Bijlage 1 - Programmabegroting 2025.pdf
Tekst van het document
52
Paragrafen
53
Paragraaf Lokale heffingen en belastingen Inleiding In deze paragraaf geven we inzicht in de tarieven en tariefontwikkeling voor de lokale heffingen en belastingen. Lokale heffingen kunnen we onderscheiden in gebonden en ongebonden heffingen. Gebonden wil zeggen dat de besteding gerelateerd is aan een direct aanwijsbare tegenprestatie van de gemeente. Dit zijn retributies (bijvoorbeeld leges, marktgeld) of bestemmingsheffingen (bijvoorbeeld afvalstoffenheffing, rioolheffing). Deze heffingen worden verantwoord op de desbetreffende gemeentelijke programma’s en worden niet tot de algemene dekkingsmiddelen gerekend. Ongebonden lokale heffingen zijn zogenaamde zuivere belastingen. De opbrengsten hieruit kunnen door de gemeenteraad vrijelijk binnen het werkterrein van de gemeente worden ingezet. Het gaat hierbij om de onroerende-zaakbelastingen (OZB) en hondenbelasting Deze heffingen zijn niet verbonden aan een inhoudelijk programma en behoren tot de algemene dekkingsmiddelen. Deze paragraaf heeft betrekking op beide heffingen. In het vervolg gaan wij achtereenvolgens in op: - Ontwikkelingen en rijksbeleid - Overzicht opbrengst gemeentelijke heffingen - Heffingen woonlasten (lokale lastendruk) - Overige lokale heffingen - Kwijtscheldingen
Ontwikkelingen en rijksbeleid a. Rijksbeleid In het hoofdlijnenakkoord 2024-2028 Hoop, Lef en Trots is opgenomen dat de er afspraken gemaakt gaan worden om de woonlasten (OZB) te maximeren. Verder is er opgenomen dat er nadere afspraken gemaakt worden met gemeenten over een gemaximeerde planbatenheffing. Hoe dit in beide voorbeelden verder in de praktijk wordt gebracht is op dit moment nog niet duidelijk. b. Lokale ontwikkelingen Het ‘Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)’ schrijft voor dat inzichtelijk gemaakt moet worden hoe we er bij de berekening van tarieven van heffingen voor zorgen dat de geraamde baten de geraamde lasten niet overschrijden, welke beleidsuitgangspunten ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd. Wij hanteren de volgende uitgangspunten voor de kostendekkendheid: 1. overhead toerekenen op basis van personeelslasten; 2. één systematiek van toerekening van overhead; 3. maximaal 100% kostendekkendheid; 4. toegroeien naar maximaal 100% kostendekkenheid van de lijkbezorgingsrechten in het jaar 2025; 5. de kwijtschelding ten laste te brengen van de heffing.
Overzicht opbrengst gemeentelijke heffingen Alle hierna genoemde tarieven zijn ter informatie opgenomen en kunnen afwijken van de definitieve tarieven. De belastingverordeningen 2025 met de definitieve tarieven stelt de gemeenteraad in december 2024 vast. Onderstaande tabel geeft een overzicht, ingedeeld naar algemene dekkingsmiddelen en gebonden 54
heffingen, met de geraamde opbrengst voor 2025 en 2024, evenals de verantwoorde opbrengsten over 2023. Wij merken op dat de verschillen tussen 2025 ten opzichte van 2024 geen indicatie geven van de stijging of daling van de tarieven, maar van de totale opbrengst. Factoren zoals ontwikkelingen in de WOZ-waarde en areaaluitbreiding spelen hierbij een belangrijke rol.
In het begrotingsjaar is circa 16% van de inkomsten van de gemeente Sliedrecht afkomstig uit lokale heffingen. De lokale heffingen vormen daarom een belangrijke inkomstenbron voor de gemeente. Bij de opbrengst van de onroerende zaakbelasting niet-woningen is rekening gehouden met bij de begroting 2023 ingezette nieuwe beleid van het ondernemersfonds (zie paragraaf 4.1.2 van de paragraaf Lokale heffingen begroting 2023). Er is geen sprake van wijzigingen hierop, de uitgangspunten blijven hetzelfde.
Heffingen woonlasten (lokale lastendruk) Tot de lokale woonlasten worden gerekend de OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Deze heffingen bepalen het leeuwendeel van de gemeentelijke opbrengsten en bepalen daarmee ook grotendeels de lokale lastendruk. In onderstaande tabellen worden de ontwikkeling van gemiddelde WOZ-waarde (= de basis voor het berekenen van de OZB-aanslag) <van alle woningen samen en die van koopwoningen> en de woonlasten voor meerpersoonshuis¬houdens in euro’s weergegeven over de laatste vier jaren. Hier zijn voor de afvalstoffen- en de rioolheffing de gemiddelden opgenomen. De gemiddelde woonlast OZB is berekend door de gemiddelde WOZ-waarde te vermenigvuldigen met het geldende
55
tariefpercentage.
Bij de berekening van de woonlasten voor 2025 zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. Onroerende-zaakbelastingen + 2,8% inflatie +6% College werkprogramma Afvalstoffenheffing + 2,8%, Rioolheffing 0% De verhoging van de Onroerend -zaakbelasting en de Afvalstoffenheffing is overeenkomstig de kadernota 2025. De rioolheffing is overeenkomstig het raadsbesluit WRP, waarbij wel geldt dat de rioolheffing maximaal kostendekkend is. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de gemiddelde woonlasten in Sliedrecht in 2025 met 3,3% zullen stijgen ten opzichte van het jaar ervoor. Hieronder treft u per heffing een toelichting aan. Onroerende-zaakbelastingen (OZB) De onroerende-zaakbelastingen (OZB) genereren veruit het grootste deel van de gemeentelijke belastingopbrengst. De OZB bestaat uit drie verschillende belastingen: een eigenarenbelasting voor woningen en niet-woningen en een gebruikersbelasting voor niet-woningen. De opbrengst vloeit naar de algemene middelen van de gemeente. De raad bepaalt met het vaststellen van de begroting de totale opbrengst van deze heffing. Tot en met 2019 gold als enige restrictie voor de opbrengst OZB de macronorm. Deze is vervangen door de benchmark lokale lasten. Deze treft u verderop aan in de paragraaf. De heffingsgrondslag voor de OZB is de totale WOZ-waarde van de onroerende zaken, oftewel de WOZ-capaciteit.
Deze wordt vastgesteld volgens de regels van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor 2025 gelden de WOZ-waarden met als waardepeildatum 1 januari 2024. Door de geraamde opbrengst te delen door de WOZ-capaciteit ontstaat het tarief en daarmee het bedrag dat de belastingplichtigen moeten betalen. De OZB wordt berekend naar een percentage van de WOZ-waarde van de onroerende zaak. De WOZ-waardeontwikkeling van peildatum 1 januari 2023 naar 1 januari 2024 is voor woningen berekend op 8 % en voor niet-woningen op 2%. Rekening houdend met de gewenste (meer)opbrengst en de waardeontwikkeling leidt dit voor 2025 tot de volgende tarieven. Om de ontwikkeling van de tarieven te laten zien zijn ook de tarieven over eerdere jaren opgenomen.
56
Sliedrecht kent het gemeentebrede ondernemersfonds, dit wordt gefinancierd vanuit een opslag op de OZB-heffing voor niet-woningen. De opbrengst hiervan wordt via het Ondernemersfonds Sliedrecht besteed, derhalve is dit budgetneutraal opgenomen. Het aandeel voor het ondernemersfonds is ca 20% van de opbrengst/tarief van de OZB niet woningen. Afvalstoffenheffing Afvalstoffenheffing wordt geheven ter dekking van de kosten voor het inzamelen en verwerken van huishoudelijk afval. Wettelijk uitgangspunt is dat de opbrengst niet hoger mag zijn dan de kosten ter zake. De berekening van de kostendekkendheid vatten we aan het eind van de paragraaf samen in een overzicht. Bij de bepaling van de nieuwe tarieven hebben we rekening gehouden met de kostenontwikkeling van inzameling en verwerking van huisvuil. De tarieven afvalstoffenheffing zijn berekend op basis van de informatie die ten tijde van het opstellen van de begroting bekend was. De tarieven in deze begroting kunnen afwijken met de tarieven die later in de verordening reinigingsheffingen worden opgenomen. De afwijking zal dan worden toegelicht. De tarieven ontwikkelden zich de afgelopen jaren als volgt (x € 1):
Rioolheffing Met ingang van 2010 is het rioolrecht ex artikel 229 van de Gemeentewet vervangen door de rioolheffing ex artikel 228a van diezelfde wet. Dit is het gevolg van de inwerkingtreding van de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken. Hiermee hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om naast de kosten van zorgplicht voor het afvalwater ook de kosten van de zorg voor het hemel- en grondwater te verhalen via de rioolheffing. Wettelijk uitgangspunt is dat de opbrengst niet hoger mag zijn dan de kosten ter zake. Op welke manier dit bepaald word kent zijn grondslag in het WRP-2024-2028 die op 2 juli 2024 door het college is vastgesteld. De tarieven ontwikkelden zich de afgelopen jaren als volgt (x € 1):
Vergelijking andere gemeenten We vergelijken de woonlasten in Sliedrecht met die van andere Drechtstedengemeenten. De vergelijking is gebaseerd op de actuele gegevens van de Digitale Atlas van de lokale lasten 2024 op www.coelo.nl en betreft de woonlasten van meerpersoonshuishoudens (x € 1). Het betreft hier koopwoningen. De gemiddelde waarde voor alle woningen, waarvan in de tabel 'Woonlasten meerpersoonshuishouden' is uitgegaan, ligt lager
57
Benchmark lokale lasten Tot en met 2019 gold de zogenoemde 'macronorm'. Dit was een afspraak tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Rijksoverheid over de maximale stijging van de landelijke opbrengst onroerende-zaakbelastingen (OZB). Deze macronorm bepaalde de maximale jaarlijkse stijging van de ozb-opbrengsten van alle gemeenten samen en stamde uit 2007. In 2014 is uit onderzoek gebleken dat de macronorm geen effectief instrument is, omdat de norm niet heeft bijgedragen aan de gematigde lastenontwikkeling, daar de besluitvorming over tarieven in gemeenten in de eerste plaats geënt is op lokale afwegingen. Sinds die tijd is de vergelijking van de lokale lasten, OZB, afvalstoffen- en rioolheffing, tussen gemeenten volgens het Rijk beter mogelijk geworden. Onder meer door de jaarlijkse Atlas van de lokale lasten van het COELO en de wettelijke verplichting om in de gemeentebegroting de ontwikkelingen toe te lichten. Vanaf 2020 is de macronorm vervangen door de jaarlijkse benchmark, waarin naast de ozb ook de riool- en afvalstoffenheffing worden vergeleken. De benchmark beoogt door middel van meer vergelijking, de informatievoorziening over de ontwikkeling van de lokale lasten te bevorderen. De benchmark vergelijkt voor alle gemeenten binnen een provincie de hoogte van de woonlasten voor meerpersoonshuishoudens met een koopwoning.
De woonlasten zijn de som van de gemiddeld betaalde ozb, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing minus een eventuele heffingskorting. In de benchmark voor 2024, opgenomen in de Coelo atlas 2024 vanaf pagina 188, wordt een vergelijking van de gemeentelijke woonlasten en de gemeentelijke tariefontwikkeling per provincie gegeven, net als de landelijke en provinciale gemiddelden. Middels de (grafische) vergelijking voor Zuid-Holland op pagina 197 worden de onderlinge verschillen tussen gemeenten inzichtelijk gemaakt. Het overzicht vergelijkt binnen de provincie het cumulatief bedrag van de drie heffingen per gemeente, minus de tegemoetkoming in de woonlasten (heffingskorting) voor 2024 en de mutatie van de woonlasten per gemeente ten opzichte van 2023.
58
De figuren bieden de mogelijkheid om de gemeenten op verschillende punten te vergelijken. De positie op de x-as (hoe ver naar rechts staat de gemeente?) geeft informatie over de hoogte van de gemeentelijke woonlasten in vergelijking met die van de andere gemeenten in de provincie. De horizontale rode lijnen laten zien in hoeverre de gemeentelijke woonlasten en de mutatie afwijken van het gemiddelde in Nederland (doorgetrokken rode lijn) en de provincie (gestippelde rode lijn). Het gemiddelde voor Nederland bedraagt € 994 en voor Zuid-Holland is dit € 1.038. Het stijgingspercentage ten opzichte van 2023 bedraagt landelijk 6,1% en voor Zuid-Holland 6,4%. Verder kan de hoogte van de ozb, afvalstoffenheffing en rioolheffing worden vergeleken. Enkele gemeenten hanteren een korting op de totale aanslag (heffingskorting). De hoogte van de heffingskorting wordt weergegeven met een oranje balkje. Het bedrag van de heffingskorting is verrekend met de gemiddeld betaalde ozb, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing in de gemeente door het gekorte bedrag te delen door drie en dit in mindering te brengen op de drie betaalde bedragen. Naast de vergelijking per provincie wordt ook een overzicht op G40-G4niveau gepresenteerd.
59
In de beantwoording van kamervragen over de stijging van de gemeentelijke belastingen in 2021 door de voormalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Kajsa Ollongren is aangegeven dat evaluatie van de benchmark gepland staat voor 2025. Ook zal gekeken worden naar de relatie tussen de afschaffing van de macronorm en de ontwikkeling van de lokale woonlasten. In het hoofdlijnenakkoord van de nieuwe coalitie van PVV, VVD, NSC en BBB is opgenomen dat de stijging van de gemeentelijke woonlasten (OZB) wordt gemaximeerd via afspraken met gemeentes. Hoe eerdere afspraken over gemeentelijke heffingen hierin zullen worden meegenomen is op dit moment niet duidelijk.
Overige lokale heffingen Hondenbelasting De Gemeentewet regelt dat gemeenten een belasting mogen heffen op het houden van honden. De hondenbelasting is een zuivere belasting die, net als de onroerende-zaak-belastingen, naar de algemene middelen van de gemeente vloeit. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. Reinigingsrechten Voor het ophalen van afval bij niet-woningen (winkels, bedrijven, buurtcentra, etc.) kunnen gemeenten een reinigingsrecht heffen. Wettelijk uitgangspunt is dat de opbrengst niet hoger mag zijn dan de kosten ter zake. Gemeenten hebben niet de verplichting om afval bij bedrijven in te zamelen. Dit in tegenstelling tot het inzamelen van huishoudelijk afval bij woningen. Bedrijven dienen zelf zorg te dragen voor het afvoeren van het afval en kunnen hiervoor een contract aangaan met een erkende afvalinzamelaar. 60
Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. Reclamebelasting Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kunnen gemeenten ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg reclamebelasting heffen. De reclamebelasting is een algemene belasting. De reclamebelasting kan mede worden gezien als een profijtbelasting, wanneer zij geheven wordt naar de mate waarin particulieren en bedrijven profiteren van overheidsvoorzieningen die het doen van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, mogelijk maken. Zo is bijvoorbeeld vanuit de profijtgedachte een hoger tarief denkbaar in het (winkel)centrum van een gemeente, waar immers het meeste effect wordt verwacht van de openbare aankondigingen (reclame-uitingen). Ook kan regulering worden nagestreefd met deze heffing door deze bijvoorbeeld te beperken tot - of een hoger tarief te hanteren in - bepaalde wijken, teneinde wildgroei van openbare aankondigingen tegen te gaan. Verder kan de reclamebelasting zich kan beperken tot een deel van de gemeente, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Sliedrecht kent sinds 1 februari 2018 drie reclamebelastingen, namelijk Winkelgebied Burgemeester Winklerplein, Winkelgebied Kerkbuurt en Woonboulevard Sliedrecht. Deze zijn gekoppeld aan daartoe opgerichte ondernemersfondsen.
Het doel is om met deze ondernemersfondsen het ondernemers- en verblijfsklimaat en daarmee de duurzame economische vitaliteit van deze winkelgebieden te versterken. Havengeld Voor het gebruik van de gemeentelijke haven of andere openbare werken en voor het gebruik van alle binnen onze gemeente gelegen openbare wateren heft de gemeente havengeld. Het uitgangspunt daarbij is dat dit maximaal kostendekkend gebeurt. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. Lijkbezorgingsrechten Als gemeente heffen wij rechten voor het gebruik van de begraafplaats en voor het verlenen van gemeentelijke diensten in verband met de begraafplaats. Uitgangspunt is dat dit ten hoogste kostendekkend gebeurt. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. De tariefstijging is daarmee onvoldoende om de lijkbezorgingsrechten 100% kostendekkend te laten zijn. Bij de vaststelling van de belastingverordeningen zal er een voorstel gedaan worden om de tarieven komende 3 jaar 6% extra te laten stijgen ten opzichte van de stijging zoals opgenomen in de Kadernota 2025.
Leges Leges worden geheven voor door de gemeente verleende diensten. Het uitgangspunt voor de berekening van de kostendekkendheid is toetsing op verordeningenniveau, waarbij de geraamde lasten van alle genoemde activiteiten worden gedekt door de gezamenlijke baten uit de te heffen belastingen. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025. 61
Marktgeld Op grond van artikel 229 van de gemeentewet kunnen gemeenten marktgeld heffen. Uitgangspunt is dat dit ten hoogste kostendekkend gebeurt. Voor 2025 zijn de tarieven verhoogd met 2,8% zoals vastgesteld in de Kadernota 2025.
Kwijtscheldingen Als een belastingplichtige als gevolg van financiële omstandigheden niet in staat is een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend. De regels voor het toekennen worden bepaald door de rijksoverheid. Deze regels komen erop neer dat kwijtschelding mag worden verleend aan belastingplichtigen die een inkomen hebben dat niet hoger ligt dan 90% van de bijstandsnorm. Gemeenten mogen hier in die zin van afwijken, dat deze inkomensgrens wordt verruimd naar 100% van de bijstandsnorm. Onze gemeente hanteert de zogeheten 100%-norm, wat betekent dat inwoners met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel voor kwijtschelding in aanmerking komen. Tevens vindt een vermogenstoets plaats. Onlangs is de wettelijke vermogensnorm verhoogd. Ook hier geldt dat de gemeente de ruimste norm toepast. Een groot deel van de kwijtscheldingen wordt geautomatiseerd getoetst. Het doel hiervan is om zo de administratieve lasten voor de burger te verminderen. Gemeenten mogen zelf bepalen voor welke belastingen kwijtschelding wordt verleend.
Er kan kwijtschelding worden verleend voor: Sliedrecht • Onroerende-zaakbelastingen • Afvalstoffenheffing • Rioolheffing • Hondenbelasting (tot maximaal de helft van de verschuldigde belasting voor de eerste hond) Naar verwachting wordt in 2025 voor de volgende bedragen kwijtschelding verleend:
Kostendekkendheid Voor gemeentelijke heffingen geldt de wettelijke eis van maximaal kostendekkende tarieven. In de onderstaande tabel hebben we de kostendekking voor 2025 inzichtelijk gemaakt. In de begroting is uitgegaan van de reguliere tariefstijgingen van 2,8% zoals opgenomen in de kadernota. Hierdoor is inzichtelijk dat de lijkbezorgingsrechten en de legesverordening nog niet 100% kostendekkend zijn. Een verdere stijging naar 100% zal bezien worden bij de behandeling van de belasting- en legesverordeningen.
62
63
Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing Inleiding In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing wordt ingegaan op de bestaande risico's binnen de gemeente en het vermogen om deze risico's (financieel) op te vangen op het moment dat de risico's zich daadwerkelijk voordoen. De relevante kaders zijn vastgelegd in de nota Weerstandsvermogen en risicobeheersing (vastgesteld september 2020). In eerste instantie is dit verder aangescherpt met behulp van het amendement 'Algemene risicoreserve', zoals dat is aangenomen bij de behandeling van de Begroting 2021. Met het vaststellen van de Nota Reserves en Voorzieningen (juni 2023) is één-op-één verwerking van het amendement vervallen. De intentie van het amendement is verwerkt in de nota Reserves en Voorzieningen. De paragraaf is onderverdeeld in zes blokken:
Het risicoprofiel, hier wordt ingegaan op de bestaande risico's; De weerstandscapaciteit, hier wordt bepaald wat de ruimte is om risico's op te vangen; De ratio weerstandsvermogen, hier wordt beoordeeld in hoever de risico's in verhouding staan tot de weerstandscapaciteit; De financiële kengetallen, hier wordt bovenstaande in een breder (vanuit het BBV) verplicht perspectief geplaats; De bandbreedte, hier wordt het exploitatiesaldo in een bandbreedte geplaatst; De reserve Koers 2030, hier wordt inzicht gegeven in de opbouw de reserve.
Risicoprofiel Het risicoprofiel wordt bottom-up opgebouwd. Alle risico's met een ingeschatte impact van groter dan € 10.000 worden hierbij meegenomen. Per risico wordt vervolgens bepaald of het een incidenteel, of een structureel risico betreft. Een structureel risico wordt voor 2,5 jaar opgenomen in het risicoprofiel. Er is daarmee 2,5 jaar (gewogen) budget gereserveerd om voor een dergelijk risico een structurele oplossing te vinden. Dit is nodig omdat de weerstandscapaciteit niet structureel kan worden aangesproken. Naast risico's worden er soms ook kansen opgevoerd. Per risico wordt vervolgens bepaald hoe groot de kans van optreden is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vier klassen:
Dit levert vervolgens per risico een bedrag op. Met behulp van zeven risico gebieden zijn deze in onderstaande tabel weergegeven:
64
*De berekening van het weerstandsvermogen is een statische berekening. Dit heeft tot gevolg dat je de ontwikkeling moet volgen aan de hand van de behandeling van de P&C documenten in de tijd. De meest recente berekening was die bij de JR2023. Het laatste risicoprofiel van de gemeente Sliedrecht is vastgelegd in de jaarrekening 2023 welke door de raad op 25 september 2024 definitief is vastgesteld. In de jaarrekening 2023 bedroeg het totale risico € 10,7 miljoen. Het risicoprofiel in deze begroting is ingeschat op € 10,0 miljoen. Het totale risico is daarmee verlaagd met gedaald met € 0,7 miljoen. De daling wordt nagenoeg volledig veroorzaakt door het wegvallen van het top-5 risico Budget dG&J/SOJ. Enerzijds komt dat doordat het Rijk de structureel ingeboekte bezuiniging van € 0,5 miljard voor heel Nederland heeft teruggedraaid. Anderzijds zien we in Sliedrecht (in tegenstelling tot de regio) een stabilisatie van de kosten. In de plaats van dit risico is het rente risico in de top-5 terecht gekomen. Niet alleen omdat het Jeugd risico is weggevallen, maar ook omdat dit risico aanzienlijk groter is geworden. Tenslotte is één groot risico wat niet is gekwantificeerd, maar wat wel benoemd moet worden. Steeds vaker treffen we in Sliedrecht met PFAS vervuilde grond aan.
Wanneer je met deze grond aan het werk wilt ontstaan er vragen waarbij elk antwoord meer budget vraagt dan het gaan werken met schone grond. De vijf risico's met het hoogste risicobedrag (omvang risico x kans van optreden) worden nader toegelicht. Hiermee wordt 95% van het totale risicobedrag verklaard. 1. Herijking gemeentefonds / suppletie uitkering, € 3.296.000 (Overige risico's) De herijking van het gemeentefonds is doorgevoerd. Het effect wordt beperkt tot € 37,50 per inwoner met behulp van een zogenaamde suppletie uitkering binnen het gemeentefonds. De onderbouwing voor deze uitspraak is een politieke afspraak. Wanneer afspraken anders komen te liggen dan bestaat het risico dat de uitkering wegvalt. 2. Projecten, € 2.339.000 (Projectrisico's) Het succesvol uitvoeren van projecten gaat naast het realiseren van je inhoudelijke doelstellingen over het kunnen beheersen van je risico's. Het uitvoeren van projecten gaat inherent gepaard met risico's. Deze risico’s bestaan bijvoorbeeld uit:
Risico’s die verband houden met de aard van het plan, bijvoorbeeld de aannamen over noodzakelijke werkzaamheden in verband met voorbelasting;
65
Risico’s die verband houden met het tijdstip van realisatie van het plan: veel plannen schuiven door, in afwachting van betere tijden. Dit kan leiden tot hogere rentekosten en werken door in de waarde van het plan; Risico’s die verband houden met gehanteerde parameters, bijvoorbeeld indexering van prijzen en rentestanden.
3. Te betalen rente, € 2.063.000 (Dividend en renterisico's) De in de begroting opgenomen ambities kennen een groot liquiditeitsbeslag, er is veel geld nodig. Geld dat niet allemaal op de bank staat. De uiteindelijk te betalen rente is afhankelijk van twee factoren. Het tempo waarmee investeringen gerealiseerd worden en de stand van de rente. Beide factoren zijn verre van stabiel en resulteren bij elke nieuwe berekening weer in een nieuwe waarde. Wanneer de rente hoger uitvalt dan begroot (ruim 3,0%) en wanneer alle investeringen conform planning worden gerealiseerd dan ontstaan er meer rentekosten dan begroot. 4. Verbonden partijen, € 1.338.000 (Verbonden partijen) Er is sprake van een algemeen risico door deelname aan een gemeenschappelijke regeling. Negatieve exploitatieresultaten worden doorgelegd naar de eigenaren, de gemeenten. De totale bijdrage aan verbonden partijen bedraagt in 2025 naar verwachting € 57,1 miljoen. In het risico houden we rekening met een overschrijding van 2,5% van deze bijdrage. Dit komt bovenop het risico zoals genoemd onder 5. 5. Budget GR Sociaal, € 518.000 (Verbonden partijen) Er is sprake van een dubbele vergrijzing (er komen meer senioren en mensen worden gemiddeld ouder). Dit heeft een stijgende tendens in de kosten van GR Sociaal tot gevolg. Het inschatten van deze stijging is een complexe aangelegenheid door de grote hoeveelheid variabelen.
Er is daarom een risico opgenomen voor mogelijk hogere kosten dan begroot.
Weerstandscapaciteit De weerscapaciteit beschrijft het vermogen om de financiële effecten van risico's die zich voordoen op te vangen. De weerstandscapaciteit bestaat (conform de nota Weerstandsvermogen en risicobeheersing) uit het saldo van de algemene reserve, de reserve weerstandsvermogen, de niet beklemde bestemmingsreserves en de opgenomen post voor onvoorzien. Daarnaast wordt voor de weerstandscapaciteit in Sliedrecht 20% van de niet benutte belastingcapaciteit en 20% van de stille reserves gerekend. De resulteert in de onderstaande weerstandscapaciteit. Voor de JR2023 zijn twee vergelijkende standen opgenomen. De stand 31/12/23 betreft de één-op-één aansluiting met het boekwerk. De stand 01/01/24 betreft de stand zoals die resulteert na de besluitvorming over de resultaatbestemming 2023.
1. Algemene reserve De hier gehanteerde stand van de algemene reserve wijkt af van de gepresenteerde stand in de tabel onder Reserves en voorzieningen. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat het geraamde rekening resultaat 2024 in de tabel onder Reserves en voorzieningen niet is meegenomen, maar dat daar hier wel rekening mee is gehouden. Dit omdat dit een reëler beeld geeft van het beschikbare 66
weerstandsvermogen. Het daadwerkelijke resultaat 2024 is logischerwijs nog onbekend waardoor de uiteindelijke stand op 1 januari 2025 gaat afwijken. 2. Niet beklemde reserves Bij de besluitvorming bij de Nota Reserves en Voorzieningen zijn diverse reserves opgeheven. Dit heeft tot gevolg dat er slechts één niet beklemde reserve resteert, namelijk de reserve Herplantfonds. In 2024 wordt deze reserve voor een gedeelte ingezet. Er resteert in 2025 naar verwachting nog € 15.000. In de nota Reserves en Voorzieningen komt de term (niet) beklemde reserves niet meer terug. Dit omdat de term voor diverse uitleg vatbaar is. De algemene reserve is de enige zuivere "niet beklemde" reserve (er rust geen enkele claim op). Alle andere reserves bestaan voor een doel en zijn "beklemd" voor dat doel. In sommige gevallen zijn voor dit doel al harde verplichtingen aangegaan in andere gevallen nog niet en in die gevallen kan de raad nog andere afwegingen maken. Dit is ook het geval voor de reserve Herplantsfonds, we hebben afgesproken dat we deze middelen inzetten voor het planten van bomen, de reserve is daarvoor "beklemd" en het nog aanwezige bedrag wordt daarom niet meegeteld als weerstandsvermogen. 4. Onvoorzien Dit betreft het begrote bedrag onvoorzien in 2025. 5.
20% van de stille reserves Doordat bezittingen tegen historische kostprijs moeten worden opgenomen op de balans (voorschrift BBV) is er sprake van zogenaamde stille reserves. Het gevolg hiervan is dat eventuele waardeontwikkeling niet zichtbaar is (een eventuele daling wel, want die moet direct worden afgeboekt). Een voorbeeld waarbij dit duidelijk werd is de verkoop van Eneco. Strikt gezien werd de gemeente hiervan niet rijker. Iets wat eigendom was van de gemeente (met de bijbehorende waarde) werd omgezet in geld. We onderkennen een tweetal stille reserves allereerst in het vastgoed bezit (€ 1,3 miljoen) en ten tweede in het aandelen bezit (€ 0,5 miljoen). Samen resulteren deze stille reserves in een weerstandscapaciteit van € 1,8 miljoen.
Stille reserve vastgoed
Op vastgoed is een verschil te maken tussen vastgoed waarvoor een, wat de omvang betreft, redelijke markt is zoals voor woningen en kantoren, en vastgoed waarvoor een beperkte markt is zoals voor zwembaden en sportvoorzieningen. Voor de inschatting van de stille reserve vastgoed kan een vergelijking gemaakt worden van de WOZ-waarde en de boekwaarde. Hierbij is de WOZ waarde voor het vastgoed waarvoor een beperkte markt is, uit voorzichtigheidsprincipe uitgegaan van een executiewaarde van 70% van de WOZ-waarde. Uit deze vergelijking rolt een stille reserve van € 6,7 miljoen, waarvan 20% is opgenomen in de weerstandscapaciteit (€ 1,3 miljoen).
Stille reserve aandelen
De gemeente bezit aandelen van de Bank Nederlandse Gemeenten, ROM-D, Oasen en Stedin. De aandelen BNG kennen volgens het jaarverslag 2023 van de BNG een waarde van afgerond € 79,22 per aandeel. Uitgaande van deze waarde bestaat een stille reserve in de aandelen BNG van afgerond € 2,4 miljoen, waarvan € 0,5 miljoen is opgenomen in de weerstandscapaciteit. 6. 20% van de onbenutte belastingcapaciteit De wijze waarop het gemoeide bedrag van de onbenutte belastingcapaciteit moet worden bepaald is beschreven in de regelgeving omtrent een eventuele artikel 12 status van een gemeente. Om hiervoor in aanmerking te komen moet de OZB-opbrengst eerst worden verhoogd tot 120% van het landelijk gemiddelde. Het bepalen van de onbenutte belastingcapaciteit betreft een complexe berekening welke voor Sliedrecht resulteert in een bedrag van € 2,6 miljoen. Dit resulteert in een weerstandscapaciteit van € 0,5 miljoen.
67
Ratio weerstandsvermogen Om te bepalen hoe de verhouding is tussen de benodigde weerstandscapaciteit en de beschikbare weerstandscapaciteit gebruik je de ratio voor het weerstandsvermogen (weerstandsratio). De weerstandsratio bereken je door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de benodigde weerstandscapaciteit. Als streefwaarde het weerstandsvermogen streeft Sliedrecht een ratio van minimaal 1,0 na. Daarmee is voldoende dekking voor het totale risicoprofiel aanwezig en wordt niet onnodig beslag gelegd op middelen die ten behoeve van de beleidsdoelstellingen kunnen worden ingezet. De berekening van de ratio weerstandsvermogen ziet er als volgt uit:
De ratio is ten opzichte van de Jaarrekening 2023 marginaal verbetert, zowel het totale risico als het totale weerstandsvermogen is gedaald. De bepaling van de weerstandsratio is per definitie gebonden aan een moment in de tijd. Het is daarom relevant om naast de stand op een moment beeld te hebben bij het verloop vanuit het verleden naar de toekomst. In onderstaande tabel brengen we dat in beeld:
De grafiek bevat veel lijnen waarbij de belangrijkste conclusie is:
De beschikbare weerstandscapaciteit (oranje lijn) ligt boven de benodigde weerstandscapaciteit (blauwe lijn) op basis van het risicoprofiel. Door het 'ravijn' vanaf 2026 68
draait dit om. De begrote tekorten moeten namelijk worden afgetrokken van de algemene reserve. Dit leidt er met de huidige tekorten vanaf de jaarschijf 2027 toe dat er te weinig weerstandsvermogen is. Mede om deze reden is gestart met het proces om te komen tot een sluitende meerjarenbegroting.
Financiële kengetallen In de P&C-documenten moet een gemeente verplicht ingaan op de financiële kengetallen. Deze kengetallen geven een beeld van de financiële situatie waarin een gemeente zich bevindt. Het betreft de volgende kengetallen: netto schuldquote, solvabiliteitsratio, grondexploitatie, structurele exploitatie ruimte en de gemeentelijke belastingcapaciteit. De netto schuldquote is de netto schuld als aandeel van de inkomsten. Het geeft aan of een gemeente investeringsruimte heeft. Het zegt daarnaast iets over de flexibiliteit van de begroting: veel schulden en kapitaallasten leiden tot een inflexibele begroting. Een netto schuldquote tussen de 90% en 130% wordt gezien als voldoende. Een lagere netto schuldquote dan 90% wordt gezien als goed. De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen op langere termijn te voldoen. Het geeft de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen weer. Een percentage van 20% tot 50% wordt als voldoende gezien. Het kengetal grondexploitatie geeft een indicatie van de verhouding van de in exploitatie genomen gronden ten opzichte van de totale baten. Het geeft een indicatie of een gemeente veel geld in grond heeft geïnvesteerd, geld dat in de toekomst moet worden terugverdiend. Een kengetal grondexploitatie lager dan 20% wordt gezien als goed.
De structurele exploitatieruimte geeft weer hoe groot de structurele vrije ruimte binnen de jaarrekening. Een kengetal groter dan 0 duidt op structurele ruimte. De belastingcapaciteit maakt inzichtelijk welke mogelijkheden de gemeente heeft voor het genereren van hogere baten. Dit kengetal geeft weer hoe de belastingdruk zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde. De woonlasten van een gezin bij gemiddelde WOZ-waarde worden afgezet tegen het landelijk gemiddelde. Is het kengetal lager dan 100%, dan zijn de woonlasten lager dan gemiddeld in Nederland. Het verschil tussen het kengetal en 100% geeft de ruimte aan om de belastingen te verhogen tot het gemiddelde. In onderstaande tabel is dit schematisch weergegeven:
Bij de Begroting 2025 horen de volgende financiële kengetallen:
69
Beschouwing financiële kengetallen
Eén kengetal in een enkel jaar geeft op zich nog niet veel informatie. Deze moeten vooral in samenhang worden gezien en naast de stand is vooral het verloop relevant op te bepalen welke ontwikkelingen spelen.
Netto schuldquote:
De waarde van de netto schuldquote valt in categorie A. De ambities uit Koers 2030 vragen forse investeringen dit is terug te zien in het oplopen van de netto schuldquote. Die gaat richting een verdubbeling. Tegelijkertijd is dat nog maar de helft van de maximum onder categorie A.
Solvabiliteitsratio:
De solvabiliteitsratio beweegt zich rond de grens van categorie A en B. Voor 2025 bevind de waarde zich in categorie B.
Grondexploitatie gemeentelijke belastingcapaciteit:
Deze kengetallen vallen in categorie A. De grondexploitaties vormen een zeer beperkt geheel ten opzichte van de totale exploitatie.
Gemeentelijke belastingcapaciteit
De belastingcapaciteit loopt licht op (er is een bewegen naar het gemiddelde). Vooruit kijken bij deze indicator is niet mogelijk, omdat het een verhoudingsgetal is tussen gemeenten. Met de in de begroting opgenomen opbrengst stijging van OZB met 6% (excl. inflatie) is er een opwaardse druk aanwezig. In hoeverre zich dat volgend jaar uit in deze indicator is afhankelijk van de gemiddelde mutatie in heel Nederland.
Structurele exploitatieruimte
Er is sprake van een beperkte structurele exploitatieruimte. Vanaf 2026 is deze niet meer aanwezig.
Bandbreedte De paragraaf Weerstandsvermogen is van oudsher gebaseerd op risico's die zich vertalen in een bedrag. Waarbij je het gemoeide bedrag afzondert in je reserves, zodat je dit risico kunt 'opvangen'. Dit is een werkwijze die vooral past bij risico's die zich eenmalig voordoen. De reserve is tenslotte een incidentele dekking. In de werkelijkheid zijn veel risico's van structurele aard. In de berekening wordt het jaarbedrag van een dergelijk risico vermenigvuldigd met 2,5. Op deze manier wordt er 'tijd' gekocht om het risico te verwerken in de meerjarenbegroting. Wanneer het risico na 2,5 jaar nog steeds bestaat dan is er geen vermogen meer gereserveerd waarop aanspraak gedaan kan worden. Voor dergelijke risico's is het denken in bandbreedten / scenario's ten opzichte van het exploitatiesaldo een veel beter instrument. Voor de meerjarenbegroting geldt de volgende bandbreedte:
70
De grafiek laat zien dat het ravijn in 2026 ook dieper kan uitpakken en vervolgens ook nog eens dieper kan worden. Wanneer je naar de bovenkant van de bandbreedte kijkt dan zie je dat ook in positieve scenario's gemeentelijke ombuigingen nodig zullen zijn om tot een sluitende begroting te komen. In de bandbreedte zijn voor een vijftal dossier risico's uitgewerkt. Kenmerkend voor deze risico's is dat wat zich daadwerkelijk voordoet slechts beperkt beïnvloedbaar is. De onderliggende risico's betreffen: Serviceorganisatie Jeugd & de GR Sociaal, energie, afschrijvingslasten, rente en de financieringssystematiek van gemeenten.
Koers 2030 Een volledig zicht op het vermogen is niet compleet zonder inzicht in de reserve Koers 2030. De reserve Koers 2030 is bedoeld om doelen uit de Koers 2030 te kunnen realiseren. Inzet vindt plaats voor specifiek goedgekeurde projecten, danwel programma's.
71
In onderstaande tabel zijn de nog niet verdeelde middelen verdeeld naar de gereserveerde bestemmingen. Wanneer de bedragen op een regel muteren is er reeds een raadsbesluit over de opgenomen mutaties en is het college bevoegd de middelen uit te geven.
72
Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen Inleiding De gemeente beheert de openbare ruimte waarin veel activiteiten plaatsvinden. Wonen, werken en recreëren bijvoorbeeld. Voor die activiteiten zijn kapitaalgoederen als wegen, riolering, kunstwerken, groen, verlichting en gebouwen nodig. Zowel de kwaliteit van de kapitaalgoederen als het onderhoud ervan zijn bepalend voor het voorzieningenniveau en de jaarlijkse lasten. Dit onderdeel van de begroting geeft aan voor welk ambitieniveau de gemeente heeft gekozen. Inclusief de financiële consequenties daarvan. Het door de raad gewenste onderhoudsniveau is van invloed op de lasten. Het beleid op de kapitaalgoederen wordt vastgesteld met beleidsnota’s. Deze nota’s bieden de mogelijkheid om algemene beleidslijnen vast te stellen. Zowel voor inhoudelijke kaders (visie van de raad op de kwaliteit van de kapitaalgoederen) als voor procedurele kaders (afspraken tussen raad en college over besluitvorming en informatievoorziening). Het gemeentelijk beleid voor het onderhoud van kapitaalgoederen is onder andere opgenomen in:
het 'Beheerplan Vastgoed 2021-2024' (vastgesteld in 2021), te vervangen voor het 'Beheerplan Onderhoud vastgoed 2025-2028', onder voorbehoud van vaststelling in het laatste kwartaal van 2024; het 'Onderhoudsbeleid Vastgoed 2021-2030' (vastgesteld in 2021); het 'Vastgoedbeleid 2021-2028' (vastgesteld in 2021); het Accomodatiebeleid, onder voorbehoud van vaststelling in de tweede helft van 2024; het 'Water- en rioleringsplan 2024-2028' (vastgesteld in 2024); het 'Beleidsplan Onderhoud wegen 2015-2025' (vastgesteld in 2014) en het 'Onderhoudsplan Wegen 2021 t/m 2025' (vastgesteld in 2021); de notitie 'Uitgangspunten Onderhoud openbare verlichting 2015 -2025' (vastgesteld in 2014); het 'Beheerplan Onderhoud bruggen 2022-2026' (vastgesteld in 2021); het 'Beheerplan Onderhoud binnenhaven 2022-2026' (vastgesteld in 2021); het 'Groenbeleidsplan 2021-2025' (vastgesteld in 2021) en het 'Groenbeheerplan 2023-2026' (vastgesteld in 2024) en het 'Uitvoeringsbeleid Speel- en sportruimte Sliedrecht' (vastgesteld in 2016).
Op basis van beheerplannen ramen we jaarlijks budgetten voor het onderhoud dat we in het begrotingsjaar moeten uitvoeren. Het uitgangspunt is dat er voldoende wordt gereserveerd (stortingen in onderhoudsvoorzieningen) of dat er investeringsbesluiten genomen worden voor het uitvoeren van toekomstig onderhoud. Hieronder gaan we verder in op de beleidsvelden openbaar groen en speelvoorzieningen, riolering, waterbeheer, wegen, bruggen, openbare verlichting, gebouwen, binnenhaven, aanlegsteiger waterbus en reserveringen voor onderhoud.
Openbaar groen en speelvoorzieningen We gaan door met het in 2021 vastgestelde Groenbeleidsplan 2021 tot 2025. Daarmee besteden we ook in 2025 veel aandacht aan klimaatadaptatie en biodiversiteit en nemen we maatregelen om invasieve exoten te voorkomen of te beheersen. In dat kader werken we met het in 2024 vastgestelde groenbeheerplan, waarin die doelstellingen voor het gemeentelijke groenbeheer geborgd zijn. De financiële middelen die nodig zijn voor het reguliere onderhoud zijn opgenomen in de exploitatiebegroting. In de afgelopen jaren zijn er meer bomen in de openbare ruimte geplant. We proberen die hoeveelheid te handhaven of te vergroten, en streven vooral naar voldoende grote bomen. Vanwege de leeftijd van veel bomen en de klimatologische omstandigheden zetten we in op goede boomveiligheidscontrole.
73
Bij (her-)inrichting en renovatie sturen we op een maximale oppervlakte aan groen met aandacht voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. In 2025 loopt de herinrichting van het groen mee in onder
andere de volgende integrale projecten:
Gefaseerde uitvoering Vogelbuurt Voorbereiding en uitvoering Jacob Catsstraat-zuid en omgeving Voorbereiding en uitvoering de P.A. Genestetstraat Oost Voorbereiding en uitvoering Leeghwaterstraat, fase 2 herinrichting Voorbereiding Parallelweg langs Nijverwaard
Het Uitvoeringsbeleid speel- en sportruimte gemeente Sliedrecht (2016) is inmiddels volledig uitgevoerd. Met de verbetering en aanpassing van speelplekken is uitwerking gegeven aan de visie 'Sliedrecht daagt haar inwoners van jong tot oud uit om in de hele openbare ruimte te spelen, te sporten, te recreëren en elkaar te ontmoeten'. De gemeente faciliteert dit met informele speelruimtes dicht bij huis en speel-, sport- en ontmoetingslocaties in een structuur van wijkoverstijgende plekken, centrale plekken in de buurten en steunplekken. Nu volstaat het reguliere beheer voor de speelplekken. Hiervoor is een structureel onderhoudsbudget beschikbaar.
Riolering In het Water- en rioleringsprogramma (Wrp) wordt beschreven hoe we als gemeente omgaan met onze wettelijke (zorg)taken voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater (op basis van artikel 2.16 Omgevingswet). Daarbij gaan we ook in op klimaatadaptatie en de zorg voor het oppervlaktewater. In het programma beschrijven we onder andere wat we willen bereiken, wat we willen gaan doen de komende planperiode en wat we hiervoor nodig hebben. Dit Wrp omvat de periode 2024-2028 en is de opvolger van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Sliedrecht 2019-2023. We gaan de komende jaren onderzoek doen, onderhoud uitvoeren aan het stelsel en slechte delen van de riolering vervangen of renoveren. We werken in 2025 aan de voorbereiding en uitvoering van onder andere de onderstaande projecten: • Rioolvervanging Vogelbuurt-zuid • Rioolvervanging P.A. de Genestetstraat • Reconstructie riolering Nijverwaard
Waterbeheer Sinds 1 januari 2015 is 75% van de watergangen in beheer en eigendom overgegaan op waterschap Rivierenland. Daarmee hebben al deze watergangen conform de keur en legger van waterschap Rivierenland ook een zogenaamde A-status gekregen. Wij voeren het onderhoud van onze eigen watergangen en die in eigendom van het waterschap uit. Voor het onderhoud van de watergangen van het waterschap ontvangen we jaarlijks een vergoeding. Het kroosruimen voeren we uit in overleg met het waterschap. Hierbij betalen we ieder de helft van de totale kosten.
Wegen Eind 2014 is het Beleidsplan Onderhoud Wegen 2015-2025 vastgesteld. De belangrijkste uitgangspunten daarbij zijn:
het voorkomen van kapitaalsvernietiging, het voorkomen van te grote hoogteverschillen met betrekking tot toegankelijkheidseisen en het voorkomen van schadebeelden waarbij het risico van schadeclaims van toepassing is.
74
In 2021 heeft de gemeenteraad bovendien het Onderhoudsplan Wegen 2021 t/m 2025 vastgesteld. In dat plan zijn het onderhoudsniveau, de kosten en de planning opgenomen. Het klein en regulier onderhoud aan elementenverharding en asfalt loopt zoveel mogelijk via onderhoudscontracten die meerjarig aanbesteed worden. Voor groot onderhoud en vernieuwing wegen staan in 2025 de volgende, integraal afgestemde, projectmatige activiteiten op de planning: • • • • • • •
Uitvoering Jacob Catsstraat-Zuid en omgeving Gefaseerd uitvoeren Vogelbuurt Voorbereiding en uitvoering Leegwaterstraat, fase 2 herinrichting Voorbereiding en uitvoering Parallelweg langs Nijverwaard + fietspad langs Leeghwaterstraat Voorbereiding en uitvoering P.A. de Genestetstraat-oost Voorbereiding Baaneweer, Koningsweer en Locksweer Voorbereiding Professorenbuurt
Bruggen Eind 2021 heeft de gemeenteraad het beheer - en onderhoudsplan 2022-2026 voor het vervangen en onderhouden van het bruggenareaal binnen de gemeente vastgesteld. Als kader voor de staat van de bruggen wordt in dit plan onderhoudsniveau 3 (redelijk) gehanteerd. Dit wordt bepaald aan de hand van de indicatoren Veiligheid, Functionaliteit/beschikbaarheid, Duurzaamheid en Toonbaarheid. In het plan is hiervoor opgenomen wat de te verwachten kosten zijn en de daarbij behorende planning. We maken hierbij onderscheid tussen klein onderhoud, groot onderhoud en vervanging. Het klein jaarlijks onderhoud betreft voornamelijk werkzaamheden van beperkte omvang. De kosten hiervan komen ten laste van het jaarlijkse exploitatiebudget. Het groot onderhoud vindt planmatig plaats en is gericht op het tijdig structureel verbeteren van de brug om de beoogde levensduur te behalen. Voor de dekking van de kosten van groot onderhoud beschikken we over een voorziening onderhoud bruggen. Aan het einde van de levensduur vindt vervanging van de gehele brug plaats. De geplande vervanging van een negental bruggen in de planperiode 2022-2026, is reeds uitgevoerd.
Openbare verlichting Het beheer en onderhoud van de openbare verlichting hebben we ondergebracht bij de gemeente Dordrecht. In 2014 zijn hiervoor uitgangspunten voor onderhoud openbare verlichting 2015-2025 vastgesteld. Onze ambities spitsen zich toe op veiligheid, duurzaamheid en financiën welke we in ons plan willen bereiken door: - de vervanging van masten en armaturen tijdig uit te voeren; - te voldoen aan de Richtlijnen Openbare Verlichting 2011; - te investeren in duurzaam materiaalgebruik (met name led); - een energiebesparing te realiseren; - de kwaliteit en veiligheid van de openbare verlichting in de toekomst blijvend op peil te houden; - verantwoord uitstel van vervangingen, dimmen op doorgaande wegen en het voorkomen van lichthinder en lichtvervuiling. De hiervoor benodigde maatregelen worden jaarlijks ingepland en integraal afgestemd op projecten in de openbare ruimte. De onderhoudskosten voor het in stand houden van de openbare verlichting worden gedekt uit het exploitatiebudget. Daarnaast beschikken we voor het vervangen van lichtmasten en verlichtingsarmaturen over investeringskredieten.
75
We verwachten in 2025 nieuwe beleidskaders aan de gemeenteraad aan te bieden.
Gebouwen We beheren onze gebouwen vanuit het Vastgoedbeleid 2021-2028 het Onderhoudsbeleid Vastgoed 2021-2030 en het Beheerplan onderhoud vastgoed. Deze beleidsdocumenten zijn door de raad in 2021 vastgesteld. Het Vastgoedbeleid 2021-2028 geeft niet alleen inzicht in de totale vastgoedportefeuille en de organisatie rondom het vastgoedbeheer. Het beleid vormt ook het afwegingskader voor eigendom of afstoten van vastgoed. Het huidige Beheerplan onderhoud vastgoed wordt geactualiseerd naar 2025-2028 en zal eind 2024 aan de gemeenteraad worden voorgelegd. De financiële consequenties van deze actualisatie zijn daarom nog niet verwerkt in deze begroting.In het Beheerplan onderhoud vastgoed 2025-2028 staat een onderbouwing van de onderhoudsbudgetten voor gebouwen. Het plan geeft inzicht in het (bouw)technisch onderhoud van het gemeentelijk vastgoed en de daarvoor benodigde middelen. Voor de financiële verantwoording gaan we uit van een doorkijk op basis van de meerjarenonderhoudsplanningen met een looptijd van 20 jaar die in 2024 zijn opgesteld (tot 2044).
Binnenhaven In 2021 is het beheerplan 'onderhoudsplan binnenhaven 2022-2026' vastgesteld voor het op diepte houden van de gemeentelijke binnenhaven. Hierin wordt een onderbouwing gegeven van het beoogde onderhoudsniveau, de kosten van het onderhoud en de daarbij behorende onderhoudsplanning. Het onderhoudsregime dat we toepassen is:
Het vijfjaarlijks peilen om een beeld te krijgen van de aanwas en vervuilingsgraad van het slib zodat de ondiepe plaatsen of knelpunten tijdig worden gesignaleerd. Eens in de tien jaar ondiepe plaatsen uitbaggeren. De eerstvolgende baggerwerkzaamheden zijn gepland in 2025.
Voor de dekking van de kosten van het uitvoeren van dieptepeilingen en baggerwerkzaamheden, beschikken we over een voorziening onderhoud haven. De kosten van het uitvoeren van klein onderhoud worden ten laste gebracht van het jaarlijkse exploitatiebudget.
Aanlegsteiger waterbus Het vervoer met de Waterbus is geregeld in een contract tussen de Provincie en de vervoerder. De gemeente Sliedrecht betaalt hiervoor jaarlijks een bijdrage aan Servicegemeente Dordrecht. Het haltebeheer gebeurt op basis van de gezamenlijke haltevisie Drechtsteden uit 2019. Richtinggevend hierin zijn vindbaarheid, herkenbaarheid en bereikbaarheid van de Waterbus. Om dit te bewerkstelligen is voor 2026 een upgrade qua uitstraling gepland. De verwachting is dat hiervoor een investeringskrediet van € 112.000 benodigd is. Daarnaast is het ponton van de Waterbus in Sliedrecht geïnspecteerd en daaruit blijkt dat groot onderhoud nodig is in 2026/2027 voor een geraamd bedrag van € 238.000. Deze benodigde financiële middelen hebben we opgenomen in het raadsvoorstel over het Verkeers- en mobiliteitsplan, welke eind 2024 voor behandeling is ingepland. Constructieve aanpassingen die nodig zijn voor het varen met de nieuwe boten zijn voor rekening van de vervoerder.
76
Reserveringen voor onderhoud In het kader van de begroting is het van belang dat er voldoende wordt gereserveerd voor toekomstig onderhoud. In 2025 doen we stortingen in de diverse onderhoudsvoorzieningen conform onderstaande tabel.
77
Paragraaf Financiering Inleiding In deze paragraaf komen de onderwerpen aan de orde die behoren tot het geldstromenbeleid van de gemeente. Dit zijn risicobeheer (met name rente- en kredietrisico), de financierings- en schuldpositie en het kasbeheer. Het Financieringsstatuut vormt het kader voor beleid en uitvoering van de treasuryfunctie. Afhankelijk van de hoogte en de verwachte duur van het liquiditeitstekort of –overschot, wordt vermogen tijdelijk of langdurig aangetrokken of tijdelijk uitgezet. Het uitgangspunt bij het aantrekken van vermogen is dat de kasgeldlimiet optimaal benut wordt. Benadrukt wordt dat de financieringsfunctie van de gemeente Sliedrecht uitsluitend de publieke taak dient en dat een prudent beleid gevoerd wordt binnen de kaders die zijn gesteld in de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). Rente ontwikkelingen De tarieven op de geldmarkt (kortlopende leningen) volgen de tarieven die de ECB hanteert met haar beleidsrente. Na enkele jaren van stijgingen is dit tarief in juni met een kwart procent verlaagd tot 3,75% op dit moment. Verwacht wordt dat de inflatie ruimte biedt voor verdere verlagingen in de komende maanden. Het is lastig om in te schatten wat de frequentie en de grootte van de stappen zal worden, maar de algemene marktverwachting is dat eind 2024 de rente 0,50% lager zal zijn dan nu.
De verwachting voor de kapitaalmarktrente is dat die wat zal gaan dalen. De duurste lening is op dit moment een 20-jarige aflossingsvrije lening die ongeveer 3,30% kost inclusief de liquiditeitsopslag. Voor langere looptijden gelden lagere tarieven. De liquiditeitenopslagen nemen toe naarmate de looptijd langer wordt, maar per saldo wordt een langere lening goedkoper. Waar de opslag voor een 10-jaarslening medio 2023 nog 0,20% was, is de actuele opslag 0,40%. Het afgelopen jaar heeft de rente zich als volgt ontwikkeld:
Financieringspositie Financiering activa De activa van de gemeente Sliedrecht zullen per begin 2025 naar verwachting als volgt gefinancierd zijn:
78
Renteschema Voor de interne rente sluiten wij aan op de voorschriften uit de BBV-notitie rente, waarbij wij geen rente rekenen over het eigen vermogen en de voorzieningen. Uit de berekening komt een omslagrente van afgerond 0,01%. Dat de rente niet wordt gesteld op nihil heeft een technische reden (het financiële systeem heeft een waarde nodig). De rentelast zoals genoemd onder I is zeer beperkt, toch werken we met een omslagrente van 0,01%. Dit heeft tot gevolg dat er in de werkelijkheid (jaarrekening) snel een verschil ontstaat groter dan 25%, terwijl er absoluut slechts een verschil is van enkele duizenden euro's. In dat geval zullen we niet herrekenen (waar dat bij een verschil van 25% wel is voorgeschreven).
Op basis van de liquiditeitenplanning is het de verwachting dat er eind 2026 en in 2027 leningen aangetrokken zullen moeten worden. Indien dat daadwerkelijk plaats gaat vinden dan ontstaan er meer rentelasten en zal de omslagrente van 0,01% naar 0,5% gaan.
79
Leningenportefeuilles Opgenomen leningen Onderstaande tabel geeft inzicht in het verwachte verloop van de portefeuille aan opgenomen langlopende leningen in 2025:
Op grond van de meest recente liquiditeitenplanning wordt voor 2025 geen nieuwe langlopende lening verwacht.
Risicobeheersing Risicobeheersing vormt één van de pijlers van de Wet fido. De belangrijkste risicoaspecten die verbonden zijn aan de uitvoering van de gemeentelijke treasuryfunctie betreffen rente- en kredietrisico's. Renterisico’s moeten vanuit de Wet fido beoordeeld worden op de korte en op de langlopende schuld. Renterisico op korte schuld: de kasgeldlimiet Met de kasgeldlimiet is in de Wet fido een norm gesteld voor het maximum bedrag waarop de gemeente haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd <1 jaar) mag financieren: 8,5% van het begrotingstotaal. Voor 2025 kan de kasgeldlimiet als volgt worden bepaald:
De gemeente Sliedrecht verwacht in 2025 binnen de normen van de kasgeldlimiet (max. drie kwartalen overschrijding) te opereren. Bij beoordeling van een eventuele financieringsbehoefte zal de kasgeldlimiet optimaal worden benut. De meest actuele liquiditeitenplanning geeft aan dat er geen nieuwe langlopende lening nodig is in 2025.
80
Renterisico op langlopende schuld: de renterisiconorm De Wet fido definieert vaste schuld als opgenomen geldleningen met een rente typische looptijd groter of gelijk aan 1 jaar. Met de renterisiconorm biedt de Wet fido een richtsnoer om renteaanpassingen van financieringen en beleggingen goed in de tijd te spreiden. De norm heeft als doel om het toekomstig renterisico op de lange financiering te beperken door spreiding in de aflossingen en renteherzieningen af te dwingen. Deze norm bedraagt 20% van het begrotingstotaal en bedraagt voor Sliedrecht in 2025 € 19,6 miljoen. Conform voorschrift van de geactualiseerde Wet fido wordt het renterisico in onderstaande tabel voor de komende vier jaren bepaald, terwijl de renterisiconorm alleen betrekking heeft op het totaal van de begroting van het komende jaar.
Uit deze opstelling blijkt dat de gemeente Sliedrecht in 2025 ruimschoots binnen de renterisiconorm blijft.
Kredietrisico’s Kredietrisicobeheersing richt zich op de kredietwaardigheid (en dus het risicoprofiel) van de tegenpartijen bij financiële transacties. Kredietrisico’s kunnen worden gelopen vanuit uitzettingen (verstrekte geldleningen, beleggingen), of uit verleende garanties. Verstrekte geldleningen Ingedeeld naar risicocategorie kan voor 2025 het volgende verloop worden verwacht:
81
Het hierboven bij Openbare lichamen vermelde bedrag betreft de deelneming in, dan wel leningen verstrekt uit hoofde van, het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn). Het bedrag bestaat uit drie onderdelen: startersleningen, duurzaamheidsleningen en het rekening courant saldo bij de SVn (beschikbaar voor leningen). In theorie zouden hier ook blijversleningen kunnen staan, maar die zijn niet verstrekt. Het bedrag van € 2,2 miljoen is revolverend, wat betekent dat aflossingen op de leningen op de rekening courant komen waarmee nieuwe leningen kunnen worden gefinancierd. De overige langlopende leningen betreffen (oude) renteloze leningen aan verenigingen in Sliedrecht. Voor 2029 zullen deze allemaal zijn afgelost. Verleende garanties De borgstellingen kunnen als volgt worden gespecificeerd naar risicogroep:
De specificatie van de bedragen uit de tabel borgstellingen is als volgt:
Kas- en saldobeheer De inrichting van het betalingsverkeer (het beheer van het gemeentelijke rekeningstelsel, het coördineren van bevoegdheden en het verrichten van feitelijke betalingen) alsmede de saldoregulatie wordt verzorgd vanuit Servicegemeente Dordrecht. Gemeente Sliedrecht onderhoudt bankrelaties met de Bank Nederlandse Gemeenten en de Rabobank. Een hulpmiddel bij de saldoregulatie en voor het eventueel opnemen van langjarige financiering is de meerjarige liquiditeitenplanning, welke door Servicegemeente Dordrecht (SGD) in nauw overleg met 82
de gemeente is opgezet. Deze planning wordt periodiek geactualiseerd op grond van nieuwe informatie of inzichten. De bankrekening van de personeelsvereniging staat juridisch ook op naam van de gemeente, maar is praktisch geen eigendom.
Schatkistbankieren Bij het verplicht schatkistbankieren mag de gemeente een bedrag van 2% van het begrotingstotaal buiten de Schatkist houden, het zogenoemde drempelbedrag. Het drempelbedrag mag als gemiddeld creditbedrag per kwartaal niet overschreden worden. Wanneer de gemeente het drempelbedrag overschrijdt dient het meerdere afgestort te worden in 's Rijks Schatkist. Over dit saldo wordt medio 2024 rente vergoed van ongeveer 3,65%. Dit tarief beweegt mee met de beleidsrente van de ECB en kan in een tijdsbestek van maanden sterk stijgen of dalen. Het drempelbedrag voor de gemeente Sliedrecht voor 2025 kan als volgt worden berekend:
83
Paragraaf Bedrijfsvoering Inleiding Deze paragraaf gaat in op de activiteiten voor 2025 op het gebied van bedrijfsvoering. We beschrijven in deze paragraaf, op hoofdlijnen, de voorgenomen activiteiten voor 2025 en geven een beeld van de bijbehorende relevante cijfers. Een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering is van essentieel belang voor een slagvaardige organisatie en het waarborgen van de dienstverlening aan de inwoners en is onlosmakelijk verbonden met de doelstelling "Koersvast en ontwikkelingsgericht toewerken naar 2030". In 2025 zal, nauw verbonden aan deze doelstelling en de daarbij vastgestelde principes, de weg vervolgd worden.
Bedrijfsvoering algemeen Een solide bedrijfsvoering vormt de ruggengraat van onze gemeentelijke organisatie. Een goede bedrijfsvoering zorgt ervoor dat wij als gemeente onze taken effectief en efficiënt kunnen uitvoeren, en dat we de best mogelijke dienstverlening aan onze inwoners kunnen bieden. In 2025 streven we naar verdere optimalisatie van onze processen, waarbij ook duurzaamheid een centrale rol speelt. Dit betekent niet alleen dat we milieuvriendelijke keuzes maken in onze dagelijkse activiteiten, maar ook waar mogelijk investeren in duurzame projecten zoals energiezuinige gemeentelijke gebouwen en groene initiatieven in onze wijken. Daarnaast is integraal (samen)werken een kernpunt in onze bedrijfsvoering. Door actief verbindingen te creëren tussen interne afdelingen en actief samen te werken met regionale partners kunnen we krachten bundelen en een grotere impact realiseren.
Servicegemeente Dordrecht Eind 2023 is de samenwerking geëvalueerd door een adviesbureau. Dit heeft geresulteerd in aanbevelingen voor verbetering. De evaluatie benadrukte het belang van nabijheid voor kwalitatieve dienstverlening, maatwerk per partner, en een gezamenlijke innovatieagenda. Belangrijke adviezen omvatten het geven van ruimte en tijd aan SGD om transformatieprocessen succesvol af te ronden, het verbeteren van de samenwerking binnen een centrumconstructie, en het opstellen van een gedragen en realistische ontwikkelagenda voor 2024-2026. Hierbij blijft het belangrijk om politieke en bestuurlijke steun te verlenen aan SGD, wat stabiliteit en ontwikkelperspectief biedt. Voor 2025 betekent dit een balans tussen partnerschap en zakelijke samenwerking, met focus op wat beter, anders en goedkoper kan. Rekening houdend met uitdagingen zoals de opgave Ravijnjaar en streven naar maatschappelijke waarde en gezamenlijke doelstellingen.