CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11. Minima effectrapportage 2021.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 13 december 2022, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 23: SOC – Minimabeleid – Gemeente Sliedrecht27.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage heeft de alleenstaande oudere al betaald voor de huishoudelijke en persoonlijke verzorging. Daarom komen er voor deze woningaanpassingen geen extra kosten meer bij.

De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. Voor deze meerkosten is bijzondere bijstand mogelijk, voor personen die niet in staat zijn zelf een warme maaltijd te bereiden. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt 2 euro per maaltijd. Dit normbedrag kan voor maximaal 337 dagen per kalenderjaar worden toegekend. Bij Tafeltje Dekje Dordrecht zijn koelverse maaltijden beschikbaar vanaf 5,95 euro. De kosten voor een zelf bereide maaltijd voor een alleenstaande oudere bedragen 2,24 euro volgens de Nibud prijzengids. Hiermee komen de meerkosten uit op 3,71 euro. Voor vijf maaltijden per week komt dit neer op 80,38 euro per maand. Bij een inkomen tot en met 110 procent van de geldende bijstandsnorm wordt 2 euro per maaltijd vanuit de bijzondere bijstand vergoed, waarmee de meerkosten uitkomen op 37,05 euro per maand. Bij een inkomen boven 110 procent wordt draagkracht veronderstelt. Kosten die deze draagkracht te boven gaan worden ook vanuit de bijzondere bijstand vergoed. De kosten voor de maaltijdvoorziening die de alleenstaande oudere nog zelf moet betalen, zijn in de begroting opgenomen onder de post “voeding”.

De alleenstaande oudere met een zorgvraag maakt gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer. Wmo-cliënten kunnen gebruik maken van de Drechthopper. De kosten zijn 13 eurocent per kilometer met een opstaptarief van 60 eurocent per rit. Het maximaal aantal kilometer is 2.000 per jaar. In de begrotingen wordt gerekend met 4 ritten per maand van 10 kilometer enkele reis. Dit komt neer op een bedrag van 15,20 euro per maand. Daarnaast gaan we uit van 4 ritten per jaar van 50 kilometer enkele reis voor vervoer naar een ziekenhuis, wat neerkomt op een bedrag van 4,73 euro per maand. Verder gaan we ervan uit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de fiets; deze kosten (9,20 euro) zijn daarom uit de begroting gehaald. De extra vervoerskosten die uiteindelijk resteren (10,73 euro) zijn opgenomen onder de post “vervoer”. De kosten voor vervoer naar arts, ziekenhuis of apotheek en vervoerskosten door ziekte of handicap komen in aanmerking voor belastingaftrek. In de begroting is dit opgenomen onder de post “voorlopige aanslag”. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels voor de belastingaftrek van specifieke zorgkosten.

De kosten voor de personenalarmering worden in de Drechtsteden vergoed via de bijzondere bijstand, indien de personenalarmering om medische of sociale redenen noodzakelijk is. Daar wordt in het geval van de alleenstaande oudere met zorgvraag wel van uitgegaan. De maandelijkse kosten van de personenalarmering bedragen 16,95 euro per maand. Bij inkomens boven 110 procent van de bijstandsnorm wordt draagkracht verondersteld. Hierbij wordt rekening gehouden met dat deel van de draagkracht dat al is ingezet voor andere voorzieningen (in deze casus, de maaltijdvoorziening). De kosten die de alleenstaande oudere uiteindelijk nog zelf moet betalen, zijn verrekend met de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”.

In het zorgprofiel van de alleenstaande oudere wordt uitgegaan van een lichte vorm van incontinentie. Voor de extra waskosten die hierdoor ontstaan gaan we uit van 2 keer per week extra wassen, wat neerkomt op 10,92 euro per maand. Voor de extra kosten van kledingslijtage en bewassing in verband met een chronische ziekte of handicap is in de Drechtsteden bijzondere bijstand mogelijk. Voor de huishoudens met een inkomen waarbij de draagkracht nog niet volledig is ingezet, worden deze kosten verrekend met de post “was- en schoonmaakmiddelen”. Voor extra kleding en beddengoed komt een vast bedrag van 300 euro in aanmerking voor belastingaftrek. In de begroting is dit opgenomen onder de post “voorlopige aanslag”. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels voor de belastingaftrek van specifieke zorgkosten.

Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog 8 euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post ‘eigen bijdragen/betalingen zorg’.

Zorgkosten zijn individueel bepaald In dit rapport is gekozen voor een bepaalde zorgvraag om het effect van zorgkosten en tegemoetkomingen voor deze kosten op de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen in kaart te brengen. De zorgvraag is een weergave van vaak voorkomende kosten. In werkelijkheid hebben mensen te maken met zeer uiteenlopende zorgbehoeftes en varieert de hoogte van de zorgkosten sterk in individuele gevallen. Dat betekent dat conclusies die getrokken worden op basis van de uitkomsten, rekening houdend met de zorgvraag zoals die in dit rapport is geformuleerd, niet zonder meer gelden voor iedereen met zorgkosten. Het geeft wel aan dat een deel van de vaak voorkomende zorgkosten wordt vergoed. En dat mensen in veel gevallen daarnaast nog eigen betalingen in verband met zorg hebben.

4 Resultaten 4.1

Saldo inkomsten min uitgaven

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met het Persoonlijk Minimabudget (PMB), dan wel de vrijwilligers- of participatiebonus; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met het Persoonlijk Minimabudget (PMB), dan wel de vrijwilligers- of participatiebonus. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval.

In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 123 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een saldo van 23 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

inclusief PMB saldo na basispakket 123 198 224 308 380 449

saldo na basispakket en participatie € 23 € 98 € 124 € 208 € 280 € 349

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

€ € € € € €

saldo na basispakket 155 230 224 308 380 449

inclusief bonus saldo na basispakket en participatie € 55 € 130 € 124 € 208 € 280 € 349

inclusief PMB saldo na basispakket 340 323 413 476 533 561

saldo na basispakket en participatie € 240 € 223 € 313 € 376 € 433 € 461

saldo na basispakket

saldo na basispakket € 144 € 219 € 224 € 308 € 380 € 449

saldo na basispakket en participatie € 44 € 119 € 124 € 208 € 280 € 349

inclusief bonus saldo na basispakket en participatie

saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 470 544 576 625 716 814

saldo na basispakket en participatie € 292 € 366 € 398 € 447 € 538 € 623

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 316 391 406 514 622 646

saldo na basispakket en participatie € 144 € 219 € 234 € 342 € 450 € 426

e. Paar zonder kinderen

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 187 295 300 355 366 424

saldo na basispakket en participatie € 27 € 135 € 140 € 195 € 206 € 264

saldo na basispakket 355 476 468 506 512 555

saldo na basispakket en participatie € 116 € 238 € 230 € 267 € 273 € 304

saldo na basispakket 221 342 334 388 400 374

saldo na basispakket en participatie € -11 € 110 € 102 € 156 € 167 € 94

h. Paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 256 310 394 517 577 691

saldo na basispakket en participatie € 36 € 90 € 173 € 297 € 356 € 471

i. Alleenstaande oudere met zorgvraag

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket en participatie € 323 € 398 € 398 € 447 € 538 € 623

inclusief PMB

€ € € € € €

saldo na basispakket 348 423 406 514 622 646

saldo na basispakket 291 274 321 356 412 438

€ € € € € €

saldo na basispakket 232 340 300 355 366 424

€ € € € € €

saldo na basispakket 400 521 468 506 512 555

saldo na basispakket en participatie € 176 € 251 € 234 € 342 € 450 € 426

€ € € € € €

saldo na basispakket en participatie € 72 € 180 € 140 € 195 € 206 € 264

€ € € € € €

saldo na basispakket en participatie € 161 € 283 € 230 € 267 € 273 € 304

saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie € 165 € 240 € 234 € 342 € 450 € 426

saldo na basispakket € 208 € 316 € 300 € 355 € 366 € 424

saldo na basispakket en participatie € 48 € 156 € 140 € 195 € 206 € 264

saldo na basispakket € 375 € 497 € 468 € 506 € 512 € 555

saldo na basispakket en participatie € 137 € 258 € 230 € 267 € 273 € 304

inclusief bonus saldo na basispakket en participatie € 34 € 155 € 102 € 156 € 167 € 94

saldo na basispakket € 242 € 363 € 334 € 388 € 400 € 374

saldo na basispakket en participatie € 9 € 131 € 102 € 156 € 167 € 94

inclusief bonus saldo na basispakket en participatie € 81 € 135 € 173 € 297 € 356 € 471

inclusief PMB saldo na basispakket en participatie € 191 € 174 € 221 € 256 € 313 € 339

saldo na basispakket € 337 € 412 € 406 € 514 € 622 € 646

inclusief bonus

inclusief PMB saldo na basispakket 301 355 394 517 577 691

saldo na basispakket en participatie € 312 € 387 € 398 € 447 € 538 € 623

inclusief bonus

inclusief PMB saldo na basispakket 266 387 334 388 400 374

saldo na basispakket € 490 € 565 € 576 € 625 € 716 € 814 inclusief bonus

inclusief PMB

g. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

€ € € € € €

saldo na basispakket 501 576 576 625 716 814

inclusief bonus

inclusief PMB

f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

inclusief PMB

saldo na basispakket € 277 € 331 € 394 € 517 € 577 € 691

saldo na basispakket en participatie € 57 € 111 € 173 € 297 € 356 € 471

inclusief bonus saldo na basispakket en participatie

saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

4.2

Bestedingsruimte

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen.

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van 23 euro, dit loopt op naar 349 euro op 150 procent van de norm. b. Alleenstaande oudere Bij een alleenstaande oudere is het saldo hoger dan bij een alleenstaande onder de AOWleeftijd. Dat komt omdat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering en doordat de bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd hoger is dan onder de AOW-leeftijd. We gaan voor ouderen weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en niet-vergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar die worden enigszins gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen heeft ruim voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Ook het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar kan zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen. De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jonge kinderen.

Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget). e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van 27 euro. Dit is lager dan het saldo van alleenstaande ouders, die ook kosten van kinderen hebben. Een belangrijke oorzaak van de lagere bestedingsruimte ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). f. Paar met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het paar met twee jonge kinderen heeft op geen van de onderzochte inkomensniveaus te maken met een tekort. Met alleen een bijstandsuitkering is er een bestedingsruimte van 116 euro per maand, dit loopt op naar 304 euro op 150 procent.

g. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de begroting niet rondkrijgen; er is een maandelijks tekort van 11 euro. Zoals hierboven aangegeven, is het saldo van het paar met jonge kinderen wel positief. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget voor oudere kinderen wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen, aan onder meer onderwijs, voeding en kleding. Ook het hogere tegoed vanuit het SMS-Kinderfonds kan dit tekort bij oudere kinderen niet compenseren. h. Een paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar) Het paar met een thuiswonend werkend kind kan op alle inkomensniveaus de maandbegroting rond krijgen. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van 36 euro, dit loopt op tot 471 bij 150 procent. i. Alleenstaande oudere met zorgvraag De alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft vooral dankzij de hogere bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd en het gegeven dat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering meer bestedingsruimte dan de alleenstaande onder de AOWleeftijd. Ook met extra zorgkosten is er dan ook geen tekort zichtbaar. Wel is de bestedingsruimte minder dan zonder zorgkosten. Naast de extra vervoerskosten en de attentiekosten, zijn het hier vooral de kosten van de maaltijdvoorziening die op de begroting drukken.

4.3

Armoedeval

Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de Drechtsteden doet dit zich voor bij de oudere alleenstaande, zowel met als zonder zorgvraag. Deze huishoudens hebben met een volledig AOW-uitkering meer bestedingsruimte dan op 110 procent van de norm. In dit geval spreken we niet direct van een armoedeval, omdat ouderen over het algemeen niet ‘uitstromen’ naar een hoger inkomen. Wel kan een oudere naast de AOW een kleine pensioenuitkering hebben, waardoor het totale inkomen iets hoger uit komt, terwijl dit zich niet in een hoger saldo vertaald. In dit onderzoek rekenen we bij ouderen op 100 procent met een AOW-uitkering (omdat dit het vaakst voorkomt) en op 110 procent en hoger met de bijstandsnormen voor AOWgerechtigden. Deze grenzen bepalen immers of de oudere wel of niet in aanmerking komt voor inkomensondersteunende voorzieningen. Het inkomen op 110 procent is lager dan 1,1 maal een AOW-uitkering, omdat de bijstandsnorm voor ouderen lager is dan een AOW-uitkering. Daarnaast zien we over het algemeen dat huishoudens meer gaan uitgeven als hun inkomen en de bestedingsruimte toenemen. Voor ouderen is vervoer een belangrijke post waaraan vaak meer uitgegeven wordt dan minimaal noodzakelijk.

Vanwege de vergelijkbaarheid met huishoudens jonger dan de AOW-leeftijd (waar we extra kosten voor woon-werkverkeer meenemen), rekenen we ook voor ouderen extra kosten voor

vervoer bij een inkomen boven het minimum. Deze extra kosten liggen wel lager dan bij huishoudens jonger dan de AOW-leeftijd. De combinatie van een geringere inkomensstijging op 110 procent en meer uitgaven aan vervoer, leidt onder de streep tot een lager saldo dan bij een volledige AOW-uitkering. Wanneer ouderen geen extra vervoerskosten maken, zal de bestedingsruimte op 110 procent wel hoger zijn dan op AOW-niveau en is er dus geen sprake van een uitstroomval. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we een doorstroomval bij: paren met jonge of oudere kinderen op 120 procent huishoudens met oudere kinderen (zowel alleenstaande ouders als paren) op 150 procent De doorstroomval bij paren met kinderen op 120 procent is al zichtbaar na invulling van alleen het basispakket. Oorzaken hiervan zijn de lagere huur- en zorgtoeslag, het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en het wegvallen van de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Deze laatste twee factoren zien we ook bij andere huishoudtypen, alleen voor paren geldt dat ook de landelijke toeslagen al afbouwen bij 120 procent, terwijl dit voor alleenstaanden en alleenstaanden ouders niet het geval is.

De doorstroomval op 150 procent bij eenoudergezinnen en paren met oudere kinderen wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds. Omdat deze vergoeding voor oudere kinderen (fors) hoger is dan voor jonge kinderen, zien we deze doorstroomval niet bij huishoudens met jonge kinderen. Bij paren met kinderen speelt naast het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMSKinderfonds ook de verdere afbouw van landelijke toeslagen. Daarom neemt de bestedingsruimte bij paren met oudere kinderen op 150 procent méér af dan bij eenoudergezinnen met oudere kinderen.

4.4

Huishoudens met langdurig een laag inkomen

Huishoudens in de Drechtsteden, die gedurende 1 jaar of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan 110 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum, kunnen in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget (PMB). De hoogte van de toeslag is voor alleenstaanden met of zonder kinderen 380 euro per jaar en voor paren met of zonder kinderen 540 euro. In de vierde en vijfde kolom in tabel 1 is het saldo opgenomen inclusief PMB. Uit de tabel valt af te lezen dat bijna alle onderzochte huishoudtypen die in aanmerking komen voor het PMB, te maken krijgen met een doorstroomval op 120 procent. Het besteedbaar inkomen op 110 procent, verhoogd met het PMB, ligt hoger dan het besteedbaar inkomen op 120 procent van de norm. Door het PMB zijn huishoudens met een inkomen op 110 procent financieel beter af dan huishoudens met een inkomen vlak daarboven (die geen recht hebben op het PMB). Als we kijken naar de bestedingsruimte inclusief het PMB zien we dat het tekort bij paren met oudere kinderen op bijstandsniveau omslaat naar een positief saldo. Dit tekort wordt door het PMB dus volledig gecompenseerd.

4.5

Huishoudens met een participatie- of vrijwilligersbonus

In de laatste twee kolommen van tabel 1 zijn de saldi opgenomen van huishoudens die in aanmerking komen voor een participatiebonus of een vrijwilligersbonus. We rekenen hier met één bonus per huishouden, hoewel paren waarvan beide partners vrijwilligerswerk verrichten en waarvan beiden aan de voorwaarden voldoen, allebei een bonus kunnen aanvragen en ontvangen. Ook de participatie- of vrijwilligersbonus kan een doorstroomval veroorzaken bij een inkomensniveau van 120 procent. Met andere woorden, een huishouden dat een vrijwilligersbonus ontvangt bij een inkomen van 110 procent, houdt onder de streep meer over dan een huishouden zonder bonus met een inkomen van 120 procent. Dit is het geval bij een eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren (zowel met als zonder kinderen). Net als bij het Persoonlijk Minimabudget zien we dat het saldo voor het paar met oudere kinderen omslaat van negatief naar positief, als een van de leden in dit huishouden een bonus ontvangt.

4.6

Situatie zonder reiskostenvergoeding

In tabel 1 is de post “werkgerelateerde kosten” op 110 procent gehalveerd. Dit is gedaan omdat de Sociale Dienst Drechtsteden een tegemoetkoming biedt in de reiskosten voor woon-werkverkeer. In de begrotingen is zichtbaar gemaakt wat de invloed van deze regeling is op de bestedingsruimte van inwoners die voor deze vergoeding in aanmerking komen en wat dit betekent in relatie tot het inkomensniveau hierboven, wanneer er geen recht op de vergoeding bestaat. Echter, niet alle huishoudens met een inkomen op 110 procent zullen voor deze tegemoetkoming in aanmerking komen. De vergoeding is alleen bedoeld voor inwoners die zijn uitgestroomd vanuit de bijstand naar werk en kent een looptijd van maximaal twee jaar. Daarom zijn in tabel 2 de saldi weergegeven van de situatie zonder reiskostenvergoeding.

Tabel 2. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, zonder reiskostenvergoeding a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 123 165 224 308 380 449

saldo na basispakket en participatie € 23 € 65 € 124 € 208 € 280 € 349

saldo na basispakket 340 323 413 476 533 561

saldo na basispakket en participatie € 240 € 223 € 313 € 376 € 433 € 461

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

inclusief PMB saldo na basispakket € 155 € 197 € 224 € 308 € 380 € 449

saldo na basispakket en participatie € 55 € 97 € 124 € 208 € 280 € 349

inclusief bonus saldo na basispakket € 144 € 186 € 224 € 308 € 380 € 449

saldo na basispakket en participatie € 44 € 86 € 124 € 208 € 280 € 349

inclusief PMB saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

inclusief bonus saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 470 € 292 110% € 511 € 333 120% € 576 € 398 130% € 625 € 447 140% € 716 € 538 150% € 814 € 623

inclusief PMB saldo na basispakket € 501 € 543 € 576 € 625 € 716 € 814

saldo na basispakket en participatie € 323 € 365 € 398 € 447 € 538 € 623

inclusief bonus saldo na basispakket € 490 € 532 € 576 € 625 € 716 € 814

saldo na basispakket en participatie € 312 € 354 € 398 € 447 € 538 € 623

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 316 € 144 110% € 358 € 186 120% € 406 € 234 130% € 514 € 342 140% € 622 € 450 150% € 646 € 426

inclusief PMB saldo na basispakket € 348 € 390 € 406 € 514 € 622 € 646

saldo na basispakket en participatie € 176 € 218 € 234 € 342 € 450 € 426

inclusief bonus saldo na basispakket € 337 € 379 € 406 € 514 € 622 € 646

saldo na basispakket en participatie € 165 € 207 € 234 € 342 € 450 € 426

e. Paar zonder kinderen saldo na basispakket 187 262 300 355 366 424

saldo na basispakket en participatie € 27 € 102 € 140 € 195 € 206 € 264

inclusief PMB saldo na basispakket € 232 € 307 € 300 € 355 € 366 € 424

saldo na basispakket en participatie € 72 € 147 € 140 € 195 € 206 € 264

inclusief bonus saldo na basispakket € 208 € 283 € 300 € 355 € 366 € 424

saldo na basispakket en participatie € 48 € 123 € 140 € 195 € 206 € 264

f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na basispakket 100% € 355 110% € 443 120% € 468 130% € 506 140% € 512 150% € 555

saldo na basispakket en participatie € 116 € 205 € 230 € 267 € 273 € 304

inclusief PMB saldo na basispakket € 400 € 488 € 468 € 506 € 512 € 555

saldo na basispakket en participatie € 161 € 250 € 230 € 267 € 273 € 304

inclusief bonus saldo na basispakket € 375 € 464 € 468 € 506 € 512 € 555

saldo na basispakket en participatie € 137 € 226 € 230 € 267 € 273 € 304

g. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 221 € -11 110% € 309 € 77 120% € 334 € 102 130% € 388 € 156 140% € 400 € 167 150% € 374 € 94

inclusief PMB saldo na basispakket € 266 € 354 € 334 € 388 € 400 € 374

saldo na basispakket en participatie € 34 € 122 € 102 € 156 € 167 € 94

inclusief bonus saldo na basispakket € 242 € 330 € 334 € 388 € 400 € 374

saldo na basispakket en participatie € 9 € 98 € 102 € 156 € 167 € 94

h. Paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 256 € 36 110% € 277 € 57 120% € 394 € 173 130% € 517 € 297 140% € 577 € 356 150% € 691 € 471

inclusief PMB saldo na basispakket € 301 € 322 € 394 € 517 € 577 € 691

saldo na basispakket en participatie € 81 € 102 € 173 € 297 € 356 € 471

inclusief bonus saldo na basispakket € 277 € 298 € 394 € 517 € 577 € 691

saldo na basispakket en participatie € 57 € 78 € 173 € 297 € 356 € 471

i. Alleenstaande oudere met zorgvraag saldo na basispakket 100% € 291 110% € 274 120% € 321 130% € 356 140% € 412 150% € 438

inclusief PMB saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

inclusief bonus saldo na basispakket

saldo na basispakket en participatie

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket en participatie € 191 € 174 € 221 € 256 € 313 € 339

Zonder reiskostenvergoeding is de bestedingsruimte van de huishoudens onder de AOWleeftijd op 110 procent uiteraard in alle gevallen lager. Dit leidt nergens tot een negatief saldo. Wel zien we enkele doorstroomvallen op 120 procent verdwijnen, dat wil zeggen dat de bestedingsruimte op 120 procent niet langer lager is dan op 110 procent. Dit speelt in de volgende gevallen: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢

alleenstaanden die in aanmerking komt voor het PMB eenoudergezinnen met jonge en oudere kinderen die in aanmerking komen voor het PMB eenoudergezinnen met oudere kinderen die in aanmerking komen voor de vrijwilligersbonus paren zonder kinderen die in aanmerking komen voor de vrijwilligersbonus paren met jonge en oudere kinderen zonder PMB paren met jonge en oudere kinderen met vrijwilligersbonus

5 Vergelijking 2018 - 2021 De Sociale Dienst Drechtsteden heeft in 2018 ook een minima-effectrapportage laten uitvoeren. In dit hoofdstuk wordt een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van drie jaar geleden met de resultaten van dit jaar.

5.1

Aanpassingen van de begrotingen

In tabel 3 zijn de saldi van de inkomsten en uitgaven over de jaren 2018 en 2021 naast elkaar gezet. In de laatste twee kolommen zijn de verschillen tussen beide jaren weergegeven. Bij het lezen van deze tabel moet het volgende in gedachten worden gehouden: De bedragen van de verschillende uitgavenposten worden jaarlijks geactualiseerd. Bij een vergelijking tussen 2018 en 2021 valt op dat de kosten voor gas, voor voeding en voor onderwijs in 2021 hoger liggen. Anderzijds is de belasting op elektriciteit verlaagd, waarmee de kosten voor deze post rond de 15 euro per maand lager liggen dan in 2018. Naast de veranderingen die het Nibud jaarlijks in de voorbeeldbegrotingen doorvoert, zijn er ook enkele bedragen aangepast die samenhangen met (beleids)keuzes van de Sociale Dienst Drechtsteden: In de eerste plaats werd in 2018 gerekend met lagere huren: 597 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 640 euro voor meerpersoonshuishoudens. Hierbij is aangesloten bij de grenzen van het passend toewijzen. In 2021 liggen deze grenzen hoger, namelijk op 633 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 678 euro voor meerpersoonshuishoudens. Deze verschillen worden gedeeltelijk gecompenseerd door de huurtoeslag; uiteindelijk resulteert dit in verschillen van 17 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 18 euro voor meerpersoonshuishoudens (op bijstandsniveau).

Ten tweede is de premie van de collectieve zorgverzekering in 2021 hoger dan in 2019, dit scheelt 41 euro per persoon per maand. Echter, in 2018 is maandelijks 32 euro voor het eigen risico in de begrotingen opgenomen, terwijl in 2021 is gerekend met het pakket waarin het eigen risico is meeverzekerd. Per saldo zijn de kosten voor de collectieve zorgverzekering daarmee 9 euro hoger in 2021. Ten slotte is het minimabeleid van de Sociale Dienst Drechtsteden op enkele punten aangepast. Zo is er in 2021 een reiskostenvergoeding mogelijk voor woon-werkverkeer en is er een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang. Beiden gelden voor een inkomen tot en met 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor de hoogte van de bijstandsuitkering, de AOW-uitkering en de toeslagen hanteren we de bedragen zoals die in elk van de afzonderlijke jaren gelden. De betreffende inkomsten vergelijken we exclusief de individuele inkomenstoeslag.

Tabel 3. Vergelijking saldo inkomsten min uitgaven 2021 – 2018 a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 123 198 224 308 380 449

2021 saldo na basispakket en participatie € 23 € 98 € 124 € 208 € 280 € 349

saldo na basispakket 340 323 413 476 533 561

saldo na basispakket en participatie € 240 € 223 € 313 € 376 € 433 € 461

€ € € € € €

saldo na basispakket 43 143 199 267 316 378

2018 saldo na basispakket en participatie € -48 € -14 € 42 € 110 € 159 € 221

saldo na basispakket € 80 € 55 € 25 € 40 € 64 € 70

verschil 2021-2018 saldo na basispakket en participatie € 71 € 113 € 82 € 98 € 121 € 127

€ € € € € €

saldo na basispakket 219 265 340 400 429 322

saldo na basispakket en participatie € 127 € 130 € 206 € 265 € 294 € 187

saldo na basispakket € 121 € 58 € 73 € 76 € 104 € 239

saldo na basispakket en participatie € 113 € 93 € 107 € 111 € 139 € 274

€ € € € € €

saldo na basispakket 354 414 473 541 625 719

saldo na basispakket en participatie € 197 € 192 € 251 € 319 € 403 € 479

saldo na basispakket € 116 € 130 € 103 € 83 € 92 € 94

saldo na basispakket en participatie € 94 € 174 € 147 € 127 € 136 € 144

€ € € € € €

saldo na basispakket 195 294 341 441 524 551

saldo na basispakket en participatie € 52 € 85 € 133 € 232 € 315 € 283

saldo na basispakket € 121 € 97 € 65 € 73 € 98 € 96

saldo na basispakket en participatie € 92 € 134 € 101 € 110 € 135 € 143

€ € € € € €

saldo na basispakket 61 171 230 271 272 246

saldo na basispakket en participatie € -86 € -42 € 17 € 59 € 60 € 34

saldo na basispakket € 127 € 124 € 70 € 84 € 94 € 178

saldo na basispakket en participatie € 114 € 177 € 123 € 136 € 147 € 230

€ € € € € €

saldo na basispakket 202 327 359 367 350 272

saldo na basispakket en participatie € -10 € 49 € 81 € 89 € 72 € -24

saldo na basispakket € 153 € 149 € 109 € 139 € 162 € 283

saldo na basispakket en participatie € 126 € 189 € 148 € 178 € 201 € 329

€ € € € € €

saldo na basispakket 63 188 219 244 227 84

saldo na basispakket en participatie € -135 € -76 € -45 € -20 € -37 € -240

saldo na basispakket € 157 € 154 € 115 € 144 € 173 € 291

saldo na basispakket en participatie € 124 € 186 € 147 € 176 € 205 € 334

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 470 544 576 625 716 814

saldo na basispakket en participatie € 292 € 366 € 398 € 447 € 538 € 623

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 316 391 406 514 622 646

saldo na basispakket en participatie € 144 € 219 € 234 € 342 € 450 € 426

saldo na basispakket 187 295 300 355 366 424

saldo na basispakket en participatie € 27 € 135 € 140 € 195 € 206 € 264

e. Paar zonder kinderen

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 355 476 468 506 512 555

saldo na basispakket en participatie € 116 € 238 € 230 € 267 € 273 € 304

g. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 221 342 334 388 400 374

saldo na basispakket en participatie € -11 € 110 € 102 € 156 € 167 € 94

h. Paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar)

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

saldo na basispakket 256 310 394 517 577 691

2021

saldo na basispakket en participatie € 36 € 90 € 173 € 297 € 356 € 471

2018

verschil 2021-2018

€ € € € € €

saldo na basispakket 138 256 328 370 507 691

saldo na basispakket en participatie € -65 € -12 € 60 € 102 € 239 € 423

saldo na basispakket € 118 € 55 € 66 € 147 € 70 € 0

saldo na basispakket en participatie € 100 € 102 € 113 € 195 € 118 € 48

€ € € € € €

saldo na basispakket 228 267 310 326 290 123

saldo na basispakket en participatie € 136 € 133 € 175 € 191 € 155 € -12

saldo na basispakket € 63 € 6 € 11 € 30 € 122 € 316

saldo na basispakket en participatie € 55 € 41 € 46 € 65 € 157 € 351

i. Alleenstaande oudere met zorgvraag

100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €

5.2

saldo na basispakket 291 274 321 356 412 438

saldo na basispakket en participatie € 191 € 174 € 221 € 256 € 313 € 339

Vergelijking van de resultaten

Vergelijking bestedingsruimte Uit tabel 2 valt af te lezen dat alle onderzochte huishoudtypen er op alle onderzochte inkomensniveaus op vooruit zijn gegaan. Dit geldt als alleen de kosten uit het basispakket zijn bekostigd én als zowel de kosten uit het basispakket als de kosten voor sociale participatie zijn gedaan. De hogere bestedingsruimte in 2021 wordt voornamelijk veroorzaakt door de inkomstenkant. Zoals hierboven aangegeven zijn er qua uitgaven enkele verschuivingen, sommige posten zijn iets duurder, andere iets goedkoper dan in 2018. Alles bij elkaar genomen nemen de uitgaven in 2021 wel toe, vergeleken met 2018, maar zijn de inkomsten harder gestegen. Aan de inkomstenkant zijn zowel de uitkeringen als de landelijke toeslagen hoger geworden: ➢ De bijstandsuitkering voor een alleenstaande (ouder) is gestegen van 992 euro in 2018 naar 1.079 euro in 2021. Voor een paar steeg de bijstand van 1.417 euro naar 1.541 euro. ➢ De zorgtoeslag is voor een alleenstaande met 13 euro gestegen en voor een paar met 31 euro. ➢ Ook het de hoogte van kindgebonden budget is toegenomen. Bovendien is in 2020 de grens waarop het kindgebonden budget wordt afgebouwd flink verhoogd. In 2021 blijft het kindgebonden budget op alle onderzochte inkomensniveaus gelijk; in 2018 werd dit voor paren afgebouwd vanaf 120 procent.

➢ De toename van de huurtoeslag hangt uiteraard samen met de hogere huur waarmee in 2021 is gerekend. Al met al zijn werkenden er het meest op vooruit gegaan. De grootste verschillen ten opzichte van 2018 zitten op 110 procent (vanwege de reiskostenvergoeding en bij het eenoudergezin met jonge kinderen de tegemoetkoming in de eigen bijdrage voor de kinderopvang) en op hogere inkomensniveaus van 140 en 150 procent (vanwege de hogere bijstandsuitkering; hoe hoger het percentage waarmee wordt vermenigvuldigd, hoe hoger het verschil met 2018).

Bij paren met kinderen speelt ook de verhoging van de grens waarop het kindgebonden budget wordt afgebouwd een rol.

Vergelijking armoedevallen In 2018 waren enkele armoedevallen zichtbaar die zich in 2021 niet meer voordoen. Het gaat om het eenoudergezin met jonge kinderen op 110 procent, het paar met jonge kinderen op 140 en 150 procent, het paar met oudere kinderen op 140 procent en de alleenstaande oudere en het paar zonder kinderen op 150 procent. ➢ Het eenoudergezin met jonge kinderen had in 2018 op 110 procent van de norm minder bestedingsruimte dan op 100 procent. Dit werd veroorzaakt door hogere reiskosten. Iemand met een inkomen (net) boven het sociaal minimum zal een laagbetaalde baan hebben en kosten voor woon-werkverkeer maken. In 2021 worden is er een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Hierdoor is in 2021 geen doorstroomval zichtbaar op 110 procent. ➢ De doorstroomval op 140 procent bij paren met zowel jonge als oudere kinderen in 2018 werd grotendeels veroorzaakt door de afbouw van landelijke toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget). In 2021 nemen de zorgtoeslag en de huurtoeslag ook af, maar het kindgebonden budget blijft op 140 procent gelijk. Hierdoor is er geen doorstroomval in 2021. ➢ Op 150 procent was in 2018 sprake van een doorstroomval bij de alleenstaande oudere, bij het paar zonder kinderen en bij het paar met jonge kinderen. De belangrijkste oorzaak was het volledig wegvallen van de huurtoeslag.

In 2020 is de inkomensgrens voor de huurtoeslag komen te vervallen, waardoor er ook op 150 procent nog recht is op huurtoeslag. Om deze reden wordt in 2021 geen doorstroomval zichtbaar. Daarnaast zien we ook nieuwe armoedevallen ontstaan in 2021, te weten bij de oudere alleenstaande op 110 procent en bij paren met (jonge en oudere) kinderen op 120 procent. ➢ De armoedeval bij de oudere alleenstaande in 2021 wordt voornamelijk veroorzaakt door de systematiek van het onderzoek: Op 100 procent wordt gerekend met een volledige AOW-uitkering en op 110 procent wordt gerekend op basis van een bijstandsuitkering voor AOW-gerechtigden. Dat was ook in 2018 het geval, maar toen leidde dit niet tot een armoedeval, omdat het verschil tussen 100 procent AOW en 110 procent bijstand voor AOW-gerechtigden toen groter was. Met andere woorden, de AOW is tussen 2018 en 2021 harder gestegen dan de bijstand. ➢ De doorstroomval bij paren met (jonge en oudere) kinderen op 120 procent in 2021 wordt veroorzaakt door een combinatie van lagere landelijke toeslagen, het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en het wegvallen van de reiskostenvergoeding van woon-werkverkeer. In 2018 was er nog geen vergoeding voor reiskosten en deed de doorstroomval zich niet voor.

De doorstroomval bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren met oudere kinderen op 150 procent, doet zich zowel in 2018 als in 2021 voor. De belangrijkste oorzaak hiervan is het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds.

6

Conclusies en aanbevelingen

Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van het minimabeleid van de Sociale Dienst Drechtsteden.

6.1

Conclusies

Welke huishoudens hebben het moeilijk? De Sociale Dienst Drechtsteden kent een ruimhartig minimabeleid, waarbij ook sterk ingezet wordt op gezinnen met kinderen. Dit is terug te zien in de bestedingsruimte van deze huishoudens: bijna alle onderzochte huishoudens met kinderen kunnen de maandbegroting rond krijgen. De enige uitzondering is het paar met oudere kinderen op bijstandsniveau; als zij de uitgaven voor zowel het basispakket als voor sociale participatie willen bekostigen komen zij 11 euro te kort. De belangrijkste oorzaak van dit tekort ligt in het feit dat paren de kosten voor twee volwassenen moeten dragen. Ter vergelijking, een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Bovendien drukken met name oudere kinderen sterk op de begroting. Deze kosten worden niet volledig gecompenseerd door (leeftijdsafhankelijke) kindgebonden toeslagen. Bovengenoemde factoren vinden hun oorsprong in het Rijksbeleid. Gemeenten kunnen via het eigen beleid trachten de gevolgen hiervan te repareren.

De Sociale Dienst Drechtsteden kent al een aantal inkomensondersteunende regelingen om de bestedingsruimte voor paren met kinderen te verruimen, zoals een gunstige collectieve zorgverzekering en het SMS-Kinderfonds. Desondanks is het saldo van paren met oudere kinderen op bijstandsniveau negatief. Daarnaast is de bestedingsruimte van huishoudens zonder kinderen op bijstandsniveau laag. Alleenstaanden onder de AOW-gerechtigde leeftijd houden, als alle uitgaven uit het basispakket én alle uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, slechts 23 euro per maand over. Het paar zonder kinderen heeft een saldo van 27 euro op bijstandsniveau. Dat maakt deze huishoudens erg kwetsbaar. Als er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven (zoals onverwachte zorgkosten, een hogere huur, schulden, etc.), dan zal dit al snel leiden tot een tekort. De alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met een zorgvraag houdt, als alle uitgaven uit het basispakket én alle uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, 191 euro per maand over bij een inkomen op bijstandsniveau. Dat is 49 euro minder dan een vergelijkbaar huishouden zonder dergelijke zorgkosten. De lagere bestedingsruimte wordt veroorzaakt door de extra zorgkosten. De meeste zorgkosten worden vergoed door de collectieve zorgverzekering en de bijzondere bijstand.

De inkomensgrens van de bijzondere bijstand is 110 procent, daarboven wordt draagkracht veronderstelt. Daarom loopt het verschil in saldo tussen een oudere met en zonder zorgvraag op vanaf een inkomen op 120 procent.

Het paar met een thuiswonend meerderjarig kind kan, ondanks de kostendelersnorm, op alle onderzochte inkomensniveaus rondkomen. Hierbij moet worden aangetekend dat het inkomen van het kind in deze rapportage volledig wordt opgeteld bij het gezinsinkomen en verrekend met alle uitgaven waar dat gezin minimaal voor staat. In de praktijk zal dit vaak anders uitpakken.

Welke huishoudens kennen armoedevallen? Oudere alleenstaanden (met en zonder zorgvraag) krijgen te maken met een lager besteedbaar inkomen op 110 procent. Dit heeft voornamelijk te maken met de systematiek van dit onderzoek: op 100 procent rekenen we met een volledige AOWuitkering, terwijl we bij de hogere inkomensniveaus uitgaan van een bijstandsuitkering voor AOW-gerechtigden. Omdat op 110 procent de uitgaven iets toenemen, leidt dit onder de streep tot een lagere bestedingsruimte dan bij een volledige AOW-uitkering. Een doorstroomval (als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau) doet zich voor bij paren met kinderen op 120 procent. Dit komt doordat deze huishoudens op 120 procent niet meer in aanmerking komen voor kwijtschelding van lokale lasten en voor de vergoeding van woon-werkverkeer. Bovendien worden enkele landelijke toeslagen, te weten de zorgtoeslag en de huurtoeslag, op 120 procent afgebouwd. Bij eenoudergezinnen en paren met oudere kinderen wordt op 150 procent een doorstroomval zichtbaar. Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds. Bij paren speelt ook de verdere afbouw van landelijke toeslagen (huurtoeslag en zorgtoeslag). Het voorkómen deze doorstroomvallen is lastig.

De gemeente zou ervoor kunnen kiezen om (enkele) vergoedingen getrapt af te bouwen. Een dergelijke constructie is echter voor inwoners niet altijd gemakkelijk te begrijpen en kan leiden tot niet-gebruik. Bovendien werd hierboven al aangegeven dat de genoemde doorstroomvallen niet alleen veroorzaakt worden door de grenzen van het gemeentelijk minimabeleid, maar ook de afbouw van landelijke toeslagen. Zou de gemeente de genoemde uitstroomvallen (veroorzaakt door het wegvallen van gemeentelijke regelingen) willen repareren, dan moet tegelijkertijd de afbouw van landelijke toeslagen gecorrigeerd worden. Wanneer op enig moment wijzigingen optreden in de (afbouw van) landelijke toeslagen, zal bovendien het gemeentelijk beleid hier op moeten worden afgestemd. Alle onderzochte huishoudtypen die bij een inkomen op 110 procent van de geldende bijstandsnorm in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget hebben een hogere bestedingsruimte dan huishoudens die een inkomen ontvangen op 120 procent van de norm. Met andere woorden, als deze huishoudens het inkomen verhogen van 110 procent (inclusief PMB) naar 120 procent van de bijstandsnorm, dan krijgen zij te maken met een doorstroomval. Nu is het PMB specifiek bedoeld voor inwoners die geen zicht hebben op inkomensverbetering.

Het is wel goed om in het oog te houden dat huishoudens met een inkomen op 110 procent van de geldende bijstandsnorm, die in aanmerking komen voor het PMB, meer bestedingsruimte hebben dan huishoudens met een inkomen op 120 procent. Immers, ook in deze groep kunnen zich inwoners bevinden die geen zicht op inkomensverbetering hebben.

De hierboven beschreven doorstroomval wordt niet alléén veroorzaakt door het wegvallen van de PMB. Ook zonder PMB neemt de bestedingsruimte tussen 110 en 120 procent niet evenredig toe met het netto inkomen. En bij paren met kinderen is ook zonder PMB al sprake van een doorstroomval op 120 procent. Dat de bestedingsruimte op 120 procent niet evenredig toeneemt wordt veroorzaakt door het wegvallen het recht op kwijtschelding van lokale lasten en van de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer. Bij paren speelt ook de afbouw van landelijke toeslagen (zorgtoeslag en huurtoeslag) een rol.

6.2

Aanbevelingen

Verminder niet-gebruik regelingen De Sociale Dienst Drechtsteden kent een ruimhartig minimabeleid: veel van de onderzochte huishoudtypen kunnen de maandbegroting rond krijgen. Alleen het paar met oudere kinderen kan op bijstandsniveau het basispakket plus de kosten voor sociale participatie niet bekostigen. Hierbij moet de gemeente het volgende goed in het oog houden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd. Dat is echter niet voor ieder huishouden een vanzelfsprekendheid.4 Gemeenten kunnen het gebruik van lokale regelingen stimuleren door hieraan publiciteit te geven en de toegang tot deze regelingen te vereenvoudigen. Ook voorlichting door intermediairs is vaak doeltreffend. Het is daarbij belangrijk dat de intermediairs bekend zijn met alle regelingen die de Sociale Dienst Drechtsteden te bieden heeft en dat zij ook continu op de hoogte worden gebracht van veranderingen in inkomensondersteunende maatregelen. Om het niet-gebruik te verminderen, kunnen gemeenten ook de wijkteams inzetten. De wijkteams bestaan uit professionals met een verschillende achtergrond en expertise. In hun gesprekken met inwoners blijken wijkteams veel te maken te hebben met financiële problemen van burgers.

Om de kwaliteit van de hulpverlening te waarborgen tijdens keukentafelgesprekken, is het wenselijk dat de professionals binnen het wijkteam op de hoogte zijn van alle inkomensondersteunende maatregelen die de Sociale Dienst Drechtsteden te bieden heeft.

Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van inventaris. We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te ____________________

organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod.

Help energielasten verlagen Het is te verwachten dat de energielasten een groter deel van de woonlasten en daarmee van de totale begroting van minima gaan innemen. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen, waardoor ze ook een hoger verbruik dan gemiddeld hebben. Ook de toekomstige energietransitie zal de nodige kosten met zich meebrengen. Voor bewoners van een huurwoning is nog onduidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders. Het Nibud adviseert de gemeente hier aandacht voor te hebben. Huishoudens met een laag inkomen zouden hulp van energieadviseurs of gratis/ goedkope energieboxen aangeboden kunnen krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn, terwijl ze een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief.

Onderzoek de mogelijkheid om sociale participatie voor volwassenen te vergoeden De Sociale Dienst Drechtsteden zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: vanuit het SMS-Kinderfonds zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor het lidmaatschap van een (sport)vereniging, sportbenodigdheden en voor muziek of culturele vorming. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Ook is een vergoeding mogelijk voor schoolgerelateerde kosten. Het Nibud beoordeelt dit als zeer positief. Voor volwassenen kent de Sociale Dienst Drechtsteden geen tegemoetkoming voor sportieve of culturele activiteiten. Echter, ook voor volwassenen is sociale participatie belangrijk. Sociale uitsluiting kan zo worden tegengegaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. Financiële ondersteuning voor volwassenen kan hier een positieve rol spelen. Daarom adviseert het Nibud om ook aan inwoners vanaf 18 jaar een vergoeding voor sociale participatie te verstrekken. Alleenstaanden en paren zonder kinderen hebben op bijstandsniveau een zeer lage bestedingsruimte en bij paren met oudere kinderen is het saldo zelfs negatief.

Wanneer de Sociale Dienst Drechtsteden voor volwassenen met een inkomen op bijstandsniveau bijvoorbeeld het lidmaatschap van een (sport)vereniging zou vergoeden, dan zou dit bovenstaande huishoudens meer ruimte geven bij het opvangen van (onverwachte) uitgaven.5 In dit onderzoek gaan we uit van een contributie van 18,50 euro per maand (zie bijlage 1, uitgaven aan sociale participatie). Vergoeding van dit bedrag leidt bij de meeste huishoudens niet tot een uitstroomval op 110 procent. Alleen de bestedingsruimte van de alleenstaande oudere zou op AOW-niveau hoger komen te liggen dan op 110 procent van de norm. Dit is overigens nu ook al het geval, maar het verschil zou nog groter worden. Anderzijds wordt dit verschil voornamelijk veroorzaakt door de systematiek van dit onderzoek: op 100 procent gaan we uit van een AOW-uitkering, op 110 procent van een bijstandsuitkering voor AOW-gerechtigden. ____________________

Breng duidelijk de voordelen van de collectieve zorgverzekering onder de aandacht De Sociale Dienst Drechtseden biedt inwoners met een laag inkomen (tot en met een inkomen van 130 procent van het bruto minimumloon) een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullend pakket waarin ook de tandartskosten worden meegenomen. Deelnemers zijn met deze verzekering uitgebreider verzekerd dan huishoudens met een gemiddelde verzekering. Door deze uitgebreide verzekering zal het beroep op de bijzondere bijstand lager zijn, wat gunstig uitpakt voor de (uitvoerings)kosten van de sociale dienst. Ook deelnemers aan de collectieve verzekering zijn beter af: zij krijgen een uitgebreid pakket aan medische kosten vergoed. Het Nibud adviseert de collectieve zorgverzekering actief te promoten zodat iedereen die er recht op heeft van dit dekkingsvoordeel gebruik kan maken.

Zie er op toe dat deelnemers aan de collectieve zorgverzekering het ‘juiste’ pakket kiezen Steeds vaker ontvangen belangengroeperingen signalen dat huishoudens zorg mijden, zodat zij hun eigen risico niet hoeven aan te spreken. Dit is een onwenselijke situatie. Het is daarom positief dat de Sociale Dienst Drechtsteden een pakket aanbiedt waarin het eigen risico is meeverzekerd. Daarnaast biedt de Sociale Dienst Drechtsteden goedkopere pakketten aan zonder herverzekering van het eigen risico. Voor deelnemers aan de collectieve zorgverzekering, die het eigen risico opmaken, is het meest uitgebreide pakket de goedkoopste optie. Echter, een verzekerde die verwacht weinig zorgkosten te hebben en die daarom kiest voor een pakket zonder herverzekering van het eigen risico, maar die onvoorzien toch het volledig eigen risico moet aanspreken, is onderaan de streep duurder uit: het VGZ GemeentePakket zonder herverzekering van het eigen risico is weliswaar 15,90 euro goedkoper dan het pakket inclusief herverzekering van het eigen risico, maar de bekostiging van het volledig eigen risico komt neer op 32 euro per maand (385 euro op jaarbasis). Het Nibud adviseert de gemeente om dit duidelijk naar de doelgroep te communiceren, aangezien veel inwoners in de minimadoelgroep een onverwachte tegenvaller als de (volledige) eigen bijdrage niet kunnen dragen.

Het beschikbaar stellen van duidelijke informatie over de gemeentepolis kan inwoners helpen een voor hun zo'n goed mogelijke keuze te maken. Bovendien stimuleert de Sociale Dienst Drechtsteden inwoners om een uitgebreider pakket te kiezen, door een hogere gemeentelijke bijdrage op de zwaarste pakketvorm (inclusief vergoeding eigen risico) te verstrekken. Het Nibud adviseert om dit in stand te houden.

Differentieer het Persoonlijk Minimabudget In de Drechtsteden kunnen huishoudens onder de AOW- gerechtigde leeftijd, die gedurende minimaal twaalf maanden een inkomen ontvangen van maximaal 110 procent van de geldende bijstandsnorm, in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget. De tegemoetkoming heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Huishoudens met een laag inkomen zullen, als dat nodig is, in eerste instantie bezuinigen op de reserveringsuitgaven, omdat deze niet elke maand terugkomen.

Dit is een onwenselijke situatie; wanneer dit huishouden dan plotseling voor een grote uitgave komt te staan, is er een reële kans dat het huishouden schulden zal moeten maken. Het PMB biedt dan een goed vangnet. Het Nibud adviseert daarom deze regeling in stand te houden. De hoogte van het PMB bedraagt voor paren 540 euro per jaar en voor alleenstaanden 380 euro per jaar. Het Nibud beoordeelt het als positief dat gemeenten bij het vaststellen van de hoogte van het minimabudget rekening houden met de verschillen in kosten die verschillende huishoudtypen hebben. Er wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen huishoudens met en zonder kinderen. Ook het aantal kinderen heeft geen invloed op de hoogte van de minimabudget. Aangezien de kosten van (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen, zou de Sociale Dienst huishoudens met kinderen een hoger bedrag toe kunnen kennen dan huishoudens zonder kinderen. Er zou bijvoorbeeld per ten laste komend kind een extra bedrag kunnen worden toegekend. De gemeente kan zelfs nog een stap verder gaan door voor oudere kinderen een hogere toeslag te verstrekken dan voor jonge kinderen, aangezien de kosten voor oudere kinderen hoger liggen (onder meer voor voeding, kleding en onderwijs).

Houdt de vrijwilligers/participatiebonus in stand Inwoners die gedurende tenminste zes maanden werk vanuit een participatieplek of vrijwilligerswerk hebben verricht, komen in aanmerking voor een participatie- of vrijwilligersbonus. Het gaat om een jaarlijkse vergoeding van 250 euro. De vrijwilligersbonus is bedoeld voor inwoners ouder dan 27 jaar en jonger dan de AOWleeftijd, waarvan het inkomen niet hoger mag zijn dan 110 procent van de bijstandsnorm. Een participatie- of vrijwilligersvergoeding wordt verstrekt aan inwoners met zicht op inkomensverbetering en gaat dus niet samen met het PMB. De participatie- of vrijwilligersvergoeding heeft (uiteraard) een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens. Bij het paar met oudere kinderen maakt een bonus het verschil tussen een negatief een positief maandsaldo: zonder bonus komt dit huishouden op bijstandsniveau maandelijks 11 euro tekort, inclusief bonus is er een positief saldo van 9 euro. Als meerdere leden van dit huishouden een bonus ontvangen, gaat het saldo nog verder omhoog. Het Nibud beoordeelt dit als positief. Een participatie- of vrijwilligersbonus kan leiden tot een doorstroomval op 120 procent; de bestedingsruimte op 110 procent, inclusief bonus, is hoger dan op 120 procent. Dit is het geval bij een eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren (zowel met als zonder kinderen).

Deze doorstroomval wordt niet alléén veroorzaakt door het wegvallen van de participatieof vrijwilligersbonus. Ook zonder deze bonus neemt de bestedingsruimte tussen 110 en 120 procent niet evenredig toe met het netto inkomen. En bij paren met kinderen is ook zonder bonus al sprake van een doorstroomval op 120 procent. Dat de bestedingsruimte op 120 procent niet evenredig toeneemt wordt veroorzaakt door het wegvallen het recht op kwijtschelding van lokale lasten en van de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer. Bij paren speelt ook de afbouw van landelijke toeslagen (zorgtoeslag en huurtoeslag) een rol.

Het Nibud ziet in de geconstateerde doorstroomval daarom geen reden om de vrijwilligersbonus anders in te vullen. Het voordeel van een hogere bestedingsruimte en de extra stimulans om vrijwilligerswerk te verrichten wegen in deze zwaarder.

Heroverweeg de tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang De Sociale Dienst Drechtsteden kent een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, voor huishoudens met een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Het gaat om de vergoeding van de eigen bijdrage die resteert nadat de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst is ontvangen. Dit gaat om een relatief laag bedrag (4 procent van de totale kosten bij de laagste inkomens). Bovendien blijkt uit dit onderzoek dat de onderzochte huishoudens met jonge kinderen niet met tekorten op de begroting te maken hebben. Wel zal vergoeding van de eigen bijdrage stimulerend werken, omdat gezinnen met jonge kinderen dan geen extra kosten maken bij werkaanvaarding. Indien er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag bestaat er ook geen recht op een tegemoetkoming. In de huidige situatie komen eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag en dus ook niet voor de tegemoetkoming. De achterliggende gedachte is dat deze huishoudens geen kinderopvang nodig hebben: bij paren, waarvan een van de partners werkt, kan de andere partner op de kinderen passen en een alleenstaande ouder die niet werkt, kan dit zelf doen. Echter, in deze rapportage gaan wij ervan uit dat deze huishoudens wel gebruik maken van de peuteropvang voor twee dagdelen per week.

Voor huishoudens met een inkomen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm verstrekt de Sociale Dienst Drechtsteden bijzondere bijstand, in het kader van maatschappelijke participatie kinderen en hun ouders. Boven dit inkomen wordt de eigen bijdrage niet vergoed en wordt uitgegaan van de ouderbijdragetabel. Het Nibud adviseert de Sociale Dienst Drechtsteden om nog eens kritisch te kijken naar de vergoeding van kinder- en peuteropvang: welke groepen wil de sociale dienst bereiken en met welk doel? In de huidige situatie zien we geen tekorten op de maandbegroting van de onderzochte huishoudens met jonge kinderen en ook zonder de vergoeding van de eigen bijdrage voor kinder- en peuteropvang, zou dit niet het geval zijn. Bovendien zien we geen armoedeval ontstaan als de gemeentelijke bijdrage voor kinder- of peuteropvang wegvalt. Anderzijds nemen de kosten wel toe: voor kinderopvang is dit bij een inkomen boven 110 procent van de geldende bijstandsnorm en voor peuteropvang bij een inkomen boven 120 procent. Dit kan de betreffende ouder ervan weerhouden om méér uren te gaan werken, hoewel dit niet voor de hand ligt aangezien de extra kosten voor kinder- of peuteropvang lager zijn dan het extra inkomen.

Houd aandacht voor paren met oudere kinderen Paren met oudere kinderen kunnen, ondanks de gemeentelijke ondersteuning, op bijstandsniveau de maandbegroting niet rond krijgen, als zij naast het basispakket de uitgaven voor sociale participatie willen bekostigen. Het Nibud adviseert de ondersteuning voor deze doelgroep voort te zetten en het bestaan van inkomensondersteunende regelingen voor gezinnen met (oudere) kinderen actief onder de aandacht te brengen. Ook verstrekkingen vanuit de individuele bijzondere

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/414/documents/5444