Notulen Ronde Raadzaal 8 januari 2026
Tekst van het document
Notulen Ronde Raadszaal op donderdag 8 januari 2026 Tijdstip:
19.00-22.55 uur
1.1 Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening (Salvino)19.00-19.23 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:
J. Tholen A. Lamers
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
F.E.M. van Kan P.T.H.M. Henssen J.W. Coumans J.E. Janssen C. Reiner-Pibiri N.J.E. Strech J.G. Kollée J.J. Renet A.R.A.R. Lotfy M.M.J.T. Schenk-Hermans
het college:
Wethouder Salvino
ambtenaar:
Mevrouw Terpstra
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom Hij licht toe dat technische vragen vooraf zijn gesteld en beantwoord, zodat de vergadering zich kan richten op het politieke debat. Vervolgens introduceert hij het eerste agendapunt: het raadsvoorstel over het vaststellen van het aanwijzingsbesluit elektronische kanalen voor de publieke dienstverlening van de gemeente SittardGeleen. Daarbij wordt ook voorgesteld om mandaten te verlenen aan directeuren en ondermandaat aan teammanagers voor het actualiseren van de bijlagen bij dit besluit. Er wordt gevraagd de gemeenteraad hierover te adviseren. Eerste termijn Mevrouw Van Kan (GOB) geeft aan dat haar fractie positief is over het aanwijzingsbesluit. Ze benadrukt dat het belangrijk is dat richting inwoners goed, duidelijk en transparant wordt gecommuniceerd op welke manier aanvragen kunnen worden ingediend. De heer Coumans (Stadspartij) spreekt zijn steun uit voor het voorstel. Hij wijst erop dat met de nieuwe wet die op 1 januari 2026 in werking treedt de communicatiekanalen tussen gemeente, inwoners en bedrijven worden verbeterd. Daarbij vindt zijn fractie het belangrijk dat inwoners gebruik kunnen blijven maken van de analoge weg.
1
De heer Renet (SPA) stelt een vraag over de bevoegdheden in het voorstel. Hij wil weten of er sprake is van een mandaat of van delegatie. Tegen een mandaat heeft hij geen bezwaar, maar tegen delegatie wel, omdat hij vindt dat de raad de bevoegdheid moet kunnen terughalen wanneer dat nodig is. Mevrouw Schenk-Hermans (PIT) geeft aan dat veel gemeenten worstelen met de vraag hoe de overheid bereikbaar en benaderbaar blijft terwijl de dienstverlening steeds verder digitaliseert. PIT begrijpt dat dit een lastige opgave is, maar ziet ook dat sommige gemeenten hierin bewust duidelijke keuzes maken. Volgens PIT is het voor inwoners niet vanzelfsprekend om te weten via welk kanaal iets formeel moet worden ingediend. Wanneer iemand contact opneemt met de gemeente, moet diegene het gevoel hebben geholpen te worden, zonder eerst zelf door complexe systemen te moeten navigeren. De beantwoording van de technische vragen laat zien dat intern al veel goed is ingericht, waarvoor ze complimenten uitspreekt. Tegelijkertijd roept ze de wethouder op om deze manier van werken ook extern zichtbaarder te maken, zodat duidelijk wordt dat Sittard-Geleen laagdrempelig en bereikbaar is en menselijk wil omgaan met haar inwoners.
De heer Strech (VVD) geeft aan dat zijn fractie voorstander is van goede en moderne digitale dienstverlening en dat het logisch en noodzakelijk is dat Sittard-Geleen voldoet aan de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Inwoners en ondernemers moeten veilig, eenvoudig en betrouwbaar digitaal zaken kunnen doen met de gemeente. Juist omdat deze wet raakt aan de rechten van inwoners, plaatst de VVD daarbij een aantal fundamentele kanttekeningen. Allereerst stelt hij vragen over de timing. De wet is per 1 januari 2026 in werking getreden, terwijl het aanwijzingsbesluit pas later door de raad wordt vastgesteld. De VVD vraagt op welke juridische basis het digitale verkeer in de tussenliggende periode is vormgegeven, omdat het aanwijzen van formele communicatiekanalen een raadsbevoegdheid is en dit de rechtszekerheid van inwoners en de rol van de raad raakt. Daarnaast gaat hij in op de democratische controle. Hoewel de VVD begrip heeft voor het actualiseren van bijlagen via mandaat, bepalen deze bijlagen wel welke kanalen rechtsgeldig zijn. Hij vraagt hoe de raad wordt geïnformeerd over wijzigingen die via mandaat worden doorgevoerd en verzoekt om periodieke overzichten, zodat de raad het overzicht behoudt. Ook vraagt hij aandacht voor de rechtsbescherming van inwoners.
Hij wil weten wat er gebeurt als inwoners een bericht via een informeel kanaal indienen, of zij actief worden geholpen en geen termijnen missen, en hoe inwoners begin januari konden weten welk kanaal rechtsgeldig was. Daarnaast vraagt hij hoe wordt omgegaan met storingen. Tot slot benadrukt hij het belang van toegankelijkheid voor niet digitaalvaardige inwoners. De VVD vraagt hoe deze groep actief wordt ondersteund en hoe wordt voorkomen dat digitale dienstverlening de enige route wordt, terwijl analoge kanalen behouden moeten blijven. De VVD steunt de richting van het voorstel, maar vindt het essentieel dat de raad tijdig wordt betrokken, dat de rechtszekerheid van inwoners is gewaarborgd en dat de democratische controle behouden blijft. Hij sluit af met de vraag of het college kan toezeggen dat de raad bij toekomstige wetgeving met impact op inwonersrechten altijd voor inwerkingtreding wordt betrokken. Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) benadrukt dat haar fractie het belangrijk vindt dat inwoners en ondernemers door de nieuwe wet formeel digitaal kunnen communiceren met de gemeente. Ze noemt daarbij belangrijke randvoorwaarden, zoals een automatische ontvangstbevestiging, een afschrift van de ingediende gegevens, meldingen via de berichtenbox en verlengde termijnen bij storingen.
D66 steunt het voorstel om de bijlagen met formulieren en webpagina’s via mandaat te kunnen actualiseren, zodat efficiëntie, actualiteit en zorgvuldigheid gewaarborgd blijven. Wel vraagt zij nadrukkelijk aandacht voor het monitoren van incidenten en andere knelpunten, zodat de raad geïnformeerd blijft over het succes van de implementatie. Ook onderstreept ze het belang van de zorgplicht voor niet digitaalvaardige inwoners. D66 steunt het besluit, maar stelt nog een aanvullende vraag aan het college. Ze vraagt hoe de gemeente technisch borgt dat voor alle aangewezen digitale kanalen altijd automatisch een ontvangstbevestiging en een afschrift van de ingediende gegevens worden geleverd, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van landelijke of externe systemen zoals DigiD of de MijnOverheid-berichtenbox.
2
De heer Kollée (PVV) geeft aan dat het aanwijzingsbesluit weliswaar als een technisch document wordt gepresenteerd, maar in de praktijk grote gevolgen heeft voor inwoners en bedrijven die hun rechten moeten kunnen uitoefenen. De PVV erkent dat digitalisering noodzakelijk is door landelijke wetgeving en dat het aanwijzen van duidelijke kanalen nodig is, maar waarschuwt voor een systeem waarbij de organisatie de weg kent en de inwoner moet zoeken. Hij benadrukt dat digitalisering nooit mag betekenen dat inwoners rechten verliezen door het kiezen van een verkeerd kanaal, een storing of een fout in een formulier. Volgens de PVV moet het systeem de inwoner dienen en niet andersom, waarbij de menselijke maat leidend blijft. Inwoners moeten actief geholpen worden wanneer zij vastlopen of fouten maken. Daarnaast onderstreept hij het belang van het volledig beschikbaar houden van analoge kanalen, zoals balie en telefonische afspraken, zodat niet digitaalvaardige inwoners niet buitenspel worden gezet. De PVV steunt het principe van digitale kanalen, maar legt de nadruk op dienstverlening, duidelijkheid en actieve ondersteuning. Wethouder Salvino benadrukt dat het aanwijzingsbesluit bijdraagt aan goede dienstverlening en voortvloeit uit de nieuwe wet, die inwoners het recht geeft om ook digitaal formeel met de gemeente te communiceren.
Met dit besluit worden bestaande digitale formulieren en kanalen formeel aangewezen, deze kanalen waren in de praktijk al in gebruik. Op de vraag van de heer Renet verduidelijkt ze dat het om mandaat gaat en niet om delegatie. Ze geeft aan dat veel vragen, met name die van de VVD, al zijn beantwoord in de eerder gestelde technische vragen van onder andere PIT, die aan de stukken zijn toegevoegd. Daarin is ook toegelicht hoe de digitale kanalen worden gebruikt en juridisch worden geborgd. De wethouder benadrukt dat de gemeente de plicht heeft om formulieren goed vindbaar te maken en inwoners correct te begeleiden bij digitale communicatie. Ze bevestigt dat de raad geïnformeerd blijft over wijzigingen en ontwikkelingen. Ook wordt gekeken naar het registreren van knelpunten, bijvoorbeeld wanneer inwoners het verkeerde formulier gebruiken, zoals gesuggereerd in de technische vragen. Daarnaast zegt ze toe extra aandacht te besteden aan communicatie richting inwoners over de digitale dienstverlening. Tot slot onderstreept ze dat toegankelijkheid en inclusie zijn geborgd, digitaal communiceren is een recht en geen verplichting. Analoge kanalen zoals balie en telefonisch contact blijven volledig beschikbaar en veranderen niet door dit besluit.
Mevrouw Terpstra (ambtelijke ondersteuning) licht toe dat de gemeente continu monitort of de verbinding met de landelijke applicaties goed functioneert. De systemen zijn zo ingericht dat acties niet worden afgerond als niet alle stappen correct verlopen, en de burger automatisch geïnformeerd wordt als iets niet succesvol is. Bij kleine storingen krijgt de burger direct een melding. Mocht er onverhoopt iets over het hoofd worden gezien, dan kan de burger contact opnemen en wordt het probleem uitgezocht en coulance toegepast. In de regeling is vastgelegd dat, wanneer de techniek niet werkt, samen naar een oplossing wordt gezocht, zodat de inwoner niet de dupe wordt van technische problemen. Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) vraagt of er ook daadwerkelijk protocollen zijn ingericht voor storingen, vooral omdat externe API’s problemen kunnen veroorzaken. Ze wil weten of er intern duidelijke afspraken bestaan over hoe te handelen bij storingen, zodat iedereen weet wat te doen. Mevrouw Terpstra (ambtelijke ondersteuning) bevestigt dat dit technisch is geregeld. Samen met ICT en de vakafdelingen zijn protocollen opgesteld voor het afhandelen van storingen. Ze benadrukt echter dat door continue ontwikkelingen, zoals nieuwe externe API’s, er steeds opnieuw aanpassingen nodig kunnen zijn.
Wat nu is ingericht kan morgen weer aanvullingen of bijstellingen vereisen om nieuwe situaties goed te kunnen afhandelen. De voorzitter concludeert dat het agendapunt als hamerstuk naar de raadsvergadering kan. Hij schorst de vergadering voor enkele minuten.
3
1.2 Vernieuwing en voortzetting regeling Starterslening (Geilen) 19.30-21.20 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:
J. Tholen A. Lamers
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
E.J.C. Janssen P.J. Brouwers W.P.H. Paauwe J.E. Janssen C. Reiner-Pibiri J.M.H. Joosten D.D.W. Pfoster P.W.M. Winteraeken-Bruls A.R.A.R. Lotfy M.G.H. Habets
het college:
Wethouder Geilen
ambtenaar:
De heer Machiels
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent het tweede agendapunt, waarin de raad wordt gevraagd te adviseren over de vaststelling van de verordening starterslening, die vanaf 1 februari 2026 geldt, en over instemming met een verhoging van de lening aan het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten met 1,6 miljoen euro voor de uitvoering van de regeling. Eerste termijn De heer Pfoster (PVV) geeft aan dat de starterslening aantoonbaar verschil maakt voor een deel van de starters op de woningmarkt. De PVV-fractie steunt het uitgangspunt dat starters een eerlijke kans verdienen, maar benadrukt dat zorgvuldig moet worden omgegaan met de inzet van gemeentelijke middelen. Hij merkt op dat de vraag naar de lening sterk is toegenomen, maar dat ongeveer de helft van de toegekende aanvragen uiteindelijk niet leidt tot een daadwerkelijke lening. SVn kan echter geen inzicht geven in de redenen van afwijzing, waardoor het beleid moeilijk bij te sturen is. De PVV vindt dat de regeling terecht moet komen bij starters die het echt nodig hebben en niet bij financieel minder kwetsbare mensen. De maximale koopsom van 300.000 euro ligt boven het bedrag waarvoor de meeste starters woningen kopen (circa 250.000 euro), wat vragen oproept over de doelgroepafbakening. Positief is dat SVn alle aanvragen aan een autonome financiële toetsing onderwerpt.
Over de financiële kant merkt hij op dat de gemeente formeel extra 1,6 miljoen leent via SVn, waarbij de gemeente materieel wel risico loopt. Het renterisico wordt beperkt geacht, maar volledig risicoloos is het niet. Het fonds wordt als feitelijk revolverend gezien, maar de mate van revolvering is onvoldoende om zonder extra middelen nieuwe leningen te verstrekken. Een overzicht van aflossingen sinds 2015 ontbreekt nog.
4
De PVV benadrukt dat financiële voorzichtigheid belangrijk is om sociaal beleid structureel voort te zetten. Ook wijst hij erop dat startersleningen geen extra woningen creëren en mogelijk prijsopdrijvend werken bij krap aanbod. De fractie vindt dat de starterslening ondersteunend mag zijn, maar niet het hoofdinstrument van het woonbeleid. De focus blijft op meer, sneller en lokaal bouwen. Positief vindt de PVV dat starters vaak oudere of kwetsbare woningen kiezen, waardoor leegstand wordt tegengegaan, wijken worden opgeknapt en woningen worden verduurzaamd. Ook waardeert de fractie dat de uitvoering structureel bij één beleidsmedewerker ligt en dat er na één jaar een evaluatie van de regeling en maximale koopsom plaatsvindt. Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) steunt de ambitie om starters te helpen, als onderdeel van een breder beleid om jongeren in Sittard-Geleen te behouden en een logische doorstroom op de woningmarkt te bevorderen. Ze benadrukt dat de starterslening een waardevol extra instrument is, waarmee in 2024– medio 2025 al 114 starters succesvol een woning konden kopen, een van de hoogste aantallen in Limburg. D66 waarschuwt echter voor het principiële probleem van onduidelijkheid over continuïteit. Als de regeling telkens moet worden gesloten omdat het budget op is, kan dit het vertrouwen in de overheid ondermijnen.
Ze steunt wel de keuze om de maximale koopsom vast te stellen op 300.000 euro, om kwetsbare huishoudens te beschermen en de inclusieve werking in wijken zoals Lindenheuvel te behouden. Een belangrijk aandachtspunt is volgens D66 de woonlastenimpact voor starters, vooral in oudere woningen met energielabel D–G. De starterslening kan worden ingezet voor verduurzaming, maar dit is geen verplichting. D66 wil dat starters vooraf inzicht krijgen in hun totale woonlasten, inclusief hypotheek, energielasten en eventuele lening voor verduurzaming, en of dit in de praktijk haalbaar is, vooral voor starters met beperkte financiële buffers zoals een studieschuld of weinig spaargeld. De fractie vraagt daarom expliciet om blijvende aandacht voor monitoring van de woonlastenimpact en begeleiding van deze doelgroep. Hun concrete vraag aan het college is om een impactanalyse te delen van de te verwachten totale woonlastenontwikkeling (hypotheek, starterslening en verduurzamingskosten) voor woningen met de slechtste energielabels, zodat kan worden getoetst of de regeling daadwerkelijk leidt tot structureel verantwoorde maandlasten en een evenwichtige loan-to-value. De heer Habets (PIT) benadrukt dat PIT het belangrijk vindt om realistische, SMART geformuleerde doelen vast te leggen en te kunnen verantwoorden.
PIT maakt zich zorgen over de financiering van het plan, het huidige voorstel is duurder dan de eerdere variant door een lagere bijdrage van de provincie, en door het verruimen van de criteria lijkt het dat er meer aanvragen mogelijk zijn, terwijl dit financieel niet is meegewogen. PIT had graag gezien dat de raad eerder betrokken werd bij de mogelijkheid om de regeling vorig jaar uit te breiden of aan te passen, het niet bespreken hiervan ziet de fractie als een gemiste kans. PIT pleit er dan ook voor dat de raad in de toekomst tijdig wordt geïnformeerd en keuzes kan meewegen, zodat niet pas achteraf blijkt dat het budget op is. Het doel is een adequate regeling voor starters, waarbij de raad voldoende invloed behoudt. De heer Paauwe (Stadspartij) benadrukt dat de regeling voor starters snel gerealiseerd moet worden om nieuwe en bestaande inwoners, vooral jongeren, te helpen zich in Sittard-Geleen te vestigen of te laten blijven. Hij hekelt dat de raad pas in november 2025 werd geïnformeerd dat het budget op was, terwijl er eerder kansen lagen in samenwerking met de provincie. De Stadspartij vindt dat de maximale koopsom van 300.000 euro te laag is gezien de huidige woningprijzen en betwijfelt de conclusie dat een hoger maximum (345.000 euro) het doel van de regeling voorbijschiet.
Volgens hen zouden diverse woningen boven 280.000 euro uitkomen, waardoor sommige aanvragen vooraf kansloos zijn. Met het voorgestelde budget van 1,6 miljoen euro en minimaal 80 leningen in 2026 vindt de fractie de middelen aan de karige kant. Zij pleiten voor een hoger budget om de aantrekkingskracht van betaalbare koopwoningen te vergroten, vergelijkbaar met het beleid in Heerlen, en benadrukken dat dit niet alleen voor zorgpersoneel van belang is. De fractie vraagt de wethouder of het maximale budget van 1,6 miljoen euro mogelijk tegen een provinciaal plafond aanloopt en stelt dat een hogere inzet deels kan compenseren wat in 2025 is gemist. De Stadspartij ziet dit als een kans voor samenwerking en benadrukt dat een snelle en ambitieuze
5
regeling een mooie impuls kan zijn voor de stad en nieuwe huizenkopers, ter gelegenheid van het 25jarig bestaan van Sittard-Geleen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat het goed is dat er een nieuwe verordening komt die per 1 februari in werking kan treden, zodat starters weer dat extra zetje krijgen. Ze steunt ook de verhoging van de maximale koopprijs voor de starterslening naar 300.000 euro. Ze geeft echter aan dat 300.000 euro volgens haar niet meer realistisch is voor het kopen van een starterswoning, en ze vraagt of er mogelijkheden zijn om de koopprijs iets te verhogen. Daarnaast hekelt ze dat de raad niet eerder is geïnformeerd over het leeg raken van het budget. Continuïteit van de starterslening is volgens haar essentieel voor inwoners, en het past bij een betrouwbare overheid dat gelijke situaties gelijk worden behandeld. Mevrouw Joosten (VVD) begint met kritiek op de manier waarop het college de raad heeft geïnformeerd. Ze wijst erop dat de beantwoording van hun artikel 43-vraag pas op de dag van de vergadering naar de raad is gestuurd, terwijl deze al op 10 december was ingediend en de stukken dinsdag al in het college zijn besproken. Volgens haar is dit geen slordigheid, maar een bewust te late informatieverstrekking, wat past in het patroon dat het college dossiers achteraf rechtvaardigt in plaats van de raad tijdig te betrekken.
Ze benadrukt dat de raad geen nieuwsbriefabonnee is, maar het hoogste bestuursorgaan, en dat het college een actieve informatieplicht heeft die hier is geschonden. Het argument van het college dat zij niet eerder konden handelen vanwege het ontbreken van definitieve provinciale besluitvorming houdt volgens haar geen stand, het college wist al in 2024 dat de provinciale regeling zou wijzigen en dat het budget voor startersleningen op zou raken. Andere gemeenten hebben op basis van dezelfde informatie wel tijdig geanticipeerd. De gevolgen van het te late handelen zijn concreet, starters zijn maandenlang uitgesloten geweest, hebben koopkansen gemist en zijn soms financieel benadeeld. Volgens de VVD negeert het college dit in de beantwoording en verschuilt het zich achter technische en boekhoudkundige redeneringen, terwijl voor starters de situatie realiteit is. De VVD concludeert dat het college te laat heeft gehandeld, de raad structureel te laat heeft geïnformeerd en geen politieke verantwoordelijkheid neemt. Mevrouw Joosten stelt dat als het college volhoudt dat alles correct is verlopen, de VVD dit dossier niet als afgesloten beschouwt en bij de eerstvolgende raadsvergadering een motie van afkeuring overweegt.
De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat zijn fractie het raadsvoorstel voor het continueren van de starterslening steunt, inclusief het beschikbaar stellen van minimaal 80 leningen door verdubbeling van het budget. Hij vindt het jammer dat potentiële starters ruim een half jaar geen beroep op de regeling konden doen en dat de raad hiervan niet tijdig op de hoogte werd gebracht. Hij vraagt de wethouder hoe wordt voorkomen dat dit in de toekomst opnieuw gebeurt, zodat de raad tijdig kan beslissen en geen starters buiten de boot vallen. Hij benadrukt dat de startende koper steeds jonger is, vaak onder de 25 jaar, waardoor de vraag naar de regeling waarschijnlijk verder zal stijgen. GroenLinks/PvdA ziet weinig financieel risico voor de gemeente, omdat de leningen via een revolverend fonds verlopen, de starter lost binnen 3 jaar gedeeltelijk af en volledig bij verkoop binnen 30 jaar. De fractie steunt ook de maximale koopsom van 300.000 euro, waardoor de regeling gericht blijft op starters met een lager inkomen en bijdraagt aan de leefbaarheid van kwetsbare wijken zoals Lindenheuvel en Lutterade. Daarnaast benadrukt hij dat door aankoop via de regeling sociale huurwoningen vrijkomen.
Hij vraagt de wethouder of onderscheid kan worden gemaakt tussen woningen die daadwerkelijk vrijkomen en sociale huurwoningen die worden gekocht, en stelt voor dat dit onderdeel wordt van een bredere impactanalyse. Tot slot merkt hij op dat veel aanvragen niet succesvol worden afgerond en vraagt hij of bij het e-formulier meer aandacht kan worden besteed aan goede instructies om teleurstellingen te beperken. GroenLinks/PvdA benadrukt dat het uiteindelijke doel blijft om jonge starters te helpen aan betaalbare koopwoningen, parallel aan een toename van betaalbare huur- en koopwoningen in de stad. Mevrouw Janssen (GOB) spreekt namens haar fractie waardering uit voor het voorstel voor de voortzetting en actualisering van de starterslening. Ze benadrukt dat de regeling goed wordt gevonden door jongeren en starters en dat de vraag hoog blijft. Ze steunt het verhogen van het budget naar 1,6
6
miljoen euro, omdat dit in de huidige woningmarkt nodig is om starters te helpen en teleurstellingen te voorkomen. De fractie waardeert ook de maximale koopsom van 300.000 euro. Ze stelt een vraag aan de wethouder over waarom ervoor is gekozen de regeling eerst integraal te evalueren en aan de raad voor te leggen, in plaats van tussentijds ad hoc aanpassingen te doen. Tot slot complimenteert ze de wethouder en de organisatie met het uitvoeren van de afgesproken evaluatie, iets waar ze eerder nadrukkelijk om had gevraagd. De heer Brouwers (CDA) benadrukt dat Sittard-Geleen, op één gemeente na, de meeste startersleningen van Limburg verstrekt en dat dit laat zien dat de gemeente actief investeert in jonge kopers. Hij vindt het belangrijk dat dorpen en stad aantrekkelijk blijven voor starters, en dat de starterslening bijdraagt aan een betere doorstroming op de woningmarkt. Hij merkt op dat door wijzigingen in de provinciale regeling de gemeente meer moet bijdragen, maar dat dit de investering waard is gezien het belang voor starters. Hij waardeert dat de regeling in lijn is met buurgemeenten, wat zorgt voor uniformiteit in de regio. De lening biedt starters betere kansen, vooral nu huurprijzen stijgen.
Daarnaast benadrukt hij het belang van een periodieke evaluatie van de regeling, zodat de raad tijdig kan bijsturen als de woningmarkt of de behoeften van starters veranderen, of als het budget dreigt op te raken. Hij vraagt de portefeuillehouder hoe dit proces concreet wordt ingericht, zodat de raad effectief kan anticiperen en eventueel extra budget kan vrijmaken indien nodig. Wethouder Geilen onderschrijft de analyse van onder andere de heer Pfoster dat de lening een aanvullend instrument is, het is niet bedoeld om het woningtekort op te lossen, maar om starters daadwerkelijk te ondersteunen bij hun eerste woning. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat de lening onbedoeld prijsopdrijvend werkt in de markt. Hij legt uit dat er een uitgebreide evaluatie is uitgevoerd om te onderzoeken hoe de regeling in de praktijk functioneert, en dat deze evaluatie de aanleiding vormt voor het huidige voorstel om de verordening bij te stellen en het maximale leenbedrag vast te stellen. Het doel is om het instrument effectief, doelgericht en toekomstbestendig te houden. Hij benadrukt dat het belangrijk is om periodiek te blijven evalueren en de resultaten te delen via de factsheet wonen, zodat de raad tijdig inzicht heeft in de werking van de regeling en eventueel kan bijsturen. Daarnaast gaat hij in op de kritiek over het tijdig informeren van de raad.
Hij erkent dat de raad vorig jaar in juli eerder op de hoogte had moeten worden gesteld over de stand van zaken rondom de starterslening. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de vragen van mevrouw Joosten over het dossier van 11 december binnen de termijn van het reglement van orde zijn beantwoord. Hoewel de raad de antwoorden pas recentelijk schriftelijk ontving, waren deze al verstrekt tijdens afgelopen raadsvergadering en verwerkt in de notulen van deze raadsvergadering en beschikbaar voor raadsleden. Hij legt verder uit dat de standaardprocedure is dat vragen die in het college op dinsdag worden besproken, donderdag naar de raad worden verzonden. Dit is een vaste werkwijze, waardoor de raad altijd op tijd over het volledige dossier beschikt voor de behandeling. Hiermee wil hij benadrukken dat er geen sprake is van nalatigheid, maar dat het college handelt binnen de geldende termijnen en procedures, zodat de raad de mogelijkheid heeft een weloverwogen besluit te nemen. Mevrouw Joosten (VVD) uit haar frustratie over de manier waarop het college met de raad omgaat. Ze vindt het oneerlijk dat de art. 43 vragen van haar fractie van 10 december pas zo laat werden beantwoord, terwijl de technische vragen van andere fracties binnen een paar dagen worden behandeld.
Ze benadrukt dat het laat ontvangen van de antwoorden het moeilijk maakt om zich goed voor te bereiden op de raadsbehandeling en noemt de gang van zaken flauw en niet correct richting de raad. Wethouder Geilen legt uit dat alle vragen, inclusief de artikel 43-vragen, binnen de geldende termijn zijn beantwoord en conform het reglement van orde via de collegetafel aan de raad zijn verstrekt. Hij wijst erop dat technische vragen op een ander moment worden behandeld en niet via het college lopen, maar dat ook die tijdig aan de raad beschikbaar waren. Hij geeft toe dat het ideaal geweest zou zijn de raad al in juli vorig jaar te informeren over het leegraken van de pot voor de starterslening. Wel schetst hij het dilemma dat er nog een wijzigende verordening van de provincie aan zat te komen. Een apart voorstel alleen om de pot te verhogen zou daarom een
7
tweetrapsraket in de besluitvorming hebben vereist, wat inefficiënt zou zijn geweest. In plaats daarvan is gekozen voor een integraal voorstel waarin zowel de verordening als de budgetaanpassing samen zijn meegenomen, zodat de raad een volledig en weloverwogen dossier ontvangt. Hij merkt op dat de gemeente naar zijn weten een van de eerste is die in dit jaar een nieuwe verordening voorlegt op basis van de geactualiseerde provinciale regeling, waarmee starters vanaf 1 februari 2026 weer toegang hebben tot de lening. Hij benadrukt dat dit zorgvuldig en integraal is aangepakt, met oog voor zowel wettelijke vereisten als de belangen van de starters. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) uit haar zorgen over de manier waarop het college reageert op raadsleden. Ze vindt het ongepast dat wethouder Geilen suggereert dat mevrouw Joosten haar vragen zelf in de notulen had kunnen terugvinden, en noemt dit een wijzend vingertje dat te vaak voorkomt. Ze benadrukt dat het niet de taak van raadsleden is om zelf antwoorden te zoeken in notulen, raadsinformatiebrieven of andere stukken. Als raadsleden vragen stellen, hebben ze recht op volledige en duidelijke beantwoording, zodat zij hun controlerende en adviserende rol goed kunnen uitvoeren.
Ze vraagt de wethouder daarom om in de toekomst gepaster en respectvoller om te gaan met vragen van de raad, en noemt dit met name belangrijk omdat dit dossier al twee keer aanleiding tot dezelfde discussie geeft. Mevrouw Joosten (VVD) uit haar ongenoegen over het handelen van het college rondom de starterslening. Ze benadrukt dat het antwoord van de wethouder dat alles al was beantwoord niet klopt: de raad is vorig jaar niet tijdig geïnformeerd over het leeg raken van het budget en het uitblijven van een nieuwe aanvraag voor de regeling. Ze wijst erop dat Sittard-Geleen de enige Limburgse gemeente is die dit in 2025 niet tijdig heeft gedaan, terwijl andere gemeenten hun raad al begin januari 2025 informeerden en de regeling op tijd opnieuw hebben aangevraagd. Ze wil een duidelijk antwoord van de wethouder waarom dit niet eerder is gebeurd en waarom de gemeente achterblijft bij de andere Limburgse gemeenten. Wethouder Geilen legt uit dat het misverstand van mevrouw Joosten over de timing en het budget niet gaat om extra geld bij de provincie aanvragen. Hij verduidelijkt dat als de gemeente vorig jaar een voorstel had ingediend om het leningdeel te vullen, dit alleen effect zou hebben gehad op de mogelijkheid om leningen te verstrekken op basis van de oude verordening van Sittard-Geleen.
Na de aanpassing van de provinciale verordening in oktober 2025 moest de verordening van SittardGeleen worden bijgesteld. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat het leenbedrag in 2026 voor 50 procent door de provincie en voor 50 procent door de gemeente wordt gefinancierd, tegenover eerdere verhoudingen van 75-25. Hierdoor moet de gemeente iets meer lenen bij de bank om door te lenen aan starters, maar het risico daarvan is klein en heeft geen significant financieel nadelig effect voor SittardGeleen. Mevrouw Joosten (VVD) is het niet eens met de uitleg van wethouder Geilen. Ze stelt dat de gemeente door het late handelen een belangrijke kans voor starters heeft gemist. Doordat de verordening niet eerder was aangepast, konden inwoners van Sittard-Geleen gedurende een half jaar geen gebruikmaken van de starterslening. Had de gemeente eerder actie ondernomen, dan hadden deze starters wel geholpen kunnen worden bij het kopen van een woning. Daarnaast wijst ze op de financiële kant van de zaak. Wethouder Geilen stelt dat het niets kost voor de gemeente, maar volgens mevrouw Joosten is dat te kort door de bocht. Omdat de gemeente de helft van het leenbedrag financiert, moet ze hiervoor geld lenen en rente betalen. Er is dus wel degelijk een financiële impact, al noemt de wethouder dit risico klein. Het belangrijkste punt blijft echter de te late actie van het college.
Het belangrijkste probleem is dat de continuïteit van de startersregeling hierdoor niet is gewaarborgd, waardoor inwoners in een kwetsbare positie zijn gebracht. Voor haar gaat het dus niet alleen om de technische of financiële details, maar vooral om het feit dat starters te lang zijn uitgesloten van een belangrijke regeling die hen helpt aan een eerste woning. Wethouder Geilen benadrukt nogmaals dat het financiële effect voor de gemeente minimaal is. Hij legt uit dat de gemeente momenteel geld leent tegen 3,8 procent en dit vervolgens doorleent aan starters tegen 4 procent. Daardoor ontstaat er geen financieel nadeel, de gemeente kost het niets. Wel erkent hij dat er
8
een half jaar geen startersleningen zijn verstrekt, maar hij ziet dit als een bekend fenomeen dat ook in andere gemeenten voorkomt, zoals Maastricht en Venlo, waar het vullen van het budget eveneens enkele maanden duurde. Hij legt uit dat het uitstel in Sittard-Geleen grotendeels te maken had met de onzekerheid over de provinciale verordening. Pas in oktober werd definitief vastgesteld wat de nieuwe verordening precies inhield, inclusief het maximale leenbedrag. Daarom heeft het college gewacht met het indienen van een voorstel tot de provinciale regels duidelijk waren, om vervolgens een integraal voorstel te kunnen doen voor zowel de aanpassing van de verordening als de verhoging van het budget. Hij erkent dat dit achteraf misschien anders had gekund, bijvoorbeeld met een tweetrapsraket van besluiten, maar ziet dit als een logische keuze om een volledig en correct voorstel voor te leggen. Mevrouw Joosten (VVD) vraagt waarom Sittard-Geleen de enige Limburgse gemeente was die in 2025 geen nieuwe startersleningen kon verstrekken, ondanks dat bekend was dat de regeling in 2026 zou veranderen, waardoor er een half jaar geen leningen beschikbaar waren. Wethouder Geilen legt uit dat het feit dat Sittard-Geleen zo populair is voor startersleningen de kern van het probleem is.
In andere gemeenten blijft de pot vaak onbenut omdat er weinig geschikte woningen zijn of omdat de maximale koopsom niet wordt gehaald, waardoor zij niet snel een nieuw budget hoeven aan te vragen. In Sittard-Geleen raakt de pot snel leeg door het grote gebruik van de regeling. Hij geeft aan dat men in juli of direct na de zomervakantie vorig jaar de pot had kunnen aanvullen, maar dat toen nog niet bekend was hoe de provinciale verordening in oktober zou veranderen. Hierdoor konden de benodigde doorrekeningen niet worden gemaakt. Daarom is gekozen voor een integraal voorstel nu, waarbij de verordening wordt aangepast en het budget wordt bijgesteld naar 1,6 miljoen euro. Hij benadrukt dat het bedrag van 1,6 miljoen euro gebaseerd is op de analyse van gebruik en gemiddelde leenbedragen. Het kan ook hoger worden gesteld, bijvoorbeeld 10 miljoen euro, maar dan is het aan de raad om te beslissen. De jaarlijkse evaluatie zorgt ervoor dat men kan bijsturen en blijft monitoren of de starterslening nog steeds het juiste instrument is. Mevrouw Joosten (VVD) vraagt waarom de gemeente Sittard-Geleen een jaar heeft gewacht om met een nieuwe regeling voor startersleningen te komen, terwijl andere gemeenten dit eerder hebben gedaan, ondanks dat de provincie in 2024 al had aangegeven een jaar de tijd te hebben.
Wethouder Geilen antwoordt dat een voorstel voor het wijzigen van de gemeentelijke verordening pas kan worden ingediend zodra de provinciale verordening definitief is vastgesteld, wat in oktober gebeurde. Pas daarna kon de gemeente een compleet en correct voorstel maken dat aansloot op de nieuwe provinciale regels. De heer Habets (PIT) vraagt verduidelijking over een punt in de beantwoording van wethouder Geilen. Hij had namelijk aangegeven te hebben overwogen de startersleningregeling te stoppen. Hij vindt dat verwarrend, zeker gezien dat de verordening er vorig jaar al was en alle andere gemeenten de regeling juist hebben voortgezet. Hij wil van de wethouder weten waarom die overweging tot stoppen überhaupt is gemaakt, terwijl er in de zaal en bij andere gemeenten juist brede steun is om de regeling voort te zetten. Wethouder Geilen legt uit dat de overweging om de regeling eventueel te stoppen voortkwam uit een bredere evaluatie van het instrument. Hij benadrukt dat een starterslening geen doel op zich is, maar een middel om starters daadwerkelijk te helpen. Daarom is het belangrijk om te beoordelen of de regeling nog effectief is.
Wordt het doel bereikt, blijft het beschikbare segment van goedkopere woningen beschikbaar, en zijn er misschien andere, effectievere manieren om starters te ondersteunen? Deze afwegingen worden ook in overleg met andere gemeenten en bestuurlijke gremia gemaakt. Hij geeft aan dat uit deze evaluatie blijkt dat de regeling nog steeds relevant is, wat de reden is dat er nu een aangepast voorstel ligt en de provinciale verordening is verlengd, zij het met een gewijzigde verdeling van verantwoordelijkheden. Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) vraagt om meer uitleg over welke parameters bij de evaluatie van de starterslening worden meegenomen. Ze verwijst naar de maximale koopsom die technisch al is
9
behandeld, maar wil weten welke andere factoren belangrijk zijn en welke de wethouder zelf relevant vindt, bijvoorbeeld in het kader van een impactanalyse. Wethouder Geilen verwijst naar de bijgevoegde evaluatie voor de parameters die momenteel zijn meegenomen. Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) benadrukt dat bij de evaluatie ook de effecten op de koper zelf meegenomen moeten worden, zoals de impact op woonlasten, vooral bij woningen met lagere energielabels. Ze merkt op dat dit aspect niet duidelijk terugkomt in de stukken en vindt dat dit een belangrijk punt is om op te nemen in de evaluatie. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) stelt dat, gezien de uiteenlopende meningen van de fracties, er opnieuw een situatie kan ontstaan waarin het college wacht op de definitieve vaststelling van een gewijzigde provinciale verordening. Hij pleit ervoor dat het college proactief handelt, net zoals andere gemeenten dat doen, anticiperen op de verwachte wijzigingen en tijdig een voorstel voorbereiden om het budget aan te passen. Zo kan de raad op tijd besluiten nemen en wordt voorkomen dat starters onnodig moeten wachten. Wethouder Geilen legt uit dat het college zeker kan anticiperen op de hoogte van het resterende leenbedrag door de regeling via de jaarlijkse factsheet wonen te volgen.
Hij erkent dat een meer proactieve aanpak mogelijk was geweest, maar dat het college er destijds bewust voor heeft gekozen om te wachten op een volledig en integraal voorstel. Hij benadrukt dat situaties waarin de pot tijdelijk leeg is ook in andere gemeenten en bij de provincie voorkomen, en dat dit geen ongebruikelijk verschijnsel is. Tegelijkertijd wijst hij erop dat bij een snelle uitputting van de pot het cruciaal is om voldoende tijd te hebben voor een gedegen evaluatie, zodat beslissingen over het leenbedrag en de maximale koopsom van woningen gebaseerd kunnen worden op feitelijke stuurinformatie. Tot slot geeft hij aan dat het college openstaat voor de signalen van de raad en deze meeneemt voor toekomstige besluiten, maar dat het belang van kritische evaluatie en onderbouwde keuzes niet mag worden losgelaten. De heer Paauwe (Stadspartij) benadrukt dat het college de raad niet zomaar had kunnen informeren, maar had moeten informeren toen op 7 juli 2025 de bestedingsruimte van de startersregeling was uitgeput. Hij legt uit dat het hier niet om een vrijblijvende mededeling gaat, maar om informatie waar de raad direct op moet kunnen handelen in zijn controlerende rol. Wethouder Geilen legt uit dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het doorrekenen van woonlasten voor potentiële kopers, inclusief hypotheek, starterslening en energiekosten bij een laag energielabel.
Volgens hem is dat de taak van hypotheekadviseurs en SVn, waar starters hun aanvraag doen en digitaal hun mogelijkheden kunnen berekenen. Daarnaast gaat hij in op een vraag van de heer Janssen over het onderscheid tussen startersleningen gebruikt voor sociale huurwoningen en andere woningen. Hij stelt dat dit niet achteraf te achterhalen is, omdat er geen gegevens over de exacte woningen zijn verzameld. Een toekomstig onderscheid zou pas mogelijk zijn als het aanvraagformulier wordt aangepast, maar hij vraagt zich af hoe relevant die parameter werkelijk is. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat het belangrijk is te weten of starters een sociale huurwoning achterlaten, zodat deze vrijkomt voor anderen, of dat ze rechtstreeks uit een ouderlijk huis kopen. Wethouder Geilen legt uit dat de gemeente momenteel geen zicht heeft op de herkomst van aanvragers of hun woonsituatie. Wel is bekend of iemand uit de eigen gemeente komt. Hij geeft aan dat dit mogelijk te achterhalen is als het aanvraagformulier wordt aangepast, maar dat dit overlegd moet worden met SVn, omdat het formulier generiek voor alle gemeenten is. Hij erkent dat deze informatie relevant kan zijn om te zien of er sprake is van een verschuiving op de woningmarkt of dat het om nieuwe kopers gaat. Hij belooft te onderzoeken of dit meegenomen kan worden.
10
De heer Habets (PIT) vraagt of het mogelijk is om voorwaarden aan de starterslening te koppelen, bijvoorbeeld een bepaald percentage voor verduurzaming, om zo een extra stap voorwaarts te maken voor starters. Wethouder Geilen legt uit dat dit niet kan, omdat de provinciale verordening bepaalt dat het leenbedrag vrij besteedbaar is. Het mag uiteraard aan de woning zelf besteed worden, maar de gemeente kan niet extra voorwaarden opleggen over hoeveel procent voor verduurzaming of andere doeleinden moet worden gebruikt. De heer Paauwe (Stadspartij) merkt op dat de maximale koopprijs van de starterslening van 300.000 euro mogelijk nog iets omhoog kan, omdat de gemiddelde koopprijs voor 2026 rond 290.000 euro ligt. Hij geeft aan dat een kleine verhoging waarschijnlijk geen wijziging van de verordening vereist. Tegelijkertijd verwijst hij naar mogelijke stijgende huizenprijzen en duurzaamheidseisen, wat de druk op het maximale leenbedrag zou kunnen vergroten. Wethouder Geilen legt uit dat de maximale koopsom van de starterslening van 300.000 euro gebaseerd is op een analyse van de afgelopen jaren. Daaruit blijkt dat de meeste startersleningen werden toegekend voor woningen onder de eerdere grens van 280.000 euro, en dat slechts een klein deel van de leningen de maximale koopsom bereikte. Het gemiddelde lag dus aanzienlijk lager.
Hij benadrukt dat de grens van 300.000 euro lokaal passend is, ondanks dat de provincie een maximum van 345.000 euro toestaat. Een verhoging boven 300.000 euro zou een wijziging van de gemeentelijke verordening vereisen en zou mogelijk een negatief effect hebben op de woningmarkt. Woningen tussen 300.000 euro en 345.000 euro zijn geen echte starterswoningen meer, maar vallen in het middensegment. Door de grens op 300.000 euro te houden, blijft het lagere segment bereikbaar voor starters, worden deze woningen daadwerkelijk gekocht met de starterslening, en blijft het segment aantrekkelijk en beschikbaar. De heer Paauwe (Stadspartij) vraagt of het vaststellen van de grens van 300.000 euro niet juist een deel van de potentiële kopers uitsluit, namelijk starters die net boven dat bedrag willen kopen. Hij geeft aan dat het maximale leenbedrag van de starterslening als plafond fungeert en dat door het bedrag iets te verhogen, zonder meteen het provinciale maximum van 345.000 euro te volgen, je ook die hogere segmentkopers zou kunnen bedienen. Wethouder Geilen legt uit dat het verhogen van de maximale koopsom verder dan 300.000 euro inderdaad meer mensen zou bedienen. Het instrument van de starterslening is echter specifiek bedoeld om starters met lagere inkomens te helpen bij het kopen van hun eerste woning.
Hij benadrukt dat de lening op termijn gewoon terugbetaald wordt, inclusief rente, waardoor hogere leenbedragen ook hogere woonlasten voor de toekomst betekenen. De huidige grens van 280.000 tot 300.000 euro is voldoende om deze doelgroep te bedienen, terwijl het betaalbaar blijft. Hogere bedragen zouden het instrument naar een bredere doelgroep verschuiven, waarvoor het oorspronkelijk niet bedoeld is. De heer Paauwe (Stadspartij) vraagt of van de 283 startersleningsaanvragen tussen 1 januari 2024 en 2025, waarvan er 239 zijn toegekend, de afwijzingen te maken hadden met een leeg budget en of de afgewezen aanvragers nog een nieuwe kans kunnen krijgen. Wethouder Geilen legt uit dat niemand van de afgewezen aanvragen tussen 2024 en 2025 is afgewezen vanwege een leeg budget. Doelgroepen, makelaars en hypotheekverstrekkers waren tijdig geïnformeerd, zodat er geen onnodige aanvragen werden ingediend toen de pot leeg raakte. Bovendien kunnen degenen die vorig jaar geen lening konden krijgen, dit jaar opnieuw een aanvraag doen zodra de nieuwe regeling vanaf 1 februari van kracht is, mits zij aan alle voorwaarden voldoen. Tweede termijn Mevrouw Joosten (VVD) vraagt aan de andere raadsleden hoe zij het ervaren dat de provincie al in november 2024 had aangegeven dat de startersleningregeling zou veranderen, terwijl het college daar
11
toen volgens haar geen actie op heeft ondernomen en de raad daar niet over heeft geïnformeerd. Ze is benieuwd naar hun mening hierover. De heer Pfoster (PVV) legt uit dat het feit dat de startersleningenpot afneemt geen beleidsbeslissing is, maar een rekenkundig gevolg. Tegelijkertijd veranderden de provinciale spelregels van een 75-25 naar een 50-50 financieringsverhouding. Omdat het college op dat moment nog niet precies wist hoeveel leningen konden worden verstrekt en hoeveel geld nodig zou zijn, kon het ook nog geen concrete acties aan de raad rapporteren. Hij benadrukt dat het college nu wel adequaat handelt door 1,6 miljoen euro extra beschikbaar te stellen, waardoor starters die het echt nodig hebben nu geholpen kunnen worden. Mevrouw Joosten (VVD) vindt het antwoord van de PVV vreemd. Zij wijst erop dat de provincie al in juni had aangegeven dat de regeling ging veranderen en dat andere gemeenten daarop actie hebben ondernomen. Ze vindt dat Sittard-Geleen hierdoor haar eigen inwoners benadeeld heeft, omdat zij een half jaar geen starterslening konden krijgen, ondanks berichten over de wijziging. De heer Pfoster (PVV) benadrukt dat Sittard-Geleen juist een populaire gemeente is voor de starterslening.
Omdat op dat moment de exacte gevolgen van de provinciale wijziging nog niet duidelijk waren en onduidelijk was hoeveel extra geld nodig zou zijn, kon het college volgens hem weinig doen. Mevrouw Joosten (VVD) geeft aan dat ze het niet eens is met de verdediging van de PVV. Ze wijst erop dat andere populaire gemeenten, zoals Venlo, wel op tijd actie hebben ondernomen en hun subsidiepot actief hebben ingezet. Volgens haar is Sittard-Geleen helemaal niet zo populair en hebben starters met een laag inkomen daardoor een half jaar geen gebruik kunnen maken van de starterslening. De heer Pfoster (PVV) erkent dat hij de cijfers nog moet nakijken en geeft aan dat het soms lastig is om te discussiëren als beide partijen vanuit verschillende perspectieven redeneren. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) nuanceert dat de raad niets wist terwijl het college wel op de hoogte was van de aanstaande verordening, de bedragen en de percentages. Hij benadrukt dat het belangrijk is dat alle potentiële starters in de toekomst geholpen worden en voorspelt dat de regeling steeds populairder zal worden, waardoor de pot snel kan leeg raken. Hij pleit ervoor dat de raad in staat wordt gesteld te anticiperen en passende besluiten te nemen om inwoners met een smalle beurs te ondersteunen, iets waar volgens hem brede steun voor is binnen de raad.
Mevrouw Joosten (VVD) benadrukt dat het mooi is dat er overeenstemming is over het belang van de starterslening, maar vraagt hoe het concreet wordt uitgevoerd, zodat Sittard-Geleen niet opnieuw de enige gemeente is die niet tijdig handelt. Ze wil een duidelijke toezegging van het college dat dit daadwerkelijk gebeurt. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) antwoordt dat hij het zo heeft begrepen dat het college de verantwoordelijkheid neemt om de raad tijdig te informeren, ook namens toekomstige colleges, zodat de raad zelf op de hoogte is en niet afhankelijk is van losse contacten of mails. Hij geeft aan daar vertrouwen in te hebben en benadrukt dat dit essentieel is om goed te kunnen sturen. De heer Brouwers (CDA) benadrukt dat de kern van de discussie niet het proces of lange vergaderingen is, maar het daadwerkelijk helpen van jonge inwoners aan een woning in Sittard-Geleen. Hij stelt dat politieke discussies en analyses waardevol zijn, maar dat het voor de starters gaat om concrete acties en dat het college en de raad snel besluiten moeten nemen over de verordening, zodat de regeling beschikbaar is. Volgens hem zou de raad meer moeten focussen op het resultaat voor de inwoners en minder op procedures of het wijzen van vingers.
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat het wijzende vingertje niet van de raad naar het college is bedoeld om te beschuldigen, maar omdat het de taak van de raad is het college te controleren en tijdig geïnformeerd te worden. Ze geeft aan dat alle fracties het eens zijn dat een startersregeling belangrijk is en snel moet komen, maar dat het college de raad te laat heeft betrokken. Ze vindt dat het college de ernst van dit communicatieprobleem moet inzien, excuses moet aanbieden en maatregelen moet nemen
12
zodat dit niet opnieuw gebeurt. Ze waardeert dat het dossier nu per 1 februari wordt rechtgetrokken, maar benadrukt dat het proces en de informatievoorziening niet als onbelangrijk moeten worden afgedaan, omdat inwoners daar direct voordeel van hebben. De heer Brouwers (CDA) geeft aan dat er wel zelfreflectie vanuit het college is geweest. Hij stelt dat de wethouder duidelijk heeft erkend dat de raad te laat is geïnformeerd en toezegt dit in de toekomst te voorkomen. Hij vindt dat mevrouw Lotfy suggereert dat alles verkeerd ging, terwijl er juist al maatregelen en bewustwording zijn benoemd. Hij pleit ervoor om het gesprek positief te richten op de kern: het ondersteunen van jonge starters bij het kopen van een woning, en erkent tegelijkertijd het controlerende werk van de raad. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan dat zij wel erkent dat de wethouder reflecteert, maar dat die zelfreflectie wordt aangetast doordat hij tegelijk richting de raad met een vingertje wijst over hoe vragen gesteld worden. Volgens haar maakt een excuses alleen geen verschil als de onderliggende houding hetzelfde blijft. Ze benadrukt dat ze het volledig eens is dat de startersregeling er zo snel mogelijk moet komen. Daarnaast stelt ze een vraag over de maximale koopprijs. De wethouder wil gelijke regels tussen gemeenten, maar de woningprijzen verschillen sterk.
Ze vraagt zich af of het handhaven van dezelfde maximale koopprijs starters in Sittard-Geleen niet benadeelt ten opzichte van andere gemeenten. Dit vormt volgens haar reden om het voorstel als bespreekstuk te behandelen en niet als hamerstuk af te doen. De heer Brouwers (CDA) benadrukt dat starters vaak ook buiten de eigen gemeente kijken bij hun woningkeuze. Daarom vindt hij het belangrijk dat regionale uniformiteit wordt nagestreefd, bijvoorbeeld op westelijk mijnstreekniveau, zodat de regelingen gezamenlijk worden afgestemd. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de woningvoorraad en kenmerken per gemeente verschillen, waardoor een directe vergelijking van koopsommen tussen gemeenten niet volledig eerlijk of praktisch is. Het gaat het hem er vooral om dat gemeenten in de regio samenwerken en afstemmen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vraagt of de maximale koopprijs van 290.000 euro voor starters wel realistisch is, omdat het risico bestaat dat starters daardoor praktisch geen kans meer hebben om een woning te kopen. Ze vraagt alle fracties hoe zij hiertegen aankijken en overweegt een amendement. De heer Brouwers (CDA) antwoordt dat een directe vergelijking met andere gemeenten niet realistisch is vanwege hogere WOZ-waarden, en dat de door mevrouw Lotfy gestelde vraag daarom volgens hem niet van toepassing is.
Mevrouw Janssen (GOB) geeft aan dat zij instemt met het maximale bedrag van 300.000 euro voor de starterslening. Ze vindt dat de wethouder voldoende heeft uitgelegd waarom dit een passend bedrag is. Ze verwijst naar de evaluatie, waaruit blijkt dat het oude maximum van 280.000 euro vaak niet volledig werd benut, en benadrukt het belang van jaarlijkse evaluatie en de toezegging dat eventuele aanpassingen later kunnen worden doorgevoerd indien nodig. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat het belangrijk is om de koopprijs voor de starterslening relatief laag te houden. Hij verwijst naar de argumentatie in het raadsvoorstel, waarbij de bescherming van de kwetsbare particuliere woningvoorraad centraal staat. Het doel is om gezonde, gemengde wijken te behouden, met een goede mix van koop- en huurwoningen in verschillende prijsklassen. Daarnaast is de regeling effectiever bij een lagere koopsom, zeker gezien de verschillen in prijsniveaus tussen gemeenten. Daarom ondersteunt hij een lagere maximale koopprijs. Mevrouw Joosten (VVD) geeft aan dat ze twijfelt over het voorgestelde plafond voor de starterslening. In de dorpen liggen de huizenprijzen vrij hoog, waardoor starters daar nauwelijks in aanmerking zouden komen voor de regeling.
Ze erkent het argument van spreiding van starters over verschillende wijken, maar ziet een praktisch probleem in de dorpen en overweegt daarom of het maximale leenbedrag wellicht omhoog moet.
13
Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) ondersteunt het maximum van 300.000 euro voor de starterslening, maar benadrukt dat het belangrijk is om het hele jaar goed te monitoren. Ze wijst erop dat veel gebruik van de regeling kan leiden tot verzadiging in de markt als er geen doorstroom is, en dat de starterslening gezien moet worden als onderdeel van een integraal woningmarktbeleid. Na een jaar kan dan worden bekeken of het plafond van 300.000 euro nog passend is. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) reageert op de opmerking van mevrouw Joosten over de dorpen. Hij kan op basis van de beschikbare cijfers niet concluderen dat starters daar tekortkomen, omdat er minder huishoudens zijn die daarvoor in aanmerking komen, en de lage aantallen aanvragen per buurt daarom niets zeggen. Mevrouw Joosten (VVD) geeft aan dat ze als raadslid wel moet reflecteren op wat er misging: een half jaar lang konden starters geen lening krijgen, en ze vindt het belangrijk om te achterhalen waarom en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. Ze wil dat er serieus naar de procedure wordt gekeken en niet alleen snel besluiten worden genomen. De heer Brouwers (CDA) reageert op mevrouw Joosten en zegt dat haar beeld van te dure woningen in de dorpen niet klopt. Hij verwijst naar bijlage 3 van de raadstukken, waaruit blijkt dat in bijna elk dorp aanvragen voor de starterslening plaatsvinden.
Hij benadrukt dat er in de dorpen van de gemeente volop gebruik wordt gemaakt van de regeling. Mevrouw Joosten (VVD) verduidelijkt dat haar kritiek niet over de aantallen of het gebruik van de regeling gaat, maar over het eerdere punt dat de focus van de heer Brouwers lag op het snel afronden van de startersregeling zonder aandacht voor de procedure. Ze legt uit dat haar vraag bedoeld was om duidelijkheid te krijgen over de cijfers en de verdeling, niet om het gebruik van de regeling in twijfel te trekken. De heer Brouwers (CDA) benadrukt dat hij volledig op één lijn zit met mevrouw Joosten wat betreft het belang van de starterslening voor zowel dorpen als stad. Zijn focus ligt op het snel realiseren van de regeling voor jonge kopers en hij wil dit als gemeente gezamenlijk uitstralen, ongeacht of het om dorp of stad gaat. Mevrouw Janssen (GOB) voegt toe dat de spreiding van aanvragen over de dorpen inderdaad zichtbaar is in bijlage 3 en benadrukt dat ook dorpen zoals Munstergeleen veel gebruik maken van de starterslening. De heer Habets (PIT) vraagt aan de heer Brouwers of het mogelijk is om het proces en de inhoud van de startersregeling te scheiden, zodat de regeling zelf snel kan worden goedgekeurd, terwijl eventuele discussie over het proces los kan worden besproken.
Het doel is dat de regeling vlot van start kan, ongeacht de uitkomst van het debat over hoe het proces is verlopen. De heer Brouwers (CDA) antwoordt dat hij niet formeel kan aangeven hoe het proces en de inhoud gescheiden zouden kunnen worden. Hij stelt wel vast dat het proces vanavond voldoende is besproken door de raad en dat de gemaakte opmerkingen kenbaar zijn. Volgens hem zullen de huidige stukken als geheel behandeld worden, met een positief besluit over de startersregeling dat snel kan worden genomen. De voorzitter onderstreept dit proces. De heer Paauwe (Stadspartij) geeft aan dat hij het eens is met de VVD over het belang van snel starten met de regeling en hoopt dat het loket al geopend is voor aanvragen. Hij maakt duidelijk dat hij het huidige maximumbedrag van 300.000 euro voor starters te laag vindt voor bepaalde doelgroepen, zoals jongeren met hoge opleidingen en studieschulden, en overweegt daar een amendement op in te dienen. Tegelijkertijd benadrukt hij dat dit zijn steun voor het voorstel niet in de weg staat. De heer Habets (PIT) haalt aan dat D66 aangaf niet voor het starten, stoppen en weer starten van een regeling te zijn. Hij vraagt of dat ook voor deze regeling geldt.
14
Mevrouw Reiner-Pibiri (D66) antwoordt dat het verleden niet meer te veranderen is, maar dat het gaat om de nieuwe regeling. Voor die nieuwe regeling moet continuïteit worden gegarandeerd, zodat kopers duidelijke en gelijke kansen hebben. Er is daar breed draagvlak voor. De voorzitter vat de belangrijkste toezeggingen van de wethouder samen. Zo zal de hoogte van het ter beschikking gestelde bedrag nauwlettend worden gevolgd en worden gecommuniceerd aan de raad via een evaluatie. Indien blijkt dat een verhoging van het budget nodig is, zal hier tijdig een voorstel over worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Daarnaast wordt onderzocht of het aanvraagformulier bij de SVn zodanig aangepast kan worden dat inzichtelijk wordt uit welke woonsituatie de aanvrager afkomstig is. Mevrouw Joosten (VVD) wil dat de toezegging van de wethouder, dat hij in de toekomst anders met dit proces zal omgaan, expliciet wordt vastgelegd. De voorzitter verduidelijkt dat de vraag van mevrouw Joosten betrekking had op tijdige communicatie, zodra de beschikbare middelen voor de starterslening dreigen op te raken, moet er tijdig aan de bel worden getrokken. Dit geldt voor de regeling zoals die vanaf 1 februari 2026 ingaat. Dat is door de portefeuillehouder toegezegd.
Daarnaast merkt hij op dat de hoogte van de koopprijs een onderwerp kan zijn voor een eventueel amendement, en dat de raad dit uiteraard zal horen indien zo’n voorstel wordt ingediend. Verder wil de VVD de procedure nog bespreken. De heer Pfoster (PVV) vraagt aan de VVD-fractie of zij nog van plan was de eerder aangekondigde motie van afkeuring in te dienen, na de beraadslaging van vanavond. Mevrouw Joosten (VVD) antwoord dat ze het gesprek nog even op band zal terugluisteren om goed te beoordelen wat er precies gezegd is. De voorzitter schorst de vergadering voor enkele minuten.
15
1.3 Besluit op bezwaar tegen raadsbesluit 5 juni 2025 inzake faciliteren bovengronds parkeren reconstructie Tempelplein (Geilen) 21.25-22.55 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:
J. Tholen A. Lamers
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
P.G.J.M. Boonen J.H. Smeets W.P.H. Paauwe J.E. Janssen C. Reiner-Pibiri F.M.J. Frenken D.D.W. Pfoster J.J. Renet S.A.J. Klein A.R.A.R. Lotfy M.G.H. Habets
het college:
Wethouder Geilen
ambtenaar:
De heer Curvers
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent het laatste agendapunt waarin er wordt gevraagd advies uit te brengen over het voorstel om het ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, het verzoek om vergoeding van de kosten die in bezwaar zijn gemaakt af te wijzen, en in te stemmen met de conceptbeslissing op het bezwaar. De voorzitter benadrukt dat de bijdragen van de raadsleden in termen van bezwaarmaker moeten worden geformuleerd, zonder dat namen genoemd worden. De eerder gestelde technische vragen zijn inmiddels beantwoord en aan de stukken toegevoegd. Eerste termijn De heer Pfoster (PVV) maakt duidelijk dat het raadsvoorstel niet over de inhoudelijke keuzes rond het Tempelplein gaat of de wenselijkheid van bovengronds parkeren, maar over de rol van de raad, de rechtsbescherming van inwoners en de juridische positionering van politiek-bestuurlijke besluiten. Hij benadrukt dat het bezwaar tegen het raadsbesluit van 5 juni 2025 niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het besluit zelf geen rechtsgevolg heeft volgens de AWB. Hoewel dit juridisch klopt, een beleidsuitspraak van de raad schept op zichzelf geen rechten of plichten, ziet hij een spanning tussen de politieke betekenis van besluiten en de formele juridische bescherming van inwoners. Het eerste richtinggevende besluit van de raad is politiek zwaarwegend, maar juridisch niet aan te tasten.