Rapport ecologische scan (21834.001 D1) Sportcentrumlaan e.o.Sittard
Tekst van het document
,
21834. 001 versie D1
29 / 34
kunnen vervolgens tevens gebruikt worden door prooidieren als muizen wat wederom een positief effect heeft op de grotere fauna. ,
Tabel 5. 4. Overzicht van grondgebonden zoogdieren in het gebied , met mogelijk te treffen maatregelen. Soort
Mogelijke maatregelen
Bever
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Laten meanderen van beek en aanplant van inheems zacht loofhout nabij beek
Das
1. 2. 3. 4.
Aanleggen van (lijnvormige) beplantingen en (hoogstam)boomgaarden Aanleggen van (bloemrijk) grasland dat gefaseerd gemaaid wordt Toegang enkel tussen zonsopgang en zonsondergang Zorgen voor zo min mogelijk nachtelijke verlichting
Eekhoorn
1.
Aanplant van noten- en besdragende bomen en struiken
Haas
1. 2.
Aanleg van kruidenrijke graslanden Bepaalde delen van het gebied ontoegankelijk maken voor recreanten en honden
Otter
1. 2.
Zorgen voor voldoende dekking en rust in oeverzones van water Realiseren van struweel en bomen op oevers te meanderen beek
Ree
1. 2. 3. 4.
Aanleg van kruidenrijke graslanden Toegang enkel tussen zonsopgang en zonsondergang Bosschages behouden en ontoegankelijk houden/maken Zorgen voor zo min mogelijk nachtelijke verlichting
Kleine marterachtigen
1.
Landschapselementen realiseren als groene oevers , houtwallen , hagen , takkenrillen , bosranden , struweel , hoge graslandvegetatie , boomgaarden , rommelhoekjes , (wilgen-)singels , graften en steilranden , greppels en rietlanden
Natuurlijk inrichten van de oevers van de beek Zorgen voor vergraafbare oevers Realiseren van natuurlijke moeras- en oeverbegroeiing Toegang nabij watergangen enkel tussen zonsopgang en zonsondergang Te behouden bomen inrasteren , om vraatschade te voorkomen
Amfibieën en vissen Ten gunste van amfibieën zouden poelen met natuurvriendelijk ingerichte oevers gerealiseerd worden. Het laten meanderen van de beek en daarbij natuurlijke oevers creëren werkt tevens ten gunste van amfibieën en vissen. Doelsoorten als zeelt tiendoornige stekelbaars en riviergrondel kunnen profiteren van dergelijke maatregelen. Het is daarbij van belang dat op de oevers voldoende schuilgelegenheid voorhanden is zoals struweel takkenrillen en overige hoger opgaande begroeiing. Voor de visvijver geldt dat ervoor gekozen kan worden om de soorten die niet-inheems zijn of een negatief effect hebben op de lokale flora en fauna te verwijderen. ,
,
,
,
,
,
Reptielen Reptielen hebben baat bij het realiseren van geleidelijke overgangen tussen bos en open gebied stenenhopen takkenrillen en -hopen en hoger opgaande begroeiing. Voor ringslang kunnen daarnaast broeihopen aangelegd worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de informatie vanuit Stichting RAVON (www. broeihopen. nl). ,
21834. 001 versie D1
,
30 / 34
Ongewervelden Maatregelen zoals het realiseren van bloemrijke schrale graslanden en het natuurinclusief ontwikkelen van bebouwing hebben tevens een gunstig effect op ongewervelden. Voor een aantal bijzondere specifieke soorten zijn in tabel 5. 5 maatregelen gespecificeerd. Het betreft soorten als vliegend hert iepenpage kleine parelmoervlinder bosbeekjuffer en kwalificerende soorten voor de nabijgelegen natuurdoeltypen. Hierbij is gekozen om maatregelen voor een aantal specifieke soorten toe te lichten echter zullen veel meer soorten ongewervelden profiteren van dergelijke maatregelen. Voor vliegend hert is het van belang dat oude en afgestorven bomen in het gebied aanwezig mogen blijven. Verder kunnen oude eiken of eikenstronken vrijgezet worden of kunnen kunstmatige broedhopen op zuidgeëxposeerde plaatsen aangelegd worden. Voor iepenpage kunnen inheemse iepen aangeplant worden zoals gladde iep of ruwe iep. De soort heeft niet veel waardplanten nodig om een populatie te kunnen vormen. Voor soorten als kleine parelmoervlinder argusvlinder bruin zandoogje en hooibeestje werkt de aanleg van schrale bloemrijke graslanden met gefaseerd en extensief beheer bevorderend. Voor veel vlinders heeft het de voorkeur dat in de omgeving van deze graslanden bosranden of struweel aanwezig zijn.
Onder andere voor libellen zal het meanderen van de beek en het natuurlijk inrichten van de oevers een gunstig effect hebben. Voor een aantal soorten is het van belang dat zowel beschutte plekken als zonnige plekken in de beek aanwezig zijn. Van deze maatregelen zullen tevens andere ongewervelden sterk profiteren. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Vaatplanten Door middel van de realisatie van extensief beheerde graslanden kan kruiden- en faunarijk grasland gecreërd worden. Bij een goede kwaliteit wordt deze gekenmerkt door een variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel hogere en lagere vegatatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Hiermee kunnen kwalificerende doelsoorten als echte koekoeksbloem gewone margriet grote ratelaar klein vogelpootje muizenoor spits havikskruid witte munt en kamgras teruggebracht of bevorderd worden in het gebied. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
De dynamiek variatie en biodiversiteit in de bosschages kan bevorderd worden middel van kap begrazinsgebeheer en inbreng van strooiselverrijkende soorten. Met aanvullende bosverjongingsactiviteiten met primair lokaal gewenste inheemse boom- en struiksoorten wordt een nieuwe gewenste bosgeneratie met ecologische waarde gerealiseerd. Hiermee kunnen doelsoorten als bochtige klaver gewone salomonszegel lelietje-van-dalen en valse salie bevorderd worden in het gebied. ,
,
,
21834. 001 versie D1
,
31 / 34
6
SAMENVATTING
In het rapport is ingegaan op het historisch en huidig gebruik van het gebied en de verschillende mogelijkheden voor herontwikkeling (hoofdstuk 2). Aanvullend onderzoek naar aanleiding van de quickscan Wet natuurbescherming in bijlage 1 dient meer inzicht te bieden in de te treffen maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3). Verder kunnen extra maatregelen getroffen worden voor bij het gebied passende bijzondere en zeldzame (doel)soorten (hoofdstuk 4) waarmee zowel bij de herontwikkeling als in het gebied de Schwienswei een ecologische meerwaarde gecreëerd kan worden (hoofdstuk 5). Hierbij is het wel van belang dat voldoende mitigerende maatregelen getroffen te worden om verstoring en vernietiging van natuurwaarden te voorkomen (hoofdstuk 5). ,
,
,
,
,
Houd er hierbij rekening mee dat onderhavig rapport een eerste scan betreft van de natuurwaarden en mogelijk te treffen mitigerende en versterkende maatregelen en geen vlakdekkend overzicht biedt. ,
Econsultancy 2 augustus 2023
21834. 001 versie D1
32 / 34
BRONNENLIJST BIJ12 (2017). Kennisdocument Bever Castor fiber. Versie 1.0 juli 2017. Geraadpleegd https://www. bij12. nl/assets/BIJ12-2017-001-Kennisdocument-Bever-1. 0. pdf.
op
15 juni 2023
,
van
BIJ12 (2017). Kennisdocument Das Meles meles. Versie 1.0 juli 2017. Geraadpleegd https://www. bij12. nl/assets/BIJ12-2017-003-Kennisdocument-Das-1. 0. pdf.
op
15 juni 2023
,
van
,
,
Gemeente Sittard-Geleen (26 juni 2013). Beheersverordening Euregionaal Sport- en Congrescentrum Sittard. Geraadpleegd op van Datum: 21 mei 2013 projectnummer: 120382. 6 juni 2023 https://www. ruimtelijkeplannen. nl/documents/NL. IMRO. 1883. BVESCS-VA01/t_NL. IMRO. 1883. BVESCSVA01_index. pdf. ,
,
Gemeente Sittard-Geleen (z. d. ). Hondenspeelweides en -losloopgebieden in Sittard-Geleen. Geraadpleegd op 14 juni 2023 van https://sittardgeleen. maps. arcgis. com/apps/webappviewer/index. html?id=7f5fb47dc55548609e23f171c47e813c. ,
Gemeente Sittard-Geleen en bureau Verbeek (28 september 2021). Oude natuur- en landschapsvisie. Heuts P. G. M. (2007). Effecten van benthivore vissen waterkwaliteit. Een literatuuronderzoek. ,
,
met name
zwem- en
sportlocatie concept ,
Karper (Cyprinus carpio L.)
La Haye M. D. L. Bekker R. Delbroek en R. Janssen (2022). De wasbeer in Limburg periode 2019 CONCEPT. Rapportnr. 2022. 09. Zoogdiervereniging/Bionet Natuuronderzoek Nijmegen/Stein. ,
,
,
,
op
,
de
2022.
–
,
Landschapspark de Graven (z. d. ). Schwienswei fase 1 | 2001. Geraadpleegd op https://web. archive. org/web/20130826070442/http://www. degraven. nl/project-5. htm.
8 juni 2023
,
van
Provincie Noord-Brabant (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Rapportnr. 2017. 32. Rapport van de Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. ,
21834. 001 versie D1
33 / 34
Geraadpleegde websites www. ark. eu www. bij12. nl (gegevens
faunazaken en faunaschade) www. boerenbunder. nl (gebruik agrarische percelen) www. bagviewer. nl (basisregistratie adressen en gebouwen) www. broeihopen. nl (informatie aanleg broeihopen voor ringslang) www. broloket. nl (bodemgegevens) www. legendageomorfologie. wur. nl (geomorfologie bodem) www. ndff. nl (verspreidingsgegevens soorten) www. portal. prvlimburg. nl (atlas Limburg) www. nvwa. nl (Unielijst Invasieve Exoten) www. ruimtelijkeplannen. nl www. sovon. nl (soortgegevens vogels) www. topotijdreis. nl (historisch gebruik percelen) www. verspreidingsatlas. nl (verspreidingsgegevens soorten) www. visitzuidlimburg. nl (gegevens Schwienswei) www. zoetwatervissen. com (gegevens Visvijver Sittard) www. zoogdiervereniging. nl (soortgegevens zoogdieren)
21834. 001 versie D1
34 / 34
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement
Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking
Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied , ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt " externe werking " genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN , ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren
Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren , wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid , voedsel etc. ) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren , eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven , groeien en zich voort-
planten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos , houtwallen , struikgewas , heide , ruigtekruiden , vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening , dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan , daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet
geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van
andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels , voor zoogdieren , planten , paddenstoelen , insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen , kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing , een zogenaamde passende beoordeling , moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied , aantal van een soort of
kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling , dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip , de soorten hoeven er niet te zitten , het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije , maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen , verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt , in de kraamperiode door individuele mannetjes.