CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Regelset en Artikelsgewijze toelichting - OP 1.0.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 14 oktober 2025, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 11: FYS – Omgevingsplanwijziging – OP 1.0 – Definitieve vaststelling46.967 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Afdeling 6.3 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen, in stand houden of gebruiken Paragraaf 6.3.1 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk voor wonen Artikel 6.49 Toepassingsbereik

22

1.

Deze paragraaf is bedoeld voor de activiteit 'Wonen' als bedoeld in artikel 6.40 en gaat over de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk'.

2.

Deze paragraaf is niet bedoeld voor de activiteiten als bedoeld in artikel 6.31, sub a tot en met sub l en gaat daarom niet over de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk' als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk anders dan een bijbehorend bouwwerk bij alleen de activiteit 'Wonen'.

Artikel 6.50 Algemene regels bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk Het bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan in het achtererfgebied; b. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan minimaal 1 meter achter de voorgevellijn; c. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan minimaal 1 meter achter de zijerfgrens als deze aan de openbare weg ligt; d. de goothoogte van op de grond staande bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 3 meter; e. de bouwhoogte van op de grond staande bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 5 meter; f. de diepte van op de grond staande aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de achterzijde van het hoofdgebouw is niet meer dan 4 meter; g. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt: 1°. bij een bebouwingsgebied van 100 m2 of minder: niet meer dan 50% van dat bebouwingsgebied; 2°. bij een bebouwingsgebied tussen de 100 m2 en 300 m2: niet meer dan 50 m2 plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; of 3°. bij een bouwvlak van meer dan 300 m2: 90 m2 plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 tot niet meer dan 150 m2; en h.

de afstand tussen op de grond staande bijbehorende bouwwerken in de vorm van aanbouwen en in de vorm van bijgebouwen op het achtererf is niet minder dan 2 meter.

Artikel 6.51 Verbod bouwen van een op de grond staand bouwwerk - [gereserveerd] Het is, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.50, onder a, verboden om bijbehorende bouwwerken te bouwen binnen de locatie 'bijbehorend bouwwerk uitgesloten'.

Artikel 6.52 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen locatie bijgebouw - [gereserveerd] 1.

Bijbehorende bouwwerken mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.50, onder b, voor de voorgevellijn gebouwd worden op voorwaarde dat: a. het bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'bijgebouw 1' staat; b. de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 6 m2 bedraagt; c. de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal de bouwhoogte van de eerste bouwlaag bedraagt; en d. het bijbehorend bouwwerk een berging is.

2.

Bijbehorende bouwwerken mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.50, onder b, voor de voorgevellijn gebouwd worden op voorwaarde dat: a. de bijbehorende bouwwerken binnen de locatie 'bijgebouw 2' staan; b. de bijbehorende bouwwerken in de periode vóór 14 maart 2016 in de voortuin gebouwd zijn; c. het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken maximaal 40% van de oppervlakte van het gezamenlijk voorerf bedraagt, met een maximum van 25 m2; d. de bijbehorende bouwwerken op maximaal 2 meter afstand van de voorerfgrens worden gebouwd; e. achter de voorgevellijn maximaal 1 vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd; f. de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder e maximaal 6 m2 bedraagt; g. een aangebouwd bijbehorend bouwwerk achter de achtergevel van het hoofdgebouw mag worden gebouwd; h. de diepte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder g maximaal 2 meter bedraagt; en i. de afstand tussen de bijbehorende bouwwerken achter de voorgevellijn en de zijerfgrens minimaal 1 meter bedraagt.

Artikel 6.53 Afwijkende oppervlakte bijbehorende bouwwerken achter voorgevelrooilijn Maximaal 50% van de oppervlakte van gronden achter de voorgevellijn mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.50, onder g, bebouwd worden met bijbehorende bouwwerken.

Artikel 6.54 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk' te verrichten als dat bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de regels als bedoeld in artikel 6.50.

23

Artikel 6.55 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.54 kan worden verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk binnen het achtererfgebied wordt gebouwd; b. het bouwen niet leidt tot een onnodig nadelige verandering van: 1°. de bezonningssituatie op de aangrenzende erven; 2°. de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende erven; 3°. het woon- en leefklimaat; c. het maximaal toegestane bebouwd oppervlak niet overschreden wordt; en d. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.

Paragraaf 6.3.2 Dakkapel op een woning Artikel 6.56 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van een dakkapel die niet voldoet aan artikel 2.29, sub b van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 6.57 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen die niet voldoet aan de regels bedoeld in artikel 2.29, sub b van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 6.58 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.57, kan worden verleend als niet voldaan wordt aan de maatvoeringseisen zoals bepaald in artikel 2.29, sub b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, maar de afwijking naar het oordeel van bevoegd gezag aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig oogpunt en passend is in het straatbeeld.

Paragraaf 6.3.3 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk behorend bij een bedrijf Artikel 6.59 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is bedoeld voor de activiteit 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 6.31, sub a en gaat over de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk'.

2.

De paragraaf is niet bedoeld voor de activiteiten als bedoeld in artikel 6.31, sub b tot en met sub l en de activiteit 'Wonen' als bedoeld in artikel 6.40, en gaat daarom niet over de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk' als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk anders dan bij de activiteit 'Bedrijf'.

Artikel 6.60 Algemene regels Het bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan binnen de locatie 'bouwvlak'; b. de bouwhoogte van op de grond staande bijbehorend bouwwerken is niet meer dan 3 meter; c. bijbehorende bouwwerken staan: 1°. in de zij- of achtererfgrens, of 2°. minimaal 1 meter uit de zij- of achtererfgrens; en d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt: 1°. bij een bebouwingsgebied van 100 m2 of minder: niet meer dan 50% van dat bebouwingsgebied; 2°. bij een bebouwingsgebied tussen de 100 m2 en 300 m2: niet meer dan 50 m2 plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; of 3°. bij een bouwvlak van meer dan 300 m2: 90 m2 plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot niet meer dan 150 m2.

Artikel 6.61 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk' te verrichten als dat bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de regels als bedoeld in artikel 6.60.

24

Artikel 6.62 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.61 kan worden verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk binnen de locatie 'bouwvlak' wordt gebouwd; b. het bouwen niet leidt tot een onnodig nadelige verandering van: 1°. de bezonningssituatie op de aangrenzende erven; 2°. de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende erven; 3°. het woon- en leefklimaat; c. het maximaal toegestane bebouwd oppervlak niet overschreden wordt; en d. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.

Paragraaf 6.3.4 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk anders dan bij bedrijf en wonen Artikel 6.63 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk' voor: a. de activiteit 'Detailhandel'; b. de activiteit 'Dienstverlening'; c. de activiteit 'Groen'; d. de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 1' [gereserveerd]; e. de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 2'; f. de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 3'; g. de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 4'; h. de activiteit 'Horeca in horeca-categorie 5'; i. de activiteit 'Kantoor'; j. de activiteit 'Maatschappelijk'; k. de activiteit 'Sport' [gereserveerd]; l. de activiteit 'Wonen' in combinatie met een activiteit zoals bedoeld onder a tot en met k, alleen waar deze combinatie toegestaan is in hoofdstuk 5 .

2.

Deze paragraaf is niet bedoeld voor de activiteit 'Bedrijf' als bedoeld in artikel 6.31, sub a en de activiteit 'Wonen' als bedoeld in artikel 6.40, en gaat daarom niet over de activiteit 'Bouwen en instand houden van een bijbehorend bouwwerk' als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk bij de activiteit 'Bedrijf' of de activiteit 'Wonen' zonder combinatie met een andere functie als bedoeld in eerste lid, sub a tot en met k.

Artikel 6.64 Algemene regels Het bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan in het achtererfgebied; b. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan minimaal 1 meter achter de voorgevellijn; c. op de grond staande bijbehorende bouwwerken staan minimaal 1 meter achter de zijerfgrens als deze aan de openbare weg ligt; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt: 1°. bij een bebouwingsgebied van 100 m2 of meer: niet meer dan 50% van dat bebouwingsgebied; 2°. bij een bebouwingsgebied tussen de 100 m2 en 300 m2: niet meer dan 50 m2 plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; of 3°. bij een bouwvlak van meer dan 300 m2: 90 m2 plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot niet meer dan 150 m2; e. de goothoogte van op de grond staande bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 3 meter; f. de bouwhoogte van op de grond staande bijbehorende bouwwerken is niet meer dan 5 meter; g. de diepte van op de grond staande aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de achterzijde van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 4 meter; en h.

de afstand tussen op de grond staande bijbehorende bouwwerken in de vorm van aanbouwen en in de vorm van bijgebouwen op het achtererf is niet meer dan 2 meter.

Artikel 6.65 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk' te verrichten als dat bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de regels als bedoeld in artikel 6.64.

25

Artikel 6.66 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.65 kan worden verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk binnen het achtererfgebied wordt gebouwd; b. het bouwen niet leidt tot een onnodig nadelige verandering van: 1°. de bezonningssituatie op de aangrenzende erven; en 2°. de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende erven; 3°. het woon- en leefklimaat; c. het maximaal toegestane bebouwd oppervlak niet overschreden wordt; en d. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk maximaal 50 m2 bedraagt.

Paragraaf 6.3.5 Bouwen van erkers en serres Artikel 6.67 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een erker of serre aan de voorgevel van een hoofdgebouw' voor: a. de activiteit 'Detailhandel'; b. de activiteit 'Dienstverlening'; c. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 2'; d. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 3'; e. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 4'; f. de activiteit 'Horeca in horeca - categorie 5'; g. de activiteit 'Kantoor'; h. de activiteit 'Maatschappelijk'; i. de activiteit 'Wonen'.

Artikel 6.68 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'Bouwen en in stand houden van een erker of serre aan de voorgevel van een hoofdgebouw' te verrichten.

Artikel 6.69 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.68 wordt verleend als: a. een erker of serre voor de voorgevellijn maximaal 2 meter buiten de voorgevellijn staat; b. de breedte van de erker of serre maximaal twee-derde van de breedte van het hoofdgebouw is; c. de afstand tussen de voorste perceelsgrens en de erker of serre minimaal 2 meter is; d. een erker of serre alleen op de begane grondlaag gebouwd wordt; en e. naar het oordeel van bevoegd gezag aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig oogpunt en passend is in het straatbeeld.

Afdeling 6.4 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken Paragraaf 6.4.1 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken in de openbare ruimte Artikel 6.70 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het in de openbare ruimte uitvoeren van de activiteit 'Bouwen en in stand houden van andere bouwwerken'.

Artikel 6.71 Algemene regels Het bouwen van een ander bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de activiteit 'Verkeer' is maximaal 6 meter; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de activiteit 'Water' is maximaal 5 meter; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een luifel is maximaal 4 meter; d. de bouwhoogte van geluidschermen is maximaal 6,5 meter; e. de bouwhoogte van masten en palen is maximaal 10 meter; f. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor nutsvoorzieningen is maximaal 4 meter en de oppervlakte is maximaal 25 m2; g. de hoogte van speeltoestellen is maximaal 4 meter;

26

h. i.

de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet genoemd zijn in sub a tot en met g en binnen de locatie 'groen' liggen, is maximaal 6 meter; de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet genoemd zijn in sub a tot en met g is maximaal 3 meter.

Artikel 6.72 Uitzondering bouwwerken halte waterbus Binnen de locatie 'halte waterbus' zijn lichtmasten, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.71, sub a en b, met een hoogte van maximaal 10 meter zonder omgevingsvergunning toegestaan.

Paragraaf 6.4.2 Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken anders dan in de openbare ruimte Artikel 6.73 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het buiten de openbare ruimte uitvoeren van de activiteit 'Bouwen en in stand houden van andere bouwwerken'.

Artikel 6.74 Algemene regels ander bouwwerk Het bouwen van een ander bouwwerk mag zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd als wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. andere bouwwerken staan binnen of buiten het 'bouwvlak'; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van masten en palen is maximaal: 1°. 10 meter voor: i. de activiteit 'Bedrijf'; ii. de activiteit 'Detailhandel'; iii. de activiteit 'Dienstverlening'; iv. de activiteit 'Maatschappelijk'. 2°. 7 meter voor de activiteit 'Wonen'. d. een ander bouwwerk binnen de locatie 'specifieke bouwaanduiding - 1' is maximaal 5 meter hoog; e. andere bouwwerken dan bedoeld in sub a, sub b en sub c voor de activiteit 'Verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' zijn maximaal 6 meter hoog. f. de bouwhoogte van een luifel is maximaal: 1°. 6 meter binnen de locatie 'specifieke bouwaanduiding - luifel'; 2°. [gereserveerd voor andere specifieke bouwhoogten over luifels] g. de bouwhoogte van een ander bouwwerk dan bedoeld in sub a tot en met sub f is maximaal 3 meter hoog.

Artikel 6.75 Uitzondering erf- en terreinafscheiding bij bedrijf Erf- en terreinafscheidingen binnen en buiten het bouwvlak voor de activiteit 'Bedrijf' zijn, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.74, sub b met een hoogte van maximaal 3 meter zijn zonder omgevingsvergunning toegestaan.

Afdeling 6.5 Bouwwerk slopen Artikel 6.76 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de activiteit 'Slopen van een bouwwerk' binnen de locatie 'karakteristiek'.

Artikel 6.77 Verbod veranderen bouwwerk Het is verboden om binnen de locatie 'karakteristiek' de grondoppervlakte, de goothoogte, de bouwhoogte en de dakhelling van gebouwen te wijzigen.

Artikel 6.78 Vergunningplicht slopen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'Slopen van een bouwwerk' bebouwing binnen de locatie 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen.

Artikel 6.79 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 6.78 geldt niet voor:

27

a. b. c. d. e.

normale sloop- of onderhoudsactiviteiten die gericht zijn op de instandhouding van de bebouwing en daarvoor noodzakelijk zijn; werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het geval dat door burgemeester en wethouders is aangegeven dat voor die werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist; de activiteit 'Slopen van een bouwwerk' als voor die activiteit al een omgevingsvergunning is verleend; het beperken van de directe gevolgen van calamiteiten; en het terugbouwen van oorspronkelijke cultuurhistorische waarden van het bouwwerk.

Artikel 6.80 Beoordelingsregels De vergunning als bedoeld in artikel 6.78 kan alleen worden verleend als: a. de karakteristieke waarde van het bouwwerk zo min mogelijk wordt aangetast; of b. het niet redelijk is om een aanvraag van de vergunning te weigeren omdat het behouden van het karakteristieke bouwwerk tot onevenredig hoge kosten leidt.

Artikel 6.81 Vergunningvoorschriften Aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.78 kunnen door het college van burgemeester en wethouders voorwaarden verbonden worden.

Afdeling 6.6 Bouwwerk slopen in een gemeentelijk beschermd of rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht [Gereserveerd]

Hoofdstuk 7 Overige activiteiten met een direct effect op het openbaar toegankelijk gebied Afdeling 7.1 Roerende zaken opslaan [Gereserveerd]

Afdeling 7.2 Bouwobject plaatsen [Gereserveerd]

Afdeling 7.3 Terras aanbrengen Paragraaf 7.3.1 Terras aanbrengen [Gereserveerd]

Afdeling 7.4 Uitstallingen plaatsen [Gereserveerd]

Afdeling 7.5 Weg aanleggen of veranderen [Gereserveerd]

Afdeling 7.6 Parkeeractiviteit verrichten Paragraaf 7.6.1 Parkeren motorvoertuigen bij wijziging functies Artikel 7.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het parkeren of stallen van motorvoertuigen bij functies als bedoeld in hoofdstuk 5 of de activiteit 'bouwen van een bouwwerk' als bedoeld in artikel 6.2, onder a.

Artikel 7.2 Beoordelingsregels

28

1.

Als op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6 een omgevingsvergunning nodig is, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als in voldoende mate ruimte is aangebracht voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen.

2.

Of in voldoende mate ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen is aangebracht, toetst het bevoegd gezag aan de gemeentelijke parkeernormennota, zoals die geldt op het moment van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;

3.

In afwijking van het bepaalde in tweede lid kan worden afgeweken van de gemeentelijke parkeernormennota als deze vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig bezwarend zijn.

Paragraaf 7.6.2 Fietsparkeren bij wijziging functies Artikel 7.3 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het parkeren of stallen van fietsen bij functies als bedoeld in hoofdstuk 5 of de activiteit 'bouwen van een bouwwerk' als bedoeld in artikel 6.2, onder a.

Artikel 7.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1.

Als op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6 een omgevingsvergunning nodig is, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als in voldoende mate ruimte is aangebracht voor het parkeren of stallen van fietsen.

2.

Of in voldoende mate ruimte voor het parkeren of stallen van fietsen is aangebracht, toetst het bevoegd gezag aan de gemeentelijke parkeernormennota, zoals die geldt op het moment van de ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning.

3.

Bij het bepalen van de hoeveelheid ruimte voor parkeren of stallen van fietsen, als bedoeld in het tweede lid, geldt binnen de locatie 'centrum' dat de parkeerkencijfers behorend bij 'centrum en schil' en 'centrum' aangehouden moeten worden. - [gereserveerd]

4.

Bij het bepalen van de hoeveelheid ruimte voor parkeren of stallen van fietsen, als bedoeld in het tweede lid, geldt binnen de locatie 'rest bebouwde kom' dat de parkeer kencijfers behorend bij 'rest bebouwde kom', 'schil centrum', 'binnen de bebouwde kom' en 'rand bebouwde kom' aangehouden moeten worden. - [gereserveerd]

5.

In afwijking van het bepaalde in eerste lid kan worden afgeweken van de Fietsparkeerkencijfers als deze vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig bezwarend zijn.

Afdeling 7.7 Reclame maken [Gereserveerd]

Afdeling 7.8 Uitweg maken, hebben of veranderen of het gebruik daarvan veranderen [Gereserveerd]

Afdeling 7.9 Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken [Gereserveerd]

Hoofdstuk 8 Cultureel erfgoed Afdeling 8.1 Archeologisch waardevolle gebieden Paragraaf 8.1.1 Bouwactiviteiten in beperkingengebied Archeologie Artikel 8.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de activiteit 'Bouwen van bouwwerken' binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie'.

Artikel 8.2 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie'.

Artikel 8.3 Uitzondering op de vergunningplicht Het verbod, bedoeld in artikel 8.2, geldt binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie' niet voor het bouwen van bouwwerken: a. waarvan de oppervlakte niet meer is dan 100 m2; of

29

b.

waarbij de bodem niet dieper wordt verstoord dan 30 cm.

Artikel 8.4 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.2, wordt verleend als: a. uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de bouwactiviteiten niet leiden tot verstoring van archeologische waarden; of b. uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de bouwactiviteiten kunnen leiden tot verstoring van archeologische waarden, maar deze verstoring kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning één of meer van de vergunningvoorschriften, bedoeld in artikel 8.6 te verbinden.

Artikel 8.5 Specifieke indieningsvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.2, worden de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

Artikel 8.6 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.2, kunnen de volgende vergunningvoorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, zodat archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Paragraaf 8.1.2 Aanlegactiviteiten in beperkingengebied Archeologie Artikel 8.7 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie'.

Artikel 8.8 Aanwijzing vergunningplicht 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'diepwortelende beplanting of bomen plaatsen' te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie.

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'grondwerkzaamheden verrichten' uit te voeren binnen het beperkingengebied archeologie.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'dempen van een watergang of waterpartij' te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie.

4.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'graven of verbreden van een watergang of waterpartij' te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie.

5.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'ophogen van gronden' te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie.

6.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'aanleggen van verhardingen' te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie.

7.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'waterpeil wijzigen' te verrichten binnen het beperkingengebied archeologie.

Artikel 8.9 Uitzondering op de vergunningplicht De verboden, bedoeld in artikel 8.8, gelden binnen de locatie 'beperkingengebied archeologie' niet voor: a. activiteiten die normaal onderhoud en/of gebruik betreft; of b. activiteiten die uit oogpunt van bescherming van de archeologische waarde niet van ingrijpende betekenis zijn.

30

Artikel 8.10 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.8, wordt verleend als: a. uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de aanlegactiviteiten niet leiden tot verstoring van archeologische waarden; of b. uit het rapport van het archeologisch onderzoek blijkt dat de aanlegactiviteiten kunnen leiden tot verstoring van archeologische waarden, maar deze verstoring kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning één of meer van de vergunningvoorschriften, bedoeld in artikel 8.12 te verbinden; en c. door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij een archeologisch deskundige.

Artikel 8.11 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.8, worden de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

Artikel 8.12 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.8, kunnen de volgende vergunningvoorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, zodat archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Afdeling 8.2 Gemeentelijke monumenten [Gereserveerd]

Afdeling 8.3 Panden of gebieden met cultuurhistorische waarden [Gereserveerd]

Afdeling 8.4 Rijksbeschermde stadsgezichten [Gereserveerd]

Afdeling 8.5 Bouwwerk slopen in een beschermd dorps- of stadsgezicht [Gereserveerd]

Hoofdstuk 9 Evenementen Afdeling 9.1 Algemene regels evenementen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 10 Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur Afdeling 10.1 Algemene regels bovengrondse en ondergrondse infrastructuur [Gereserveerd]

Afdeling 10.2 Bovengrondse infrastructuur [Gereserveerd]

Afdeling 10.3 Ondergrondse infrastructuur [Gereserveerd]

31

Afdeling 10.4 Beperkingengebieden [Gereserveerd]

Hoofdstuk 11 Milieu Afdeling 11.1 Bodem Paragraaf 11.1.1 Algemene bepalingen bodem Artikel 11.1 Oogmerken bodem De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen; en e. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 met uitzondering van de beperking voor maatwerkvoorschriften ten aanzien van grondwatersanering zoals gesteld in artikel 11.42.

Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten Er is een locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' met daarbinnen 'bodemkwaliteitsklassen' en 'toepassingszones' voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem en voor het afwijken via een maatwerkvoorschrift van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: a. landbouw/natuur; b. wonen; en c. industrie.

Paragraaf 11.1.2 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Deze paragraaf gaat over de activiteit 'toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem'.

Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden thermisch gereinigde grond toe te passen.

Artikel 11.8 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt.

32

Artikel 11.9 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen grond of baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen en bijbehorende zones als bepaald in tabel 11.9.1. Tabel 11.9.1 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie

2.

Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

Alle zones

pH waarde is minimaal 5 en maximaal 9

Alle zones

Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride

Alle zones

Maximaal 920 mg/kg droge stof barium

Wonen

Maximaal 90 mg/kg droge stof lood

Volks-/Moestuin

Maximaal 50 mg/kg droge stof lood

Asbestgevoelige locatie

Maximaal 10 mg/kg droge stof asbest (gewogen gehalte)

Met het oog op het gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stof nikkel niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: Tabel 11.9.2 afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

Wonen

Maximaal 56 mg/kg droge stof nikkel

a. b. c.

voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; afkomstig is uit en toegepast wordt binnen de locatie 'bodembeheergebied grond en baggerspecie'; en voor de stof nikkel voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.9.2 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast

Artikel 11.10 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in aanvulling op artikel 4.1278, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen baggerspecie toegepast als deze voldoet aan de kwaliteitseisen als bepaald in tabel 11.10.1. Tabel 11.10.1 afwijkende kwaliteitseisen voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie

2.

Zones

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem)

Alle zones

Maximaal 200 mg/kg droge stof chloride

Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie wordt verspreid op een naastgelegen perceel of op percelen die reeds belast zijn met chloride in gehalten boven de kwaliteitseis. Dit dient middels een (water)bodemonderzoek of beheerplan te zijn aangetoond.

Artikel 11.11 GERESERVEERD [Gereserveerd]

33

Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond of baggerspecie toegepast met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur.

2.

Onder een wegberm buiten de bebouwde kom wordt verstaan: een strook grond langs een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet of langs een spoorweg, die buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt. Een afstand van 10 meter geldt daarbij als maximale bermbreedte, gemeten vanaf de verhardingskant.

Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: a. afkomstig is uit het 'bodembeheergebied grond en baggerspecie' en toegepast wordt op een bedrijventerreinen met een oppervlakte groter dan 2 hectare; en b. de grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen van de kwaliteitsklassen industrie, wonen of landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen is het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die voor de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonaten) en overige PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in afwijking van dat artikel toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie: Tabel 11.14.1 afwijkende kwaliteitseisen zone B Zones

Stof

Kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in mg/kg droge stof)

Landbouw/natuur

PFOA

0,0023

Landbouw/natuur

PFOS

0,0024

Moestuinen en Volkstuinen

PFOA

0,0023

Moestuinen en Volkstuinen

PFOS

0,0024

a. b. c.

voor de andere stoffen voldoet aan die kwaliteitseisen; afkomstig is uit en toegepast wordt binnen het gebied 'zone B PFAS zonekaart'; en voor de stoffen PFOA en PFOS voldoet aan de kwaliteitseisen in tabel 11.14.1 die gelden voor de zone waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 11.15 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie

34

1.

Voor zover de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart, wordt ook met een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat aan het eerste en tweede lid van artikel 4.1272 van dat besluit wordt voldaan.

2.

In aanvulling op het eerste lid wordt het verkennend bodemonderzoek: a. verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën voor (grootschalige) onverdachte locaties, bedoeld in NEN 5740; b. gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht; en c. niet gedaan naar de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 11.16 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie 1.

Artikel 4.1267, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet.

2.

In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook de volgende rapporten verstrekt: a. een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 11.15 als de milieuverklaring bodemkwaliteit bestaat uit een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart; b. een rapport van een bodemonderzoek als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een bodemonderzoek; en c. een rapport van een partijkeuring als de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in dat onderdeel, bestaat uit een verklaring op grond van een partijkeuring.

3.

In aanvulling op artikel 4.1267 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij de toepassing van grond of baggerspecie.

Paragraaf 11.1.3 Toepassen van bouwstoffen Artikel 11.17 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem'.

Artikel 11.18 Oogmerken toepassen van bouwstoffen De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan het milieu door het gebruik van bouwstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.123 van het Besluit activiteit leefomgeving, verboden AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken bestaan toe te passen.

Paragraaf 11.1.4 Opslaan van grond en baggerspecie Artikel 11.20 Toepassingsbereik opslaan van grond en baggerspecie Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie'.

Artikel 11.21 Oogmerken opslaan van grond en baggerspecie De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit, waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Artikel 11.22 Afscherming bij opslaan grond Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt.

Artikel 11.23 Maatwerkregel informatieplicht: beëindigen activiteit In aanvulling op artikel 5.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag de resultaten van het bodemonderzoek verstrekt in het bestandsformaat XML.

Paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem

35

Subparagraaf 11.1.5.1 Algemene bepalingen graven in de bodem Artikel 11.24 Oogmerken graven in de bodem De regels in paragraaf 11.1.5 Graven in de bodem zijn, in aanvulling op artikel 11.1 gesteld met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en doelmatig beheer van afvalstoffen waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Subparagraaf 11.1.5.2 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.25 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 11.26 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.27 Maatwerkregel bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond 1.

Bij het terugbrengen van grond op of nabij de locatie van uitname, bedoeld in artikel 4.1222a Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de grond binnen hetzelfde werk binnen 25 meter van de herkomstlocatie en onder dezelfde omstandigheden teruggebracht. Daarbij mogen er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit op de locatie waar de grond wordt teruggebracht verslechtert.

2.

In afwijking van het eerste lid kan grond binnen hetzelfde werk worden ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie als: a. de bodemkwaliteit van het gehele werkgebied bekend is via minimaal een verkennend bodemonderzoek; en b. de terug te brengen grond van vergelijkbare of betere kwaliteit is dan de kwaliteit van de terugbrenglocatie.

3.

Bij de toepassing van het tweede lid wordt rekening gehouden met humane en ecologische risico's en de toekomstige gebruiksfunctie van de locatie.

4.

Toepassing van het tweede en derde lid blijkt uit een grondstromenplan.

Artikel 11.28 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1.

Indien grond binnen hetzelfde werk wordt ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie, wordt, in aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook een verkennend bodemonderzoek en het grondstromenplan, bedoeld in artikel 11.27, verstrekt.

2.

Het verkennend bodemonderzoek wordt ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

3.

In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij het graven in de bodem.

Subparagraaf 11.1.5.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 11.29 Toepassingsbereik graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit', bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

36

Artikel 11.30 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.31 Maatwerkregel meldingsplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.32 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico's bij de het graven in de bodem.

Paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem Subparagraaf 11.1.6.1 Algemene bepalingen saneren van de bodem Artikel 11.33 Oogmerken saneren van de bodem De regels in paragraaf 11.1.6 Saneren van de bodem zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersysteem; b. het beschermen van het milieu waarbij een balans wordt nagestreefd tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu.

Subparagraaf 11.1.6.2 Regels voor saneren van de bodem Artikel 11.34 Toepassingsbereik saneren Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'saneren van de bodem'.

Artikel 11.35 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag 1.

Met het oog op het beschermen van het milieu kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde en vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een afdeklaag worden toegepast bestaande uit: a. een halfopen verharding als hieronder tenminste 10 cm grond van de kwaliteit landbouw/natuur aanwezig is en de grond in de halfopen verharding ook van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur is; b. een boomrooster; of c. een gelijkwaardige maatregel die hetzelfde doel bereikt.

2.

Voor een gelijkwaardige maatregel, bedoeld in het eerste lid onder c, is toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet niet vereist.

Artikel 11.36 Maatwerkregel saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem heeft, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte opgenomen in tabel 11.36.1 voor het betreffende bodemgebruik. Tabel 11.36.1 minimale dikte van de afdeklaag

37

Minimale dikte leeflaag (in cm)

Bodemgebruik

50

Industrie- en bedrijventerreinen, groenzones industrie- en bedrijventerrein, zonneparken en wegbermen

Artikel 11.37 Maatwerkregel saneringsaanpak: terugsaneerwaarden lood en PFOA bij verwijdering van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 11.55 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan de waarde opgenomen in tabel 11.37.1 voor de betreffende zone. Tabel 11.37.1 terugsaneerwaarden bij verwijderen van verontreiniging Zone en bodemfunctieklasse/ gebruiksfunctie

Waarden stof (in mg/kg droge stof voor standaard bodem)

Lood Moes- en volkstuinen

50

Wonen

90

PFOA zone B Landbouw/natuur

0,0023

Moes- en volkstuinen

0,0023

Wonen

0,007

Industrie

0,007

PFOA zone A Landbouw/natuur

0,0019

Moes- en volkstuinen

0,0019

Wonen

0,007

Industrie

0,007

Artikel 11.38 Maatwerkregel saneringsaanpak: uitdampen naar bodemgevoelig gebouw bij verwijderen van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het saneren van de bodem op een bodemgevoelige locatie met vluchtige stoffen in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 11.39 Maatwerkregel meldingsplicht saneren In aanvulling op artikel 4.1236, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.40 Maatwerkregel informatieplicht aan het begin van de activiteit saneren In aanvulling op artikel 4.1237 in het Besluit activiteiten leefomgeving worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit extra gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt in verband met de risico's bij het saneren van de bodem.

Subparagraaf 11.1.6.3 Regels voor grondwatersaneringen Artikel 11.41 Toepassingsbereik grondwatersaneringen Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de grondwaterbodem ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

38

Artikel 11.42 Maatwerkvoorschrift grondwaterverontreiniging Een maatwerkvoorschrift voor een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt alleen gesteld als deze saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 11.43 Maatwerkregel saneringsaanpak grondwaterverontreiniging 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving: de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast indien: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 11.44 Maatwerkregel informatieplicht bij begin van de grondwaterbodemactiviteit In aanvulling op artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ook een afschrift van de gegevens en bescheiden aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

Artikel 11.45 Maatwerkregel informatieplicht bij beëindiging van de grondwaterbodemactiviteit Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de sanering wordt een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan Gedeputeerde Staten verstrekt.

Paragraaf 11.1.7 Nazorg Artikel 11.46 Toepassingsbereik nazorg Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als: a. saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van: 1°. het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. dit omgevingsplan; 3°. een omgevingsvergunning; of 4°. een maatwerkvoorschrift; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

Artikel 11.47 Nazorg na afloop van saneren van de bodem Met het oog op het beschermen van de gezondheid, treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de aangebrachte afdeklaag.

Artikel 11.48 Nazorg tijdelijke beschermingsmaatregelen bij toevalsvondst Met het oog op het beschermen van de gezondheid, eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen binnen de locatie 'locaties nazorg Omgevingswet' de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van de tijdelijke beschermingsmaatregelen.

Paragraaf 11.1.8 Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

39

Artikel 11.49 Toepassingsbereik historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 11.50 Oogmerken historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 11.51 Mitigerende maatregelen historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 1.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.49 verricht, neemt in het belang van de bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

2.

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.49 verricht, neemt in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen maatregelen om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken, of als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 11.1.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw Artikel 11.52 Toepassingsbereik bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit 'het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie'.

2.

Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt; of b. een woonschip of woonwagen.

Artikel 11.53 Oogmerken bouwen van een bodemgevoelig gebouw De regels in deze paragraaf zijn, in aanvulling op artikel 11.1, gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 11.54 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.55 Waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie

40

1.

Voor de stoffen, bedoeld in bijlage XIIIa van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

2.

Er is sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

In afwijking van het tweede lid is het zinsdeel "in meer dan 25 m3 bodemvolume" niet van toepassing op de stof asbest.

4.

In afwijking van het eerste lid zijn voor lood de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1.

5.

In afwijking van het eerste lid zijn voor PFOA de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 11.55.1. Tabel 11.55.1 waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood en PFOA per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie (in de zin van de bodemfunctiekaart en bodemfunctieklassen)

Gebruiksfunctie Waarden (in mg/kg droge stof)

Lood Landbouw/natuur

370

Wonen

370

PFOA (perfluoroctaanzuur) Landbouw/natuur

0,030

Wonen

0,030

Industrie

0,030

Artikel 11.56 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locatie Het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een locatie waar sprake is van een overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is uitsluitend toegestaan als een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 11.57 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bodemonderzoek; en b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op een bodemgevoelige locatie 1.

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als het bevoegd gezag van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 11.59 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

41

Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

Artikel 11.60 Indieningsvereisten melding bouwen van een bodemgevoelig gebouw 1.

Een melding als bedoeld in artikel 11.59 bevat: a. de resultaten van een verkennend bodemonderzoek; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 11.55de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

3.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Artikel 11.61 Maatwerkvoorschriften meldingsplicht bouwen van een bodemgevoelig gebouw Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 11.59. artikel 11.58 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.62 Informatieplicht na het bouwen op een bodemgevoelige locatie Bij overschrijding van een waarde van de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte daarvan op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in artikel 11.56, zijn getroffen.

Paragraaf 11.1.10 Bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Artikel 11.63 Toepassingsbereik bouwen van een grondwatergevoelig gebouw 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie als bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening.

2.

Onder een significante verontreiniging van het grondwater wordt verstaan een significante verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 3.131 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 11.64 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie' uit te voeren, voor zover de activiteit 'gebouw bouwen', 'bijbehorend bouwwerk bouwen' of 'bouwactiviteit' als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/997/documents/12832