Bijlage 1 - Regelset en Artikelsgewijze toelichting - OP 1.0.pdf
Tekst van het document
Artikel 11.65 Voorafgaand grondwateronderzoek
42
1.
Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als onderzocht is of sprake is van een verontreiniging van het grondwater zoals bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening.
2.
Aan het eerste lid wordt voldaan door: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijk verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 11.66 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit 1.
Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is uitsluitend toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.4.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld inartikel 11.65, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zakof drijflaag; of b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.
3.
Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; of b. een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 11.67 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging 1.
Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; of b. een grondwatersanering, zoals bepaald in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft vanuit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit.
2.
Het eerste lid, aanhef onder b, is niet van toepassing indien sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.
Artikel 11.68 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning en informatieplicht bouwen van een grondwatergevoelig gebouw
43
1.
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 11.65, verstrekt.
2.
De resultaten van het voorafgaand onderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.
3.
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt ook een afschrift verstrekt van de volgende gegevens en bescheiden: a. indien sprake is van een verontreiniging van grondwater: 1°. een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; 2°. de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek bedoeld in het eerste lid; 3°. de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft verricht; 4°. een onderbouwing van de daarbij toegepaste methode(n), bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; en 5°. de uitkomst van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; b. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak bedoeld in artikel 11.67, eerste lid, wordt verricht; en c. indien sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.
Artikel 11.69 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw De omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' wordt alleen verleend als aannemelijk is gemaakt dat sanerende maatregelen als bedoeld in artikel 11.67 worden getroffen.
Artikel 11.70 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Artikel 11.71 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw 1.
Een melding bevat: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. het voorafgaand onderzoek, zoals bedoeld in artikel 11.65; e. als er sprake is van verontreiniging van grondwater; een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten zijn verstrekt; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 11.67 wordt verricht; en g. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt verricht.
2.
Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.
Artikel 11.72 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, wordt een grondwatergevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 11.67, zijn getroffen, of als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.
Afdeling 11.2 Geluid Paragraaf 11.2.1 Industrielawaai [Gereserveerd]
Paragraaf 11.2.2 Milieubelastende activiteiten [Gereserveerd]
Paragraaf 11.2.3 Railverkeerlawaai [Gereserveerd]
Paragraaf 11.2.4 Scheepsverkeerlawaai [Gereserveerd]
Paragraaf 11.2.5 Wegverkeerlawaai
44
[Gereserveerd]
Afdeling 11.3 Omgevingsveiligheid Paragraaf 11.3.1 Buisleidingen [Gereserveerd]
Paragraaf 11.3.2 Inrichtingen [Gereserveerd]
Paragraaf 11.3.3 Spoor [Gereserveerd]
Paragraaf 11.3.4 Water [Gereserveerd]
Paragraaf 11.3.5 Wegen [Gereserveerd]
Afdeling 11.4 Milieu overig Paragraaf 11.4.1 Geurhinder [Gereserveerd]
Paragraaf 11.4.2 Lichthinder [Gereserveerd]
Paragraaf 11.4.3 Luchtkwaliteit [Gereserveerd]
Paragraaf 11.4.4 Trillingen [Gereserveerd]
Paragraaf 11.4.5 Windhinder [Gereserveerd]
Paragraaf 11.4.6 Magneetveldzone [Gereserveerd]
Hoofdstuk 12 Gezondheid Afdeling 12.1 Speelplekken aanleggen, bouwen, in stand houden of gebruiken [Gereserveerd]
Afdeling 12.2 Hittestress [Gereserveerd]
Hoofdstuk 13 Energietransitie Afdeling 13.1 Aansluitplicht warmtenet [Gereserveerd]
45
Afdeling 13.2 Afsluitplicht gas [Gereserveerd]
Hoofdstuk 14 Water Afdeling 14.1 Waterberging Paragraaf 14.1.1 Bouwactiviteiten in beperkingengebied Waterbergingsgebied Artikel 14.1 Toepassingsbereik - [gereserveerd] Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen van bouwwerken' binnen de locatie 'beperkingengebied waterbergingsgebied'.
Artikel 14.2 Algemene regels - [gereserveerd] Het bouwen van bouwwerken binnen het beperkingsgebied waterbergingsgebied is alleen toegestaan als het gaat om bouwwerken ten dienste van waterzuivering en waterberging.
Artikel 14.3 Aanwijzing vergunningplicht - [gereserveerd] Het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken, anders dat bouwwerken ten dienste van waterzuivering en waterberging, te bouwen binnen de locatie 'beperkingengebied waterbergingsgebied'.
Artikel 14.4 Beoordelingsregels - [gereserveerd] Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14.3 , wordt verleend als: a. wordt voldaan aan de regels voor bouwactiviteiten, bedoeld in hoofdstuk 6; b. door de bouwactiviteiten de waterbergingsfunctie niet wordt aangetast.
Paragraaf 14.1.2 Bouwactiviteiten in beperkingengebied waterkering Artikel 14.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen van bouwwerken' binnen de locatie 'beperkingengebied waterkering'.
Artikel 14.6 Algemene regels 1.
Het bouwen van bouwwerken binnen de locatie 'beperkingengebied waterkering' is alleen toegestaan als het gaat om bouwwerken ten dienste van het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering.
2.
De bouwhoogte van bouwwerken, bedoeld in het eerste lid, niet meer dan 10 meter bedraagt.
Artikel 14.7 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken, anders dat bouwwerken ten dienste van het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, te bouwen binnen de locatie 'beperkingengebied waterkering'.
Artikel 14.8 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14.7, wordt verleend als: a. wordt voldaan aan de regels voor bouwactiviteiten, bedoeld in hoofdstuk 6; b. door de bouwactiviteiten de waterkerende functie niet wordt aangetast.
Afdeling 14.2 Droogte [Gereserveerd]
Afdeling 14.3 Overstromingen Paragraaf 14.3.1 Beperkingengebied waterkeringen
46
[Gereserveerd]
Afdeling 14.4 Waterkwaliteit [Gereserveerd]
Afdeling 14.5 Grondwater lozen [Gereserveerd]
Afdeling 14.6 Watergang dempen [Gereserveerd]
Hoofdstuk 15 Natuur Afdeling 15.1 Biodiversiteit Paragraaf 15.1.1 Beperkingengebied natuurnetwerk Nederland [Gereserveerd]
Afdeling 15.2 Bomen kappen Artikel 15.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Kappen van bomen en vellen van houtopstanden'.
Artikel 15.2 Verbod Het is verboden: a. om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de activiteit 'Kappen van bomen en vellen van houtopstanden' uit te voeren of uit te laten voeren voor: 1°. bomen die vermeld zijn op de lijst Bijzonder waardevolle bomen; 2°. bomen of houtopstanden die geplant zijn op basis van een herplantplicht als bedoeld in artikel 15.8, in het geval dat die herplantplicht minder dan 12 jaar geleden is opgelegd; 3°. bomen in publiek eigendom met een stamomtrek van minimaal 0,40 meter; en 4°. bomen in particulier eigendom met een stamomtrek van minimaal 1 meter. b. om bomen of houtopstanden die publiek eigendom zijn: 1°. te bekladden of te beplakken of ernstig te beschadigen; en 2°. te snoeien, behalve als het gaat om boomverzorgende taken die door de publiek rechthebbenden zijn opgedragen. c. om zonder schriftelijke toestemming of opdracht van het college van burgemeester en wethouders één of meer voorwerpen aan gemeentelijke bomen aan te brengen of op een andere manier te bevestigen.
Artikel 15.3 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 15.2 geldt niet voor: a. bomen of houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd als bedoeld in artikel 11.111, lid 2, sub c tot en met sub f van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bomen die moeten worden gekapt of houtopstanden die moeten worden geveld volgens de Plantgezondheidswet; c. bomen die moeten worden gekapt of houtopstanden die moeten worden geveld volgens een aanschrijving van het college; d. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; e. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; f. een velling die alleen bedoeld is als verzorgingsmaatregel, tot het dunnen van de houtopstand, met het doel bevordering van groei van overblijvende houtopstand; en g. het snoeien - anders dan kandelaberen - van bomen met achterstallig onderhoud waarbij meer dan 20% moet worden gesnoeid, door of op aanwijzen van een bomendeskundige.
47
Artikel 15.4 Beoordelingsregels 1.
Een vergunning als bedoeld in artikel 15.2 kan in ieder geval worden geweigerd als het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende waarden van behoud van de boom of houtopstand: a. natuurwaarden; b. waarden voor het milieu; c. landschappelijke waarden; d. cultuurhistorische waarden; e. waarden voor recreatie en leefbaarheid; f. dendrologische waarde.
2.
Bij de belangenafweging als bedoeld in het eerste lid kan de levensverwachting van de boom of houtopstand meegewogen worden.
3.
Een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of houtopstand die is opgenomen op de lijst van Bijzonder waardevolle bomen als bedoeld in artikel 15.2, onder 1 wordt in principe niet verleend, behalve als sprake is van: a. een gecertificeerde bomendeskundige die beoordeelt dat instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade; of b. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de bijzonder waardevolle boom, en alternatieven om de boom te behouden uitvoerig zijn onderzocht en zijn afgevallen.
4.
In beginsel wordt geen vergunning als bedoeld in artikel 15.2 verleend als het kappen of vellen strijdig is met de Omgevingswet of andere regelgeving over natuurbescherming.
Artikel 15.5 Voorschriften
48
1.
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15.2 kunnen door het college van burgemeester en wethouders voorschriften verbonden worden.
2.
Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren: a. het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en b. volgens de door het college van burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.
3.
In de voorschriften als bedoeld in het tweede lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke manier herplantbomen die slecht groeien, ziek of dood zijn, moeten worden vervangen.
4.
Degene aan wie de herplantplicht is opgelegd of zijn rechtsopvolger is na het uitvoeren van de herplant verplicht om die herplant aan het college van burgemeester en wethouders te melden. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald hoe en binnen welke termijn die melding dient plaats te vinden.
5.
Als niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan een vergunning tot vellen het voorschrift toegevoegd worden dat een geldbedrag gestort dient te worden in het gemeentelijke herplantfonds.
6.
Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 15.2 te verbinden voorschriften, kan het voorschrift behoren: a. dat pas met het kappen van de boom of het vellen van de houtopstand bij bouw- en aanlegactiviteiten of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie werkzaamheden mag worden gestart nadat andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn; en b. de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.
7.
Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 15.2 te verbinden voorschriften kunnen behoren: a. aanwijzingen ter bescherming van nabijgelegen bomen en/of struiken; en b. voorschriften ter bescherming van flora en fauna die in en rond de te vellen bomen aanwezig zijn.
Artikel 15.6 Intrekking of wijziging Het college van burgemeester en wethouders kan na verlening een omgevingsvergunning intrekken of wijzigen: a. in het geval dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt om de ontheffing of vergunning te verkrijgen; of b. als dit door veranderde inzichten of omstandigheden na verlening van de omgevingsvergunning noodzakelijk is.
Artikel 15.7 Beperking geldigheidsduur 1.
Als van de vergunning tot vellen, als bedoeld in artikel 15.2 geen gebruik is gemaakt, vervalt de vergunning van rechtswege twee jaar na datum van inwerkingtreding van het besluit.
2.
Het eerste lid geldt niet als het college van burgemeester en wethouders schriftelijk een langere termijn heeft toegestaan omdat het college van burgemeester en wethouders een langere uitvoeringstermijn van een project hebben voorzien.
3.
Als sprake is van een vergunningsvoorschrift als bedoeld in artikel 15.5 zesde lid, sub a en sub b, start de termijn van twee jaar na datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, vanaf de dag waarop de andere vergunningen of ruimtelijke ordeningsprocedures die in het voorschrift worden genoemd onherroepelijk zijn geworden, of de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.
Artikel 15.8 Herplant-/instandhoudingsplicht 1.
Als de activiteit 'Kappen van bomen en vellen van houtopstanden' in strijd met artikel 15.2 uitgevoerd is, of een boom of houtopstand op een andere manier verloren zijn gegaan: a. legt het college van burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop de boom of houtopstand zich bevond(en) of aan een andere (rechts)persoon die voorzieningen mag treffen: 1°. de verplichting op om te herplanten; 2°. volgens de door hen te geven aanwijzingen; 3°. binnen een door hen te stellen termijn; en b. legt het college van burgemeester en wethouders naast de fysieke herplantplicht een storting in het gemeentelijke herplantfonds op.
2.
Bij het opleggen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, kan daarbij ook worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke manier herplantbomen die slecht groeien, ziek of dood zijn moeten worden vervangen.
3.
Degene aan wie de herplantplicht is opgelegd of zijn rechtsopvolger is na het uitvoeren van de herplant verplicht om die herplant aan het college van burgemeester en wethouders te melden. In de verplichting als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald hoe en binnen welke termijn die melding, zoals bedoeld in lid 3, moet plaatsvinden.
4.
Als een boom of houtopstand, die volgens artikel 15.2, sub a vergunningplichtig is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, om welke reden dan ook, waaronder door bouw- en aanlegwerken, dan kan het college van burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop de boom of houtopstand staan of aan een andere (rechts)persoon die voorzieningen mag treffen: a. de verplichting opleggen om voorzieningen te treffen waardoor de bedreiging wordt weggenomen; b. volgens de door hen te geven aanwijzingen, gericht op het wegnemen van de bedreiging; c. binnen een door hen te stellen termijn, gericht op het wegnemen van de bedreiging; en d. een bomeneffectanalyse (BEA) te maken en aan te bieden aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 15.9 Bestrijding van boomziekten 1.
49
Als het college van burgemeester en wethouders beoordeelt dat een boom of houtopstand gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders zoals insecten, is degene die over de boom of houtopstand kan beschikken, als hij hierover door het college is aangeschreven, verplicht om binnen de termijn zoals vastgesteld in de aanschrijving: a. de boom te kappen of de houtopstand te vellen; en
b.
volgens de richtlijnen uit de aanschrijving en binnen de door de gemeente gestelde termijn de gekapte boom of gevelde houtopstand op een die manier te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.
2.
Het niet voldoen aan de aanschrijving als bedoeld in het eerste lid leidt tot het toepassen van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden door of namens de gemeente kunnen worden verricht, voor risico en voor rekening van degene die is aangeschreven.
3.
Het is verboden om gekapte bomen of gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren als er een wezenlijke kans bestaat dat deze bomen of delen daarvan een boomziekte verspreiden.
4.
Het derde lid geldt niet voor de afvoer van de bomen of delen daarvan direct na de kap.
Artikel 15.10 Strafbepaling Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 15.5 is gegeven, of aan wie een verplichting is opgelegd zoals bedoeld in artikel 15.8 of artikel 15.9, eerste lid, en diens rechtsopvolger, moet naar dat voorschrift of die verplichting handelen.
Artikel 15.11 Toezicht Door de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering, en daartoe door het college aangewezen personen wordt erop toegezien dat de regels in deze afdeling 15.2 worden nageleefd.
Artikel 15.12 Bijzonder waardevolle bomen 1.
Het college van burgemeester en wethouders stelt de lijst van bijzonder waardevolle bomen vast: a. de lijst met bijbehorende kaart wordt, zo nodig, iedere 4 jaar herzien en vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders; b. de lijst bevat in ieder geval de lokale bijzonder waardevolle bomen; c. de lijst bevat in ieder geval de bomen die voorkomen in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de landelijke Bomenstichting; d. de lijst geeft aan om welke boomsoort het gaat; en e. de lijst geeft aan op welke locatie de boom staat.
2.
De gemeente geeft eigenaren van bijzonder waardevolle bomen de mogelijkheid om eens in de 5 jaar het onderhoud van de bomen, gericht op gezondheid, veiligheid en een zo hoog mogelijke levensverwachting van de boom, op kosten van de gemeente uit te laten voeren.
3.
De eigenaar van een bijzonder waardevolle boom is verplicht het college van burgemeester en wethouders onmiddellijk schriftelijk te informeren: a. als sprake is van het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een bijzonder waardevolle boom, anders dan door het kappen op grond van een verleende vergunning; en b. als sprake is van een dreiging dat de bijzonder waardevolle boom geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.
Afdeling 15.3 Groen verwijderen [Gereserveerd]
Afdeling 15.4 Stikstofuitstoot [Gereserveerd]
Hoofdstuk 16 Gereserveerd [Gereserveerd]
Hoofdstuk 17 Gereserveerd [Gereserveerd]
Hoofdstuk 18 Gereserveerd [Gereserveerd]
50
Hoofdstuk 19 Gereserveerd [Gereserveerd]
Hoofdstuk 20 Gereserveerd [Gereserveerd]
Hoofdstuk 21 Gereserveerd [Gereserveerd]
Hoofdstuk 22 Bruidsschat Afdeling 22.1 Algemeen Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3-, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.
51
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6 [vervallen] [Vervallen]
Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand 1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.
52
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
53
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte 1.
54
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
55
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1°. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2°. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3°. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse
Omschrijving
Verpakkingsgroep
Toegestane maximum hoeveelheid
2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas
Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)
n.v.t.
50 kg
3
Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton
II
25 liter
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C
Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten
III
50 liter
4.1, 4.2, 4.3
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide
II en III
50 kg
5.1
Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide
II en III
50 liter
5.2
Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide
n.v.t.
1 liter
1
1
Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
56
Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek 1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24 Meetbepalingen 1.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. op de grond staand; 2°. gelegen in achtererfgebied;
57
b.
c.
d.
e. f.
g.
h. i.
3°. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4°. niet hoger dan 5 m; 5°. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6°. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. op de grond staand; 2°. niet hoger dan 5 m; en 3°. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; 2°. voorzien van een plat dak; 3°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. niet hoger dan 4 m; en 2°.
alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3°. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1°. een silo; of 2°. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2°. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3°. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
58
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie- aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. VERVALLEN
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
VERVALLEN
2.
VERVALLEN
3.
VERVALLEN
Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit [Vervallen]
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
59
1.
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. c.
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1°. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2°. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3°. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4°. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5°. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g.
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1°. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2°. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3°. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
60
j. k.
4°. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; VERVALLEN overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i. 5 m; ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw; 2°. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii.
functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 3°. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4°. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.