Notulen Ronde Raadzaal 4 december 2025
Tekst van het document
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 4 december 2025 Tijdstip:
19.00-23.07 uur
1.1 3de rapportage 2025 (Tillie) 19:00-20.04 Aanwezig de voorzitter: de griffier:
M.J.M. De Loo A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
N.F.J. Wetzels G.J.M.C. Essing-Demandt W.P.H. Paauwe J.E. Janssen P.R. Pi Van de Venne F.M.J. Frenken D.D.W. Pfoster J.J. Renet E.V.P. Talpe
het college:
Wethouder Tillie
ambtelijke ondersteuning:
De heer De Bruijn, de heer van de Walle
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Bij het eerste agendapunt wordt de gemeenteraad gevraagd advies te geven over zes beslispunten in het voorstel. De technische vragen zijn toegevoegd aan de vergaderstukken en tijdens de vergadering kunnen verdiepende vragen en politieke aandachtspunten worden ingebracht. Belastingmaatregelen worden separaat behandeld. Eerste termijn De heer Wetzels (GOB) geeft aan dat de gemeenteraad vorige maand tijdens de begrotingsbehandeling al de richting voor de komende jaren heeft bepaald en dat nu de derde tussentijdse rapportage van 2025 wordt behandeld, waarin de afwijkingen ten opzichte van de begroting 2025 staan. Hij licht toe dat er voordelige bijstellingen zijn voor de begrotingen van 2025 en 2027–2029, en een nadelige bijstelling voor 2026, maar dat het structurele saldo van de begroting over alle jaren positief blijft. Hij noemt drie belangrijke aandachtspunten: de stijgende kosten voor Wmo en jeugdzorg en de onzekerheid over Rijkscompensatie, de druk op onderhoud van maatschappelijk vastgoed en civiele infrastructuur door prijsstijgingen waardoor keuzes en prioritering nodig zijn, en de krapte op post loon en prijsontwikkelingen ondanks toevoeging van middelen. Hij concludeert dat de financiële positie stevig is, maar dat deze ontwikkelingen voortdurende aandacht en flexibiliteit in de uitvoering vereisen.
Mevrouw Essing-Demandt (CDA) benadrukt dat de derde rapportage voor 2025 een positief begrotingssaldo laat zien, maar dat de meeste meevallers incidenteel zijn en de begroting voor de komende jaren, behalve 2026, verbeteren. Ze geeft aan dat deze incidentele meevallers niet moeten
1
leiden tot het gevoel van meer financiële ruimte dan daadwerkelijk aanwezig is. Ze wijst op een grote, structurele negatieve bijstelling van de BUIG-middelen en merkt op dat het budget dat wordt overgeheveld van 2025 naar 2026 fors is gestegen van 9,5 miljoen euro naar 24,5 miljoen euro, wat aandacht vraagt voor de uitvoerings- en realisatiekracht. Verder gaat ze in op de voorgestelde investeringskredieten van 8,5 miljoen euro en stelt dat het positief is dat er verder wordt geïnvesteerd in de gemeente, waarbij de meeste kapitaallasten binnen de bestaande begroting worden gedekt. Alleen de aanleg van de parkeerplaats bij FC Geleen Zuid en een investering van ruim een ton vallen buiten de bestaande middelen. Ze merkt op dat dit ook andere clubs ten goede komt en dat het braakliggende terrein nu nuttig wordt gebruikt. Tot slot vraagt ze, naar aanleiding van een technische vraag over het masterkrediet, om toelichting van de wethouder. Ze wil weten of alle of veel ontwikkelingen in Geleen Centrum in één raadsvoorstel worden opgenomen, omdat dit niet duidelijk blijkt uit de beantwoording van de eerdere vraag. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat zijn fractie bij de Algemene Beschouwingen aandacht heeft gevraagd voor kwetsbare groepen in de lokale samenleving, met name minima.
Hij licht toe dat eerdere pogingen om minimaregelingen te verruimen pas na grondig doorvragen inzicht gaven in de financiële consequenties. Daardoor is het op dit moment niet mogelijk om alle regelingen generiek naar 130 procent van de bijstandsnorm uit te breiden. Wel is er in de begroting ruimte om de regeling voor alle kinderen extra toegankelijk te maken voor 125 huishoudens, wat een structurele aanpassing van 138.000 euro per jaar betekent. Dit bedrag is klein ten opzichte van de totale begroting van 480 miljoen euro, maar kan een groot verschil maken voor de betreffende gezinnen. 165 huishoudens krijgen hierdoor toegang tot sociale, sportieve en culturele activiteiten. Hij spreekt zijn dank uit aan de partijen die de motie hebben gesteund en aan het college voor de constructieve samenwerking. Daarnaast benadrukt hij dat de fractie instemt met de algemene positieve bijstellingen in de rapportage, met uitzondering van 2026. Hij wijst specifiek op de vrijval van incidentele middelen voor de energietoeslag en onderstreept het belang van betaalbare energierekeningen in Sittard-Geleen. Hij merkt op dat het vrijvallen van bijna 650.000 euro suggereert dat er geen probleem is, terwijl energiearmoede juist aanwezig is en gezinnen in acute geldnood kan brengen. Daarom beraadt zijn fractie zich op een amendement hierover.
Tot slot geeft hij aan dat GroenLinks/PvdA twee moties zal indienen bij deze programmarapportage, waaronder een gezamenlijke motie met de GOB-fractie over onderzoek naar onveilige locaties voor vrouwen in de openbare ruimte. De heer Paauwe (Stadspartij) complimenteert allereerst de derde rapportage van 2025 vanwege het wederom positieve resultaat. Hij merkt op dat resultaten volgens zijn fractie niet altijd direct verdeeld hoeven te worden, zeker gezien de nieuwe raadsperiode in 2026, omdat inwoners dit vlak voor verkiezingen vaak als problematisch ervaren. Hij benadrukt dat de overheid geen makelaarsrol zou moeten vervullen, zoals bij pand 116. Hij is verheugd over het investeringskrediet voor de Tunnelstraat Limbrichterveld, maar vraagt zich af of het budget toereikend is gezien de totale problematiek in dat gebied. Ten aanzien van de armoedebestrijdingsregeling gaat hij ervan uit dat dit in de toekomst structureel wordt opgepakt, en hij ondersteunt het incidentele budget van 100.000 euro voor topsport, met de kanttekening dat dit soort voorstellen in de toekomst ruimte kan bieden voor vergelijkbare initiatieven.
Daarnaast noemt hij positief dat er krediet is voor de parkeerproblematiek bij FC Geleen Zuid, maar stelt voor om dit breder te bekijken, bijvoorbeeld bij sportcomplex Mijn Zuid bij Sanderbout, waar de huidige parkeerplaats onderhoud nodig heeft en wijkbewoners vaak worden belast door verkeerd geparkeerde auto’s. Hij benadrukt dat tijdelijke oplossingen vaak extra kosten veroorzaken en dat een structurele aanpak beter is. De heer Pfoster (PVV) stelt dat de derde rapportage 2025 laat zien dat de gemeente hard werkt, maar steeds meer moet doen in minder tijd. Positief is dat 2025 sluit met een voordelig saldo van 2,4 miljoen euro, de bijstellingen helder zijn onderbouwd, de begrotingsrechtmatigheid wordt gewaarborgd en het treasurybeleid goed functioneert, wat zelfs een incidenteel voordeel oplevert. Hij waarschuwt echter dat dit positieve resultaat direct omslaat in een tekort van 1,17 miljoen euro in 2026. Hij wijst op de grote hoeveelheid budgetoverhevelingen van ruim 24,5 miljoen euro naar 2026, die volgens hem structureel zijn en laten zien dat het college te veel tegelijk wil doen met te weinig
2
uitvoeringskracht. Hij noemt dit risicovol omdat projecten automatisch doorschuiven naar volgende jaren, terwijl de druk op capaciteit, menskracht en begroting toeneemt. Hij benadrukt dat het sociaal domein vanaf 2026 een structureel tekort van 1,7 miljoen euro laat zien door volumegroei, vergrijzing en armoede, terwijl er onvoldoende structurele maatregelen worden genomen. Ook de druk op de stelpost inflatie blijft hoog, zelfs met een aanvulling van 7,1 miljoen euro uit de septembercirculaire blijft vanaf 2027 een tekort bestaan, waardoor de gemeente kwetsbaar is afhankelijk van wisselende Rijksmiddelen. Tot slot benoemt hij de calamiteit aan de Tudderenderweg, waarbij ruim 300.000 euro kosten door drugsafval op gemeentelijke grond een veiligheids- en financieel risico vormen. Hij concludeert dat de rapportage transparant is, maar een zorgelijk patroon bevestigt: een solide jaarafsluiting biedt geen duurzaam perspectief voor 2026 en verder, de organisatie heeft meer ambities dan uitvoeringskracht, het sociaal domein wordt financieel steeds minder houdbaar en risico’s stapelen zich sneller op dan opgevangen kan worden.
Hij sluit af met twee vragen aan het college: is het nog verantwoord om 24,5 miljoen euro door te schuiven naar 2026 en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten doorschuiven? De tweede vraag is waarom het college het sociaal domein vooral signaleert maar geen fundamentele sturingsmaatregelen voorlegt en of de huidige aanpak nog houdbaar is? De heer Renet (SPA) geeft aan dat hij veel herkent in de analyse van de PVV en benadrukt dat het doorschuiven van 24,5 miljoen euro naar 2026 veel te hoog is. Hij stelt dat capaciteitstekorten bij de realisatie steeds de oorzaak zijn van het doorschuiven naar volgend jaar, maar dat hier onvoldoende rekening mee wordt gehouden. Volgens hem wordt er te veel gepland voor volgend jaar en moet er beter gekeken worden naar wat daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Hij licht toe dat de OZB is berekend op volledige realisatie, waardoor inwoners op dit moment niet te veel betalen, maar dat dit later corrigerend terugkomt. Daarnaast vraagt hij om verduidelijking over de aankoopgronden van DSM ter waarde van 0,4 miljoen euro. Hij wil weten of dit gronden in het Lexhy-gebied en het Graetheide-gebied betreft of iets anders, omdat dit niet duidelijk is uit de stukken.
Hij merkt verder op dat er in tabel 6 veel investeringskredieten worden gevraagd, iets wat volgens hem eerder zichtbaar had moeten zijn, en herhaalt dat de gemeente financieel kwetsbaar is. Mevrouw Frenken (VVD) merkt op dat de rapportage een dubbel beeld laat zien: 2025 wordt positief afgesloten, wat waardering verdient, maar 2026 begint direct met een tekort door grote bedragen die worden doorgeschoven omdat projecten niet op tijd zijn uitgevoerd. Ze benadrukt dat de gemeente niet alleen plannen moet maken, maar deze ook daadwerkelijk moet uitvoeren. Ze vraagt het college hoe het kijkt naar het niet tijdig uitvoeren van projecten en of de oorzaken bekend zijn. Daarnaast wijst ze op de toenemende druk op het sociaal domein, waarbij kosten harder stijgen dan het Rijk vergoedt en het risico bij de gemeentebegroting komt te liggen. Ze vraagt welke concrete stappen het college neemt om kosten te beheersen en inwoners sneller richting zelfstandigheid en werk te begeleiden. Tot slot gaat ze in op de inflatie, waarbij de stelpost steeds wordt opgerekt en incidentele meevallers worden gebruikt om gaten te vullen, dit ziet zij niet als een structurele oplossing. Ze benadrukt dat het uiteindelijk gaat om wat inwoners merken en stelt dat de gemeente haar middelen moet inzetten waar ze echt het verschil maken.
De heer Talpe (PIT) vraagt waarom niet ingezette middelen, zoals vermeld op pagina 86 van de rapportage, niet gereserveerd blijven voor het doel waarvoor ze bedoeld waren. Daarnaast wil hij weten in hoeverre het vrijvallen van deze middelen nog voldoet aan de voorwaarden die mogelijk aan de verstrekking zijn verbonden. Verder vraagt hij zich af waarom opnieuw een aanzienlijk bedrag wordt overgeheveld naar het volgende jaar, een onderwerp dat ook bij de jaarrekening 2024 al eerder is besproken. Hij is benieuwd hoe het college hiermee omgaat en wil daarnaast ook graag antwoord op de vragen die de PVV-fractie eerder stelde.
3
De voorzitter constateert dat Burger Centraal en Lokaal-SGB nog niet aanwezig zijn en dat er geen bericht van verhindering is ontvangen, waardoor de eerste termijn voorlopig als afgerond kan worden beschouwd. Wethouder Tillie licht toe dat meerdere thema’s door fracties zijn aangekaart. Over de budgetoverheveling zegt hij dat het grootste deel, 12 miljoen euro, betrekking heeft op de stelpost inflatie en het overschot van 2025. Samen is dat meer dan de helft van de overgehevelde bedragen. Dit is volgens hem vergelijkbaar met vorig jaar en mede afhankelijk van externe factoren bij sommige projecten, waardoor geld soms moet worden doorgeschoven. Over de uitvoeringskracht merkt hij op dat hiervoor extra middelen in de begroting beschikbaar zijn gesteld, zodat projecten volgend jaar opgepakt kunnen worden. De stijgende kosten in het sociaal domein worden vooral veroorzaakt door loon- en prijsontwikkelingen. Bij Wmo nemen de aantallen toe en de complexiteit van jeugdzorg is hoger. Er is 7 ton beschikbaar gesteld voor innovatieve oplossingen in de Wmo en er zijn al maatregelen in het kader van de hervormingsagenda jeugd, waardoor men beter presteert dan andere gemeenten. Op vragen over het masterkrediet legt hij uit dat niet alle ontwikkelingen in Geleen Centrum daaronder vallen. Over de energierechtvaardigheid erkent hij dat er nog steeds een probleem is voor veel gezinnen.
Er komt geen noodfonds, maar er is 80 miljoen euro beschikbaar voor gemeenten, waarvan SittardGeleen een klein deel ontvangt. Men bekijkt hoe dit bedrag met het overschot kan worden ingezet om inwoners te ondersteunen. Ten slotte gaat hij in op het negatieve saldo van 2026, dat volgens hem wordt veroorzaakt door beter inzicht in tekorten bij de BUIG-middelen. Men heeft ervoor gekozen dit al mee te nemen in de rapportage om zekerheid in te bouwen. Over de door de gemeente aangekochte DSM-gronden licht hij toe dat het niet gaat om gronden in het Lexhy-gebied, maar om verspreide gronden die DSM niet meer gebruikte en die de gemeente nu kan inzetten voor andere doeleinden. De heer Pfoster (PVV) merkt op dat hij het antwoord van de wethouder over de budgetoverhevelingen nog te abstract vindt en vraagt om twee à drie concrete voorbeelden van de externe factoren waarop dit betrekking heeft en hoe daarop wordt geanticipeerd. Wethouder Tillie verduidelijkt dat van de 24,5 miljoen euro ongeveer de helft de stelpost inflatie betreft. Als concreet voorbeeld noemt hij projecten die in de markt moeten worden gezet, waarbij partijen minder snel inschrijven omdat er schaarste is aan ontwikkelingsmaatschappijen.
Zo was dat bijvoorbeeld bij de sporthal, er schreven geen partijen in om het project te herontwikkelen, waardoor het budget moest worden doorgeschoven naar volgend jaar om het alsnog uit te kunnen voeren. De heer De Bruijn (ambtelijk ondersteuning) licht toe dat voor het masterkrediet 1 miljoen euro beschikbaar is gesteld om specifieke aankopen te doen, zonder dat nu al concrete bestemmingen zijn aangegeven. Het gaat om een overkoepelend krediet dat binnen het volkshuisvestingsfonds kan worden ingezet. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) vraagt of dit betekent dat afzonderlijke raadsvoorstellen worden voorgelegd zodra het krediet wordt besteed. De heer De Bruijn (ambtelijke ondersteuning) bevestigt dat alle aanwendingen altijd via de reguliere cyclus bij de raad terugkomen. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt naar de beschikbaarheid van het landelijke budget van 80 miljoen euro voor de energietoeslag, omdat dit bedrag over veel gemeenten verdeeld wordt en hij wil weten wanneer het beschikbaar komt voor Sittard-Geleen. Wethouder Tillie antwoordt dat dit een technische vraag is. Hij heeft gehoord dat het budget beschikbaar wordt gesteld, maar weet nog niet precies wanneer het naar de gemeente komt. Wel wordt gekeken hoe het goed kan worden ingezet, met name voor armoedebestrijding.
4
De heer Talpe (PIT) vraagt opnieuw naar de vrijvallende middelen voor het volkshuisvestingsfonds. Hij wil weten waarom deze middelen niet gereserveerd blijven voor het oorspronkelijke doel, maar nu algemeen vrijvallen, en of daarmee nog wordt voldaan aan eventuele voorwaarden die aan de verstrekking zijn verbonden. Wethouder Tillie antwoordt dat hij de tweede vraag over de voorwaarden niet kan beantwoorden, maar dat de eerste vraag duidelijk is: volgens het door de raad vastgestelde kader gaan incidenteel vrijvallende middelen naar de algemene middelen. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat hij graag schriftelijk een antwoord wil ontvangen op de vraag of bij het vrijvallen van middelen nog wordt voldaan aan de voorwaarden van de verstrekking. Daarnaast benadrukt hij dat de transformatiemiddelen niet voor niets zijn bedoeld en dat het vrijvallen naar de algemene middelen risico’s met zich meebrengt voor toekomstige tekorten. Hij wil daarom in overleg bekijken welke mogelijkheden er zijn om een amendement of andere regeling in te dienen, zodat de middelen gereserveerd blijven voor het oorspronkelijke doel. De heer Renet (SPA) benadrukt dat zijn vraag over de DSM-gronden geen technische vraag was, maar een verduidelijkende vraag, en hij wil graag schriftelijk antwoord krijgen welke gronden het precies betreft.
Daarnaast stelt hij dat de vergelijking van de overschrijding met vorig jaar geen nuttig antwoord is, omdat meerdere partijen de bedragen te hoog vinden. Hij benadrukt dat er beter gemonitord moet worden en de raad vaker op de hoogte moet worden gebracht van de stand van zaken, zodat capaciteit en realisatie beter kunnen worden ingeschat bij de begroting. Verder vraagt hij waarom een groot deel van de investeringen uit tabel 6 niet al tijdens de begroting zichtbaar was. Volgens hem had dit bij de begrotingsopstelling bekend kunnen zijn, zodat concreter duidelijk was welke investeringen gepland stonden in plaats van dat dit pas kort na de begrotingsaanname wordt gepresenteerd. Wethouder Tillie reageert dat men zich bewust is van de uitdaging rond de uitvoeringskracht en dat hiervoor extra middelen beschikbaar zijn gesteld. Hij benadrukt dat er bij de planning voor volgend jaar realistisch wordt gekeken naar wat uitvoerbaar is, zodat de beschikbare middelen ook daadwerkelijk worden ingezet, los van externe factoren. Hij verwacht dat dit volgend jaar anders wordt aangepakt en dat dit in de begrotingsbespreking verder kan worden toegelicht.
De heer Renet (SPA) vraagt vervolgens of de beschikbare middelen en maatregelen daadwerkelijk voldoende zijn om genoeg personeel aan te trekken en de achterstanden weg te werken, zodat de geplande projecten volgend jaar daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. Wethouder Tillie legt uit dat bij de planning voor volgend jaar alleen middelen beschikbaar worden gesteld die ook daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Hij erkent dat er altijd enige budgetoverheveling zal blijven, onder andere door externe factoren, maar benadrukt dat er realistisch wordt gekeken naar wat haalbaar is. Over de investeringskredieten licht hij toe dat de begroting al in september wordt vastgesteld en dat sommige investeringen pas daarna duidelijk worden. Deze worden daarom in de derde rapportage opgenomen als afwijking van de begroting of bestaande plannen. De heer Renet (SPA) reageert hierop dat hij vindt dat investeringen die binnen de begroting kunnen worden gedekt, ook meteen in de begroting moeten worden meegenomen. Volgens hem zou dit mogelijk moeten zijn voor een actuele weergave, zodat de raad al in november volledig zicht heeft, in plaats van te moeten wachten op de derde rapportage. Wethouder Tillie legt uit dat wanneer een investeringskrediet beschikbaar wordt gesteld, de raad wordt geïnformeerd op het moment dat het krediet wordt afgeroepen.
Van alle investeringskredieten valt er maar één buiten de begroting, de rest is al in de begroting opgenomen. Soms kan niet meteen in de begroting worden meegenomen, waardoor het uiteindelijk in de derde rapportage verschijnt.
5
De heer Pfoster (PVV) reageert dat het niet voldoende is om alleen te plannen wat binnen het budget van volgend jaar uitvoerbaar is. Hij benadrukt dat de wethouder inzicht moet hebben in de organisatorische knelpunten binnen de gemeente: waar loopt het mis dat projecten niet op tijd worden uitgevoerd? Hij vindt dat het herhaaldelijk doorschuiven van budgetten naar volgend jaar geen teken is van solide bestuur en wil duidelijkheid over de echte organisatorische problemen. Wethouder Tillie legt uit dat er geen organisatorisch probleem is, maar dat projecten vaak een langere doorlooptijd hebben en soms te maken krijgen met externe factoren. Dit kan leiden tot krapte in personeel en het is soms lastig om projectleiders aan te trekken, omdat deze niet altijd beschikbaar zijn op de markt. Daarnaast zijn er speerpunten vastgesteld die volgend jaar worden opgepakt, waarvoor ook middelen beschikbaar zijn gesteld in de kadernota en begrotingsdiscussie. De heer Talpe (PIT) vraagt of het zo is dat sommige projecten bij het vaststellen van de begroting nog niet volledig behandelrijp zijn, waardoor ze later pas bij de raad komen en daarom niet in de oorspronkelijke begroting zijn opgenomen. Wethouder Tillie bevestigt dit. Hij licht toe dat sommige projecten bij het vaststellen van de begroting nog niet concreet genoeg waren om mee te nemen en daarom pas later zijn toegevoegd.
Dit heeft te maken met de tijdslijn en het streven om de begroting op tijd aan de raad aan te bieden. De heer Talpe (PIT) suggereert dat het college bij de begroting wel een voorlopige peiling kan geven van wat eraan komt. Wethouder Tillie benadrukt dat het merendeel van de investeringskredieten al binnen de begroting is vastgesteld, alleen één krediet valt buiten de begroting en daarvoor is een afzonderlijk collegebesluit nodig. Hij wijst erop dat het lastig is om precies aan te geven wanneer projecten worden uitgevoerd, waardoor sommige voorstellen niet altijd tijdig in de begroting kunnen worden opgenomen. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat hij voor de begrotingsbehandeling volgend jaar een technische vraag wil indienen om inzicht te krijgen in wat nog aan projecten en voorstellen aankomt, inclusief een doorkijk naar de derde programmarapportage. Zo wil hij een zo integraal mogelijk beeld krijgen, zodat de raad beter zicht houdt op de planning en uitvoering, ook al kunnen niet alle voorstellen tegelijkertijd in de begroting worden meegenomen. Wethouder Tillie licht toe dat, op één voorstel na, alle bedragen al door de raad zijn vastgesteld en dat het bij de huidige rapportage vooral gaat om het vrijspelen van de kredieten. De begroting zelf verandert daardoor niet, het is gebruikelijk om dit in een rapportage te melden wanneer een krediet daadwerkelijk wordt ingezet.
Mevrouw Frenken (VVD) vraagt om verduidelijking over de interne factoren die leiden tot het overhevelen en uitstellen van projecten. Ze wil weten of dit uitsluitend te maken heeft met de uitvoeringscapaciteit of dat er nog andere interne factoren meespelen. Wethouder Tillie verduidelijkt dat het overhevelen niet alleen gaat om projecten. Ook subsidies van het Rijk, die nog niet zijn besteed, worden doorgeschoven naar volgend jaar, dit heeft niets met uitvoeringscapaciteit te maken. Voor de rest spelen er geen interne factoren, het blijft voornamelijk een kwestie van uitvoeringskracht bij de projecten. De heer Renet (SPA) geeft aan dat hij nog geen antwoord heeft gekregen op zijn verduidelijkingsvraag over welke gronden zijn aangekocht. Hij herhaalt dat het om een verduidelijking gaat en dat hij het schriftelijk kan ontvangen als het antwoord niet direct beschikbaar is. Wethouder Tillie reageert dat de informatie door de ambtelijke ondersteuning is verzameld en dat deze, indien openbaar, uiteraard met de heer Renet gedeeld kan worden. Tweede termijn
6
De heer Renet (SPA) vraagt aan zijn collega’s wat zij vinden dat er moet gebeuren met de overheveling, aangezien de wethouder aangeeft dat het beleid van het verleden wordt voortgezet. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) vindt de vraag onduidelijk en vraagt om nadere toelichting. De heer Renet (SPA) licht toe dat meerdere partijen hebben aangegeven meer en beter zicht te willen houden op de uitvoering gedurende het jaar. Hij benadrukt dat er volgens hem harder op gemonitord moet worden en dat de raad dichter bij het proces betrokken moet zijn. De heer Pfoster (PVV) stelt namens zijn fractie voor een motie in te dienen om een uitvoerings- en capaciteitsanalyse uit te voeren. Deze analyse moet inzicht geven in welke projecten worden doorgeschoven, wat de risico’s zijn, wat de oorzaken zijn en welke keuzes nodig zijn om bij te sturen op volume en budget. Hij geeft aan dat dit ook andere fracties kan helpen om meer inzicht te krijgen. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) sluit zich hierbij aan en benadrukt dat het huidige gebrek aan inzicht niet helpt. Hij merkt op dat het bedrag van circa 25 miljoen euro substantieel is en dat er verschillende mogelijke oorzaken kunnen zijn, zoals onvoldoende uitvoeringscapaciteit of tekortkomingen in de bedrijfsvoering.
Volgens hem is het beter om duidelijk te krijgen wat er precies aan de hand is, zodat de raad het college kan ondersteunen bij het realiseren van plannen in 2026. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat het voor de raad belangrijk is duidelijk te krijgen waarom het budget wordt overgeheveld, wat de onderliggende redenen zijn en wat nodig is om dit in de toekomst te voorkomen. Hij benadrukt dat een analyse hierover nuttig is en stelt dat dit gekoppeld kan worden aan de vraag van de heer Janssen over hoe de raad het college kan ondersteunen om plannen beter te realiseren. Volgens hem zouden beide aspecten tegelijk bekeken moeten worden. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) merkt op dat pagina 13 en 14 van de derde programmarapportage al toelichting geeft over de budgetoverheveling en capaciteitsproblemen. Ze wijst erop dat een extra analyse van alle genoemde posten de druk op de uitvoeringskracht kan verhogen. Ze twijfelt daarom of het vragen van deze aanvullende informatie aan de ambtenaren wenselijk is, omdat dit uiteindelijk vooral zou bevestigen dat er al veel druk is. De voorzitter geeft aan dat de Rekenkamer momenteel een onderzoek voorbereidt naar de onderbesteding van budgetten. Hij suggereert dat de vraag over budgetoverhevelingen mogelijk in dat onderzoek meegenomen kan worden en brengt dit ter overweging.
De heer Wetzels (GOB) geeft aan dat een begroting ook ambitie mag tonen en dat hij het belangrijk vindt dat er niet alleen veilig wordt begroot wat haalbaar is, omdat dit de ambitie van de gemeente kan beperken. De heer Renet (SPA) merkt op dat hij het eens is dat een begroting ambitie mag hebben, maar dat het structureel doorschuiven van flinke bedragen zorgwekkend is. Hij vindt dat het te gemakkelijk wordt afgedaan als ambitie, terwijl het ook duidt op structurele capaciteitsproblemen. Mevrouw Frenken (VVD) vindt dat een begroting ambitie kan tonen binnen de beschikbare middelen en dat het goed is om inzichtelijk te maken wat er allemaal speelt. De heer Paauwe (Stadspartij) wil vooral weten waar de knelpunten zitten en hoe de raad kan helpen om projecten te versnellen. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat de overhevelingen geen incident zijn, maar zich herhalen, zoals ook bij de jaarstukken 2024 het geval was, en dat een aanzienlijk deel van het positieve saldo niet aan het oorspronkelijke doel is besteed. Hij benadrukt dat dit een wezenlijk aandachtspunt is.
7
De heer Pfoster (PVV) vraagt of de raad voldoende informatie heeft om de overhevelingen in de toekomst te voorkomen. Hij stelt dat een goede planning, correcte cijfers en inzicht in de oorzaken nodig zijn om effectief te kunnen sturen, en merkt op dat dit in de derde programmarapportage onvoldoende terugkomt. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) geeft aan dat sturing pas mogelijk is als de oorzaken bekend zijn. Ze stelt dat de hoofdoorzaak bij de uitvoeringskracht ligt, en dat een deel van de 24 miljoen euro (12 miljoen euro uit de septembercirculaire) al verklaard is. Ze betwijfelt of het zinvol is extra uitvoeringskracht te besteden aan een diepgaande analyse van de resterende bedragen. Wethouder Tillie benadrukt dat de sturing bij het college en het gemeentelijk apparaat ligt, en dat een gedetailleerde analyse veel uitvoeringskracht vraagt die momenteel nodig is voor de lopende projecten. Hij wijst erop dat het bedrag van 2 procent van de totale begroting, hoewel groot, relatief beperkt is en vergelijkbaar bij andere gemeenten voorkomt. Wel is het mogelijk om een opsplitsing te maken van de verschillende categorieën binnen de budgetoverheveling, zodat inzichtelijk wordt welke posten daar precies toe bijdragen.
De heer Renet (SPA) geeft aan dat de eerder genoemde 2 procent van de begroting relatief klein is, maar dat hij een daadwerkelijke analyse wil zien waarin duidelijk wordt welke onderdelen van de begroting de raad wel kan beïnvloeden en welke niet. Hij wil een overzicht waarin bijvoorbeeld personeelskosten en andere vaste posten worden afgezet tegen de beschikbare beïnvloedbare middelen, zodat duidelijk wordt welke bedragen bij toekomstige budgetoverhevelingen echt sturingsvraagstukken zijn. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) stelt voor om het lopende onderzoek van de Rekenkamer af te wachten, omdat dat een efficiënte manier zou zijn om deze analyse te verkrijgen. De voorzitter sluit de tweede termijn af en herhaalt dat de wethouder heeft toegezegd verder onderzoek te doen om de onderbesteding meer gespecificeerd in kaart te brengen, zodat er meer duidelijkheid komt. Hij geeft aan dat er wellicht nog moties ingediend worden en dat het stuk als bespreekstuk naar de raad gaat. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat de wethouder iets heeft gezegd over de 80 miljoen euro voor energietoeslagen en vraagt wanneer de raad een voorstel kan verwachten over de besteding hiervan. De voorzitter bevestigt dat de wethouder heeft toegezegd te onderzoeken hoe tegemoetkomingen voor mensen in energiearmoede kunnen worden gerealiseerd.
Hij geeft aan dat de technische vraag van de heer Renet nog zal worden beantwoord voor de raadsvergadering, evenals de vraag van dhr. Talpe. Hij schorst de vergadering voor enkele minuten.
8
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 4 december 2025 Tijdstip:
19.00-23.07 uur
1.2 1ste wijziging belastingmaatregelen 2026 (Tillie) 20:04-20.34 Aanwezig de voorzitter: de griffier:
M.J.M. De Loo A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
N.F.J. Wetzels G.J.M.C. Essing-Demandt W.P.H. Paauwe J.E. Janssen P.R. Pi Van de Venne F.M.J. Frenken D.D.W. Pfoster J.J. Renet E.V.P. Talpe
het college:
Wethouder Tillie
ambtelijke ondersteuning:
De heer Kerkhof
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter heropent de vergadering. Bij het tweede agendapunt wordt de raad gevraagd in te stemmen met de eerste wijziging van de belastingmaatregelen 2026 en drie bijbehorende verordeningen gewijzigd vast te stellen. Eerste termijn Mevrouw Essing-Demandt (CDA) geeft aan dat de fractie recentelijk de belastingmaatregelen heeft besproken en dat de huidige aanpassing vooral betrekking heeft op de OZB-tarieven. Ze benadrukt dat de fractie vindt dat tarieven zorgvuldig moeten worden vastgesteld zonder extra lasten voor inwoners. De voorgestelde OZB-aanpassing is budgetneutraal, door de stijging van de WOZ-waarde kunnen de tarieven voor woningen en niet-woningen dalen, maar de gemiddelde woonlasten blijven onveranderd. Ze merkt op dat een hogere WOZ-waarde op termijn het vermogen van inwoners verhoogt. Daarnaast vraagt zij naar de actualisatie van de WOZ-prognose en bespreekt ze het invoeren van leges op conceptaanvragen, wat de kwaliteit van de dienstverlening zou verhogen en efficiënt gebruik van ambtelijke capaciteit beoogt. Ze benadrukt dat hier aandacht voor moet zijn, met name voor kleinere aanvragen en aanvragen van maatschappelijke organisaties. Het standpunt van de fractie blijft om hogere belastingen zoveel mogelijk te voorkomen en regels zo min mogelijk belemmerend te laten zijn voor inwoners.
De heer Paauwe (Stadspartij) benadrukt dat zijn fractie voorstander is van verlaging van lokale lasten en dat zij te weinig voordelen zien voor inwoners, het MKB en grote ondernemingen. Hij stelt dat verlaging of
9
handhaving van tarieven gelijk aan 2025 mogelijk zou zijn en benadrukt het belang van het behouden en aantrekken van jongeren in Sittard-Geleen. Zo vindt de fractie dat kosten voor paspoorten en reisdocumenten voor jongeren niet verhoogd mogen worden. Daarnaast benadrukt hij dat inwoners bij bouw en verbouwingen te veel tegen ambtelijke processen aanlopen, waardoor tijd en middelen verloren gaan. Zijn fractie pleit voor een dienstverlenende overheid die processen sneller en duidelijker uitvoert, zodat inwoners niet vastlopen in procedures. Tot slot noemt hij dat de fractie de vervolgstappen van de motie over grafrechten afwacht en dat zij van mening zijn dat de hondenbelasting uit het belastingsysteem van Sittard-Geleen moet verdwijnen, om een diervriendelijkere stad uit te stralen. De heer Pfoster (PVV) geeft aan dat hij volledig instemt met de woorden van de heer Paauwe en hij verder geen aanvullingen heeft. De heer Renet (SPA) meldt dat hij het niet volledig eens is met de toelichting van mevrouw EssingDemandt over de stijging van de WOZ-waarde. Hij benadrukt dat een hogere WOZ-waarde leidt tot hogere belasting voor huiseigenaren en dat SPA in het verleden heeft gepleit voor verlaging van de OZB, omdat de lokale lasten in hun ogen nog steeds hoger zijn dan in andere gemeenten.
Daarnaast geeft hij aan principieel tegen het afschaffen van de hondenbelasting te zijn, waarbij hij wel vrijstellingen voor mensen die het financieel moeilijk hebben ondersteunt. Mevrouw Frenken (VVD) geeft aan dat haar fractie positief is over het feit dat de stijgende WOZ-waarde in Sittard-Geleen worden vertaald naar lagere OZB-tarieven, waardoor de totale lasten voor inwoners en ondernemers gemiddeld gelijk blijven. Ze benadrukt dat de OZB bij voorkeur verder zou moeten dalen en waarschuwt voor dubbele indexatie volgend jaar, die alsnog tot hogere lasten kan leiden. Daarnaast uit zij zorgen over de nieuwe legesverordening voor conceptaanvragen in het vooroverleg onder de Omgevingswet. Ze stelt dat het voorgestelde tarief van 400 euro te hoog is voor een eerste laagdrempelige stap en vraagt het college naar alternatieven, monitoring van de effecten op vooroverleg en waarborging van de kwaliteit van aanvragen. Verder vraagt zij aandacht voor de wijzigingen in normprijzen bouwkosten en de lijst van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Ze benadrukt het belang van duidelijke, actuele en transparante normprijzen om onzekerheid en vertraging te voorkomen. Ze vraagt of de nieuwe normprijzen gebaseerd zijn op ontwikkelingen tot september 2025 en of er is overwogen om grote indexeringssprongen te vermijden door tussentijdse updates.
De heer Talpe (PIT) heeft begrip voor het heffen van leges bij conceptaanvragen vanwege de gemaakte kosten en de belasting van de ambtelijke capaciteit. Hij benadrukt dat het belangrijk is dat dit leidt tot deugdelijke en goed onderbouwde aanvragen, en vindt het daarom acceptabel dat hier een bedrag voor wordt gevraagd, zeker als dit bij de definitieve aanvraag wordt verrekend. Tegelijkertijd vraagt hij of het college mogelijkheden ziet om het proces laagdrempelig te houden, bijvoorbeeld door een eerste snelle check uit te voeren voordat de conceptaanvraag officieel wordt ingediend, zodat alsnog advies kan worden gegeven zonder meteen het volledige tarief in rekening te brengen. Het doel is een balans tussen kwaliteit van de aanvraag en toegankelijkheid voor de aanvragers. Wethouder Tillie geeft aan dat de stijging van de WOZ-waarde leidt tot een verlaging van de OZB, omdat het totale te innen bedrag over de gemeente verdeeld wordt. Hij benadrukt dat de lasten voor inwoners hierdoor niet toenemen. De wetswijziging rondom leges voor vergunningen is ingevoerd om wachtlijsten bij vergunningaanvragen te verkorten, en de tarieven zijn conform omliggende gemeenten vastgesteld. Hij geeft aan dat deze kosten later verrekend worden bij de definitieve aanvraag en dat het systeem gemonitord zal worden.
Over de paspoorten en rijbewijzen geeft de wethouder aan dat de tarieven worden aangepast volgens de landelijke richtlijnen. Daarnaast wijzigt het tarief voor de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 82,80 euro naar 82,00 euro, omdat het te veel was en boven de landelijke norm lag. Mevrouw Frenken (VVD) vraagt of het college de verantwoordelijkheid ziet om de dienstverlening te verbeteren, zodat inwoners beter begeleid worden bij het doorlopen van vergunningaanvragen onder de
10
Omgevingswet. Ze benadrukt dat de complexiteit van de wet niet alleen voor de gemeente nieuw is, maar ook voor de inwoners, en wil weten hoe de wethouder hierover denkt en welke maatregelen worden genomen om het proces makkelijker te maken voor inwoners. Wethouder Tillie antwoordt dat hij nooit heeft gezegd dat de kwaliteit van vergunningaanvragen slecht is, maar dat er wel een wachtlijst bij vergunningaanvragen ontstaat. Om dit te beheersen en betrouwbare dienstverlening te bieden, zijn de leges ingevoerd. Inwoners kunnen altijd contact opnemen voor ondersteuning bij het vergunningsproces, en de dienstverlening wordt continu verbeterd waar mogelijk. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat het gekoppelde legesbedrag wel relevant is. Hij benadrukt dat vroegtijdig contact bij de eerste intake van belang is om aanvragen in de juiste richting te sturen en zo het hele proces te versnellen. Vooralsnog vindt hij dat er geen directe aanpassing van de tarieven nodig is, maar hij houdt dit punt voor de raad in overweging voor mogelijke toekomstige aanpassingen. De heer Paauwe (Stadspartij) vraagt ter verduidelijking of de wachttijden bij vergunningaanvragen worden bestreden door het verhogen van de leges.
De ambtelijke ondersteuning licht toe dat de legesheffing vooral betrekking heeft op aanvragen van professionele partijen, zoals ontwikkelaars, en niet op kleine aanvragen van inwoners of kleine ondernemers. Het gaat specifiek om grotere afwijkingen van het bestemmingsplan die via de intake tafel lopen. Kleine afwijkingen, zoals een dakkapel, vallen onder het reguliere vergunningenproces en worden dus niet belast met deze heffing. De heer Paauwe (Stadspartij) geeft aan dat hij blijft worstelen met het traject rondom de nieuwe Omgevingswet en omgevingsvisie. Hij merkt op dat bouwinitiatieven vaak stagneren door complexe ambtelijke processen en pleit voor meer snelheid en begeleiding van aanvragers aan de voorkant van het proces. Wethouder Tillie antwoordt dat het huidige agendapunt uitsluitend gaat over de eerste wijziging van de belastingmaatregelen, en dat een uitgebreidere discussie over vergunningaanvragen beter op een ander moment kan plaatsvinden. De voorzitter stelt vast dat de eerste termijn is afgerond en vraagt of er behoefte is aan een tweede termijn. De voorzitter concludeert dat het stuk als hamerstuk door naar de raad gaat. Hij schorst de vergadering voor enkele minuten.
11
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 4 december 2025 Tijdstip:
19.00-23.07 uur
1.3 Rondevoorstel Agenda Groen 2026-2029 (Geilen/Tillie) 20:34-22.00 Aanwezig de voorzitter: de griffier:
M.J.M. De Loo A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
G.R. Klee T.E.L. Vranken J.W. Coumans J.E. Janssen P.R. Pi Van de Venne F.M.J. Frenken D.D.W. Pfoster J.J. Renet M.C.M.H. Schumans M.G.H. Habets
het college:
Wethouder Tillie, wethouder Geilen
ambtelijke ondersteuning:
De heer Hennekens, mevrouw Nieuwenhuizen
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent het derde agendapunt over de agenda Groen. Hij benadrukt dat de raad vooral moet reflecteren op de uitvoering van de agenda Groen en niet op de vastgestelde beleidsdoelen uit de omgevingsvisie of het participatietraject. De nagezonden factsheet dient als leidraad voor de discussie. Technische vragen van de fracties GOB en PIT en de bijbehorende beantwoording zijn beschikbaar in iBabs. Allereerst krijgt de inspreker het woord. De inspreker complimenteert het college en de betrokkenen bij de ontwikkeling van de Agenda Groen, die hij als bewoner als consistent, concreet en integraal ervaart. Tegelijkertijd uit hij zijn zorgen, samen met meer dan honderd inwoners van de Maastrichterbaan en Landgraaf in Geleen, over de situatie van gemeentelijke gronden tegenover de Hornbach. Deze gronden grenzen direct aan hun woningen en worden al decennia gebruikt voor landbouw waarbij jaarlijks landbouwgif op korte afstand van de tuinen wordt gespoten. Het gebied wordt bovendien belast door nabijheid van Chemelot, het drukke retailpark en de Urmonderbaan. De inspreker wijst erop dat deze gronden gemeentelijk eigendom zijn, al dertig jaar de bestemming groen en natuur hebben en deel uitmaken van de ecologische verbindingszone tussen de Maasvallei en het Geleenbeekdal.
Hij vindt het onbegrijpelijk dat het college de huidige situatie in stand houdt en voornemens is het jaarlijkse pachtcontract met de agrarische exploitant te verlengen. Hij roept het college op om het pachtcontract niet te verlengen en het gebied als concreet project op te nemen in de Agenda Groen. De grond heeft herstel nodig van de geleden landbouwschade, kan bijdragen aan de ecologische verbinding en vervult de zorgplicht van de gemeente richting de omwonenden.
12
De heer Pi Van de Venne (D66) geeft aan dat de zorgen die zijn aangekaart terecht zijn. Hij vraagt of er in de afgelopen periode contact is geweest met de gemeente over deze problematiek en hoe daarop is gereageerd. De inspreker antwoordt dat hij ruim een jaar geleden ontdekte dat de gronden de bestemming groen/natuur hebben. Hij nam toen contact op met de gemeente, aanvankelijk met handhaving, die constateerde dat de gronden formeel conform bestemming beheerd zouden moeten worden. Na overleg met vastgoed bleek er echter een lopende pachtconstructie met een agrariër te zijn. De inspreker geeft aan dat de ambtenaren een luisterend oor boden, meedachten en hem in staat stelden voorstellen te doen om de situatie tijdelijk te overbruggen. Het besluit om het pachtcontract te verlengen of niet ligt echter bij de politiek. Mevrouw Frenken (VVD) vraagt welke overlast hij precies ervaart: stank, geluid of anderszins. De inspreker licht toe dat reguliere landbouwactiviteiten plaatsvinden op een perceel vlakbij de woningen, met onder andere een rooimachine die trillingen en stofoverlast veroorzaakt. Het grootste probleem betreft echter het gebruik van bestrijdingsmiddelen op korte afstand van de woningen, wat leidt tot aantasting van de tuin, stankoverlast bij mestinjectie en mogelijk gezondheidsklachten bij buurtbewoners.
Ook wijst hij op de ecologische schade en het gebrek aan biodiversiteit door de langdurige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De overlast wordt versterkt door de reeds zwaar belaste omgeving, met nabijgelegen retailparken en druk verkeer. De heer Klee (GOB) vraagt of het door de inspreker aangegeven, rood omcirkelde gebied volledig eigendom is van de gemeente of dat er ook andere eigenaren bij betrokken zijn. De inspreker geeft aan dat hij dit niet met absolute zekerheid kan zeggen, maar schat dat ongeveer 90 tot 95 procent van het gebied eigendom is van de gemeente, met mogelijk een kleine tussenstrook die niet in gemeentelijk bezit is. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat zijn fractie de zorgen deelt. Hij vraagt of de inspreker destijds ook heeft ingesproken bij de voorbereiding van de omgevingsvisie, die op 27 maart is vastgesteld, zodat zijn overwegingen mogelijk meegenomen hadden kunnen worden. De inspreker geeft aan dat hij en, voor zover hij weet, ook andere buurtbewoners niet hebben ingesproken. Wel waren zij al in gesprek met de gemeente over dit onderwerp, maar hij was zich er niet van bewust dat op dat moment de keuzes voor de omgevingsvisie werden gemaakt. De heer Vranken (CDA) vraagt hoe groot het gezondheidsrisico is van de bestrijdingsmiddelen in het gebied, aangezien er landelijk kaders bestaan waaraan agrariërs moeten voldoen.
De inspreker geeft aan dat hij dit zelf niet kan beoordelen, omdat hij geen specialist is. Hij stelt dat de gemeente formeel antwoord zou moeten kunnen geven, aangezien gebruikers van de gronden moeten registreren welke bestrijdingsmiddelen worden toegepast. Hij verwijst naar de uitspraak van de Raad van State vorig jaar, waarin een spuitzone van 50 meter is vastgesteld voor nieuwe ontwikkelingen. Er zijn ook civiele zaken geweest waarin werd benadrukt dat bij stapeling van agrarische middelen, gecombineerd met verkeers- en luchtverontreiniging, de gemeente moet kunnen verantwoorden of die 50-meterzone voldoende is, en in enkele gevallen is dit door de rechter afgewezen. Eerste termijn De heer Vranken (CDA) complimenteert de samenstellers van het Agenda Groen 2026-2029, benadrukt de uitgebreide betrokkenheid van inwoners, lokale natuur- en landschapsverenigingen en de verwerking van aanbevelingen uit het Rekenkameronderzoek Groenbeleid en Onderhoud 2023.
13
Desondanks doet de CDA-fractie een dringend verzoek aan het college om op korte termijn een plan van aanpak te ontwikkelen voor de bestrijding van de Aziatische hoornaar, ter bescherming van de biodiversiteit en ecologische systemen. De heer Pi Van de Venne (D66) merkt op dat de Agenda Groen geen nieuw beleid bevat, maar slechts bestaande plannen verdiept. De fractie vraagt expliciet om bevestiging dat er nieuw beleid komt voor het kapbeleid, aangezien de huidige APV onvoldoende bescherming biedt voor groenstructuren. Positief is dat de Agenda Groen beleidsverankering biedt voor natuurkwaliteit en een integrale aanpak van groenbeleid, onderhoud, herinrichting, klimaatadaptatie, waterhuishouding en regionale samenwerking. De D66-fractie ziet echter uitvoeringskracht als een knelpunt: actief planten van nieuwe bomen en vergroening komt pas na 2029 aan de orde, wat volgens hen veel te laat is. Ze roepen het college op om vergroening naar voren te halen en snel werk te maken van de uitvoering. Tot slot wijst D66 op een mogelijke spanning tussen natuurinclusieve inrichting en de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen en vraagt aandacht hiervoor in de verdere uitwerking. De voorzitter benadrukt dat de bespreking van vanavond beperkt blijft tot de uitvoeringsagenda van de Agenda Groen. Hij wijst erop dat het niet de bedoeling is om nieuw beleid te formuleren.
Mevrouw Frenken (VVD) geeft aan dat de Agenda Groen 2026-2029 geen nieuw beleid vormt, maar bestaande omgevingsvisie uitwerkt in acties. Zij benadrukt dat groen functioneel, betaalbaar en uitvoerbaar moet zijn, zonder bouwen, ondernemen of ontwikkelen te belemmeren. Ze waardeert projecten die bijdragen aan leefbaarheid en klimaatbestendigheid. De VVD ziet een gemiste kans in het ontbreken van een koppeling met het dierenbeleid, omdat dit vertraging en onduidelijkheid kan veroorzaken. Ook waarschuwt zij dat bij compensatieregelingen en nieuwe beleidskaarten extra bureaucratie moet worden voorkomen. Daarnaast wijst ze op bijna 4,5 ton aan nog ongedekte middelen voor 2027 en vraagt welke onderdelen hiervan afhankelijk zijn en wat gebeurt als deze middelen niet beschikbaar komen. Ze waardeert het gebruik van datasturing via het groen- en bomen-dashboard, mits consequent toegepast. Tot slot benadrukt de VVD dat groen praktisch, uitvoerbaar en leefbaar moet zijn, waarbij het beleid inwoners en ondernemers ondersteunt en niet belemmert. Ambities moeten altijd passen binnen de beschikbare middelen. De heer Klee (GOB) benadrukt dat de Agenda Groen 2026-2029 een langverwacht en breed opgezet document is, met betrokkenheid van diverse organisaties zoals de expertgroep Groen.
Hij complimenteert de opstellers en benadrukt dat de stukken voor GOB vooral inhoudelijk en niet financieel van belang zijn. De fractie waardeert concrete resultaten van eerdere initiatieven, zoals het groene kader, groeneducatie en onderhoudsprojecten. Hij vraagt aandacht voor hoofdstuk 12 dat nog niet is ingevuld en pleit voor een vast evaluatie- en herijkingsmoment via de P&C-cyclus. Hij vraagt tevens naar mogelijkheden voor externe financiering en benadrukt dat realistische uitvoering belangrijk is, zoals het planten van meerdere nieuwe bomen in plaats van verplaatsen van grote bomen, en focus op haalbare doelen zoals exotenbestrijding. Daarnaast wijst hij op het belang van educatie en communicatie, met betrokkenheid van inwoners, scholen en expertgroepen, en pleit hij voor één loket hiervoor. Tot slot onderstreept hij het belang van afstemming met andere stakeholders zoals Rijkswaterstaat, boeren, natuurorganisaties en grondeigenaren, zodat alle partijen op één lijn zitten. De heer Coumans (Stadspartij) geeft aan dat groen en natuur belangrijk zijn voor leefbaarheid en gezondheid, maar dat bewoners van de Mijnbouwstraat en omgeving hinder ondervinden van agrarische werkzaamheden, zoals het spuiten van middelen in de grond. Dit veroorzaakt stofoverlast waardoor bewoners in de zomer nauwelijks buiten kunnen zijn.
Hij vraagt of de geplande verlenging van het pachtcontract in 2026 het laatste jaar is of dat het pachten belangrijker wordt geacht dan de leefbaarheid en gezondheid van omwonenden. De Stadspartij benadrukt dat er een oplossing moet komen door overleg tussen wethouder, bewoners en agrariërs en kondigt aan een motie te willen indienen.
14
De heer Pfoster (PVV) vindt dat de Agenda Groen veel erkenning verdient vanwege het werk dat het afgelopen jaar is verzet, maar dat het programma hoge ambities kent die inhoudelijk zwaar wegen op de raad. Hoewel de Agenda formeel geen nieuw beleid creëert, ontstaan er in de praktijk wel nieuwe prioriteiten, onderzoeken en investeringsprogramma’s, waardoor het een omvangrijke beleidsagenda wordt met structurele meerjarenclaims. Hij wijst op financiële aandachtspunten: in 2026 is 414.000 euro beschikbaar, maar voor 2027 ontbreekt nog 438.000 euro en veel investeringsbedragen vanaf 2029 zijn indicatief. Dit maakt het programma bestuurlijk risicovol. Ook ontbreekt een onderbouwing van benodigde extra fte, capaciteitstekorten of realistische doorlooptijden, terwijl de uitvoering sterk afhankelijk is van beschikbare menskracht. De PVV-fractie waardeert inhoudelijk veel maatregelen, zoals vergroening van schoolpleinen, data-inzet voor gerichte keuzes en samenwerking met lokale natuurverenigingen. Tegelijkertijd maakt de Agenda Groen veel programma’s afhankelijk van elkaar en leidt dit tot voortdurende financiële en beleidsmatige claims, zonder dat het effect op straat duidelijk is.
Hij stelt de vragen of de huidige ambtelijke capaciteit voldoende is om de uitvoering van alle documenten en programma’s te realiseren, en waarom het college nu structureel investeringsbudget programmeert terwijl dekking voor 2027 en latere jaren onzeker is, in het licht van prudent begrotingsbeleid. De heer Renet (SPA) sluit zich aan bij het betoog van de PVV en benadrukt dat de Agenda Groen wel degelijk nieuw beleid bevat. Hij geeft aan dat hij het gebied dat de inspreker noemde goed kent en dat het beplanten van deze strook met bomen en struiken de leefbaarheid van omwonenden kan verbeteren door een scherm te vormen tegen landbouwactiviteiten, zoals bespuitingen en maaien. Hij noemt het een goed begin om actief bomen te planten en pleit voor verdere gesprekken over het gebruik van deze grond, mede gezien eerdere pachtconstructies en verlengingen. De voorzitter benadrukt dat de bespreking moet blijven bij het voorliggende onderwerp van de Agenda Groen. Hij vraagt hem zich te concentreren op het document zelf en niet op eigen interpretaties of uitweidingen. De heer Renet (SPA) geeft aan dat er in het besproken gebied meer groen en begroeiing moet komen om schadelijke effecten voor de omwonenden te beperken. Hij benadrukt dat dit zou moeten leiden tot het planten van bomen en struiken in plaats van het behouden van landbouwgrond.
Daarnaast wijst hij erop dat de beslissing over het opnieuw verpachten van dit gebied een politieke kwestie is die bij de uitvoering hoort, en vraagt hij de raad en het college om hier goed over na te denken. De heer Habets (PIT) vindt het van groot belang dat de doelen van de Agenda Groen realistisch, SMART geformuleerd en goed te bereiken zijn. Hij merkt op dat er onduidelijkheid bestaat over de financiering van het plan, waarbij het hem opvalt dat reeds verstrekte middelen mogelijk niet zijn gebruikt of dat er geld uit andere budgetten wordt aangewend. Hij vraagt de wethouder om hier nadere toelichting op te geven, omdat de huidige situatie verwarrend is en meer inzicht nodig heeft. Daarnaast benadrukt hij het belang van een goed participatietraject met burgers bij de uitvoering van het plan. Volgens hem moeten inwoners in de omgeving van geplande acties geïnformeerd worden en de mogelijkheid krijgen om hun visie kenbaar te maken. Hij stelt dat het plan niet enkel een voorstel vanuit het college en de ambtelijke organisatie moet zijn, maar dat inwoners actief moeten worden betrokken om weerstand te voorkomen en draagvlak te creëren. Hij sluit af met de oproep dat PIT zich wil inzetten voor een gezonde leefomgeving en voldoende groen, maar dat dit altijd moet gebeuren in nauwe samenwerking en afstemming met inwoners.
Hij vraagt het college om participatie structureel onderdeel te maken van de uitwerking van de Agenda Groen, zodat het plan uitvoerbaar, gedragen en effectief is. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat zijn fractie positief is over de ambitie en acties van de Agenda Groen 2026-2029, en complimenteert de presentatie en de factsheet die in één oogopslag duidelijk maakt waar het plan over gaat. Hij benadrukt dat het belangrijk is dat de uitvoering haalbaar is met de huidige bemensing en vraagt het college hoe de beschikbare middelen en capaciteit aansluiten bij de ambitie, en of extra inhuur nodig is om de doelen te realiseren zonder dat acties naar volgende jaren worden doorgeschoven.
15
Hij vraagt specifiek aandacht voor de zorgen van bewoners van de Maastrichterbaan over de ecologische verbindingszone en het verlengen van pachtcontracten op gemeentelijke grond. Hij wil een reactie van het college over hoe dit past binnen de uitvoering van de omgevingsvisie en de regelgeving omtrent spuitzones en biodiversiteit. Verder vraagt hij naar de planning en monitoring van de vastgestelde kwantitatieve doelen, zoals de basiskwaliteit natuur, de 3-30-300 regel, 1 procent extra bomen per jaar en 10 procent groenblauwe dooradering, inclusief hoe de raad hierover wordt geïnformeerd. Hij stelt vragen over de afstemming met de provincie voor het doortrekken van het Natuurnetwerk Limburg en de uitvoering van natuurgebieden zoals het Geleenbeekdal en Graetheideplateau. Daarnaast benoemt hij mogelijke aanvullende acties, zoals vergroening van bedrijventerreinen met steun uit het Nationaal Groenfonds, het vergroten van het resultaat van de landelijke tegelwipactie en het gebruik van beschikbare middelen uit de stimuleringsrekening afkoppelen hemelwater voor prestatieafspraken met corporaties. Mevrouw Schumans (Lokaal-SGB) staat positief tegenover meer groen, omdat dit de flora, fauna en gezondheid ten goede komt. Tegelijkertijd maakt zij zich zorgen over de gezondheid van bewoners die dicht bij landbouwpercelen wonen waar pesticiden worden gebruikt.
Ze vraagt het college te onderzoeken of extra afstand tussen akkerbouw en woningen mogelijk is, zodat beplanting kan dienen als buffer en bewoners minder overlast ervaren. Ze benadrukt echter dat het weren van boeren niet wenselijk is, mede gezien het belang van landbouw in uitzonderlijke situaties. Wethouder Geilen geeft aan dat de Agenda Groen een concrete uitwerking is van de door de raad eerder vastgestelde omgevingsvisie, waarin hoge ambities voor groen, biodiversiteit en ecologische verbindingszones zijn vastgelegd. Hij bedankt de fracties voor hun betrokkenheid en onderstreept dat participatie van inwoners, scholen, vrijwilligersorganisaties en andere stakeholders standaard in het proces is ingebouwd. Dit gebeurt zowel bij beleidsontwikkeling als bij uitvoering, zodat de plannen realistisch en breed gedragen zijn. Hij reageert op zorgen over uitvoeringskracht en financiering door te benadrukken dat voor 2026 en 2027 de middelen beschikbaar zijn om de plannen nader uit te werken, en dat de daadwerkelijke uitvoering van grotere projecten, zoals het verwerven van gronden en het aanleggen van ecologische verbindingszones, pas in de jaren 2028-2029 plaatsvindt. Het college wil hiermee realisme combineren met ambitie: niet alles kan tegelijk worden gerealiseerd, maar er worden wel stappen gezet om de groene ambities concreet te maken.
Daarbij worden ook kleinere acties uitgevoerd, zoals het bijplanten van bomen in straten en wijken waar dat mogelijk is, en het versterken van bestaande groenblauwe structuren. Daarnaast worden inwoners actief gestimuleerd om mee te doen aan vergroening. Hij licht verder toe dat het beheer van het bestaande bomenbestand aandacht vereist vanwege ziektes, klimaatverandering en de eenzijdige samenstelling van sommige straten. Ook de bestrijding van exoten, zoals de Aziatische hoornaar, wordt actief opgepakt, met inzet van ervaringen uit eerdere projecten zoals de aanpak van de processierups. Deze ervaring wordt gebruikt om systematisch en effectief te werk te gaan, samen met provincie, andere gemeenten en betrokken partijen. Hij benadrukt dat de Agenda Groen nu vooral dient om de ambitie beleidsmatig en planmatig te onderbouwen, zodat de raad in de P&C-cyclus de voortgang kan volgen. Hiermee wordt voorkomen dat grote investeringen worden gedaan zonder dat duidelijk is hoe, wanneer en met welke middelen de uitvoering kan plaatsvinden. De agenda maakt concreet wat eerder in de omgevingsvisie is vastgesteld, inclusief de financiële en uitvoeringsconsequenties, en biedt een meerjarige planning van acties, met prioriteit voor haalbare en realistische projecten.
Wethouder Tillie geeft aan dat het dierenbeleid dat mevrouw Frenken benoemde al onderdeel is van de Agenda Groen, omdat maatregelen voor biodiversiteit, aangepast maaibeheer en de aanleg van bloemenlinten automatisch ook fauna betreffen. Het overige dierenbeleid zal later worden uitgewerkt. Hij gaat in op de suggestie van de heer Klee om het platform Goede Morgen als centraal loket te gebruiken voor participatie en informatievoorziening. Hij benadrukt dat Goede Morgen zich richt op bewustwording van inwoners op het gebied van duurzaamheid, klimaat en groen, en dat acties zoals de bomenactie en bloemzadenactie bijdragen aan deze bewustwording en tegelijkertijd de leefomgeving vergroenen en gezonder maken.
16
Tot slot reageert hij op de opmerking over het gebruik van middelen. Hij legt uit dat GALA-middelen zijn ingezet om een gezonde leefomgeving te ondersteunen, waaronder investeringen in groen, en dat deze inzet passend en effectief is geweest. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt het college om een reactie op twee punten: de mogelijkheden voor vergroening van bedrijventerreinen binnen de werklocaties van de toekomst en het inzetten van de stimuleringsregeling voor afgekoppeld hemelwater in prestatieafspraken met woningcorporaties. Wethouder Geilen antwoordt dat het thema bedrijventerreinen is opgenomen in hoofdstuk 7 van de Agenda Groen, onder Gezondheid, Mens en Natuur. Binnen het programma bedrijventerreinen wordt een klimaatscan uitgevoerd en wordt samen met bedrijfseigenaren, het Waterschap en WML gekeken hoe bedrijventerreinen verduurzaamd en vergroend kunnen worden, met oog voor een gezonde leefomgeving voor omwonenden en bezoekers. Wat betreft het stimuleren van tegelwippen en vergroening in samenwerking met woningcorporaties, geeft de wethouder aan dat eerdere acties al veel tegels hebben verwijderd en dat dit in samenwerking met inwoners en corporaties wordt voortgezet. Hoewel er geen harde prestatieafspraken zijn gemaakt, worden thema’s zoals vergroening en biodiversiteit wel besproken in de overlegstructuren met corporaties.
Hij benadrukt dat al het groen dat wordt aangelegd onderhoud vergt en daarmee extra uitvoeringskracht en budget vraagt, waardoor de uitvoering gefaseerd en zorgvuldig moet plaatsvinden. De heer Pfoster (PVV) geeft aan dat het college de verantwoordelijkheid voor planning en capaciteitsinschatting bij de raad legt, terwijl hij van mening is dat het college primair verantwoordelijk is voor uitvoering, planning en benodigde capaciteit. Hij benadrukt dat de raad projecten niet kan plannen en stelt dat het college eerder naar de raad had moeten terugkomen met het signaal dat het door de raad vastgestelde ambitieniveau mogelijk te hoog is. Zijn vraag aan het college is waarom dit niet eerder is gebeurd. Wethouder Geilen antwoordt dat het college wel degelijk kritisch naar de raad heeft gecommuniceerd tijdens eerdere amendementen en moties. Bij voorstellen zoals de omgevingsvisie hebben zij steeds benadrukt om eerst een nulmeting te maken en de bestaande situatie in kaart te brengen, zodat er realistisch beleid kan worden opgesteld. Hij stelt dat de raad hoge ambities heeft vastgesteld, wat positief is, maar dat dit ook extra middelen en uitvoeringskracht vraagt. Het college waarschuwt daarom vooraf dat voor het realiseren van alle ambities extra financiële middelen nodig zullen zijn en dat voor 2026 alleen een beperkt programma kan worden uitgevoerd binnen de bestaande begroting.