Bijlage 6 - OER beoordeling OP 1.0.pdf
Tekst van het document
Deze zijn bestemd voor bedrijven waarbij bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten in categorie 1 en 2 als bedoeld in de bij deze regels behorende 'standaard Staat van bedrijfsactiviteiten'. De bedrijven in het plangebied behoren voornamelijk tot milieucategorie 1, zoals kleinschalige detailhandel en kapperszaken, of categorie 2-bedrijven, zoals supermarkten. Ondanks de aanwezigheid van enkele categorie 2bedrijven, is de algemene milieu-impact beperkt vanwege de aard van de activiteiten in een stedelijk gebied, die over het algemeen minder milieuhinder veroorzaken dan industrieel georiënteerde bedrijven. Referentiesituatie De referentiesituatie is voor dit aspect gelijk aan de huidige situatie.
5.4.2
Geluid Inleiding Geluid in de leefomgeving heeft invloed op de gezondheid en de natuur. Mensen kunnen er last van hebben als ze geluid horen (hinder). Ook kan het ervoor zorgen dat ze minder goed slapen of kan het de dagelijkse activiteiten verstoren. Verder kunnen mensen er stress van krijgen. Als mensen lange tijd aan te veel geluid blootstaan, kan dat leiden tot chronische effecten, zoals verhoogde bloeddruk en verhoogde niveaus van het stresshormoon cortisol. Dit verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Ook kan geluid een negatieve invloed hebben op de leerprestaties van kinderen. Wetenschappers denken dat een rustige omgeving helpt om te herstellen van de negatieve effecten van geluid. Omgevingswet Weg- en railverkeerslawaai Onder de Omgevingswet stelt de gemeente in het omgevingsplan gebiedsgerichte normen vast, waarbij hieronder vermelde waarden de eerste kaders vormen. Bij geluid wordt in de wetgeving onderscheid gemaakt in typen geluidbronnen: wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai of geluid van individuele inrichtingen. De wettelijke normen en grenswaarden verschillen per bron. Het werkingsmechanisme is vergelijkbaar met zoals dat onder de Wet geluidhinder werkte. Een geluidbelasting onder de standaardwaarde is in principe toelaatbaar. Het gebied tussen de standaardwaarde en de grenswaarde is het zogenoemde afwegingsgebied.
Er zal, binnen dit gebied, een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden waarin nadrukkelijk aandacht wordt gegeven voor mogelijkheden om de geluidbelasting te reduceren. Een geluidbelasting boven de grenswaarde is slechts in uitzonderlijke situaties toelaatbaar, waarbij nog meer nadruk ligt op een zorgvuldige afweging. Anders dan onder de Wet geluidhinder betreft het hier de gecumuleerde geluidbelasting per cluster van bronnen en niet de geluidbelasting per bron. In de Wet geluidhinder (artikel 110g) was geregeld dat voor toetsing een aftrek moest worden toegepast vanwege het in de toekomst stiller worden van het verkeer. Onder de Omgevingswet is geen sprake meer van toepassen van een aftrek. In het omgevingsplan dienen de normen te worden gemotiveerd. Het vaststellen van zogenoemde hogere waarden en daarbij horende procedure is niet meer aan de orde.
blad 38 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Onderstaande tabel laat de standaardwaarden en grenswaarden zien die in het kader van de Omgevingswet zijn gehanteerd. tabel 5-2 Standaardwaarden en grenswaarden die in het kader van de Omgevingswet worden gehanteerd Geluidbronsoorten
Standaardwaarde (voorkeurswaarde in Lden)
Grenswaarde (maximale waarde) in Lden Projectie van geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties
Vaststelling van geluidproductieplafonds en aanleg of wijziging gemeentelijke wegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen
Rijkswegen, provinciale wegen
50
60
65
Gemeentewegen, waterschapswegen
50
70
70
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen
55
65
70
WHO-advieswaarden voor geluid In 2018 heeft de WHO (World Health Organization) nieuwe gezondheidskundige richtlijnen voor geluid gepubliceerd: Environmental Noise Guidelines for the European Region (2018). De richtlijn geeft aanbevelingen voor weg-, rail-, vliegverkeer, windturbines en recreatiegeluid en is gebaseerd op de nieuwste wetenschappelijke inzichten (tot en met 2014). De WHO heeft advieswaarden opgesteld. Tabel 5-3 WHO-advieswaarden voor geluid Geluidbron
WHO-advieswaarden (Lden)
Weg Rail
53 dB 54 dB
Huidige situatie Geluidbelasting wegverkeer Het wegverkeer vormt de voornaamste bron van geluid binnen het plangebied van het Omgevingsplan. Figuur 525 toont de geluidbelasting door wegverkeer. De geluidcontouren laten de drukke wegen, de Thorbeckelaan, Rembrandtlaan en Stationsweg duidelijk zien. Bij woningen direct langs deze wegen ligt de geluidbelasting boven de 55 dB. Naast de omvang van het verkeer speelt ook de snelheid, het type wegdek en de nabijheid van kruispunten een rol.
blad 39 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-25 Geluidbelasting door wegverkeer
Figuur 5-26 Cumulatieve geluidbelasting Sliedrecht
blad 40 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Cumulatieve geluidbelasting Figuur 5-26 toont de cumulatieve geluidbelasting van wegverkeer, spoorweg en industrielawaai. Binnen het plangebied speelt railverkeerslawaai geen rol, de afstand tot het spoor is daarvoor te groot. Bij de haven is de geluidbelasting van industrie te zien. Geluid van bedrijven en evenementen Naast wegverkeer en industrie kunnen er ook kleine (bedrijfs)activiteiten aanwezig zijn die geluid veroorzaken. Dit kan gaan om supermarkten (laad- en losactiviteiten of het parkeerterrein), horeca en evenementen. Zoals te zien in figuur 5.13 zijn er verschillende horecagelegenheden zoals restaurants, bars en cafés aanwezig in het plangebied. Deze dragen mogelijk bij aan geluidsbelasting als gevolg van klantengeluiden en het afspelen van muziek, zowel binnen als buiten op terrassen. Tijdelijke evenementen, zoals festivals, markten, concerten en sportevenementen, kunnen ook substantiële geluidsbelasting veroorzaken. Deze evenementen trekken vaak grote menigten aan en maken gebruik van versterkte muziek en luidsprekers voor aankondigingen. De collectieve aanwezigheid van mensen kan resulteren in verhoogde geluidsniveaus. De gemeente Sliedrecht heeft daarom regels voor horeca en evenementen vastgelegd in de APV. Referentiesituatie De referentiesituatie is voor dit aspect gelijk aan de huidige situatie.
5.4.3
Luchtkwaliteit Inleiding Nederlandse wet- en regelgeving en WHO-advieswaarden In de Nederlandse wet- en regelgeving zijn de grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De belangrijkste staan in de tabel hieronder. Daarnaast wordt in toenemende mate getoetst aan de strengere streefwaarden van de World Health Organisation (WHO). Ook deze zijn opgenomen in de tabel. Met name op het gebied van fijnstof zijn de WHO-advieswaarden strenger. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, waaraan ook Nederland moet voldoen. De verwachting is dat in 2050 in lijn met het zero-pollution EU-beleid voldaan moet worden aan de WHO 2021 waarden. Deze zijn ook opgenomen in onderstaande tabel: Stof
Toetsingsperiode
Wettelijke grenswaarde
WHO Streefwaarde
NO2
Jaargemiddeld
Maximaal 40 μg/m3 (EU 2030: 20 μg/m3 )
Maximaal 10 μg/m3
PM10
Jaargemiddeld
Maximaal 40 μg/m3 (EU 2030: 20 μg/m3 )
Maximaal 15 μg/m3
PM2,5
Jaargemiddeld
Maximaal 25 μg/m3 (EU 2030: 10 μg/m3 )
Maximaal 5 μg/m3
Er zijn per type stof wettelijke normen vastgesteld waar de waardes onder dienen te blijven. Dat betekent niet dat de aanwezigheid van deze stoffen onder deze norm vervolgens geen gezondheidsrisico’s voor bewoners van een gebied meer oplevert. Vooral kinderen, ouderen en mensen met luchtwegaandoeningen of hart- en vaatziekten zijn vatbaar voor klachten ten gevolge van luchtverontreiniging. In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken Nederlandse overheden samen aan het verbeteren van de luchtkwaliteit. Hier hoort een monitoringsprogramma bij. Belangrijk onderdeel hiervan is een informatie- en rekensysteem: de monitoringstool. Deze brengt jaarlijks de luchtkwaliteit in heel Nederland in beeld. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) actualiseert elk jaar de gegevens voor de Drechtsteden, dus ook voor Sliedrecht. Huidige situatie Voor luchtkwaliteit zijn er in Nederland verschillende meet- en monitoringssystemen. Per stof worden de concentraties op verschillende meetpunten geregistreerd en vertaald naar kaarten met jaargemiddelde concentraties.
blad 41 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Stikstofdioxide (NO2) Zoals te zien in figuur 5.27 is de hoge concentratie stikstofdioxide voornamelijk te verklaren door de A15 die Sliedrecht kruist. Deze snelweg ligt echter op een dusdanige afstand van het plangebied dat de hogere contouren hier niet aanwezig zijn, en het gemiddeld hier 16-18 microgram/m3 betreft.
Figuur 5-27 Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (2021)
Fijn stof (PM10) In figuur 5.28 is de concentratie fijn stof (PM10) weergegeven. Hieruit is af te lezen dat er in het plangebied alleen op de Stationsweg hogere concentraties zijn berekend. Verkeersopstoppingen kunnen deze uitstoot verergeren omdat voertuigen vaak stationair draaien. De nabijheid van gebouwen kan de luchtcirculatie belemmeren, waardoor deeltjes zich kunnen ophopen. Het wegontwerp, inclusief het wegoppervlak, kan invloed hebben op de opwerveling van stof en deeltjes. Tijdelijke bouwactiviteiten en wegwerkzaamheden kunnen de concentratie PM10-deeltjes verhogen door stofemissies. Ook de heersende windrichting in het gebied kan de verspreiding van PM10-deeltjes beïnvloeden. Om de luchtkwaliteit op de Stationsweg te verbeteren en de blootstelling aan PM 10deeltjes te verminderen, kunnen maatregelen worden overwogen.
blad 42 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-28 Jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10)
Zeer fijn stof (PM2,5) Er is geen hoge concentratie van zeer fijn stof in het plangebied aanwezig en hierbij is ook geen verschil ten opzichte van de omgeving te zien.
Figuur 5-29 Jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM2,5)
blad 43 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
In Nederland wordt ingezet op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit. Gemeenten werken toe naar de (strengere) advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Op dit moment voldoen de concentraties stikstof, fijn stof en zeer fijn stof in Sliedrecht niet aan deze WHO-advieswaarden. Het RIVM monitort ook de blootstelling van inwoners aan stikstofdioxide en fijn stof. De blootstelling aan zowel NO2 (stikstof) als PM10 (fijnstof) liggen gemiddeld hoger in Sliedrecht dan in de rest van Nederland. Sliedrecht maakt deel uit van de regio Rotterdam/Dordrecht, die door het Rijk is aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM10). Dit betekent dat er in deze regio extra maatregelen en aandacht zijn voor het verbeteren van de luchtkwaliteit. Vanwege de invloed van verkeer en industrie liggen de concentraties in de Randstad vrijwel overal boven het Nederlandse gemiddelde. De blootstelling aan deze stoffen ligt in de Randstad boven het Nederlandse gemiddelde, door de aanwezigheid van veel drukke (vaar)wegen en industrie.
Figuur 5-30 Luchtkwaliteit Sliedrecht (bron: RIVM, 2021)
Referentiesituatie Autonome ontwikkelingen: Doordat wegverkeer gemiddeld steeds schoner wordt (onder andere door groter aandeel elektrische voertuigen) is de verwachting dat de concentraties luchtverontreiniging de komende jaren dalen. Dit gaat echter om enkele procenten. Het is niet te verwachten dat hierdoor de WHO-advieswaarden voor de drie betreffende stoffen gehaald worden.
5.4.4
Omgevingsveiligheid Inleiding Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht en is de benaming externe veiligheid in ‘Omgevingsveiligheid’ veranderd. Tot het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt zijn er twee belangrijke beoordelingskaders om externe veiligheid te beoordelen: ▪ Het plaatsgebonden risico in combinatie met een ruimtelijke zonering; ▪ Het groepsrisico, dat gericht is op gebiedskwaliteiten. Voor de beoordeling van de kwetsbaarheid van activiteiten bestaat er een tweedeling: ▪ Beperkt kwetsbare objecten; ▪ Kwetsbare objecten. Onder de Omgevingswet staat de omgeving nadrukkelijk meer centraal dan bij de voorgaande wetgeving en wordt externe veiligheid benoemd als omgevingsveiligheid. Daarbij: ▪ Blijft de normering van plaatsgebonden risico onveranderd;
blad 44 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
▪ ▪ ▪
Worden voor de omgang met het groepsrisico aandachtsgebieden geïntroduceerd; Wordt de kwetsbaarheid van functies geduid met 3 klassen: beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar, te bepalen per gebouw, locatie en functie. Zijn zaken als bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswater, die eerst onder het Bouwbesluit 2012 vielen, nu onderdeel van de regels die in het omgevingsplan opgenomen worden en zo onderdeel worden van een breder beoordelingskader.
Aandachtsgebieden Vanaf het van kracht worden van de Omgevingswet bestaan er van rechtswege aandachtsgebieden langs of rondom risicobronnen. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt – voor de daarin aangewezen risicobronnen - een vaste afstand voor deze aandachtsgebieden gegeven, of is aangegeven dat deze berekend moeten worden. Een aandachtsgebied is een gebied waarbinnen personen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. De Omgevingswet kent 3 soorten aandachtsgebieden: ▪ Een brandaandachtsgebied (bijvoorbeeld een plasbrandgebied langs het spoor of fakkel-brand bij een hogedruk aardgastransportleiding); ▪ Een explosieaandachtsgebied (bijvoorbeeld langs het spoor of bij een LPG-tankstation); ▪ Een gifwolkaandachtsgebied (bijvoorbeeld rondom chemische bedrijven). Een aandachtsgebied markeert het gebied waarbinnen bij een incident met gevaarlijke stoffen het effect het meest nadrukkelijk optreedt. Aandachtsgebieden zijn dus effectgebieden. De omvang van een aandachtsgebied zegt niets over de kans op een incident. De kans op een incident wordt genormeerd via het plaatsgebonden risico. Uit die normstelling volgt dat binnen de plaatsgebonden risico contour geen (zeer)kwetsbaar gebouw mag worden gerealiseerd.
Huidige situatie Zoals te zien in figuur 5.31 zijn er in de huidige situatie geen relevante risicobronnen in het plangebied aanwezig. Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedgebied van een risicobron.
blad 45 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-31 Risicobronnen in en rond Sliedrecht
Referentiesituatie De referentiesituatie is voor dit aspect gelijk aan de huidige situatie.
5.4.5
Bodem Inleiding Het aspect ‘bodem, water en ondergrond’ heeft betrekking op de samenstelling van de bodem, grondgebruik en bodemkwaliteit. Het bodem- en watersysteem bieden belangrijke randvoorwaarden hoe er moet worden omgegaan met de fysieke leefomgeving, en wat er in de toekomst voor ontwikkelingen een grote rol zullen spelen. Huidige situatie Bodemstabiliteit Als het gaat om bodemopbouw, -stabiliteit en daling is er een belangrijk verschil tussen de buitendijkse en binnendijkse gebieden. Figuur 5.32 laat dat duidelijk zien. De buitendijkse gebieden bestaan voornamelijk uit zandgronden, terwijl de lager gelegen binnendijkse gebieden een grote veenlaag hebben. Daar tussenin ligt een strook met een beperkte veenlaag (minder dan 0,5 meter veen). De veenlaag maakt de bodem kwetsbaar voor bodemdaling. Op de kaart is ook te zien welke panden kwetsbaar zijn voor bodemdaling. Dit betreft voornamelijk de oudere woningen tussen de Kerkbuurt en de Rembrandtlaan en oude panden aan de Kerkbuurt zelf. Bodemdaling kan leiden tot verzakkingen van woningen.
blad 46 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-32 Bodemstabiliteit Sliedrecht
Bodemkwaliteit Een ander relevant bodemaspect betreft de chemische bodemkwaliteit. Verontreinigingen in de bodem vormen een potentieel risico voor de gezondheid. Graafwerkzaamheden of functies zoals woningen met tuinen, speeltuinen of volkstuinen zijn niet zonder meer mogelijk bij ernstige bodemverontreiniging. Voor de chemische bodemkwaliteit zijn al voorbeschermingsregels opgenomen in het omgevingsplan (gemeentebreed). Referentiesituatie Figuur 5.33 toont plekken waar in de komende jaren bodemdaling te verwachten is. De figuur laat zien dat de risico's voor verdere bodemdaling beperkt zijn.
blad 47 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-33 Bodemdaling 2020-2050 Sliedrecht
5.4.6
Hittestress Inleiding Bij hittestress, ook wel warmtestress genoemd, kan je lichaam de warmte moeilijk kwijt. Hittestress kan verschillende gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals overmatig zweten, uitdroging, vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Het verschijnsel treedt op wanneer er in toenemende mate warme nachten zijn (hittegolven) waardoor de hitte niet verdreven wordt. In Nederland stijgt tijdens hittegolven de sterfte met 12% (ongeveer 40 doden per dag extra in Nederland) (bron: Factsheet Climate Proof Cites, TNO).
Figuur 5-34 Het effect van hitte in de stad (Bron: KNMI)
Hittestress ontstaat wanneer warmte niet kan ontsnappen. In steden met veel verhard oppervlakte, weinig bomen en water, kan de warmte niet goed ontsnappen en kan de temperatuur dus enkele graden hoger zijn dan
blad 48 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
buiten de stad. In de stad zijn deze effecten dus het grootst, zoals onderstaand figuur schematisch weergeeft. Dit wordt het hitte-eilandeffect genoemd. Het stedelijk hitte-eilandeffect is het sterkst 's nachts. Het zorgt ervoor dat de luchttemperatuur 's nachts minder daalt waardoor bijvoorbeeld gevoelige bevolkingsgroepen (baby's, kinderen, ouderen) gezondheidseffecten ondervinden. Huidige situatie Figuur 5.35 geeft het stedelijk hitte-eilandeffect weer in de huidige situatie in Sliedrecht. Dit is het gemiddelde temperatuurverschil tussen de verschillende delen in de gemeente en de omgeving. De kaart geeft een voorspelling van het stedelijk hitte-eilandeffect op basis van verschillende onderliggende kaartgegevens: de bevolkingsdichtheid, windsnelheid, hoeveelheid groen, blauw en verharding.
Figuur 5-35 Hitte-eilandeffect Sliedrecht
In Figuur 5.11 is te zien dat er een beperkt aantal groenstructuren aanwezig is binnen het plangebied. Een beperkt aantal groenstructuren in een plangebied versterkt het hitte-eilandeffect. Dit leidt tot hogere temperaturen, lagere luchtkwaliteit, gezondheidsproblemen en verhoogde energiekosten. Het bevorderen van groen, zoals bomen en parken, helpt dit effect te verminderen en maakt stedelijke gebieden leefbaarder en duurzamer. Referentiesituatie Autonome ontwikkelingen: Door klimaatverandering krijgt de gemeente te maken met toenemende kans op extreme neerslag en hitte. Deze veranderingen in het weerpatroon kunnen leiden tot frequenter voorkomende wateroverlast en hittestress. Toenemende en langere periodes van droogte is een ander aspect van klimaatverandering. Dit kan leiden tot verdere daling van grondwaterstanden en groter risico op bodemdaling.
blad 49 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
5.5
Natuur en landschap
5.5.1
Beschermde natuurgebieden Inleiding Omgevingswet De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De Wet natuurbescherming is sinds 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt met betrekking tot natuurbescherming van soorten, bescherming van gebieden en bescherming van houtopstanden. Het kader voor het Natura 2000 beheerplan en voor vergunningverlening is hetzelfde ten opzichte van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 gebieden Specifieke gebieden, Natura 2000-gebieden, zijn beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Aantasting en/of verstoring van Natura2000-gebieden is niet zondermeer toegestaan. Als effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten dient een zogenaamde Passende Beoordeling te worden opgesteld. Als negatieve effecten niet passend beoordeeld kunnen worden dient een zogenaamde ADC-toets doorlopen te worden waarin dient te worden gemotiveerd dat het effect onvermijdelijk is omdat er geen alternatieven bestaan (A), de activiteit van dwingend openbaar belang is (D) en het effect volledig gecompenseerd wordt (C).
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) zijn beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van het NNN is vastgelegd in de Nota Ruimte. Aantasting en/of verstoring van NNN-gebieden is niet zondermeer toegestaan. Als effecten optreden dient een zogenaamde Nee-Tenzij afweging te worden gemaakt waarin dient te worden gemotiveerd dat het effect onvermijdelijk is omdat er geen alternatieven bestaan, de activiteit van zwaarwegend maatschappelijk belang is en het effect volledig wordt gecompenseerd wordt, middels een compensatieplan. Belangrijke weidevogelgebieden De belangrijke weidevogelgebieden zijn verspreid over de provincie Zuid-Holland gelegen. Belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten de NNN, zijn aangewezen vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels, die mede de kwaliteit van het ZuidHollandse (veen)weidelandschap bepalen.. Bomenbeleidsplan Sliedrecht Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomenkap is wel van toepassing. Het Bomenbeleidsplan van de gemeente Sliedrecht omvat een selectie van Bijzonder Waardevolle Bomen, die de meest kostbare bomen binnen Sliedrecht vertegenwoordigen.
Deze lijst omvat niet alleen landelijk monumentale bomen, die eveneens geregistreerd zijn bij de Bomenstichting, maar ook bomen die opvallen vanwege hun bijzondere esthetische waarde, rijke culturele geschiedenis, of ecologische betekenis. Bovendien bevat de lijst bomen die zeldzaam zijn vanwege hun soort, omvang, groeivorm of ouderdom. Voor bomen die zijn opgenomen in deze lijst, is het alleen mogelijk om een kapvergunning te verkrijgen via een besluit van de gemeenteraad, behalve in situaties waarin er een gevaar bestaat voor de omgeving als gevolg van ziekte. In het geval van particuliere Bijzonder Waardevolle Bomen biedt de gemeente de mogelijkheid tot onderhoud, indien de eigenaar hiermee akkoord gaat. Huidige situatie In figuur 5.36 is te zien dat er geen Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland gebieden in het plangebied liggen. Wel ligt het Natura 2000-gebied, de Biesbosch op ongeveer 400 meter afstand, aan de overkant van de rivier de Merwede.
blad 50 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-36 Natura 2000 en NNN-gebieden in de omgeving
Referentiesituatie De referentiesituatie is voor dit aspect gelijk aan de huidige situatie.
5.5.2
Biodiversiteit Inleiding Als deel van de Europese Green Deal is een EU-biodiversiteitsstrategie opgesteld. Het biodiversiteitsbeleid van de EU is erop gericht om voor 2030 een halt toe te roepen aan het verlies van biodiversiteit en ecosystemen en herstelmaatregelen te starten. De EU streeft ernaar ten minste 30% van het land- en zeegebied in de EU te beschermen en aangetaste ecosystemen te herstellen. Dit omvat het verminderen van pesticidengebruik met 50%, het aanplanten van 3 miljard bomen en het besteden van 20 miljard euro per jaar aan biodiversiteit (bevordering, bescherming en herstel). Daarnaast legt de in 2024 aangenomen Natuurherstelwet bindende doelen vast voor het herstellen van habitats, bestuivers en ecosystemen in de EU. Het beleid wordt ondersteund door bestaande wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (Natura 2000) en de Kaderrichtlijn Water (bron: Europese Raad, 2020). Huidige situatie In Nederland zijn sinds 1900 meer dan 600 diersoorten verdwenen, voornamelijk reptielen, paddenstoelen en dagvlinders. Hoewel sommige soorten profiteren van natuurbehoudsmaatregelen, herstellen hun populaties niet volledig. Bovendien worden sommige inheemse soorten verdrongen door exotische soorten, vaak als gevolg van menselijke activiteit en klimaatverandering.
De gemeente heeft momenteel geen volledig beeld van de inheemse planten- en diersoorten die in de gemeente leven. Maar over het algemeen is in stedelijke gebieden flora en fauna die zich hebben aangepast aan de stedelijke omgeving. Hier zijn enkele veelvoorkomende voorbeelden van flora en fauna die in stedelijke gebieden te vinden zijn:
blad 51 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Flora: Stadsbomen en struiken: In stedelijke gebieden worden vaak bomen en struiken geplant om schaduw te bieden, lucht te zuiveren en de esthetiek te verbeteren. Voorbeelden zijn esdoorns, eiken, en platanen. Gras en onkruid: Grasvelden en onkruid, zoals paardebloemen en distels, gedijen goed in stedelijke parken, trottoirs en openbare ruimtes. Stadsbloemen: Bloemperken met sierplanten zoals tulpen, rozen en viooltjes worden vaak in stedelijke gebieden aangelegd om kleur en schoonheid toe te voegen. Klimplanten: Klimplanten zoals klimop en wilde wingerd kunnen gebouwen en hekken bedekken en dienen als habitat voor vogels en insecten. Fauna: Vogels: Stedelijke gebieden herbergen een verscheidenheid aan vogelsoorten, waaronder duiven, merels, mussen, spreeuwen en eksters. Sommige steden hebben ook roofvogels zoals valken en buizerds. Zoogdieren: In stedelijke gebieden kun je kleine zoogdieren tegenkomen zoals eekhoorns, stadsduiven en soms zelfs vleermuizen. Insecten: Stedelijke gebieden bieden een scala aan insectenhabitats, waaronder bijen, wespen, vlinders, mieren en kevers. Amfibieën en reptielen: In sommige stedelijke parken en waterlichamen kun je amfibieën zoals kikkers en reptielen zoals hagedissen tegenkomen. Waterleven: Rivieren, kanalen en vijvers in stedelijke gebieden kunnen diverse soorten vissen en waterdieren bevatten.
Referentiesituatie Autonome ontwikkelingen: Uit landelijke monitoring blijkt dat biodiversiteit in zowel stedelijke als landelijke gebieden en de trend lijkt dat deze achteruitgang zich voortzet. Deze afnemende biodiversiteit beïnvloedt de veerkracht en robuustheid van de natuur negatief. Dit kan resulteren in problemen zoals invasieve exoten (planten- en diersoorten uit het buitenland die inheemse soorten verdringen), plagen en ziektes, wat leidt tot ongewenste situaties en extra beheerkosten. Bovendien wordt de natuur minder gevarieerd en kan zelfs de voedselvoorziening in gevaar komen bij een te lage biodiversiteit. Autonome plannen: In het Groenbeleidsplan (2021-2025) worden een aantal concrete wijzigingen voorgesteld om de gevolgen van de hierboven genoemde ontwikkelingen te voorkomen: 1.
2.
Toepassen van natuurlijk beheer: Waar mogelijk past de gemeente natuurlijk beheer toe, rekening houdend met locatiefuncties en veiligheidsaspecten. Dit omvat het verminderen van het maaien om meer plantensoorten de kans te geven zich te ontwikkelen, het gebruik van kruidenmengsels in plaats van gazonmengsels, het behoud van bladeren voor een gezonder bodemleven, en het benutten van organisch materiaal voor dieren zoals egels. De gemeente zoekt ook naar inheemse beplanting, tenzij deze ongeschikt is, en benadrukt het belang van ecologisch beheer aan de inwoners om begrip te creëren. Diversiteit van (inheemse) plantensoorten: De gemeente streeft naar meer diversiteit in toegepaste plantensoorten. Bij nieuwe aanplant wordt gezocht naar combinaties van inheemse soorten, en bij
blad 52 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
3.
4.
5.
5.5.3
herinrichtingen wordt gekeken naar mogelijkheden om verschillende inheemse soorten te introduceren. Dit bevordert de biodiversiteit en vermindert het risico op ziektes en plagen. Versterken van groenblauwe structuren: De gemeente erkent de waarde van open wateroppervlakken voor waterbeheer en het milieu. Ze blijft natuurvriendelijke oevers aanleggen en creëert ruimte langs en in het water voor diverse planten- en diersoorten om de natuurlijke functies te verbeteren. Aanleggen van groene verbindingen: De gemeente zoekt naar kansen voor groene verbindingen binnen de gemeente en in de regio. Het verbinden van groengebieden vergroot de leefruimte voor planten en dieren en draagt bij aan sterkere en veerkrachtigere ecosystemen. Het geven van het goede voorbeeld: De gemeente zet zich in om het goede voorbeeld te geven aan haar inwoners. Dit omvat het laten zien dat een ecologisch beheerde openbare ruimte zowel mooi als soms wat rommelig kan zijn, en het delen van de redenen achter veranderingen in het uiterlijk van de ruimte. Het doel is om inwoners te inspireren en bewust te maken van het belang van biodiversiteit.
Archeologie en cultuurhistorie Inleiding In het kader van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief archeologische monumenten. Dit wordt voorgeschreven in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente heeft de bevoegdheid om in het omgevingsplan regels vast te stellen met betrekking tot archeologisch onderzoek, met als doel de bescherming en deskundige opgraving van archeologische monumenten. Het type archeologisch onderzoek kan variëren, van begeleiding van baggerwerkzaamheden tot het graven van proefsleuven of grootschalige opgravingen. Bovendien kan de gemeente eisen stellen aan het onderzoek, waaronder specifieke lokale onderzoeksthema's of de betrokkenheid van lokale vrijwilligers bij het onderzoek. Omgevingswet Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Gebieden van cultuurhistorische waarden kunnen op grond van de Omgevingswet worden aangewezen als beschermd stadsgezicht. Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn gebieden die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun onderlinge samenhang of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Landschap algemeen Bescherming van landschappelijke waarden is niet vanzelfsprekend vastgelegd in een wet, zoals bijvoorbeeld natuur (Wet natuurbescherming) of cultuurhistorie/archeologie (Erfgoedwet).
Landschap en bescherming ervan in wel beschreven in diverse beleidskaders op zowel nationaal (NOVI, Visie erfgoed en Ruimte), provinciaal (Omgevingsvisie en -verordening, Leidraad Landschap en Cultuurhistorie) als lokaal niveau (omgevingsvisie). Hierbij heeft het Rijk de eerste verantwoordelijk voor het landschap (zoals voorheen de aanwijzing van Nationale Landschappen) overgedragen naar de provincies. Centrale aspecten in de diverse beleidskaders zijn: • Erkenning van bijzondere en/of zeldzame landschappelijke waarden (zowel Landschappelijke structuren als geheel als individuele elementen zoals bomen); • Zorgplicht ruimtelijke kwaliteit: • Zuinig ruimtegebruik • Bewuste keuze en zorgvuldige afweging van ruimtegebruik; • Duurzame ontwikkeling van de ruimte • Landschappelijke inpassing: voorkomen dan wel verminderen van negatieve • Effecten op landschappelijke waarden; • Bevorderen ruimtelijke kwaliteit/ Kwaliteitsverbetering landschap: Passende functies mogen zich ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat: bijdrage aan behoud, herstel en versterking van landschappelijke waarden.
Cultuurhistorie algemeen Bescherming van cultuurhistorische waarden is deels vastgelegd in de wet (Erfgoedwet), deels in diverse beleidskaders op zowel nationaal (NOVI, Visie Erfgoed en Ruimte), provinciaal (Omgevingsvisie en -verordening Zuid-Holland, Cultuurhistorische waardenkaart Zuid-Holland) als lokaal niveau (in de nog op te stellen omgevingsvisie).
blad 53 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Het rijk heeft een (groot) deel van de verantwoordelijk voor bescherming van cultuurhistorische waarden overgedragen naar de provincies en de gemeenten. Het rijk beschermt zelf (Unesco) Werelderfgoed, Beschermde stads- en dorpsgezichten en Rijksmonumenten. Het beleid is deels gericht op behoud van cultuurhistorische waarden (Erfgoedwet) deels op behoud door ontwikkeling: het behouden van cultuurhistorische waarden door er een nieuwe passende functie voor te geven (het voormalige Belvedère-beleid). Het cultuurhistorische beleid van de provincie Zuid-Holland richt zich op de bescherming en versterking van belangrijke cultuurhistorische waarden, zoals archeologische sites, monumentale landschappen en historisch waardevolle structuren. Het beleid is gebaseerd op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), die drie belangrijke thema’s bevat: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Deze structuur dient als basis voor het ruimtelijke beleid en heeft als doel om provinciale erfgoedgebieden te beschermen en te integreren in ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie stelt strikte richtlijnen op voor gebieden zoals molens, landgoederen, en kasteelterreinen, en werkt met beschermende biotopen om deze historische elementen te behouden.
Deze aanpak is vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening, die regels en richtlijnen bevat voor het beheer van het culturele erfgoed en de ruimtelijke kwaliteit in Zuid-Holland. Huidige situatie Archeologische waarden beschrijven de geschiedenis van de gemeente. Door ontgravingen en bebouwingen kunnen de waarden worden verstoord. Op basis van de vondstdichtheid per gebied kunnen archeologische waarden aan een gebied worden gegeven. In onderstaande figuur zijn deze gebieden (zones) of plaatsen (oude kernen en woonheuvels) met een redelijke tot hoge trefkans op archeologische sporen aangegeven. De toekenning van deze trefkans op vondsten heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische sporen die in een bepaald gebied verwacht wordt. Het gaat hierbij enerzijds om concreet te begrenzen bodemkundige en geologische structuren, waarbinnen vaak weer fijnmaziger structuren te onderscheiden zijn. Anderzijds vallen ook oude stads- en dorpskernen en woonheuvels binnen deze verwachtingscategorie. Zoals in figuur 5.37 is te zien valt een deel van het plangebied onder de categorie stads- en dorpskernen.
blad 54 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-37 Archeologische waarden Centrum Sliedrecht (bron: provincie Zuid-Holland)
Op figuur 5.38 is het voormalig bestemmingsplan (inmiddels opgegaan in omgevingsplan) weergegeven. Hierin is te zien dat de Kerkbuurt een dubbelbestemming (nu activiteiten) archeologie heeft. Dit betekent dat er naast de hoofdbestemming van een bepaald gebied, zoals bijvoorbeeld wonen of industrieel gebruik, ook speciale aandacht wordt besteed aan de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten in dat gebied. Dit houdt in dat er bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen of ingrepen in dat gebied rekening moet worden gehouden met de bescherming van archeologisch erfgoed. Concreet betekent dit dat als er activiteiten gepland zijn in een gebied met de archeologische waarden, er vaak archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd voordat de activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit onderzoek heeft tot doel om eventuele archeologische resten te lokaliseren, documenteren en indien mogelijk te behouden of te beschermen. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek beïnvloeden dan de verdere ruimtelijke planning en ontwikkeling in dat gebied. Deze dubbelbestemming kan echter ook komen door het feit dat er nog geen onderzoek is gedaan in dit gebied, waardoor archeologische waarden zijn niet zijn uit te sluiten.
blad 55 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
Figuur 5-38 Dubbelbestemming Archeologie Sliedrecht Centrum (voormalig bestemmingsplan)
Referentiesituatie De referentiesituatie is voor dit aspect gelijk aan de huidige situatie.
blad 56 van 58
datum 10 januari 2025 projectnummer 0478640.100 betreft Plan-mer-beoordeling Omgevingsplan 1.0 (Centrum Sliedrecht)
6.
Beoordeling Omgevingsplan 1.0 en conclusie In Omgevingsplan Sliedrecht Centrum 1.0 zijn nog geen relevante beleidswijzigingen of ontwikkelingen opgenomen die vragen om een beoordeling van de effecten op de leefomgeving. De eerste versie betreft een beleidsneutrale overzetting van beleid voor een deel van het relevante omgevingsbeleid. Omgevingsplan 1.0 kent daardoor een conserverend karakter. Bij volgende versies van het Omgevingsplan wordt deze mer-beoordeling aangevuld. Vanwege het beleidsneutrale karakter van Omgevingsplan 1.0 is in deze versie van de merbeoordeling geen effectbeoordeling opgenomen.
blad 57 van 58
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Beneluxweg 125 4904 SJ Oosterhout Postbus 40 4900 AA Oosterhout T. +31 6 55 49 48 90 E. Marien.Kornet@Anteagroup.nl
Copyright © 2025 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
www.anteagroup.nl