Bijlage 11. Minima effectrapportage 2021.pdf
Tekst van het document
Postbus 619 3300 AP Dordrecht
Raadsinformatiebrief Aan de (plv.) leden van de Drechtraad
IBAN: NL88 BNGH 0285127748 BIC: BNGHNL2G Telefoon: 078-770 7008 E-mail: lpw.pellikaan@drechtsteden.nl Bijlage(n): 1
Behandeld door: L.P.W. Pellikaan Onderwerp: NIBUD Minima-effectrapportage Drechtsteden 2021
Datum: 8 november 2021 Ons kenmerk: BDR/21/2612499 Uw kenmerk: n.v.t.
Geachte dames en heren, Toelichting In opdracht van de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) heeft het Nibud een Minima-effectrapportage (MER) opgesteld. Hiervoor is door het Nibud het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de Drechtsteden berekend. Er is hierbij gekeken in hoeverre huishoudens in staat zijn om het basispakket (bestaande uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn) en kosten voor sociale participatie (bijvoorbeeld het ontvangen van bezoek en contributies) te bekostigen. Het rapport brengt de verschillen in koopkracht tussen diverse huishoudtypes in kaart, middels de zogenoemde koopkrachtplaatjes. Dit is berekend voor negen verschillende huishoudtypes en voor meerdere inkomensniveaus (100% tot 150%) van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM). Door meerdere inkomensniveaus mee te nemen worden ook zogenoemde armoedevallen en doorstroomvallen inzichtelijk gemaakt. Voor de berekening van de koopkrachtplaatjes in het rapport zijn de gemeentelijke belastingen en heffingen van de gemeente Dordrecht als uitgangspunt gebruikt. Omdat de tarieven van de gemeentelijke belastingen en heffingen verschillen per gemeente, zijn in de bijlage van het rapport de koopkrachtplaatjes voor de andere Drechtstedengemeenten bijgevoegd.
Met deze raadsinformatiebrief worden de belangrijkste conclusies uit het rapport met u gedeeld. Belangrijkste conclusies MER De MER laat een overwegend positief beeld zien. Het Nibud constateert dat het minimabeleid in de Drechtsteden goed aansluit bij de inkomensondersteunende maatregelen vanuit het Rijk. Hierdoor hebben alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket te betalen. Dit is niet het geval wanneer ook de bekostiging van de sociale participatie wordt meegenomen. Het paar met ouderen kinderen kent dan een tekort van 11 euro op de maandelijkse begroting. Het is belangrijk om te benoemen dat de huishoudelijke begrotingen berusten op drie belangrijke voorwaarden: 1. Men moet zeer goed met geld kunnen omgaan; 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen; 3. Geen grote persoonlijke onvoorziene uitgaven hebben (zoals bijvoorbeeld zorgkosten, een hoge huur of een terloopse bekeuring). Deze combinatie van factoren zal zich in de praktijk niet vaak voordoen. Een extra complicerende factor hierbij is het huisvestingprobleem. In de berekeningen is het Nibud ervan uitgegaan dat de onderzochte
Alblasserdam / Dordrecht / Hardinxveld-Giessendam / Hendrik-Ido-Ambacht / Papendrecht / Sliedrecht / Zwijndrecht
Pagina 1 van 5
Datum: 8 november 2021 Ons kenmerk: BDR/21/2612499
huishoudtypes een passende sociale huurwoning hebben met bijbehorende huurprijs. Er moet rekening worden gehouden met dat de huidige problematiek rondom de huisvesting maakt dat dit niet de realiteit is voor veel huishoudens. Sommige huishoudens zullen bijvoorbeeld noodgedwongen in een dure particuliere huurwoning zitten, wat direct ingrijpt op hun financiële positie. Wanneer de resultaten van de MER 2021 worden vergeleken met de laatst uitgevoerde MER van 2018 tekent zich ook een positief beeld af: Alle onderzochte huishoudtypes zijn er op alle onderzochte inkomensniveaus op vooruitgegaan. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies uit het rapport. Paar met oudere kinderen (14 en 16 jaar) Gezinnen met oudere kinderen hebben het financieel het zwaarst. Zij kunnen op bijstandsniveau het basispakket (bestaande uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn) plus de kosten voor sociale participatie niet bekostigen. De belangrijkste oorzaak hiervoor ligt in het feit dat gezinnen de kosten voor twee volwassenen moeten dragen. De extra inkomsten voor paren ten opzichte van een eenoudergezin, wegen niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Ook de oudere kinderen drukken op de begroting, omdat deze kosten niet volledig gecompenseerd worden door (leeftijdsafhankelijke) kindgebonden toeslagen.
Dat paren met oudere kinderen met tekorten te maken hebben ziet het Nibud ook bij andere gemeenten en het blijkt ook uit hun landelijke koopkrachtberekeningen. De oorzaak hiervan ligt in het Rijksbeleid. De bijstandsuitkering en de beschikbare (leeftijdsafhankelijke) toeslagen zijn voor gezinnen met oudere kinderen onvoldoende om zowel het basispakket als de sociale participatie mee te bekostigen. Het Nibud stelt dat gemeenten via hun eigen beleid kunnen trachten de gevolgen hiervan te repareren. In de Drechtsteden is het SMS-Kinderfonds een goed voorbeeld hiervan; dat is een inkomensondersteunende regeling die de bestedingsruimte specifiek voor huishoudens met kinderen verruimt. Huishoudens zonder kinderen De MER laat zien dat de bestedingsruimte van huishoudens zonder kinderen op bijstandsniveau laag is. Zo houden alleenstaanden onder de AOW-gerechtigde leeftijd, als alle uitgaven uit zowel het basispakket en voor sociale participatie zijn gedaan, 23 euro per maand over. Hierdoor zijn deze huishoudens erg kwetsbaar. Als er sprake is van persoonlijke onvoorziene uitgaven dan zal dit snel al leiden tot een tekort. Ook hierbij kan de oorzaak gevonden worden in het Rijksbeleid en de hoogte van de bijstandsuitkering en de beschikbare toeslagen.
Doorstroomval Er zijn een aantal huishoudens die te maken krijgen met een doorstroomval (als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder bestedingsruimte overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau). Dit doet zich voor bij paren met kinderen op 120 procent, door het niet meer in aanmerking komen voor kwijtschelding van de lokale lasten en voor de vergoeding van het woonwerkverkeer. Een doorstroomval doet zich ook voor bij eenoudergezinnen en paren met ouderen kinderen op 150 procent. Dit wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding uit het SMSKinderfonds. In alle gevallen speelt ook het (gedeeltelijk) wegvallen van landelijke toeslagen een rol. Het voorkomen van doorstroomvallen is daarom erg lastig, omdat de landelijke regelingen gelijktijdig gecorrigeerd zouden moeten worden. Aanbevelingen MER Het Nibud doet op basis van de resultaten van de MER een aantal aanbevelingen aangaande het regionaal minimabeleid. Hieronder zijn deze aanbevelingen terug te lezen. 1. Verminder niet-gebruik regelingen: zet in op publiciteit, intermediairs, en wijkteams Het Nibud is in haar berekeningen uitgegaan dat alle landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd. Dit is echter niet voor elk huishouden een vanzelfsprekendheid.
Het Nibud adviseert om het gebruik van lokale regelingen te stimuleren door hieraan publiciteit te geven, intermediairs voor te lichten en wijkteams op de hoogte te stellen. 2. Stimuleer goed financieel beheer: organiseer cursussen of begeleiding Het is voor huishoudens met een minimuminkomen van groot belang om een goed financieel beheer te voeren. Hierdoor kunnen tijdig reserveringen worden gemaakt voor (onverwachte) Pagina 2 van 5
Datum: 8 november 2021 Ons kenmerk: BDR/21/2612499
grote uitgaven en kan het ontwikkelen van schuldenproblematiek worden voorkomen. Niet elk huishouden met een minimuminkomen lukt dit. Het Nibud adviseert om voor deze huishoudens cursussen of begeleiding te organiseren. 3. Help energielasten verlagen Het Nibud adviseert de gemeenten aandacht te hebben voor de ontwikkeling dat de energielasten een groter deel van de woonlasten van minima gaan innemen. Het aanbieden van hulp van energieadviseurs of gratis/goedkope energieboxen worden als suggesties benoemd. 4. Onderzoek de mogelijkheid om sociale participatie voor volwassenen te vergoeden Het Nibud adviseert om ook aan inwoners vanaf 18 jaar een vergoeding voor sociale participatie te verstrekken. Dit kan helpen in het tegengaan van sociale uitsluiting, wat de kans op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. 5. Breng duidelijk de voordelen van de collectieve zorgverzekering onder de aandacht De collectie zorgverzekering minima (CZM) is een waardevol instrument in de bestrijding van armoede en het boeken van gezondheidswinst voor de doelgroep. Het Nibud adviseert de collectieve zorgverzekering actief te promoten zodat iedereen die er recht op heeft hiervan gebruik kan maken. 6.
Zie er op toe dat deelnemers aan de collectieve zorgverzekering het ‘juiste’ pakket kiezen Het beschikbaar stellen van duidelijke informatie over CZM kan inwoners helpen een voor hun zo'n goed mogelijke keuze te maken. Het Nibud adviseert om hierop in te zetten. Daarnaast adviseert het Nibud om de hogere gemeentelijke bijdrage op de zwaarste pakketvorm in stand te houden omdat dit inwoners stimuleert een uitgebreider pakket te kiezen. 7. Differentieer het Persoonlijk Minimabudget Het Nibud adviseert om het Persoonlijk Minimabudget (PMB) in stand te houden, omdat de tegemoetkoming een gunstig effect heeft op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Daarnaast adviseert het Nibud om huishoudens met kinderen een hoger bedrag toe te kennen aangezien de kosten voor (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen. 8. Houdt de vrijwilligers/participatiebonus in stand De participatie- of vrijwilligersvergoeding heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens. Het maakt bij sommige huishoudens het verschil tussen een positief of negatief maandsaldo. Het Nibud adviseert om deze regelingen in stand te houden. 9.
Heroverweeg de tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang Het Nibud adviseert om de tegemoetkoming eigen bijdrage kinder- of peuteropvang te heroverwegen, omdat er geen tekorten op de maandbegrotingen zijn van de huishoudens die hier gebruik van maken en het wegvallen van de vergoeding ook niet tot tekorten zal leiden. 10. Houd aandacht voor paren met oudere kinderen Het paar met oudere kinderen kan, ondanks de gemeentelijke ondersteuning, op bijstandsniveau niet de maandbegroting rond krijgen. Het Nibud adviseert de inkomensondersteunende regelingen die de bestedingsruimte voor paren met kinderen kunnen verruimen actief onder de aandacht te blijven brengen. Daarnaast wordt het inzetten op de begeleiding naar werk van tenminste één van beide partners benoemd als een eerste stap op weg uit de armoede. Vervolgstappen De MER 2021 toont aan dat het minimabeleid in de Drechtsteden goed in balans is en dat de verschillende onderdelen een integraal, elkaar versterkend geheel vormen. Desondanks blijken niet alle huishoudens volwaardig te kunnen participeren (het paar met oudere kinderen) en andere huishoudens na participatie financieel erg kwetsbaar te blijven. Dat alles onder de betwijfelbare randvoorwaarden dat men zeer goed met geld kan omgaan, alle inkomensondersteuning aanvraagt en geen grote persoonlijke onvoorziene uitgaven heeft.
Pagina 3 van 5
Datum: 8 november 2021 Ons kenmerk: BDR/21/2612499
In een tijdsgewricht waar de kosten van levensonderhoud sneller dreigen te stijgen dan de inkomsten is het daarom aanbevolen snel te schakelen op een aantal prioriteiten. In de eerste plaats gericht op de randvoorwaarden (goed kunnen omgaan met geld, maximaliseren van het bereik, minimaliseren nietgebruik en beperken risico op persoonlijke onvoorziene uitgaven). De SDD en de gemeenten zijn hierbij samen aan zet. Er gebeurt al veel op dat gebied, maar met name ten aanzien van extra communicatie en pro-actieve benadering van de potentiële doelgroep zijn in de onderlinge samenwerking nog slagen te maken. Tot de actieve en op een juiste pakketkeuze gerichte promotie van de collectieve Zorgverzekering (beperking risico onvoorziene uitgaven) voor het jaar 2022 was al voorafgaand aan de MER besloten. De tweede urgentie ligt bij het verlagen van de energielasten. Het advies van het Nibud was nog van vóór de sterke prijsstijgingen op de energiemarkt, waardoor in de nabije toekomst veel huishoudens in de problemen dreigen te komen. Aanvankelijk had het kabinet generieke landelijke maatregelen aangekondigd als antwoord op deze problematiek, tezamen met een budget voor gemeenten om te investeren in energiebesparende maatregelen voor (kwetsbare) huishoudens. Dit laatste ligt in lijn met de derde aanbeveling van het Nibud in de MER.
Het is echter de vraag of de kwetsbaarste huishoudens met de voornoemde maatregelen afdoende geholpen zijn en of de compensatie niet gerichter kan en moet worden ingezet. Dit vraagstuk ligt inmiddels op tafel en het kabinet is met gemeenten in gesprek of zij in een dergelijke maatwerkaanpak een grotere rol kunnen spelen. Afhankelijk van de uitkomsten van dit proces zal vanuit de SDD/GRD mogelijk nog dit jaar een concreet voorstel worden voorgelegd Bovenstaande haakt aan bij de aanbevelingen 1,2,3, 5 en 6 van het Nibud. De overige aanbevelingen betreffen acties die vragen om een weloverwogen beleidsmatige afweging gevolgd door een bestuurlijk besluit. Zij vragen om aanpassing van de Beleidsregels Minimabeleid, dan wel de Verordening Persoonlijk Minimabudget, ook op onderdelen waar de gemeenten in hun wensen en aanpak in het verleden uiteen liepen, bijvoorbeeld ten aanzien van het stimuleren van volwassenenparticipatie (in Dordrecht vormgegeven door middel van de Dordtpas). Proces Met ingang van 1 januari 2022 wordt de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden (GRD) omgevormd tot de GR Sociaal (GRS). Onderdeel hiervan is de herijking van de kaders van het minimabeleid, waarbij ruimte wordt geboden aan lokale kaderstelling. Dit proces is naar verwachting per 1 januari 2023 afgerond.
De aanbevelingen uit de MER zijn passend om in dit proces te worden meegenomen voor verdere uitwerking en afweging. Anderzijds zien we dat de lange looptijd en intensiteit van de herijking van de kaders van het minimabeleid niet strookt met de urgentie van een aantal aanbevelingen die juist in het huidige tijdsgewricht een voortvarende aanpak wensen. Dit geldt naast bovengenoemde urgenties ook bij de aanbeveling aangaande het differentiëren van het PMB (aanbeveling 7) en de aanbeveling die vraagt om extra aandacht voor huishoudens met oudere kinderen (aanbeveling 10). Om die reden wordt noodzakelijkerwijs begin volgend jaar al een aantal voorstellen in lijn met de aanbevelingen van de MER ter bespreking aangeboden aan het Algemeen Bestuur van de GRS. In de voorstellen zal rekening worden gehouden met de landelijke ontwikkelingen omtrent het nieuwe kabinet op het gebied van bestaanszekerheid en armoede en daarmee samenhangende beleidsmatige ontwikkelingen. Het is belangrijk dat het minimabeleid goed aansluit op datgeen wat landelijk aangeboden wordt— ook om armoedevallen te voorkomen. Wij zullen ons minimabeleid daar ook op enten en herijken en rekening houden met Rijksvoorstellen op dit vlak.
Samenvatting Met deze raadsinformatiebrief wordt de Drechtraad geïnformeerd over de belangrijkste conclusies uit de Minima-effectrapportage Drechtsteden 2021, zoals opgesteld door het Nibud. Verdere procedure, communicatie en uitvoering De aanbevelingen uit de Minima-effectrapportage worden meegenomen in de herijking van het minimabeleid in 2022.
Pagina 4 van 5
Datum: 8 november 2021 Ons kenmerk: BDR/21/2612499
Hoogachtend, het Drechtstedenbestuur,
N. van Mourik MPA secretaris
Bijlage:
mr. A.W. Kolff voorzitter
NIBUD Minima-effectrapportage Drechtsteden 2021
Pagina 5 van 5
Minima-effectrapportage Sociale Dienst Drechtsteden 2021 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Jasja Bos
10 september 2021
Minima-effectrapportage Sociale Dienst Drechtsteden 2021
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Corinne van Gaalen Jasja Bos
Nibud, Rotterdam, 10 september 2021 In opdracht van de Sociale Dienst Drechtsteden
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de Sociale Dienst Drechtsteden. Met dit onderzoek wil de Sociale Dienst Drechtsteden inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, september 2021
Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de Drechtsteden. In dit onderzoek is voor negen verschillende huishoudtypen op zes verschillende inkomensniveaus (100 tot en met 150 procent het wettelijk sociaal minimum, met een interval van 10 procent) doorgerekend hoe hun maandbegrotingen eruitzien. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: de kwijtschelding van lokale lasten; de collectieve zorgverzekering; het SMS-Kinderfonds; de reiskostenvergoeding woon-werkverkeer; de tegemoetkoming eigen bijdrage Kinderopvangkosten; de bijzondere bijstand; het Persoonlijk Minimabudget; de participatie- en vrijwilligersbonus. Hierbij gaan we ervan uit dat de betreffende huishoudens van alle beschikbare regelingen gebruik maken.
Resultaten ➢ In de Drechtsteden zijn alle onderzochte huishoudens met een laag inkomen in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket te bekostigen. ➢ Als ook de kosten voor sociale participatie bekostigd moeten worden, krijgt het paar met oudere kinderen op bijstandsniveau met een maandelijks tekort te maken. ➢ Alleenstaanden en paren zonder kinderen, onder de AOW-gerechtigde leeftijd, hebben op bijstandsniveau een dusdanig laag saldo, dat persoonlijk onvermijdbare kosten (zoals zorgkosten, een hoge huur) al snel tot een tekort zullen leiden. ➢ Bij enkele huishoudtypen doet zich een doorstroomval voor, hiervan is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. Dit zien we bij: paren met jonge of oudere kinderen op 120 procent, veroorzaakt door het wegvallen van het recht op volledige kwijtschelding van lokale lasten en van de reiskosten voor woon-werkverkeer, in combinatie met de afbouw van landelijke toeslagen; eenoudergezinnen en paren met oudere kinderen op 150 procent, voornamelijk veroorzaakt door het wegvallen van de vergoedingen vanuit het SMS-Kinderfonds. ➢ Huishoudens die in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget en die een inkomen hebben op 110 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum hebben meer bestedingsruimte dan huishoudens met een inkomen op 120 procent.
Ook in deze groep kunnen zich inwoners bevinden zonder zicht op inkomensverbetering.
Paren met oudere kinderen en een inkomen op bijstandsniveau, die in aanmerking komen voor een PMB, hebben geen tekort op de maandbegroting (in tegenstelling tot paren met kinderen zonder PMB). ➢ Een participatie- of vrijwilligersbonus kan leiden tot een doorstroomval op 120 procent. Dit is het geval bij een eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren (zowel met als zonder kinderen). Bij het paar met oudere kinderen maakt een bonus het verschil tussen een negatief een positief maandsaldo: zonder bonus komt dit huishouden op bijstandsniveau maandelijks 11 euro tekort, inclusief bonus is er een positief saldo van 9 euro. Als meerdere leden van dit huishouden een bonus ontvangen, gaat het saldo nog verder omhoog.
Aandachtspunten De diverse vormen van inkomensondersteuning in de Drechtsteden hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Zonder de collectieve zorgverzekering (waarbij het mogelijk is het wettelijk eigen risico mee te verzekeren), de diverse vergoedingen voor kinderen via het SMS-Kinderfonds, reiskostenvergoeding voor woonwerkverkeer, de tegemoetkomingen voor kinderopvang en peuteropvang en de kwijtschelding van de lokale lasten zouden er meer en grotere tekorten zijn. De Sociale Dienst Drechtsteden zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: vanuit het SMS-Kinderfonds zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor (sport)kleding en het lidmaatschap van een vereniging. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Ook is een vergoeding mogelijk voor schoolgerelateerde kosten. Het Nibud beoordeelt dit als zeer positief. Voor volwassenen kent de Sociale Dienst Drechtsteden geen tegemoetkoming voor sportieve of culturele activiteiten. Echter, ook voor volwassenen is sociale participatie belangrijk. Sociale uitsluiting kan zo worden tegengegaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. Financiële ondersteuning voor volwassenen kan hier een positieve rol spelen. Daarom adviseert het Nibud om ook aan volwassenen een vergoeding voor sociale participatie te verstrekken.
Paren met oudere kinderen kunnen op bijstandsniveau de kosten voor sociale participatie niet bekostigen (het basispakket lukt wel) en alleenstaanden en paren zonder kinderen hebben na bekostiging van sociale participatie een erg laag saldo, wat deze huishoudens erg kwetsbaar maakt. Wanneer de gemeente voor volwassenen met een inkomen op bijstandsniveau bijvoorbeeld het lidmaatschap van een (sport)vereniging zou vergoeden, dan zouden deze huishoudens zowel in financieel als in sociaal opzicht een stuk sterker staan. Uitgaande van een contributie van 18,50 euro per maand, zou dit ook niet leiden tot een armoedeval op 110 procent.
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Het Persoonlijk minimabudget 3.2.4 Participatie- of vrijwilligersbonus 3.2.5 Het SMS-Kinderfonds 3.2.6 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer 3.2.7 Bijzondere bijstand 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.3 Voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 4.5 Huishoudens met een participatie- of vrijwilligersbonus 4.6 Situatie zonder reiskostenvergoeding 5 Vergelijking 2018 - 2021 5.1 Aanpassingen van de begrotingen 5.2 Vergelijking van de resultaten 6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Conclusies 6.2 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven Bijlage 4 | Resultaten
in de afzonderlijke Drechtsteden
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de Drechtsteden? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de Sociale Dienst Drechtsteden is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); g. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); h. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een zorgvraag; i. Een paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar).
1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de Sociale Dienst Drechtsteden is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende zes inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110, 120, 130, 140 en 150 procent hiervan.
1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.
1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij gaan we uit van de grenzen voor het passend toewijzen: aan de toewijzingsregels voor woningcorporaties is per 1 januari 2016 het passend toewijzen van sociale huurwoningen toegevoegd. De passendheidsnorm stelt dat elke corporatie aan minimaal 95 procent van de huishoudens die recht hebben op huurtoeslag een woning onder de aftoppingsgrens toe moet wijzen. Zo wordt voorkomen dat huishoudens met de laagste inkomens in een te dure woning terechtkomen. De aftoppingsgrens ligt in 2021 op 633 euro voor huishoudens met één of twee personen en op 678 euro voor huishoudens van drie of meer personen.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? In hoofdstuk 5 wordt een vergelijking gemaakt met de resultaten uit de MER van 2018. Ten slotte staan in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op zes inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110, 120, 130, 140 en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Bepaalde heffingskortingen worden apart getoond als voorlopige aanslag, bijvoorbeeld de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan 110 procent van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.
In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. Inkomensgrens paren met thuiswonend werkend kind Het paar met het volwassen kind heeft te maken met de kostendelersnorm. Wanneer alle drie de gezinsleden bijstand ontvangen, ontvangen zij samen 130 procent van het bijstandsniveau van een paar zonder kinderen. Bij de inkomensniveaus hierboven zijn we ervan uitgegaan dat het meerderjarige kind werkt en de ouders een bijstandsuitkering ontvangen. Bij de berekening van de huurtoeslag is rekening gehouden met het totale gezinsinkomen.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven.
Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
Bij het gebruik van de begrotingen zijn er drie belangrijke voorwaarden: 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.
Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.
Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2021) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.837 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.469 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.205 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.815 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.703 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 443 euro per jaar.
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2021) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.138 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 39.979 euro.
Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2021 bedraagt deze voor alleenstaanden 118.479 euro en voor paren 149.819 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 107 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 207 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.340 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 752,33 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.
De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,46 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,27 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. ____________________
Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 21.835 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen is de inkomensgrens in 2020 flink verhoogd, deze inkomensgrens ligt nu op 38.853 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 270 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 319,10 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 271,24 euro en 223,37 euro.
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de Sociale Dienst Drechtsteden voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod.
3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid Kwijtscheldingsbeleid van gemeentelijke belastingen is lokaal beleid en verschilt per Drechtsteden-gemeente. In elk van de Drechtsteden kan kwijtschelding worden verkregen voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In Papendrecht en Alblasserdam is er geen sprake van rioolheffing. Gemeentebelastingen en basisinformatie (GBD) doet de belastingen voor Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Sliedrecht, Zwijndrecht en Papendrecht. Alblasserdam en Hardinxveld-Giessendam regelen de kwijtschelding via het samenwerkingsverband van een aantal gemeenten en waterschappen, de SVHW. Voor alle gemeenten geldt dat er bij het vaststellen van de kwijtschelding getoetst wordt aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor de eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving.
Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. In de Drechtsteden wordt van beide mogelijkheden gebruik gemaakt.
Bij het waterschap Hollandse Delta (Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik Ido Ambacht) en het waterschap Rivierenland (Papendrecht, Sliedrecht, Alblasserdam en HardinxveldGiessendam) is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing en wegenheffing. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteren de waterschappen de norm van maximaal 100 procent van de bijstandsnorm. Waterschap en gemeente werken hierbij samen. Als de betalingscapaciteit van de een is gebruikt, wordt bij de ander volledige kwijtschelding gegeven. In deze minima-effectrapportage rekenen we met de tarieven van de gemeente Dordrecht. In bijlage 4 zijn de begrotingen opgenomen met de tarieven van de andere gemeenten die zijn aangesloten bij de Sociale Dienst Drechtsteden.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Om ervoor te zorgen dat inwoners met een financieel kwetsbare positie niet voor onverwachte hoge kosten komen te staan bij een zorgvraag, biedt de Sociale Dienst Drechtsteden inwoners een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan: het VGZ GemeentePakket. Deelnemers kunnen kiezen uit drie pakketten tegenover een relatief lagere premie, waarmee de kwetsbaarheid vanuit zowel gezondheids- als financieel perspectief ondervangen kan worden. Kinderen jonger dan 18 jaar zijn volledig gratis meeverzekerd. o o o
VGZ GemeentePakket Compact VGZ GemeentePakket Compleet VGZ GemeentePakket Compleet + € 0 eigen risico
€ 128,79 € 153,40 € 169,30
Pakket 1: biedt onder andere vergoeding voor tandarts, fysiotherapie, brillen en lezen. Pakket 2: biedt vergoeding van pakket 1 + onder andere vergoeding voor orthodontie en extra fysiotherapie. Pakket 3: dit is het meest uitgebreide pakket met onder andere vergoedingen voor eigen bijdrage Wmo, vervangende mantelzorg en herverzekeren eigen risico. Dit pakket is specifiek bedoeld voor mensen met een chronische aandoening of handicap (die in de praktijk jaarlijks hun eigen risico opgelegd krijgen). Om voor de collectieve zorgverzekering in aanmerking te komen, hanteert de Sociale Dienst Drechtsteden een inkomensgrens van 130 procent van het bruto minimumloon. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders betekent dit dat zij ook bij een inkomen op 140 of 150 procent van de geldende bijstandsnorm aan kunnen sluiten bij de collectieve polis. In de begrotingen (zie bijlage 1) rekenen we met pakket 3. Voor paren met een inkomen op 140 en 150 procent van de geldende bijstandsnorm gaan we uit van een gemiddelde basisverzekering plus aanvullende verzekering, waarbij het eigen risico niet is meeverzekerd. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
De post “eigen risico zorgverzekering” is voor huishoudens die deel kunnen nemen aan de collectieve zorgverzekering op nul euro gezet, omdat het eigen risico is herverzekerd. Dat is bij paren met een inkomen op 140 en 150 procent van de bijstandsnorm niet het geval. Men zal dan zelf geld moeten reserveren om het eigen risico op te kunnen vangen.
3.2.3 Het Persoonlijk minimabudget Het Persoonlijk minimabudget (PMB) is bedoeld voor mensen die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW-leeftijd, die geen zicht hebben op inkomensverbetering (het is ondanks inspanningen niet mogelijk om het inkomen op korte termijn te verbeteren). Deze regeling is vergelijkbaar met de Individuele Inkomenstoeslag, zoals die in andere gemeenten veelal bestaat. Het gaat om huishoudens met een inkomen van maximaal 110 procent van de bijstandsnorm, waarbij de referteperiode 12 maanden is. De hoogte van dit budget op jaarbasis is in 2021: Alleenstaande, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 380 euro; Paar/samenwonend, met of zonder kind(eren) tot 18 jaar: 540 euro. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor het PMB apart gepresenteerd.
3.2.4 Participatie- of vrijwilligersbonus Inwoners die gedurende tenminste zes maanden werk vanuit een participatieplek of vrijwilligerswerk hebben verricht, komen in aanmerking voor een participatie- of vrijwilligersbonus. Het gaat om een jaarlijkse vergoeding van 250 euro. Om in aanmerking te komen voor de participatiebonus dienen belanghebbenden een (aanvullende) uitkering krachtens de Participatiewet, Ioaw of Ioaz te ontvangen. De vrijwilligersbonus is bedoeld voor inwoners ouder dan 27 jaar en jonger dan de AOWleeftijd, met een inkomen tot 110 procent van het wettelijk sociaal minimum. Een participatie- of vrijwilligersvergoeding wordt verstrekt aan inwoners met zicht op inkomensverbetering en gaat dus niet samen met het PMB. Net als bij het PMB worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de betreffende bonus apart gepresenteerd. We gaan hierbij uit van één bonus per huishouden.
3.2.5 Het SMS-Kinderfonds Het doel van het SMS-kinderfonds is sociale uitsluiting van kinderen van minima te voorkomen. Dit wordt bereikt door kinderen in staat te stellen deel te nemen aan activiteiten die hun maatschappelijke participatie kunnen bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan deelname aan schoolreisjes, sportclub, vereniging en kunstzinnige vorming. De uitvoering is belegd bij Stichting Leergeld Drechtsteden. 2 ____________________
De bijdrage is bedoeld voor huishoudens met kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar met een inkomen niet hoger dan 140 procent van het bijstandsinkomen. Het vermogen wordt niet getoetst. Voor scholieren op de basisschool geldt een maximaal bedrag van 275 euro per jaar per kind en voor middelbare scholieren of leerlingen aan het MBO/HBO is dit bedrag van 790 euro. De noodzakelijk geachte voorzieningen kunnen in natura verstrekt worden. Ze worden dan direct aan de school (zoals bij schoolreisjes) of de vereniging (zoals bij contributies) uitbetaald. Daarnaast kunnen tegoedbonnen worden verstrekt voor de aanschaf van de noodzakelijke school-, muziek-of sportspullen die bij bepaalde, vooraf gecontracteerde winkels opgehaald kunnen worden. Het is -zoals eerder aangegeven - ook mogelijk om een activiteit of benodigd materiaal zelf te betalen en de kosten achteraf bij Leergeld te declareren. In de gemeente Dordrecht ontvangen de kinderen het budget van het SMS-Kinderfonds op hun Dordtpas. Ze kunnen de Dordtpas als een soort pinpas gebruiken. In de begrotingen gaan we ervan uit dat het gehele bedrag wordt ingezet. Dit is verrekend met de posten “onderwijs” en “sociale participatie”.
3.2.6 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer Inwoners die vanuit de bijstand aan het werk gaan en dan een inkomen hebben dat niet hoger is dan 110 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum en geen in aanmerking te nemen vermogen hebben, komen in aanmerking voor een tegemoetkoming in de reiskosten voor woon-werkverkeer. De hoogte van de vergoeding per maand is afhankelijk van het aantal te reizen kilometers. De vergoeding wordt niet verstrekt wanneer het werkadres zich minder dan vijf kilometer bevindt van het woonadres. De vergoeding wordt per persoon toegekend voor de duur van maximaal 24 maanden. Het eerste jaar worden alle reiskosten vergoed, het tweede jaar wordt de helft vergoed. In de begrotingen wordt deze regeling verrekend met de post “werkgerelateerde kosten”, zodat inzichtelijk wordt wat het effect van deze regeling is. Op 110 procent gaan we uit van vergoeding van de helft van de kosten. (Op bijstandsniveau worden geen werkgerelateerde kosten meegenomen, omdat wij hier uitgaan van de situatie dat iemand een bijstandsuitkering ontvangt en dus niet van werk met een inkomen op bijstandsniveau.) In hoofdstuk 4 worden ook de resultaten gepresenteerd van de situatie waarin geen recht is op reiskostenvergoeding, omdat slechts een klein deel van de huishoudens voor deze vergoeding in aanmerking komt.
(Het moet iemand zijn die uitgestroomd is vanuit de bijstand naar werk en diegene heeft er maximaal twee jaar recht op.)
3.2.7 Bijzondere bijstand De Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Van het meerinkomen wordt 35 procent als draagkracht beschouwd.
De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering is het huishouden met een zorgvraag. Bij dit huishoudtype gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. Daarnaast wordt voor huishoudens met jonge kinderen de vergoeding voor de peuterspeelzaal vanuit de bijzondere bijstand meegenomen.
3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. De Sociale Dienst Drechtsteden kent een tegemoetkoming voor deze eigen bijdrage voor huishoudens met een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de hoogte van de eigen bijdrage. In principe bedraagt de eigen bijdrage bij de laagste inkomens 4 procent van de totale kosten. De Sociale Dienst Drechtsteden vergoedt niet de eigen bijdrage die wordt veroorzaakt doordat de het uurtarief van de kinderopvang hoger is dan het maximumuurtarief dat bij de kinderopvangtoeslag wordt gehanteerd. Indien er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag bestaat er ook geen recht op een tegemoetkoming. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag en dus ook niet voor de tegemoetkoming. Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang. Bij 110 procent van het inkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur en op 140 en 150 procent van 40 uur kinderopvang.
Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat twee dagdelen per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 tot en met 150 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. De Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage peuterspeelzaal voor maximaal twee dagdelen per week. Hierbij geldt een inkomensgrens van 120 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Als het inkomen hoger is, wordt de eigen bijdrage niet vergoed en wordt uitgegaan van de ouderbijdragetabel. De kosten voor kinderopvang en peuteropvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Hierbij is rekening gehouden met de tegemoetkomingen die de Sociale Dienst Drechtsteden verstrekt. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
In de praktijk kan en zal het voorkomen dat een kinderopvangorganisatie een hoger uurtarief hanteert dan het maximumuurtarief van de belastingdienst. Het meerdere moet de inwoner zelf betalen en zorgt dus voor een hogere eigen bijdrage. In de begrotingen wordt gerekend met het uurtarief van de belastingdienst.
3.3
Voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek wordt tevens een huishouden met extra zorgkosten onderzocht, namelijk een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd). Om de begroting voor dit huishouden op te maken, moet een zogenoemd zorgprofiel worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. Het profiel is opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(in)3, en ziet er als volgt uit: Hartklachten Bril Gehoorapparaat Rollator 3 uur huishoudelijke verzorging per week 14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening Gebruik belbus/collectief vervoer Personenalarmering Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt Lichte vorm van incontinentie Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de alleenstaande oudere met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen:
De huishoudelijke hulp is in de Drechtsteden een maatwerkvoorziening. Voor de maatwerkvoorziening geldt een eigen bijdrage via het CAK. De eigen bijdrage bedraagt maximaal 19 euro per maand. Voor paren onder de AOW-leeftijd geldt er geen eigen bijdrage. In de Drechtsteden wordt de eigen bijdrage vergoed via de collectieve zorgverzekering. Indien er geen collectieve verzekering is afgesloten kunnen deze kosten via de bijzondere bijstand worden vergoed. De eigen bijdrage geldt voor alle maatwerkvoorzieningen samen. In de begrotingen tot 150 procent worden deze kosten vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering.
____________________
De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij.