hierdoor optreedt is variabel. Gemiddeld wordt uitgegaan van een verstoring van tenminste 3,0 m mv. Lokaal wordt de bodem door de aanleg van verticale drainage tot 7,0 m -mv verstoord. Onder de geplande gebouwen op zowel het toekomstige bedrijventerrein als het sportpark zal een fundering op heipalen moeten komen die tenminste reikt tot in het draagkrachtige zandpakket op ca. -11 tot -13 m NAP (ca. 9,5 tot 11,5 m -mv).

De kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden op de rivierduin hierdoor verstoord dan wel vernietigd zullen worden. Op het vigerende bestemmingsplan (Buitengebied, vastgesteld 2014-12-09) ligt het deelgebied Sliedrecht Buiten aan de zuidkant deels in een zone met Waarde - Archeologisch monument. Het gaat hier om het archeologisch monument met monumentnummer 10491. Dit betreft een rivierduin waarop een laat Mesolithische vindplaats is aangetroffen. Aan deze dubbelbestemming zijn geen vrijstellingsgrenzen gekoppeld. Conform artikel 17 van het bestemmingsplan zijn de voor deze waarde aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van de vastgestelde archeologische waarden in de vorm van een archeologisch monument, en de bij deze dubbelbestemming behorende voorzieningen. Op het vigerende bestemmingsplan (Bedrijventerrein Noord-Oost Kwadrant, vastgesteld 2014-04-16) ligt het deelgebied Sliedrecht Stationspark III aan de noordkant deels in een zone met Waarde Archeologie. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor bouwwerken die groter zijn dan 100 m2 en dieper reiken dan 0,5 m -mv. Deze vrijstellingsgrenzen worden met de geplande ontwikkeling overschreden.

1.2.

Doel- en vraagstellingen van het onderzoek

De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek worden aanbevelingen gedaan over eventueel behoud of vervolgonderzoek.

In het kader van het aanwezige archeologisch monument kan de volgende vraagstelling opgesteld worden: Wat zijn de horizontale en verticale begrenzingen van het rivierduin en wat betekent dit voor de archeologische verwachting en de geplande ingrepen? Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (Centraal College van Deskundigen 2018).

1

Een Toeristisch Overstappunt (TOP) is een startpunt waarje de auto kunt parkeren om vanuit daar te wandelen, fietsen of varen.

5

■

n

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

• Bk

IDDS Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 4. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen).

1.3.

Ligging van het plangebied

De ligging van de (her) in te richten gebieden, ofwel het plangebied, is weergegeven in Bijlage 1. Het plangebied wordt door de spoorlijn gesplitst in twee deelgebieden: Sliedrecht Buiten ten noorden van het spoor en Stationspark iIi ten zuiden van het spoor. De spoorlijn zelf maakt geen deel uit van het plangebied. Het deelgebied Stationspark III ligt tussen de Sportlaan en de Rijksweg A15, op de huidige locatie van het sportpark. Dit gebied heeft een oppervlakte van ca. 10,8 ha en een gemiddelde maaiveldhoogte van ca. -1,4 m NAP. Het deelgebied Sliedrecht Buiten wordt aan de westzijde begrensd door de provincialeweg N482 en de Kweldamweg. Aan de zuidzijde loopt het Betuwepad. Dit deelgebied heeft een oppervlakte van ca. 15,4 ha en een gemiddelde maaiveldhoogte van ca. -1,6 m NAP. Samen hebben de deelgebieden een totale oppervlakte van 261.725 m2. De exacte ligging en contouren van de plangebieden zijn nader weergegeven in Bijlage 3 en Figuur 1.

Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 500 m rondom het plangebied gekozen. De straal van 500 m is dusdanig gekozen dat er voldoende archeologische informatie uit de omgeving van het plangebied in het huidige onderzoek wordt meegenomen om tot een toereikend archeologisch verwachtingsmodel te komen. Legenda

S r

1; • Sliedrecht Buiten

: 1

Stationspark III 300

Figuur 1: Het plangebied op een recente luchtfoto (bron: PDOK).

6

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

1.4.

Werkwijze

Bij het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over bekende of verwachte archeologische en bouwhistorische waarden binnen het onderzoeksgebied. Onderstaande bronnen zijn geraadpleegd: Bron

Opmerkingen

Huidige en toekomstige situatie Actuele topografische kaart

Recente luchtfoto (PDOK) Opdrachtgever

KLIC

Niet opgevraagd

(Rijks)monumenten (via Archis)

Archeologisch monument (nr. 10491)

Historische situatie en mogelijke verstoringen Kaart van Holland van Jacob Aertsz. Colom uit 1639

(www.riiksmuseum.nl) Kadastraal minuutplan 1811-1832

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl; hisgis.nl)

Diverse topografische kaarten uit het einde van de 19e en de 20e eeuw (tppotijdreis.nl) Bouw-/constructietekeningen van de te slopen bouwwerken

Niet beschikbaar

Bodemloket (www.bodemloket.nl) voor informatie over tanks, saneringen, ontgrondingen Milieukundig bodemonderzoek

Niet beschikbaar

Militair erfgoed Militaire landschapskaart (rce.webgispublisher.nl) Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (lkme.nl)

Archeologie en bouwhistorie Archeologisch Informatie Systeem (Archis; archis.cultureelerfgoed.nl) Archeologische Monumenten Kaart (AMK; via Archis)

Verwachtingskaart van de gemeente Sliedrecht

De gemeente Sliedrecht heeft geen archeologische verwachtingenkaart, maar hanteert de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie.

Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie ZuidHolland

Bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten Bodemkaart van Nederland (BRO; via Archis) Grondwatertrappenkaart (www.dinoloket.nl) Geomorfologische kaart van Nederland (BRO; via Archis)

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; www.ahn.nl) DINOloket (www.dinoloket.nl) Archieven, heemkundekringen, amateurarcheologen, overige informatie Archieven

Amateurarcheologen, gebiedsgerichte specialisten, depots Onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur

Niet geraadpleegd Zie literatuurlijst

7

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

2.

Geologie, geomorfologie en bodem

2.1.

Ontstaansgeschiedenis landschap

Het plangebied is gelegen in het westelijk veengebied (Berendsen 2005). Dit gebied is ontstaan in het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) onder invloed van de stijgende zeespiegel. Het veen behoort tot het Hollandveen Laagpakket dat deel uit maakt van de Nieuwkoop Formatie (de Mulder et al. 2003). Door het veengebied liepen enkele veenstromen en riviertjes die regelmatig zandige en kleiige sedimenten afzetten op de oevers en in het achter de oevers liggende komgebied. Resten van deze stromen zijn soms nog in het landschap herkenbaar als verhogingen omdat het zand en de klei minder inklinken dan het omliggende veen. Deze elementen in het landschap worden rivierinversieruggen genoemd.

De veenvorming duurde voort tot aan de Late Middeleeuwen. Tussen ongeveer 1000 en 1300 na Chr. werd het veengebied ontgonnen. Hierbij werden vanaf een ontginningsas, een weg of een vaart, langgerekte percelen aangelegd. Dit type ontginning staat bekend als cope-ontginning. Vanaf ongeveer 1400 na Chr. is het veen op veel plaatsen op grote schaal afgegraven of gebaggerd ten behoeve van de turfwinning (Berendsen 2005). Het plangebied bevindt zich in de Alblasserwaard, in de overgangszone tussen het Midden-Nederlandse rivierengebied en het westelijke perimariene getijdengebied.

Gedurende het Pleniglaciaal (55.000-13.000 jaar geleden), een zeer koude periode van de laatste ijstijd (het Weichselien, 120.000 tot 11.650 jaar geleden), was er in Nederland sprake van een zeer lage zeespiegel en zeer koude omstandigheden. In de omgeving van Oud-Alblas kwam een vlechtend riviersysteem voor van de Rijn en Maas. Vlechtende rivieren bestaan uit vele naast elkaar en met elkaar vervlochten geulen die het grootste deel van het jaar niet of nauwelijks water afvoeren. Alleen in de zomer voert de vlechtende rivier veel smeltwater af. Deze rivieren zetten in de Alblasserwaard een dik pakket zandige afzettingen af die bestonden uit grof, soms grindrijk zand, met lokaal kleilagen. Geologisch gezien behoren deze afzettingen tot de Formatie van Kreftenheye (De Mulder et al. 2003). De riviervlakte wordt het Pleniglaciaal terras of Laagterras genoemd. In de omgeving van het plangebied bevinden deze afzettingen zich op circa 10 m beneden maaiveld (Boshoven et al. 2009). Gedurende de warmere Balling en Allered interstadialen (16.500-14.000 en 13.900-12.850 jaar geleden) veranderde het vlechtende patroon van de rivieren naar een meanderend patroon, waardoor er een differentiatie optrad tussen beddingafzettingen (zand en grind) en komafzettingen (klei en leem).

De lichtgrijze tot blauwgrijze kleiige komafzettingen van de meanderende rivieren komen overeen met de zogenaamde Wijchen Laag van de Formatie van Kreftenheye. Deze laag is ongeveer 0,5 m dik en kan in de ondergrond van het plangebied bovenop de afzettingen van de vlechtende riviersystemen uit het Weichselien voorkomen (Berendsen 2004; Berendsen 2005).

Tijdens het Jonge Dryas-stadiaal (12.850 tot 11.650 jaar geleden) aan het einde van het Weichselien verslechterde het klimaat weer en ontstonden er wederom vlechtende rivieren. Deze rivieren sneden zich in het landschap in waardoor een nieuw en lager terras werd gevormd dat bekend staat als Terras X. De afzettingen hiervan liggen ongeveer 7-8 m onder het huidige maaiveld en behoren eveneens tot de Formatie van Kreftenheye (Berendsen 2004). Aan het einde van het Jonge Dryas werden de omstandigheden droger door minder neerslag en sterkere (zuid-) westenwinden. Riviervlaktes vielen droog en uit deze vlaktes werd zand geblazen, wat op naastgelegen oevers werd afgezet. Hierdoor ontstonden langs de noordoostelijke zijden van de Jonge Dryas riviervlaktes hoge, steile rivierduinen, behorende tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel (Boshoven et al. 2009). Het plangebied ligt in een gebied waar deze Jonge Dryas rivierduinen in ondergrond aanwezig zijn (Berendsen/Stouthamer 2001). Door de opwarming in de periode na het Weichselien, vanaf het begin van het Holoceen (vanaf circa 11.650 jaar geleden), begonnen de ijskappen te smelten en begon de zeespiegel te stijgen. De

8

="

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS hoeveelheid vegetatie nam snel toe, waardoor de afvoer van de rivieren regelmatiger werd. Deze kregen hierdoor weer een meer meanderend patroon en zetten tijdens overstromingen klei af op oevers en overstromingsvlaktes (Formatie van Echteld; De Mulder et al. 2003). Tijdens de snelle zeespiegelstijging gedurende het Holoceen ontwikkelden zich direct ten westen van de huidige kustlijn de eerste strandwallen, waarachter onder rustige en natte omstandigheden grote broek- en bosveengebieden ontstonden (het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop; De Mulder et al. 2003). Het veengebied werd doorsneden door verschillende rivierlopen. Deze rivierlopen hebben zich binnen dit gebied verschillende keren verlegd, waarbij zich verschillende stroomgordels hebben ontwikkeld. Door de klink van het veenpakket lagen deze stroomgordels relatief hoog in het landschap, waardoor ze gunstig waren voor bewoning. Het ontstaan van veen en de afzetting van rivierklei zorgden voor de bedekking van de rivierduinen. De hoogste delen van deze duinen hebben lang gedagzoomd aan het maaiveld en vormden daarmee goede plaatsen voor bewoning in een verder zeer nat gebied. Uiteindelijk zijn alle rivierduinen “verdronken” onder de klei- en veenpakketten.

De veenvorming duurde voort tot aan de Late Middeleeuwen. Tussen ongeveer 1000 en 1300 na Chr. werd het veengebied ontgonnen. Hierbij werden vanaf een ontginningsas, een weg of een vaart, langgerekte percelen aangelegd. Dit type ontginning staat bekend als cope-ontginning. Vanaf ongeveer 1400 na Chr. is het veen op veel plaatsen op grote schaal afgegraven of gebaggerd ten behoeve van de turfwinning (Berendsen 2005). In de Alblasserwaard heeft nooit veenwinning plaatsgevonden vanwege het feit dat het aanwezige bosveen veel minder geschikt is voor de verwerking tot turf. Door de inklinking van het veen als gevolg van de ontwatering werd het veengebied gevoeliger voor overstromingen. Er werden terpen gebouwd, met name langs veenriviertjes. Door dijkdoorbraken is de Alblasserwaard verschillende malen onder water komen te staan. Sliedrecht en omgeving werden daarbij niet gespaard. 2.2.

Geomorfologie en bodem

Op zowel de geomorfologische kaart (Figuur 2) als de bodemkaart (Figuur 4) is het zuidelijke deelgebied, Stationspark III, niet gekarteerd omdat het binnen bebouwd gebied valt. Het deelgebied Sliedrecht Buiten is op de geomorfologische kaart geclassificeerd als ontgonnen veenvlakte (kaartcode M81) en valt met een klein gedeelte aan de noordoostkant ook op een getij-inversierug (kaartcode B71). De bodem is in dit deelgebied geclassificeerd als waardveengronden op bosveen (of eutroof broekveen; kaartcode kVb). Op de stroomruggenkaart (Figuur 3; Cohen e.a. 2012) is te zien dat er ten noorden van het plangebied twee belangrijke stroomruggen liggen. De stroomrug van Pinkenveer was actief vanaf ca. 6300 tot ca. 5095 v.Chr. Er zijn (nog) geen archeologische sporen aangetroffen die aan deze stroomrug gerelateerd kunnen worden. De stroomrug van Wijngaarden was actief tussen ca. 5375 en ca. 4315 v.Chr. en kent ook (nog) geen gerelateerde archeologische waarden. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de aanzienlijke diepteligging: het hoogste voorkomen van het zand van de Wijngaarden stroomrug ligt tussen -6,5 en -8,0 m NAP.

9

■

n

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

- Bk

IDDS Legenda

M81

B71

B44

N

M64

300

600

900

1.200 m

Figuur 2: Een uitsnede uit de geomorfologische kaart (bron: PDOK) met het plangebied in rood. Kaartcode M81 staat voor een ontgonnen veenvlakte. Kaartcode B71 staat voor een getij-inversierug. Kaartcode B44 staat voor een stroomrug of -gordel. Kaartcode M64 staat voor een rivierkomvlakte. Legenda

Plangebied 142

186

300

600

900

.200m

-51

206/ 307

Figuur 3: Een uitsnede uit de stroomruggenkaart (Cohen et al. 2012) met het plangebied. Kaartcode 186 staat voor de stroomrug van Wijngaarden. Kaartcode 142 staat voor de stroomrug van Pinkenveer. Kaartcode 307 staat voor de huidige Merwede. Kaartcode 206 staat voor de stroomrug van Zwijndrecht.

10

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS Legenda

hVb pVb

kVb

Rv01C Bebouwd gebied

300)

600 >

900

1.200 m

Water

Figuur 4: Een uitsnede uit de bodemkaart (bron: PDOK) met daarop het plangebied in rood. Kaartcode kVb staat voor waardveengronden op bosveen (of eutroof broekveen). Kaartcode pVb staat voor weideveengronden op bosveen (of eutroof broekveen). Kaartcode Rv01C staat voor Kalkloze drechtvaaggronden.

Vanuit het DINO-loket zijn meerdere bodemonderzoeken bekend binnen en rondom het plangebied die meer informatie kunnen verstrekken over de actuele situatie in de ondergrond. Het gaat hierbij om geologische sonderingsonderzoeken die tot grote diepte reiken en om booronderzoeken. Deze onderzoeken kunnen ook aanwijzingen geven over de locatie van het rivierduin die in het plangebied voorkomt. Doorgaans is er binnen het onderzoeksgebied sprake van een bodemopbouw bestaand uit kleiige en venige afzettingen van de formaties van Echteld en Nieuwkoop op (grof) zandige afzettingen uit het Pleistoceen (toebehorend aan de Formatie van Kreftenheye). De aanwezige rivierduinen maken deel uit van het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel. De rivierduinen zijn vanwege de relatief hoge ligging in het landschap nog lang bewoonbaar gebleven in een landschap dat geleidelijk aan steeds verder met veen is dichtgegroeid.

Binnen het plangebied zijn twee sonderingen bekend in het noordelijke deelgebied. De eerste sondering S38D00804 is in 2002 gedaan en reikt tot een diepte van ca. -20,5 m NAP. Vanaf -11,5 m NAP is de conusweerstand hoger dan 5 MPa, wat wijst op de aanwezigheid van (Pleistoceen) zand. De tweede sondering S38D00805 is ook in 2002 gedaan en reikt tot een diepte van ca. -20 m NAP. Ook hier is de conusweerstand vanaf -11,5 m NAP hoger dan 5 MPa, wat wijst op zandige (Pleistocene) afzettingen. Vanuit de opdrachtgever zijn vijf sonderingen uitgevoerd in het deelgebied Sliedrecht Buiten en zes sonderingen in het deelgebied Stationspark III. Voor de exacte locatie van de sonderingen wordt verwezen naar Figuur 5 Sondering SB.01 is in vier verschillende pakketten op te delen. De eerste sectie reikt vanaf -2,05 (maaiveld) tot ca. -6,5 m NAP en wordt getypeerd door een conusweerstand die gemiddeld kleiner is dan 2 MPa en een wrijvingsgetal (kleefgetal) dat fluctueert tussen 3 en 6%. Deze getallen kunnen

11

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS worden geïnterpreteerd als een veenpakket met zeer humeuze kleilagen of kleiige inmengingen. Hieronder ligt van ca. -6,5 tot -10 m NAP een pakket waarvan de conusweerstand kleiner dan 1 MPa is en het wrijvingsgetal tussen de 1 en 3% ligt. Dit duidt op een pakket kleiige afzettingen, gezien het wrijvingsgetal hier lager ligt. Het derde pakket bevindt zich van ca. -10 m NAP tot -12 m NAP. Hier is sprake van een conusweerstand lager dan 1 MPa en een wrijvingsgetal tussen 2 en 4%. De vrij hoge wrijving in combinatie met een lage conusweerstand wijst hier op een zeer humeus kleipakket of kleiig veen. Het vierde pakket begint op ca -12 m NAP. Vanaf deze diepte wordt er een (veel) hogere conusweerstand gemeten, namelijk gemiddeld tussen de 5 en de 11 MPa met uitschieters naar 16 MPa, bij een wrijvingsgetal onder de 1%. Weerstandwaardes vanaf 5 MPa bij een wrijving van >1% wijzen op zand in de ondergrond. Bij weerstanden vanaf 10 MPa wordt er gesproken van grof zand. Sondering SB.02 kent grofweg vier verschillende pakketten. Het eerste pakket reikt van -1,8 tot ca. -3 m NAP en heeft een conusweerstand tussen de 0,5 en 2 MPa bij een wrijvingsgetal van 5 tot 9%. Dit pakket bestaat op basis van het hoge kleefgetal uit veen en zal op basis van de stratigrafische ligging behoren tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop. Hieronder ligt van -3 tot ca.

-11 m NAP een pakket dat wordt getypeerd door een conusweerstand lager dan 1 MPa en een wrijvingsgetal tussen de 1 en 5 %. Dit pakket bestaat op basis van het middelhoge kleefgetal en lage weerstand uit kleiige afzettingen die variabel humushoudend tot zeer humeus zijn. Dit kleipakket behoort weer tot de Formatie van Echteld. Van -11 m NAP tot -13 m NAP bevindt zich nog een pakket waarin de conusweerstand oploopt van ca. 1 tot 2 MPa naar 5 MPa bij een wrijvingsgetal van ongeveer 3%. Dit duidt op een pakket humeuze kleiige afzettingen (hoog kleefgetal) dat langzamerhand steeds zandiger wordt (diffuse overgang naar onderliggend zand; hogere weerstand). Dit pakket betreft vermoedelijk weer kleiig veen (Basisveen Laag of Laag van Wijchen) dat het Pleistocene zand afdekt. Het Pleistocene zand begint vanaf -13 m NAP en wordt gekenmerkt door een conusweerstand groter dan 5 MPa en een kleefgetal van ca. 1%.

De overige sonderingen SB.03, SB.04 en SB.05 schetsen een zelfde beeld als de hierboven beschreven sonderingen van Hollandveen op fluviatiele afzettingen van de Formatie van Echteld op kleiig veen van het Basisveen Laag of de Laag van Wijchen op Pleistocene afzettingen.

In sondering SB.03 begint het Pleistocene zand vanaf ongeveer -12 m NAP en wordt het weer afgedekt door (kleiig) veen. In sondering SB.04 bevinden de zandige afzettingen zich op een diepte van ca. -11,5 m NAP. Ook hier wordt het afgedekt door een laag (kleiig) veen. In de laatste sondering (SB.05) ligt het zand op ongeveer -13,5 m NAP. Hier is de bovenliggende overgang met het (kleiig) veen vermoedelijk weer diffuus. In alle sonderingen in het noordelijke deelgebied Sliedrecht Buiten is sprake van een afdekking van het Pleistocene zand met de Basisveen Laag / Laag van Wijchen. Dit in combinatie met de relatieve diepe ligging van de zandige afzettingen, wijst erop dat er ter plaatse van de sonderingen geen sprake is van de aanwezigheid van de rivierduin. In het zuidelijke deelgebied is sondering SPIII.01 weer op te delen in vier pakketten. Het eerste pakket bevindt zich tussen -1,8 en -6 m NAP. Dit pakket heeft een conusweerstand die afloopt van ca. 4 MPa naar minder dan 1 MPa. Binnen dit pakket is er een kleefgetal van 5 tot meer dan 10%. Dit duidt op een pakket venige afzettingen met kleiige inmengingen. Van -6 tot -10 m NAP ligt een pakket met een zeer lage conusweerstand en een kleefgetal tussen de 1 en 2%. Dit is een kleipakket. Vanaf -10 tot -15 m NAP neemt de conusweerstand iets toe naar 2 tot 3 MPa terwijl het kleefgetal gelijk blijft.

Hier zijn vermoedelijk zandige inmengingen in de klei te vinden. Op -13 m NAP bevindt zich een piek waar de conusweerstand afneemt naar 1 MPa en het wrijvingsgetal toeneemt naar 9%. Dit duidt op een dunne, maar vrij mineraalarme veenlaag. Dit geheel betreft de overgang van de kleiige afzettingen van de Formatie van Echteld naar een veenlaag van de Basisveen Laag. Hieronder (vanaf -15 m NAP) ligt met een conusweerstand van 5 tot 24 MPa en een kleefgetal van 0 tot 2% grof Pleistoceen zand. In de overige sonderingen SPIII.02, SPIII.03, SPIII.04, SPIII.05 en SPIII.06 wordt opnieuw hetzelfde beeld geschetst van Hollandveen op fluviatiele afzettingen van de Formatie van Echteld op kleiig veen van de Basisveen Laag of de Laag van Wijchen op Pleistocene zandafzettingen.

12

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

Sondering SPIII.02 geeft een duidelijk beeld van zandige afzettingen vanaf ca. -11,5 m NAP met daarboven een pakket kleiig veen of humeuze klei van de Laag van Wijchen of de Basisveen Laag. In sondering SPIII.03 begint het Pleistocene zand vanaf ongeveer -10,5 m NAP en wordt het weer afgedekt door (kleiig) veen of zeer humeuze klei. In sondering SPIII.04 bevinden de zandige afzettingen zich op een diepte van -11 m NAP. Ook hier wordt het afgedekt door een laag humeuze klei, hoewel deze hier op basis van het relatief lagere kleefgetal een stuk minder humeus is. In sondering SPIII.05 ligt het zand op ongeveer -13,5 m NAP. Hier is de bovenliggende overgang met het (kleiig) veen vermoedelijk weer diffuus. In de laatste sondering, nummer SPIII.06, is het zand aangetroffen op -10,5 m NAP. Ook hierboven ligt weer een duidelijke laag humeus klei of kleiig veen.

Ook in het zuidelijk deelgebied is er ter plaatse van de sonderingen geen rivierduin gelokaliseerd. Het Pleistocene zand wordt in ieder punt afgedekt door een humeuze laag van de Basisveen Laag of de Laag van Wijchen. Ter plaatse van het duin kan het (duin)zand al vanaf -5 m NAP voorkomen (zie paragraaf 3.1), terwijl het op de locatie van de sonderingen steeds tussen de -10 en -13,5 m NAP is aangetoond. Legenda

•

o SB

Sonderingen

Li

O

SB.03 O SB

SB.02 SPORTLAAN

"

O

"

FSFORTPANE

SPIII.03 -SPIII.05

SPIII.02 2

O

7

SPUI.04

ƒ

■0

2

- 100

200

300

Figuur 5: Het plangebied met de locaties van de diverse sonderingen waarvan de data is aangeleverd door de opdrachtgever. De sonderingen in het noordeljke deelgebied worden voorafgegaan door de afkorting voor Sliedrecht Buiten (SB); de sonderingen in het zuidelijke deelgebied krijgen de afkorting voor Stationspark III (SPIII).

Naast de sonderingsdata is er ook gebruik gemaakt van de beschikbare data van uitgevoerde booronderzoeken uit het DINO-loket. Binnen het plangebied zijn 11 boringen bekend die tot in het zandpakket reiken. De boringen zijn hieronder samengevat in Tabel 1. DINO-loket Boorpunt B38D0520 B38D0527 B38D0530 B38D0531

Zanddiepte in m NAP -7,0 -10,4 -6,8 -7,7

13

n

■

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS DINO-loket Boorpunt Zanddiepte in m NAP B38D0532 -10,5 B38D0533 -9 B38D0673 -10,7 B38D04032 -8,9 B38D4086 -10,7 B38D04087 -11,6 B38D04146 -10,5 Tabel 1: Overzicht van de gebruikte boorpunten uit het DINO-loket met de bijbehorende diepten waarop het Pleistocene zandpakket is aangetroffen. Op basis van de hierboven besproken sonderingen en boringen is een zandhoogtekaart opgesteld. Hierbij is van iedere boring waar tot in het Pleistocene zand is geboord de diepte genomen vanaf waar zand voorkomt. Van deze gegevens is vervolgens een hoogtemodel gemaakt. Uit dit hoogtemodel blijkt dat de rivierduin duidelijk aanwezig is in de ondergrond. Wel valt het grootste gedeelte, waaronder de vermoedelijke top van het duin, tussen de twee deelgebieden in. Op basis van het huidige hoogtemodel vallen enkel de noordelijke en zuidelijke flanken binnen het plangebied. Het rivierduin strekt mogelijk nog verder naar het noordoosten, waar de boor- of sonderingsdichtheid lager is. Legenda

o

Sonderingen

«

DINO-loket boringen

B38D0673

oSB

O

Zandhoogte in m NAP

SB

oSB.03 I) B38D4086

SB.02

oSB

B38D0520

B38D0531 8,5

B38D0530

I.06

oSPIII.03 B38D0532.

5

SPIII.02

"=4obor” -

N 0527 SPIII.04

7/ch7

a/

■0

.

100

200

300

Figuur 6: Hoogtemodel van de hoogte van het Pleistocene zand, zoals aangetroffen in de besproken sonderingen en DINO-loket boringen. Het rivierduin is hier duidelijk zichtbaar als verhoging in relatie tot de omliggende zanddiepten. Hierbj moet worden opgemerkt dat er te weinig gegevens beschikbaar zijn om de exacte vorm van het duin vast te kunnen stellen.

Binnen het plangebied heerst een grondwatertrap (GWT) II. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstandsdieptes (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. Grondwatertrap II duidt op erg natte gronden waarbij de GHG wordt aangetroffen aan of nabij het maaiveld en de GLG op een diepte tussen 50 en 80 cm -mv.

14

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

3.

Archeologische en (bouw)historische informatie

3.1.

Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden

Volgens de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland (www.zuid-holland.nl) ligt het plangebied grotendeels op komafzettingen met veen waarvoor geen of een lage archeologische waarde geldt. Het zuidelijke deelgebied valt aan de noordzijde binnen een gebied met een hoge archeologische waardering. Deze waardering geldt vanaf een diepte ruim dieper dan 5 m -mv en is gebaseerd op de ligging op een rivierduin.

Binnen het plangebied is bij booronderzoek in het kader van de aanleg van de Betuwelijn een Mesolithische vindplaats op een donk ontdekt (OM 2029069100; Asmussen 1994). In de boringen is op een diepte van 5,50 tot 6 m -mv (ca. -7 m NAP) donkzand (het rivierduin) aangetroffen met fragmenten houtskool en een enkel fragment verbrand bot (Figuur 7). De diepte van de vondstlaag duidt op een minimale ouderdom van ca. 7000 jaar (laat Mesolithisch). Slijpplatenonderzoek toonde aan dat het om eertijds secundair verplaatst materiaal gaat, afkomstig van een hoger gelegen deel van de donk, een afvallaag dus. Dit terrein is aangewezen als archeologisch monument (monumentnummer 10491). 4469 Legenda

co m

O

O

——=4268 0

10

20

30

40m

Stationspark III Figuur 7: De boorpuntenkaart uit Asmussen (1994) met de geprojecteerde locatie van de rivierduin zoals aangetroffen in het booronderzoek.

Op ca. 50 m ten westen van het plangebied is in 2003 een archeologisch onderzoek uitgevoerd (OM 2036237100). Het type onderzoek is niet bekend. Er is geen rapport beschikbaar en er zijn ook geen bevindingen gemeld.

In 1996 is een aanvullende archeologische inventarisatie uitgevoerd voor twee tracés aan de Sportlaan te Sliedrecht, gemeente Sliedrecht (OM 2030153100; Schute 1996). Het westelijke tracé ligt direct ten noorden en zuiden van het huidige plangebied, deelgebied Stationspark III, en valt er ook voor een klein deel binnen. Het betreft de noordoostelijke hoek van het deelgebied. Het onderzoek bestond uit een

15

="

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS veldkartering en een booronderzoek. De veldkartering heeft geen resultaten opgeleverd. Tijdens het booronderzoek is direct ten noorden van de huidige tennisbanen in twee boringen zand aangetroffen van de rivierduin. Dit zand bevond zich op een diepte van 6,8 en 7 m -mv (-8,2 en -8,4 m NAP). Ten oosten van de tennisbanen is dit zand niet meer aangetroffen. Vanwege de grote diepteligging van het zand is het niet verder onderzocht. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het tweede tracédeel heeft geen resultaten opgeleverd. Dit deel valt ook buiten het onderzoeksgebied en is daarmee niet relevant.

In 2022 is voor een groot gedeelte van de gemeente Sliedrecht een bureauonderzoek uitgevoerd (OM 5296431100; Kroes et al. 2022). Het onderzochte gebied beslaat ook een deel van het huidige deelgebied Stationspark III. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er voor het gehele gebied een verwachting geldt voor kampementen van jager-verzamelaars uit de steentijd vanaf 8,5 m -mv. Deze verwachting is ongespecificeerd omdat er geen informatie over het voorkomen van kansrijkere gradiëntzones is. Het deel van het onderzochte gebied dat overlapt met het huidige plangebied valt wel in een zone met rivierduinen, waarop een verhoogde verwachting voor de genoemde resten geldt. Tevens is er op de rivierduin een hoge verwachting voor bewoning door vroege landbouwers. De toppen van de rivierduinen liggen doorgaans op 7 tot 5 m -mv. De archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd beperkt zich voornamelijk tot de rivierdijk, op ca. 1000 m ten zuiden van het plangebied, waar de lintbebouwing van de oude dorpskern heeft gestaan. Direct ten zuiden van het plangebied, voor een tracé dat een deel van de A15 beslaat in de gemeenten Papendrecht en Sliedrecht is in 2017 een bureauonderzoek uitgevoerd (OM 4545586100; VerboomJansen 2017).

Ter hoogte van het huidige plangebied geldt er volgens dit onderzoek een middelhoge verwachting op resten uit het Meso- en Neolithicum op basis van de ligging op een rivierduin. Deze verwachting geldt vanaf -7 a -10,5 m NAP. Het onderzoeksgebied is hier vrijgegeven, omdat de voorgenomen ontwikkelingen het bodemprofiel niet tot deze diepte zullen verstoren. Op zo’n 75 m ten oosten van het plangebied is in 2022 een bureauonderzoek uitgevoerd voor een tracé vanaf de Thorbeckelaan, Sliedrecht, gemeente Sliedrecht naar de Peulenlaan, HardinxveldGiessendam, gemeente Hardinxveld-Giessendam (OM 5190378100; Moerman 2022). Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er in het onderzoeksgebied ter hoogte van het huidige plangebied een rivierduin ligt met een mogelijk verspoelde Mesolithische vindplaats. Dit niveau ligt op -8 m NAP en wordt door de ingrepen niet verstoord. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Op ongeveer 250 m ten zuidwesten van het plangebied zijn in 2015 een bureauonderzoek (OM 3293763100; Bouter / Koekkelkoren 2015) en een daarop volgend booronderzoek (OM 3975524100; Koekkelkoren / Moerman) uitgevoerd voor de Staatliedenbuurt, Sliedrecht, gemeente Sliedrecht. Uit het bureauonderzoek bleek een (middel)hoge trefkans op archeologische resten vanaf het Mesolithicum voor het noordelijke deel van het gebied op basis van het voorkomen van rivierduinen.

Het overige deel kreeg een lage archeologische trefkans op basis van de ligging op komafzettingen. Verder kon het overstromingsdek van de St. Elisabethsvloed uit 1421 aangetroffen worden. Tijdens het booronderzoek is aangetoond dat er op de locatie sprake is van de aanwezigheid van verspreide rivierduinafzettingen. Het betreft kleine, lage rivierduinen of de flanken hiervan. Lokaal zijn er kleilagen en schelpen aangetroffen in de rivierduinen, wat erop wijst dat het zand onder vochtige omstandigheden is afgezet. Omdat de rivierduinen relatief laag zijn en de locatie in het verleden relatief vochtig is geweest zal het geen geschikte plek zijn geweest voor gebruik door de mens. De archeologische verwachting is bijgesteld naar laag voor alle perioden voor het volledige onderzochte gebied. Op ca. 400 m ten westen van het plangebied is in 2017 een bureauonderzoek uitgevoerd voor diverse locaties langs het Stationsplein en de Parallelweg te Sliedrecht, gemeente Sliedrecht (OM 4928579100) van dit onderzoek is geen rapport beschikbaar.

16

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

3.2.

Historische situatie

Het oudst geraadpleegde kaartmateriaal betreft de ‘Kaart van Holland’ opgesteld door Jacob Aertsz Colom in 1639 (Figuur 8). Op deze kaart is te zien dat Sliedrecht uit een bebouwingslint langs de Merwededijk bestond. Binnendijks is er nog bijna geen bebouwing aanwezig, afgezien van de afgebeelde kerk. De locatie van de kerk is vermoedelijk indicatief voor de daadwerkelijke locatie. Ook de locatie van het plangebied, bij benadering aangegeven in Figuur 8, is hier onbebouwd. Op de kadastrale minuut die is opgesteld in de periode 1812-1832 (Figuur 9) is het gebruik van het plangebied opgenomen als weiland (lichtgroen) met stroken bos (hakhout; donkergroen). Aan de westzijde van het deelgebied Sliedrecht Buiten ligt nog een klein stukje hooiland (blauwgroen). De perceelstypen zijn overgenomen uit de oorspronkelijk aanwijzende tafels (OAT) die tegelijk met de minuutplannen zijn opgesteld.

In 1883 is de situatie binnen de deelgebieden nog steeds vergelijkbaar met de situatie uit 1639 (Figuur 10). De gebieden zijn onbebouwd en vervullen een agrarische functie. Tussen de deelgebieden is inmiddels een spoorlijn aangelegd en station Sliedrecht is ten westen van het plangebied zichtbaar. In 1960 is het plangebied nog altijd onbebouwd (Figuur 11). Wel is hier het begin van de binnendijkse uitbreiding van het dorp Sliedrecht zichtbaar. In de hierop volgende jaren raakt er een steeds groter gebied bebouwd, tot ook het zuidelijke deelgebied bebouwd raakt. Het gaat hier om enkele kleine gebouwen; van grootschalige bouw is geen sprake. Dit is te zien op de topografische kaart van 1981, waarop het zuidelijke deelgebied voor het eerst in gebruik raakt (Figuur 12). Het krijgt dan de functie als sportpark die het nog altijd heeft. Volgens kadastrale gegevens stamt de tribune op het sportpark uit 1971 (bagviewer.kadaster.nl ). Het is aannemelijk dat het sportpark ook rond deze tijd is aangelegd. Het noordelijke deelgebied is tot op de dag van vandaag in gebruik als weiland en is tot op heden niet bebouwd geweest.

Figuur 8: Uitsnede uit de Kaart van Holland van Jacob Aertsz. Colom uit 1639 (plaat 29; bron: rjksmuseum.nl).

17

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

Legenda Kadaster 1832 percelen

7

begraafplaats

dijk bouwland

boomgaard

natte gronden

hooiland 100

200

300

on beken d

Figuur 9: Het plangebied op een uitsnede van de gedigitaliseerde kadastrale kaart uit de periode 1812 - 1832 (bron: hisgis.nl). UilIIHU HHlll.

Legenda Plangebied

300

Figuur 10: De topografische kaart uit 1883 met daarop het plangebied in rood (bron: Topot,jdreis.nl).

18

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

Kp9

tnt a* .1.

Midd^lblok

Fabri

w-l IR

-1.2

Peulen

Kp

K

4y

Figuur 11: De topografische kaart uit 1960 met daarop het plangebied in rood (bron: Topotjdreis.ni). B7i/-------- 1/11//1/4L Legenda □ Plangebied

1

-777//7/1/////4 Sliedrecht

7

T////kMiddelbÜi /

j7'

rijf 1

J E’

Werf

90 r1

pl 007 I 0

300

900

06t

Figuur 12: De topografische kaart uit 1981 met daarop het plangebied in rood (bron: Topotjdreis.nl).

19

IDDS Archeologie rapport 2866 Versie 1.3 (concept)

IDDS 3.2.1. Tweede Wereldoorlog Op zowel de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (ikme.nl) als de Militaire landschapskaart (rce.webgispublisher.nl) zijn er binnen en in de buurt van het plangebied geen bijzonderheden gemeld. Wel is er altijd een kans op het aantreffen van kleinere objecten en structuren als crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. 3.3.

Huidig landgebruik

Ten tijde van het onderzoek was het zuidelijk deelgebied, Stationspark III, in gebruik als sportpark. Momenteel worden er een voetbalvereniging en een tennisvereniging gehuisvest. Hiervoor bevinden er zich op het park zeven voetbalvelden en acht tennisbanen. Een deel van het deelgebied is verhard ten behoeve van de parkeergelegenheid. Er staan diverse gebouwen in op het sportpark, waaronder een tribune, clubgebouwen en kleedkamers. Het noordelijke deelgebied, Sliedrecht Buiten, is in gebruik als weilanden en is geheel onbebouwd (Figuur 1). 3.4.

Mogelijke verstoringen

Mogelijke verstoringen binnen het plangebied zijn vanwege de schaarse gebruikshistorie van de gebieden vrij beperkt gebleven. Beide gebieden zullen aangetast zijn door de ontginning ervan in de Late Middeleeuwen. Hierdoor kan inklinking zijn ontstaan, waardoor de bodem beperkt is aangetast. Ook door het gebruik als weiland zullen beide terrein, hoewel oppervlakkig, verstoord zijn. Het zuidelijke deelgebied, Stationspark III, is tot ver in de 20e eeuw in gebruik geweest als weiland. In 1971 is het gebied voor het eerst in gebruik geraakt als sportpark. Verstoringen die hierdoor zijn opgetreden bestaan uit het bouwrijp maken van het terrein, het aanleggen van de aanwezige bebouwing, sportvelden en de diverse kabels en leidingen die hiervoor benodigd zijn. Het noordelijke deelgebied, Sliedrecht Buiten, is tot op heden in gebruik als weiland.

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/723/documents/9212