CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

12. Mutaties belastingverordeningen 2026 t.o.v. 2025.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 16 december 2025, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 12: BES - Belastingverordeningen 202627.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

€ 3.525,94

€ 3.514,38

50% van het 50% van het reguliere tarief als reguliere bedoeld in artikel tartief als 2.13 tot en met bedoeld in 2.19 van deze artikel 2.13 tot verordening en met 2.19 van deze verordening

Ontheffing route gevaarlijke stoffen Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag, als bedoeld in artikel 22 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, tot het verlenen voor: 1-5 afleveradressen

€ 169,25

€ 168,69 59

Artikel 2.20c

Paragraaf 2.6 Artikel 2.21

Artikel 2.22

6-10 afleveradressen 11-15 afleveradressen 16 -20 afleveradressen Voor meer dan 20 afleveradressen geldt per 10 adressen een opslag van: Hierbij wordt bij minder dan 5 adressen naar beneden afgerond en bij meer dan 5 adressen wordt naar boven afgerond. Toestemming voor laden en lossen van gevaarlijke stoffen waaronder vuurwerk Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag, in artikel 1 van bijlage 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen jo. de artikelen 2, onderdeel c, en 1, eerste lid onderdeel b sub 2 van deze Regeling jo. artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen jo. artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, gelezen in samenhang met hoofdstuk 7.5, voorschrift 7.5.11-CV1 sub a en b en hoofdstuk 8.5, voorschrift S1-(4) sub a en b van de ADR (Europees verdrag voor het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg), tot het verlenen van een eenmalige ontheffing: Lozingsactiviteiten

€ 310,28 € 423,11 € 507,74 € 56,42

€ 309,27 € 421,73 € 506,07 € 56,23

€ 451,32

€ 449,84

€ 451,32

€ 449,84

Lozingsactiviteit niet afkomstig van milieubelastende activiteit Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij de gemeente, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, onder 1, van de Omgevingswet, en het gaat niet om het lozen van water of stoffen afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: Lozingsactiviteit afkomstig van milieubelastende activiteit Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktelichaam in beheer bij de gemeente, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, onder 1, van de Omgevingswet, bestaande uit het lozen van afvalwater,

60

Paragraaf 2.7

koelwater of stoffen afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: Aanlegactiviteiten

Artikel 2.23

Gereserveerd

Artikel 2.24

Gereserveerd

Artikel 2.25

Gereserveerd

Artikel 2.26

Omgevingsplanactiviteit: aanleggen of veranderen weg

Artikel 2.27

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het aanleggen van een weg of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg, bedoeld in artikel 8.1.1 van de Verordening fysieke leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet, artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit of artikel 22.278 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: Omgevingsplanactiviteit: uitweg/uitrit Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het maken, hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg, bedoeld in artikel 8.1.2 van de Verordening fysieke leefomgeving in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:

€ 902,64

€ 899,68

€ 59,00

€ 57,50

€ 59,00

€ 57,50

61

Artikel 2.28

Omgevingsplanactiviteit: overige aanlegactiviteiten

Paragraaf 2.8

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (aanlegactiviteit), niet zijnde een activiteit die in de voorgaande artikelen van deze paragraaf is benoemd, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: Overige activiteiten

Artikel 2.29

Gereserveerd

Artikel 2.30

Omgevingsplanactiviteit: kappen van bomen of vellen van houtopstanden

Artikel 2.31 Artikel 2.32

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit het vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 2 van de Bomenverordening Sliedrecht 2009, in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten, voor de eerste boom: voor iedere volgende boom, per boom met een maximum van: Gereserveerd

,

€ 613,10

€ 597,55

€ 59,00

€ 57,50

€ 21,10 € 421,50

€ 20,55 € 410,80

Omgevingsplanactiviteit: opslag van roerende zaken Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit de opslag van roerende zaken in een bepaald gedeelte van de gemeente, bedoeld in artikel 2:10 vijfde lid van de Algemene plaatselijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief,

62

Artikel 2.33

onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten: Gereserveerd

Artikel 2.34

Andere activiteiten Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verrichten van een andere activiteit dan in deze paragraaf en voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk:

Paragraaf 2.9

Maatwerkvoorschriften

Artikel 2.35

Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten

a.

b. Artikel 2.36

a.

b.

Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een bouwactiviteit, bedraagt het tarief: voor een maatwerkvoorschrift dat betrekking heeft op: 1. het in stand houden van een bestaand bouwwerk, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; 2. bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen als bedoeld in artikel 4.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; 3. het gebruik van een bouwwerk, bedoeld in artikel 6.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of 4. het verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; per maatwerkvoorschrift: in andere gevallen dan bedoeld in lid a, per maatwerkvoorschrift: Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving betrekking heeft op: een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een

€ 59,00

€ 57,50

€ 140,20

€ 136,65

€ 311,20

€ 303,30

€ 311,20

€ 303,30

€ 2.256,60

€ 2.249,20

63

andere milieubelastende activiteit dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt het tarief: Artikel 2.37

€ 1.349,52

€ 2.256,60

€ 2.249,20

€ 311,20

€ 303,30

€ 311,20

€ 303,30

Maatwerkvoorschriften bij overige activiteiten

Paragraaf 2.10

Als de aanvraag om een of meer maatwerkvoorschriften betrekking heeft op een andere activiteit dan genoemd in de artikelen 2.35 en 2.36, bedraagt het tarief per maatwerkvoorschrift: Gelijkwaardigheid

Artikel 2.38

Gelijkwaardige maatregel

1.

Als de aanvraag om toestemming voor een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet betrekking heeft op: een bouwactiviteit, bedraagt het tarief: een activiteit met betrekking tot cultureel erfgoed, bedraagt het tarief:

a. b.

€ 1.353,96

c.

een milieubelastende activiteit, bedraagt het tarief:

€ 2.256,60

€ 2.249,20

d.

een andere activiteit dan bedoeld in voorgaande onderdelen, bedraagt het tarief:

€ 311,20

€ 303,30

Paragraaf 2.11

Overige tarieven

Artikel 2.39

Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit

€ 140,20

€ 136,65

Artikel 2.40

Artikel 2.41

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om verlenging van de in een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit gestelde termijn, bedoeld in artikel 10.23, tweede lid, van het Omgevingsbesluit: Wijzigen omgevingsvergunning Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning is hetzelfde tarief verschuldigd als op grond van dit hoofdstuk verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft. Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning:

64

a.

Artikel 2.42

als sprake is van een milieubelastende activiteit: van het reguliere tarief; als sprake is van andere activiteiten dan bedoeld in onderdeel a: Intrekken omgevingsvergunning

Artikel 2.43

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning, tenzij artikel 2.58 van toepassing is: Gereserveerd

Artikel 2.44

Beoordeling onderzoeksrapporten

Artikel 2.45

De in artikel 2.49 opgenomen tarieven zijn van overeenkomstige toepassing op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het beoordelen van een onderzoeksrapport, zonder dat sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Wijzigen van het omgevingsplan

b.

1.

Artikel 2.46

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van het omgevingsplan: Tenzij kostenverhaal op andere wijze met elkaar is overeengekomen. Niet genoemd besluit op aanvraag

Paragraaf 2.12

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een ander, in dit hoofdstuk niet benoemd besluit op grond van de Omgevingswet, de op die wet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur of het omgevingsplan. Modaliteiten

2.

Artikel 2.46a

a.

50,00%

50,00%

€ 140,20

€ 136,65

€ 140,20

€ 136,65

€ 5.358,75

€ 5.222,95

€ 140,20

€ 136,65

Planologische wijziging bij omgevingsplanactiviteit (waarbij tevens of geen sprake is van een bouwactiviteit) Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief: Als moet worden beoordeeld of de omgevingsplanactiviteit in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet dan bedraagt het

65

Artikel 2.47

tarief (binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht): Als de omgevingsplanactiviteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan moet worden beoordeeld dan bedraagt het tarief (kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit): Als of de omgevingsplanactiviteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan moet worden beoordeeld dan bedraagt het tarief (grote buitenplanse omgevingsplanactiviteit): Achteraf ingediende aanvraag

Artikel 2.48

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de activiteit, worden de op grond van de paragrafen 2.3 tot en met 2.8 verschuldigde leges verhoogd met: Uitgebreide voorbereidingsprocedure

b.

c.

a. b. c.

Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit: als sprake is van een milieubelastende activiteit: als sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: als sprake is van andere activiteiten dan bedoeld in de onderdelen a en b:

Artikel 2.49

Beoordeling onderzoeksrapporten

a.

Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als krachtens wettelijk voorschrift voor de betreffende aanvraag een rapport moet worden beoordeeld: voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport: voor de beoordeling van een archeologisch bodemrapport: voor de beoordeling van een milieueffectrapportage (MER):

b. c.

€ 311,20

€ 303,30

€ 311,20

€ 303,30

€ 5.358,75

€ 5.222,95

10,00%

10,00%

€ 2.820,75

€ 2.811,50

€ 622,40

€ 606,65

€ 622,40

€ 606,65

€ 553,75

€ 539,70

€ 553,75

€ 539,70

€ 972,90

€ 948,25

66

d. Artikel 2.50 1.

a. b. c.

2.

Artikel 2.51 1.

2.

voor de beoordeling van een niet in de voorgaande onderdelen genoemd rapport: Advies Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als een daartoe aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet: voor een advies van de gemeenteraad: voor een advies van de agrarische commissie: voor een advies in andere gevallen dan bedoeld in voorgaande onderdelen en artikel 2.6a: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld: Als een begroting als bedoeld in lid c is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Instemming

€ 553,75

€ 539,70

€ 311,20 € 1.200,00

€ 303,30 € 1.085,55

Onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit op grond van de Omgevingswet betrekking heeft op een activiteit waarvoor de beslissing op de aanvraag op grond van artikel 16.16 van de Omgevingswet instemming behoeft van een bestuursorgaan: als een ander bestuursorgaan moet besluiten over de instemming: het bedrag dat dit bestuursorgaan aan rechten zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn. Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager meegedeeld. De aanvraag wordt dan in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop het verschuldigde bedrag aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.

67

Paragraaf 2.13

Vermindering

Artikel 2.52

Gereserveerd

Artikel 2.53

Gereserveerd

Paragraaf 2.14

Teruggaaf

Artikel 2.54

Teruggaaf bij aanvraag en oordeel geen omgevingsvergunning nodig

Artikel 2.55

Artikel 2.56

a.

b.

Als het college van burgemeester en wethouders op grond van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning oordeelt dat voor de voorgenomen activiteit geen omgevingsvergunning is vereist, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges. Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, bestaat aanspraak op teruggaaf. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is gedaan verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges.

De teruggaaf bedraagt: Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure (binnen vier weken) van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure (vanaf vier weken tot zes weken)

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

75,00%

75,00%

50,00%

50,00%

68

c.

Artikel 2.57

a.

b.

c.

Artikel 2.58

van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure (vanaf zes weken) van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning of aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geheel of gedeeltelijk intrekt terwijl het college van burgemeester en wethouders daarover nog geen besluit heeft genomen, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges.

De teruggaaf bedraagt: Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure (binnen zes weken) van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure (vanaf zes weken tot achttien weken) van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges; Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure (vanaf achttien weken) van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een verleende omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen 6 maanden na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt:

25,00%

25,00%

75,00%

75,00%

50,00%

50,00%

25,00%

25,00%

50,00%

50,00%

69

Artikel 2.60

van de voor de activiteit waarvoor de aanvraag is ingetrokken verschuldigde leges. Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten Als het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor een bouw- of milieubelastende activiteit weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: van de voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is geweigerd verschuldigde leges. Onder een weigering bedoeld in onderdeel a wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak. Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten

Artikel 2.61

In afwijking van de voorgaande artikelen van deze paragraaf wordt geen teruggaaf verleend van het legesdeel dat betrekking heeft op de modaliteiten genoemd in paragraaf 2.12. Minimumbedrag voor teruggaaf

Artikel 2.59 a.

b.

50,00%

50,00%

Een bedrag minder dan € 200,-- wordt niet teruggegeven.

70

Hoofdstuk 3

Dienstverlening waarop de dienstenrichtlijn van toepassing is

Paragraaf 3.1

Horeca

Artikel 3.1

Exploitatie openbare inrichting Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van:

a. b.

een aanvraag tot het verlenen van een vergunning op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening: een aanvraag tot het wijzigen van het aanhangsel van een vergunning op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening:

€ 512,75

€ 499,75

€ 122,10

€ 119,00

Artikel 3.2

Uitoefenen horeca- of slijtersbedrijf

a.

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet:

€ 512,75

€ 499,75

een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet:

€ 61,00 € 122,10

€ 59,45 € 119,00

€ 122,10

€ 119,00

€ 61,00

€ 59,45

€ 1.037,95

€ 1.011,65

€ 790,80

€ 770,75

b. c. d.

een melding als bedoeld in artikel 30 van de Alcoholwet: een aanvraag om wijziging van het aanhangsel als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Alcoholwet:

e.

een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet:

Paragraaf 3.2

Seksbedrijven

Artikel 3.3

Vergunning seksbedrijf

a. b.

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning of om de verlenging van een vergunning als bedoeld in artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening: tot het verlenen van een exploitatievergunning of wijziging van een exploitatievergunning voor een seksinrichting of escortbedrijf: voor de werkzaamheden verbonden aan de beoordeling van een keuringsrapport, behorende bij de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, genoemd in artikel 3.3.a, worden de leges verhoogd met:

Artikel 3.4

Wijzigen vergunning seksbedrijf [gereserveerd]

Paragraaf 3.3

Winkeltijdenwet

Artikel 3.5

Ontheffing winkeltijden

71

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: a. b.

een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet: wijziging van een in onderdeel a bedoelde ontheffing:

€ 42,65 € 42,65

€ 41,55 € 41,55

72

Paragraaf 3.4

Organiseren evenement of markt

Artikel 3.6

Organiseren evenement

a. b. c. d. e.

f.

Paragraaf 3.5

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor het organiseren van een evenement, indien het betreft: een filmvertoning, bazaar, fancy-fair en dergelijke gelegenheden niet op de openbare weg: een straat- of buurtfeest: Een kleinschalig of middelgroot evenement met nagenoeg geen impact op de omgeving en zonder winstoogmerk:

€ 55,00

€ 53,60

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor reclametekens:

€ 55,00

€ 53,60

€ 61,00

€ 59,45

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing van het sluitingsuur voor cafés, restaurants, bars en dergelijke gelegenheden, bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening, per ontheffing: Gereserveerd

Artikel 3.11

Vergunning [of ontheffing] onttrekken woonruimte

Artikel 3.12

Vergunning [of ontheffing] samenvoegen woonruimte

Artikel 3.13

Vergunning [of ontheffing] omzetten zelfstandige in onzelfstandige woonruimte

c.

€ 41,55 € 41,55

€ 244,20 € 238,00

Huisvestingswet 2014 (en Wet goed verhuurderschap)

b.

€ 42,65

een ander evenement als bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening:

Paragraaf 3.6

a.

€ 42,65

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: tot het verlenen van een vergunning om zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c van de Huisvestingswet 2014:

€ 310,05 € 302,20

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12 en 13 van de Huisvestingswet 2014:

€ 81,15

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag of verlenging van de omzettingsvergunning of woningvorming (kamerverhuur):

€ 229,90 € 224,05

Artikel 3.14

Vergunning [of ontheffing] verbouwen woonruimte tot meer woonruimten

Artikel 3.15

Splitsingsvergunning [of -ontheffing]

€ 78,95

73

Artikel 3.16

Vergunning of ontheffing toeristische verhuur

Artikel 3.17

Verhuurvergunning opkoopbescherming

Artikel 3.18

Verhuurvergunning woon- of verblijfsruimte

Paragraaf 3.7

In dit hoofdstuk niet benoemd besluit

Artikel 3.19

Niet benoemd besluit op aanvraag Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of tot het nemen van een andere beschikking:

€ 42,65

€ 41,55

Behorend bij raadsbesluit van 16 december 2025. De griffier, mr. P.P.A. van Aalst

74

Versie geldig vanaf 1 januari 2026

Verordening marktgelden 2026 gemeente Sliedrecht

Verantwoordelijke afdeling

Beheer Openbare Ruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.

De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 2025; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a. en b. van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2026.

Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam "marktgelden" wordt een recht geheven voor het: 1. innemen van een standplaats voor het ten verkoop aanbieden of voorradig hebben van goederen op de daarvoor in het "Inrichtingsplan en nadere regels behorende bij de markt" aangewezen tijd en plaats; 2. gebruik maken van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten ten behoeve van reclame- en promotieactiviteiten, verder te noemen reclame-/promotiegeld. Artikel 2 Belastingplicht Het recht als bedoeld in artikel 1 wordt geheven van degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats. Artikel 3 Maatstaf van heffing Het recht wordt geheven naar de oppervlakte van de in artikel 1 bedoelde standplaats plus een vast bedrag per markthandelaar voor reclame-/promotiegeld. Dit bedrag wordt verhoogd indien gebruik wordt gemaakt van de elektriciteitsvoorziening. Artikel 4 Belastingtarief 1. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een standplaats, ongeacht de wijze waarop, per m² ingenomen oppervlakte of gedeelte daarvan: a. per dag of gedeelte daarvan € 2,45 (was €2,40) b. per kalendermaand € 8,30 (was €8,10) c. per kalenderkwartaal € 19,80 (was €19,35) d. per kalenderjaar € 71,40 (was €69,60) 2. Bij gebruik van de gemeentelijke elektriciteitsvoorziening (direct of indirect) worden de onder 1. vermelde tarieven als volgt verhoogd:

75

a.

kleinverbruik (16 ampère) - per marktdag (alleen van toepassing zijnde op meelopers en standwerkers) € 4,25 € 4,15 - per kalenderkwartaal € 50,55 € 49,20 b. grootverbruik (krachtstroom) - per kalenderkwartaal € 130,20 €126,90 3. Het onder lid 1., letter a. vermelde tarief wordt per markthandelaar met € 2,85 (was €2,80) per dag verhoogd wegens reclame-/promotiegeld. De onder lid 1., letters b, c. en d. vermelde tarieven worden per markthandelaar met € 12,05 (was €11,75) per maand verhoogd wegens reclame/promotiegeld. 4. De onder leden 2 en 3 vermelde bedragen voor kleinverbruik, grootverbruik en reclame-/promotiegeld zijn exclusief BTW. Artikel 5 Wijze van heffing De marktgelden worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of ander schriftuur. Artikel 6 Tijdstip van betaling 1. De marktgelden moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. 2. De marktgelden moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5 wordt toegezonden binnen 14 dagen na de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.

Artikel 7 Teruggaaf Indien de belastingplichtige het recht op zijn standplaats opzegt, of als gevolg van langdurige ziekte of ingeval van overlijden, geen gebruik meer kan maken van een standplaats, waarvoor de marktgelden voor ten minste een kalenderkwartaal-eenheid zijn betaald, vindt teruggaaf van de marktgelden plaats naar het aantal volle kalendermaanden, dat nog resteert in die eenheid. Deze teruggaaf wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van marktgeld wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Standplaatsvergunning 1. Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een standplaatsvergunning inclusief plaatsen op de wachtlijst of het wijzigen van de vergunning € 20,35 (was €19,85). 2. Het tarief bedraagt voor de handhaving van de inschrijving, per inschrijving per kalenderjaar € 12,60 (was €12,30). Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening marktgelden 2025" zoals vastgesteld op 10 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4.

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening marktgelden 2026 gemeente Sliedrecht".

76

Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 16 december 2025. De griffier,

mr. R.P.A. van Aalst

De voorzitter,

mr. drs. J.M. de Vries

77

Versie geldig vanaf 1 januari 2026

Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Burgemeester Winklerplein Sliedrecht 2026 van de gemeente Sliedrecht

Verantwoordelijke afdeling

Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid

De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.

De raad der gemeente Sliedrecht;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 2025;

b e s l u i t.:

gelet op artikel 227 van de Gemeentewet

vast te stellen:

De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Burgemeester Winklerplein van de gemeente Sliedrecht 2026.

Artikel 1

Definities Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning;

78

c. jaar: een kalenderjaar; d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd; Artikel 2

Belastbaar feit Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3

Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak waarop en/of waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen. 2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4

Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.

aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw.

79

Artikel 5

Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak. 2. Het belastingbedrag bedraagt € 350,00 per onroerende zaak. Artikel 6

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 7

Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8

Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 100.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

80

Artikel 9

Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10

Inwerkingtreding 1. De Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2025 van 10 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2026 Sliedrecht”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2026. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 16 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

mr. R.P.A. van Aalst

mr. drs. J.M. de Vries

81

Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2026 Sliedrecht.

82

Versie geldig vanaf 1 januari 2026

Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Kerkbuurt Sliedrecht 2026 van de gemeente Sliedrecht

Verantwoordelijke afdeling

Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid

De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.

De raad der gemeente Sliedrecht;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 2025;

b e s l u i t.:

gelet op artikel 227 van de Gemeentewet

vast te stellen:

De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Kerkbuurt van de gemeente Sliedrecht 2026.

Artikel 1

Definities Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; c. jaar: een kalenderjaar;

83

d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd; Artikel 2

Belastbaar feit 1. Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3

Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak waarop en/of waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen. 2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4

Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.

aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw.

84

Artikel 5

Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak, afhankelijk van de locatie in tariefgebied A (kernwinkelgebied) of tariefgebied B (aanloopgebied). 2. Het vaste bedrag voor reclamebelasting bedraagt in tariefgebied A € 552,00 per jaar per onroerende zaak; 3. Het vaste bedrag voor reclamebelasting bedraagt in tariefgebied B € 324,00 per jaar per onroerende zaak Artikel 6

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 7

Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8

Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 100.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

85

Artikel 9

Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10

Inwerkingtreding 1. De Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2025 van 10 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt Sliedrecht 2026”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2026. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 16 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

mr. R.P.A. van Aalst

mr. drs. J.M. de Vries

86

Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2026.

87

Versie geldig vanaf 1 januari 2026

Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht 2026 van de gemeente Sliedrecht

Verantwoordelijke afdeling

Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid

De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.

De raad der gemeente Sliedrecht;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 2025;

b e s l u i t.:

gelet op artikel 227 van de Gemeentewet

vast te stellen:

De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht 2026.

88

Artikel 1

Definities

Deze verordening verstaat onder: f.

reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; g. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; h. jaar: een kalenderjaar; i. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; j. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd. Artikel 2

Belastbaar feit Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3

Belastingplicht 3. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak: a. die in gebruik is als detailhandel en/of horeca, b. niet zijnde een benzinestation of detailhandel gericht op autoverkoop of -reparatie, c. waarop en/of waarbij ten minste één reclameobject wordt aangetroffen. 4. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4

Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: j. k. l.

die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak;

89

m. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; n. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; o. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; p. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; q. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; r. aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5

Maatstaf van heffing en belastingtarief 3. De reclamebelasting wordt geheven per onroerende zaak op basis van de waarde zoals bepaald op grond van Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). 4. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 5. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde tot en met € 200.000 - € 1.000,00. 6. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 200.001 tot en met € 500.000 € 1.500,00. 7. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 500.001 tot en met € 1.500.000 € 2.000,00. 8. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van meer dan € 1.500.000 - € 3.000,00. 9. Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar wordt verminderd, wordt de aanslag reclamebelasting ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting. 10. Indien de onroerende zaak in de loop van het belastingjaar ontstaat bedraagt het belastingbedrag € 1.000,00. Artikel 6

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 5. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 6. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 7. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting

90

als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 8. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 7

Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8

Termijnen van betaling 4. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 5. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 100.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 6. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 9

Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10

91

Inwerkingtreding 1. De Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2024 van 10 december 2025 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2026”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2026. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 16 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

mr. R.P.A. van Aalst

mr. drs. J.M. de Vries

Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2026.

92

93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/1045/documents/13509