CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen Ronde Raadzaal 25 september 2025

Raad 9 oktober 2025, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststellen van de notulen10.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 25 september 2025 Tijdstip:

19.30-22.56 uur

1.1 Rondevoorstel Actualisatie parkeerbeleidsplan-Deel 1 Ontwerphoofdlijnennotitie (Geilen) 19:30-21.20 Aanwezig de voorzitter: de griffier:

R. Breidenbach A. Cortlever

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:

C. Verjans B.A.J. Hoedemakers A.C.M. Raven P.H.J. Kubben P.R. Pi Van de Venne J.M.H. Joosten J.J. Renet M.C.M.H. Schumans afgemeld M.M.J.T. Schenk-Hermans

het college:

Wethouder Geilen

ambtelijke ondersteuning:

Mevrouw Koelstra, de heer Van Hulsbeek (adviesbureau Sparks)

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Hij meldt dat de fractie Burger Centraal verhinderd is. Op de agenda staan twee voorstellen, waarvan het eerste gaat over de ontwerphoofdlijnennotitie parkeerbeleid. De bedoeling is dat de leden hun opinie meegeven aan het college, dat in het najaar de definitieve versie vaststelt. De leden zijn vorige week in een themasessie geïnformeerd en de presentatie en beantwoording van technische vragen van Stadspartij en PIT zijn beschikbaar in iBabs. Eerste termijn De heer Renet (SPA) geeft aan dat zijn fractie veel kan onderschrijven in het stuk, maar dat het op cruciale punten tekortschiet. Volgens hem moet parkeerbeleid bijdragen aan de inrichting van de leefomgeving, met meer ruimte voor lopen, fietsen en verblijf, maar zonder de bereikbaarheid van centra voor ouderen en mensen met een beperking in gevaar te brengen. Pas als het openbaar vervoer op orde en betaalbaar is, mogen maatregelen die autogebruik in de centra beperken worden ingevoerd. Hij wijst erop dat er in Sittard tijdens piekmomenten voldoende plek is in garages, maar dat de parkeergarage in Geleen structureel te vol is. Daarbij houdt het beleid geen rekening met nieuwe woningen in Geleen Centrum, extra ambtenaren bij het dienstencentrum en bezoekers die men wil aantrekken.

Hij vraagt het college om cijfers over de effecten hiervan en een vollediger overzicht van de parkeerdruk.

1

Hij benadrukt dat bewoners in straten rond centra nu al overlast ervaren doordat bezoekers daar parkeren. Hij pleit voor bescherming van bewoners, bijvoorbeeld via vergunning-parkeren tegen lage kosten. Ook bekritiseert hij het plan voor meer laadpalen en parkeerverboden voor niet-elektrische auto’s. Elektrische auto’s zijn volgens hem vooral bereikbaar voor mensen met hogere inkomens, waardoor ongelijkheid ontstaat. Hij noemt het onrechtvaardig dat elektrische rijders privileges krijgen, terwijl mensen met een beperking veel moeten betalen voor een invalidekaart. Tot slot stelt hij dat tanken, ook elektriciteit, een commerciële activiteit moet blijven. SPA zal in de raad een amendement of motie indienen om het aantal laadpalen niet uit te breiden en elektrische rijders dezelfde vergunningsplicht te geven als mensen met een beperking. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vraagt of de heer Renet concludeert dat er een structureel parkeerprobleem in Geleen is, enkel omdat de parkeergarage op zaterdagmiddag voor 99 procent bezet is. De heer Renet (SPA) antwoordt dat dit cijfer letterlijk in het stuk staat en dat de cijfers overal gebaseerd zijn op piekmomenten. Hij benadrukt dat hij juist om een overzicht van andere dagen en momenten vraagt, omdat die informatie ontbreekt. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vindt dat de heer Renet te snel conclusies trekt op basis van een cijfer.

Volgens hem schept dat een verkeerd beeld en zou de heer Renet beter kunnen wachten tot de aanvullende informatie beschikbaar is. De heer Renet (SPA) reageert met te zeggen dat de problemen op zaterdag duidelijk zichtbaar zijn en dat dit het enige moment is waarop de cijfers nu zijn gebaseerd. Hij herinnert eraan dat hij tijdens de themasessie al om meer informatie heeft gevraagd, maar die niet heeft gekregen. Daarom vraagt hij nu opnieuw om die gegevens. Volgens hem is het niet vreemd dat hij zijn conclusies op piekmetingen baseert, omdat ook de gemeente en het college dat doen. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) stelt dat het onjuist is om te zeggen dat de gemeente vooral rijke bezitters van elektrische auto’s faciliteert. Volgens hem is laden een commerciële activiteit, de gemeente biedt alleen ruimte zodat bijvoorbeeld Vattenfall palen kan plaatsen, en gebruikers betalen gewoon voor de stroom. De heer Renet (SPA) erkent dat mensen betalen voor de stroom, maar herinnert eraan dat er in het verleden wel gemeentelijke discussies zijn geweest over de plaatsing van laadpalen, waarbij ook geld vanuit de gemeente beschikbaar is gesteld. De heer Verjans (GOB) benadrukt dat het om een eerste stap gaat met de ontwerphoofdlijnennotitie. Volgens hem vormen de ambities uit de omgevingsvisie een stevig fundament en zijn deze richtinggevend voor beleid.

Hij waarschuwt dat houding en gedrag van inwoners en organisaties niet van de ene op de andere dag veranderen, dat vraagt tijd, geduld en continuïteit. Daarom vindt GOB maatwerk essentieel, omdat niet elke wijk of elk gebied dezelfde aanpak vraagt. Hij pleit ervoor om per situatie te kijken wat werkt, waar nodig bij te sturen en te leren van ervaringen. Het beleid biedt die ruimte en volgens hem moeten ze het proces durven aangaan om zo tot beleid te komen dat niet alleen op papier klopt, maar ook in de praktijk gedragen wordt. De heer Raven (Stadspartij) stelt dat het voorstel op de goede weg is, maar dat effectiviteit afhankelijk is van detailuitwerking, uitvoering, monitoring en aansluiting op technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. Hij pleit voor maatwerk per locatie en herziening van parkeernormen bij nieuwe woningen, omdat huidige normen onvoldoende rekening houden met het aantal auto’s per huishouden. Hij vindt dat bewonersparkeren in principe gratis moet zijn en sluit aan bij de kritiek van de heer Renet op het voorkeursbeleid voor elektrische auto’s, dat vaak leidt tot leegstaande plekken terwijl niet-elektrische rijders verder moeten lopen. Hij wijst op knelpunten rond bereikbaarheid, leefbaarheid en parkeerdruk en pleit voor wijkgerichte parkeerdrukmetingen, slimme indicatoren, alternatieve mobiliteit en een betere aansluiting op duurzaamheidsdoelen.

2

Daarnaast wil hij differentiatie in beleid tussen centra en buitenwijken, transparantie over financiën en eerlijke toepassing van vrijstellingen en afkoopregelingen. Mevrouw Joosten (VVD) uit haar verbazing over het betoog van de heer Raven, hij bekritiseert elektrische auto’s als voor rijke mensen, terwijl veel mensen die via lease of werk hebben, en hij wijst op lege plekken, vergelijkbaar met gehandicaptenparkeerplaatsen. Ze begrijpt die redenering niet. De heer Raven (Stadspartij) legt uit dat hij niet tegen elektrische auto’s is, maar tegen het voorkeursbeleid dat deze auto’s exclusief parkeerplaatsen geeft. Volgens hem moeten die plekken ook beschikbaar zijn voor gewone auto’s. Het beleid voor gehandicaptenparkeerplaatsen blijft intact en daarop heeft hij geen kritiek. Evenmin heeft hij bezwaar tegen gratis parkeerplaatsen, zijn kritiek gaat alleen over het voorkeursbeleid voor elektrische auto’s. Mevrouw Joosten (VVD) benadrukt dat het voorkeursbeleid voor elektrische auto’s juist de duurzaamheid ondersteunt, omdat anders niet iedereen zijn auto kan opladen. De heer Raven (Stadspartij) verduidelijkt dat hij duurzaamheid zeker niet tegenwerkt en ook niet pleit voor het afschaffen van elektrische auto’s.

Zijn kritiek gaat alleen over het voorkeursrecht voor parkeerplaatsen, hij vindt het onnodig dat sommige plekken exclusief voor elektrische auto’s zijn gereserveerd, vooral als ze vaak leegstaan, terwijl gewone parkeerplekken overvol zijn. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) wijst erop dat vanaf 2035 in Europa geen brandstofauto’s meer zijn toegestaan en dat veel elektrische auto’s gewone, betaalbare modellen zijn, niet alleen dure exemplaren. Hij vraagt of de heer Raven zich daarvan bewust is en ook van de commerciële belangen van bedrijven zoals Vattenfall. De heer Raven (Stadspartij) erkent dat hij niet met alle gegevens bekend is, maar benadrukt dat het huidige voorkeursbeleid voor elektrische auto’s leidt tot leegstaande parkeerplaatsen terwijl gewone auto’s geen plek hebben. Hij stelt dat schaarse parkeerruimte efficiënter gebruikt moet worden, bijvoorbeeld door dubbel gebruik van plekken, en vergelijkt het opladen van een elektrische auto met het zoeken naar een tankstation voor gewone auto’s. Hij benadrukt dat hij duurzaamheid ondersteunt, maar dat praktische oplossingen nodig zijn voor het parkeren. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vraagt of de heer Raven niet verwacht dat de wet- en regelgeving, bijvoorbeeld vanuit de Europese Commissie, vanzelf zal zorgen dat parkeerplekken voor elektrische auto’s in de toekomst vol raken.

De heer Raven (Stadspartij) antwoordt dat hij voorstander is van dubbel gebruik van parkeerplaatsen. Alleen wanneer de vraag naar elektrische auto’s daadwerkelijk toeneemt, kunnen er meer laadpalen geplaatst worden. Volgens hem is het niet nodig dat die plekken de hele dag leeg blijven totdat een elektrische auto arriveert. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) stelt dat beleid voor elektrische laadpalen nodig is om de transitie naar duurzame voertuigen te stimuleren. Hij benadrukt dat dit niet gaat om het bevoordelen van bepaalde mensen, maar om een hoger doel, het mogelijk maken van de overstap naar elektrische of toekomstige voertuigen. De heer Raven (Stadspartij) twijfelt eraan dat mensen een elektrische auto kopen vanwege een gereserveerde parkeerplek. Hij is niet tegen elektrische auto’s, maar vindt dat gemeentelijke parkeerplaatsen eerlijk verdeeld moeten worden. De heer Renet (SPA) reageert op mevrouw Joosten en wijst erop dat invalide parkeerplaatsen wettelijk zijn gegarandeerd bij openbare gebouwen en winkelcentra. Hij vraagt of een vergelijkbare regeling geldt voor elektrische auto’s.

3

Mevrouw Joosten (VVD) antwoordt dat haar punt niet over wetgeving ging, maar over het principe, alleen omdat een parkeerplaats ongebruikt is, betekent dat niet dat je er iets anders mee moet doen. Ze benadrukt dat invalide- parkeerplaatsen belangrijk blijven en dat de discussie nu gaat over algemeen parkeerbeleid. De heer Hoedemakers (CDA) benadrukt dat een toekomstbestendig parkeerbeleid noodzakelijk is, omdat het huidige beleid verouderd is en de gemeente snel verandert. Hij wijst op de spanning tussen ontmoedigen van autogebruik en het hoge autobezit in de gemeente. Het CDA vraagt aandacht voor voldoende parkeerruimte, het voorkomen van overlast in omliggende straten en het eventueel vaststellen van een minimum aantal parkeerplaatsen per gebied. Daarnaast maakt hij zich zorgen over vergroening van voormalige parkeerplekken, waarbij vragen rijzen over onderhoud en structurele kosten. Hij pleit voor evaluatie van deelmobiliteit, zodat regulier parkeren niet verloren gaat en voor mogelijkheden voor ondergronds parkeren bij nieuwbouwprojecten. Ook benadrukt hij het belang van goed bereikbare kortparkeerplaatsen in stadscentra en stelt hij er voor om hiervoor specifieke zones en gedifferentieerde tarieven te onderzoeken.

De heer Pi Van de Venne (D66) geeft aan dat D66 de nadruk op duurzaamheid, vergroening, klimaatadaptatie en het STOMP-principe waardeert, evenals het stimuleren van deelmobiliteit en openbaar vervoer, dat vooral jongeren en studenten meer bewegingsvrijheid biedt. D66 benadrukt het belang van goede OV-verbindingen en vraagt naar samenwerking met provincie en organisaties zoals Veilig Verkeer Nederland om gebruik en bekendheid van buslijnen te verbeteren. Daarnaast vraagt de fractie om duidelijkheid over het actief stimuleren van fietsen rond scholen en de invulling van veilige fietsstallingen voor elektrische fietsen. Ook signaleert D66 dat oudere wijken met smalle straten kampen met hoge parkeerdruk en wil hij weten hoe hier rekening mee wordt gehouden, inclusief bij nieuwbouw en zorginstellingen. D66 uit er kritiek op dat ondergronds parkeren nog niet als standaard uitgangspunt is opgenomen en dat extra parkeerplaatsen op het marktplein in Geleen een beleidsfout kunnen zijn. Verder wijst hij op tegenstrijdige bezettingscijfers van parkeergarages, bijvoorbeeld 99 procent op zaterdag versus 14 procent gemiddeld over het jaar. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat zijn fractie het autogebruik wil ontmoedigen en alternatieve vervoersvormen zoals fiets en openbaar vervoer wil stimuleren.

Hij waardeert dat het beleidsstuk het STOMP-principe en de integratie van fietsparkeren oppakt, maar mist concrete doelen en meetbare uitwerkingen. Hij merkt op dat het verschil tussen beleidswoorden en praktijk zichtbaar wordt bij concrete projecten, zoals op de markt in Geleen, waar economisch belang vaak voorrang krijgt boven duurzaamheid en ondergronds parkeren. Hij vraagt het college wanneer er een vervolgstuk komt met SMART-doelen, zoals het verruimen van openingstijden van bewaakte fietsstallingen, afschalen van straatparkeren en betere toeleiding naar garages. Hij geeft aan dat beleidsdocumenten pas waardevol zijn als keuzes consequent worden doorgevoerd, ook als dat betekent dat bepaalde parkeerplaatsen niet behouden blijven, zodat gezondheid, groen en duurzame mobiliteit daadwerkelijk worden gerealiseerd. Mevrouw Joosten (VVD) benadrukt dat mobiliteit in Sittard-Geleen vooral draait om vrijheid van keuze. Ze vindt dat het parkeerbeleidsplan te veel het STOMP-principe volgt en autobezit ontmoedigt, wat zij ervaart als betutteling, omdat een goed openbaar vervoersnetwerk hier niet vanzelfsprekend is. Ze wijst op de beperkte onderbouwing van het plan, slechts 518 reacties op een bevolking van 92.000, wat geen representatief beeld geeft.

Ze stelt dat de gemeente voldoende veilige en toegankelijke parkeerplaatsen moet bieden, inclusief goede verlichting en speciale aandacht voor vrouwenparkeerplaatsen. Verder pleit zij voor een innovatief parkeerbeleid met slimme systemen en dynamische verwijzingen naar vrije plekken, en vraagt zij het college concreet hoe veiligheid, verlichting, vrouwenparkeerplaatsen en innovatie in de verdere uitwerking worden meegenomen, zonder dat het beleid leunt op nietrepresentatieve enquêtes of panels. Het uitgangspunt van de VVD is een liberaal, toekomstbestendig parkeerbeleid dat ruimte biedt voor keuze en vrijheid.

4

Mevrouw Schenk-Hermans (PIT) geeft aan dat PIT zich grotendeels kan vinden in de voorstellen. Ze benadrukt het STOMP-principe, dat prioriteit geeft aan stappen, trappen, openbaar vervoer, mobiliteitsdiensten en de auto, en ziet dit als een bijdrage aan efficiënt parkeren, duurzaamheid en gezondheid. Ze vraagt daarnaast aandacht voor minder mobiele inwoners, met kleine aanpassingen die deelname aan de samenleving mogelijk maken. Specifiek pleit zij voor betere fietsenstalling bij het gemeenschapshuis, zoals gevraagd door de Bridgeclub, een eerder positief ontvangen initiatief dat destijds niet is uitgevoerd. PIT ziet dit als een kans om een wens uit de samenleving concreet te realiseren en verzoekt de wethouder dit voorstel expliciet te bekijken en, indien mogelijk, uit te voeren. Mevrouw Schumans (Lokaal-SGB) maakt zich vooral zorgen over het gebruik van parkeerbeleid om gedragsverandering af te dwingen. Ze vindt dat eerst minder auto’s op de weg en beter openbaar vervoer geregeld moeten worden, voordat parkeerplaatsen worden geschrapt. Ze wijst op voorbeelden waar bij reconstructies te veel parkeerplaatsen verdwenen en vraagt hoe de veranderingen op de markt in Born passen bij het beleid van de wethouder. Daarnaast verwijst ze naar de discussie over vrouwenparkeerplaatsen en vraagt mevr. Joosten om toelichting over het doel ervan.

Mevrouw Joosten (VVD) benadrukt dat veiligheid, vooral in de donkere maanden, voor veel vrouwen een groot aandachtspunt is. Ze legt uit dat vrouwenparkeerplaatsen bedoeld zijn op goed verlichte plekken dichtbij de bestemming, zodat vrouwen zich veiliger voelen bij het parkeren. Wethouder Geilen legt uit dat de hoofdlijnennotitie over het parkeerbeleid vooral bedoeld is als een eerste, opinievormende fase. Veel van de opmerkingen van raadsleden gaan volgens hem over uitvoering en details, terwijl het stuk juist de richting en uitgangspunten moet aangeven. Het beleid is afgeleid van de eerder vastgestelde omgevingsvisie, waarin het STOMP-principe centraal staat en het programma Gezond en Duurzaam Bewegen als bovenliggend kader fungeert. In deze fase richt het beleid zich op de hoofdlijnen, de nadere uitwerking en concrete SMART-indicatoren volgen in een tweede fase. De input van inwoners, verzameld via enquêtes en parkeerpanels, is meegenomen, maar het betreft nog geen definitief, concreet beleid. Zaken zoals elektrisch rijden en de plaatsing van laadpalen vallen buiten deze notitie, omdat daar al bestaand beleid voor is. Wat betreft ondergronds parkeren legt de wethouder uit dat dit bij nieuwe ontwikkelingen mogelijk is, maar dat een verplichting om altijd ondergronds te parkeren grote financiële consequenties heeft en betaalbare woningbouw praktisch onmogelijk zou maken.

Het blijft dus een uitgangspunt en geen verplichting. Tot slot geeft hij historische context over vergunningparkeren, eerdere gratis vergunningen zijn later kostendekkend gemaakt, en eventuele wijzigingen kunnen via amendementen door de raad worden doorgevoerd, maar vallen niet onder het parkeerbeleid zelf. De heer Raven (Stadspartij) reageert op de toelichting van wethouder Geilen over het vergunning parkeren. Hij merkt op dat uit het verhaal van de wethouder blijkt dat het oorspronkelijke tarief vooral uit kostenoverwegingen is ingevoerd en dat de wethouder er mogelijk zelf positief tegenover zou staan als dit bedrag lager of gratis zou kunnen zijn. Voor de Stadspartij is het belangrijk dat bewoners in woonwijken zonder extra kosten kunnen parkeren. Hij benadrukt dat het van belang is dat in de hoofdlijnen wordt afgesproken dat bewoners gratis kunnen parkeren zodra zo’n voorstel wordt gedaan, zodat er duidelijkheid en effectiviteit ontstaat. Hij wijst erop dat dit punt in de komende raadsvergadering verder kan worden besproken en dat fracties hun steun hiervoor kunnen uitspreken. Wethouder Geilen benadrukt dat het college geen politieke kleur heeft en onafhankelijk functioneert.

Hij legt uit dat de 75 euro voor een parkeervergunning niet zomaar een kost is, maar samenhangt met een dienstverlening, de vergunning geeft toegang tot specifieke parkeerplaatsen, digitaal of fysiek, en verhoogt de kans dat bewoners voor de deur kunnen parkeren zonder dat niet-gerechtigden de plekken innemen. Het college ziet het instellen van vergunning-parkeren als een instrument om ongewenst parkeren door niet-inwoners tegen te gaan, maar de daadwerkelijke kosten en tarieven vallen onder de bevoegdheid van de gemeenteraad via de belastingmaatregelen. Daarom kan het college niet zelf beslissen om parkeren gratis te maken, dat moet door de raad worden behandeld.

5

De heer Raven (Stadspartij) merkt op dat de kosten voor bewonersparkeren relatief hoog zijn, terwijl de infrastructuur voor betaald parkeren in het centrum niet direct aan winkeliers wordt doorberekend, ondanks dat zij er voordeel van hebben. Hij benadrukt dat hij een duidelijke beleidslijn voor ogen heeft, bewoners moeten gratis kunnen parkeren. Volgens hem kan dit in de nota als beleidslijn worden vastgelegd. Wethouder Geilen licht toe dat het parkeerbeleid een beleidslijn bevat voor het instellen van vergunningparkeren, maar dat het college hiervoor geen tarief kan bepalen, dat valt onder de bevoegdheid van de raad via belastingmaatregelen en de parkeerverordening. Hij benadrukt dat de hoofdlijnennotitie niet de uitgewerkte details bevat, maar richting geeft voor de verdere uitwerking van het beleid, inclusief het omgaan met bestaande situaties en nieuwbouw. Wat betreft fietsparkeren legt de wethouder uit dat de gemeente nu ook verantwoordelijkheid wil nemen voor locaties buiten de huidige bewaakte stallingen, bijvoorbeeld in de centra van Sittard en Geleen. Het doel is het veilig en efficiënt stallen van fietsen, inclusief e-fietsen, ook in de avonduren en bij gemeenschapsaccommodaties. De uitvoering kan variëren, van kluisjes tot bewaakte stallingen, afhankelijk van de locatie en het type voorzieningen.

Daarnaast benadrukt hij dat het parkeerbeleid altijd in samenhang moet worden gezien met het bredere programma Gezond en Duurzaam Bewegen. Dit programma vormt het kader voor ontmoedigingsbeleid van autogebruik, verbetering van openbaar vervoer en het stimuleren van fietsgebruik. Het parkeerbeleid ondersteunt deze ambitie en biedt kaders, maar de concrete uitvoering en de bijbehorende maatregelen, zoals tarieven voor vergunningen en parkeerinrichting, vallen buiten de hoofdlijnen en worden in aparte stukken door het college of de raad behandeld. Mevrouw Schenk-Hermans (PIT) vraagt of het college zich kan voorstellen dat het voor inwoners verwarrend kan zijn wanneer ambtenaren eerder toezeggingen op papier hebben gedaan, terwijl de uitvoering en regels binnen de organisatie nog niet duidelijk zijn. Ze benadrukt dat dit kan leiden tot onduidelijkheid voor inwoners over wat daadwerkelijk geregeld wordt en dat het dan niet eerlijk is om hen verantwoordelijk te houden voor deze onzekerheid. Wethouder Geilen legt uit dat er veel individuele casussen zijn die besproken zouden kunnen worden, maar dat het niet verstandig is om dat tijdens deze ronde te doen. Hij benadrukt dat sommige eerdere uitspraken mogelijk niet volledig op beleid waren gebaseerd en dat er soms uitleg nodig is over afwijkingen.

Voor de betreffende bridgeclub geeft hij aan dat hij eerder al toelichting heeft gegeven en bereid is dat nogmaals te doen. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de hoofdlijnnotitie en het toekomstige parkeerbeleid een kader bieden om in de toekomst als gemeente een andere rol te spelen, maar dat het huidige beleid op dit moment van kracht blijft. Mevrouw Schenk-Hermans (PIT) reageert met de opmerking dat ze de toezegging van de wethouder gehoord heeft en benadrukt dat de bridgeclub nu eindelijk een uitleg wil over waarom haar verzoek niet is gerealiseerd. Mevrouw Joosten (VVD) merkt op dat ze nog geen antwoord heeft gekregen op haar vragen over veiligheid, verlichting en vrouwenparkeerplaatsen, en verzoekt de wethouder daar alsnog op in te gaan. Wethouder Geilen benadrukt dat het hier gaat om een opiniërende sessie over de hoofdlijnennotitie, bedoeld als kader voor de verdere uitwerking van het parkeerbeleid. Hij licht toe dat het nuttig is wanneer de opinies zich richten op het voorliggende stuk en niet op bestaand beleid of elementen die al in de notitie staan. Wat betreft de veiligheid van parkeergarages wijst hij erop dat dit al is benoemd in de notitie, parkeergarages moeten veiliger, gebruiksvriendelijker en vriendelijker worden. Hij geeft aan dat hij daarom niet uitgebreid op deze punten is ingegaan, omdat ze geen verandering van de hoofdlijn betekenen.

Mevrouw Joosten (VVD) geeft aan dat zij de uitleg van de wethouder niet helemaal kan volgen. Volgens haar is een opinieronde juist bedoeld om standpunten te delen over het voorliggende stuk. Ze benadrukt dat haar opmerkingen over vrouwenparkeerplaatsen betrekking hebben op openbare parkeerplaatsen bij

6

belangrijke locaties, zoals straks bij de toekomstige raadzaal in het centrum van Sittard. Het gaat haar om veilige en goed verlichte plekken waar mensen ’s avonds hun auto kunnen parkeren, en niet om parkeergarages. De heer Pi Van de Venne (D66) vraagt om een verduidelijking over de gebruikte parkeercijfers, in de notitie wordt verwezen naar een bezettingsgraad van 99 procent op een zaterdag in de Marktgarage, terwijl de gemiddelde bezettingsgraad in 2024 slechts 14 procent was en in het eerste kwartaal van 2025 23 procent. Hij wil graag weten waarom de notitie uitgaat van een drukke dag in plaats van een representatief cijfer over het hele jaar. De heer Van Hulsbeek (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de bezettingsgraad van een parkeergarage anders wordt weergegeven afhankelijk van de meetmethode. Wanneer je de bezetting over 24 uur per dag, 7 dagen per week en over een heel jaar berekent, ontstaat een veel lager gemiddeld beeld dan wanneer je alleen naar piekmomenten kijkt. In de notitie is gekozen om juist de piekmomenten te laten zien, omdat dit inzicht geeft in wanneer de drukte het grootst is. Bij de verdere uitwerking van het parkeerbeleid zal ook gekeken worden naar momenten waarop de garage minder bezet is, zodat deze capaciteit mogelijk door andere doelgroepen kan worden benut.

De heer Raven (Stadspartij) brengt het idee van een bus- en metro-systeem met hoge frequentie ter sprake. Hij stelt dat reizigers binnen vijf minuten kunnen opstappen en dat een bus voortdurend door de wijken rijdt, zodat iedereen binnen een straal van vijftien kilometer snel toegang heeft tot verschillende plekken in de gemeente. Hij vraagt of de wethouder in de definitieve nota aandacht wil besteden aan dit soort mobiliteitsoplossingen in relatie tot het STOMP-principe en de parkeergelegenheid. Wethouder Geilen wijst erop dat openbaar vervoer in de gemeente onder een provinciale concessie valt. Het is dus de provincie die verantwoordelijk is voor het invoeren van nieuwe buslijnen. Als de gemeente zelf een dergelijk hoogfrequent systeem zou willen opzetten betreft dat een geheel ander thema dat losstaat van de hoofdlijnnotitie parkeerbeleid. Hoewel een dergelijk systeem past binnen het STOMPprincipe en de mobiliteitstransitie kan versterken, hoort het volgens de wethouder niet thuis in deze nota. De heer Raven (Stadspartij) benadrukt dat nieuwe ideeën, zoals een hoogfrequent openbaar vervoerssysteem, een wezenlijke invloed kunnen hebben op toekomstige parkeersituaties. Hij vraagt de wethouder expliciet om dit punt in de definitieve nota mee te nemen en te bekijken hoe het openbaar vervoer zodanig gestimuleerd kan worden dat het parkeren vermindert.

Wethouder Geilen reageert met te zeggen dat hij heeft gehoord wat de heer Raven zegt, maar benadrukt dat hij geen toezegging doet om het voorstel daadwerkelijk over te nemen in de nota. De heer Hoedemakers (CDA) gaat in op de spanning tussen betaalbaar wonen en de kosten van parkeren, met name ondergronds parkeren. Hij geeft aan het deels met de wethouder eens te zijn, maar benadrukt dat de overheid bij woningbouw vaak verplichtingen oplegt die de kosten verhogen. Hij roept op naar een manier te zoeken om ondergronds parkeren meer te stimuleren, zodat het uit het zicht van de openbare ruimte komt. Daarnaast wijst hij op het belang van het STOMP-principe, waarbij een goede balans gevonden moet worden tussen het stimuleren van voetgangers en fietsers en het feit dat veel inwoners toch met de auto komen. Tot slot merkt hij op dat fietsers in de zaal waarschijnlijk zwaar ondervertegenwoordigd zijn, wat de discussie over mobiliteit beïnvloedt. De heer Renet (SPA) merkt op dat hij van de wethouder niet alle antwoorden heeft gekregen op zijn vragen. Hij noemt drie punten, ten eerste wil hij inzicht in het aantal extra auto’s als gevolg van het integrale beleid, ten tweede vraagt hij om cijfers over de bezetting van parkeergarages op andere momenten dan de piekuren, en ten derde wijst hij op de relatie tussen parkeerbeleid en laadpalen.

Volgens hem kunnen laadpalen leiden tot een vorm van parkeerbeleid waarbij plekken uitsluitend voor elektrische auto’s worden benut. Hij benadrukt dat hierover een discussie moet worden gevoerd, zodat de uitrol van laadpalen en de uitvoering van het parkeerbeleid goed op elkaar worden afgestemd.

7

Wethouder Geilen legt uit dat de heer Renet de beschikbare instrumenten kan gebruiken om informatie over uitvoeringsaspecten op te vragen. De cijfers waar hij om vraagt, vallen namelijk onder die uitvoeringsinformatie en zijn niet direct onderdeel van deze vergadering, die puur opiniërend van aard is. Wat betreft de laadpalen wijst de wethouder erop dat het college dit beleid al op 25 maart 2025 heeft vastgesteld. Hierin is geregeld hoe elektrische laadpalen in de openbare ruimte worden geplaatst en gebruikt, inclusief de verkeersborden die aangeven dat de plekken uitsluitend voor elektrische voertuigen zijn. Hij adviseert de raad om kennis te nemen van de antwoorden op de technische vragen en benadrukt dat eventuele aanvullende vragen of opmerkingen via de daarvoor beschikbare instrumenten kunnen worden ingediend. De heer Raven (Stadspartij) stelt dat hij zijn fractie zal adviseren om dit onderwerp aan de raad voor te leggen, eventueel via een initiatiefvoorstel. Hij merkt op dat de wethouder weinig bereidheid toont om fundamenteel op de vragen van de raad in te gaan. De voorzitter concludeert dat de ronde het voorstel voldoende heeft besproken.

Mevrouw Schenk-Hermans (PIT) merkt op dat de toezegging van de wethouder nog niet duidelijk is vastgelegd, namelijk dat hij bereid is om eventueel nogmaals uit te leggen waarom de uitbreiding van de fietsenstalling bij de bridgeclub niet aan de orde is. Wethouder Geilen geeft aan dat hij inderdaad eerder uitleg heeft gegeven, maar dat hij bereid is dit nogmaals te doen indien nodig. Mevrouw Schenk-Hermans (PIT) reageert met de opmerking dat zij zwart op wit heeft dat de wethouder heeft toegezegd zelf contact op te nemen met de heer Gerard, en verzoekt hem dat nu te doen, verwijzend naar de mailconversatie van 8 en 15 januari 2025. De voorzitter bevestigt dat de wethouder daarmee instemt en sluit de behandeling van dit agendapunt af. Hij schorst de vergadering voor twee minuten.

8

Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 25 september 2025 Tijdstip:

19.30 -22.56 uur

1.2 rekenkamerrapport Subsidiebeleid Sittard-Geleen (Tillie) 21:20-22.56 Aanwezig de voorzitter: de griffier:

R. Breidenbach A. Cortlever

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:

G.R. Klee G.J.M.C. Essing-Demandt J.E. Janssen afgemeld J.M.H. Joosten J.J. Renet S.A.J. Klein afgemeld E.V.P. Talpe

het college:

Wethouder Tillie

ambtelijke ondersteuning:

De heer Leenders, de heer Roberts, de heer Maussen, de heer Van der Salm (rekenkamer), de heer Van den Berg (Bureau BSA)

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter heropent de vergadering en licht toe dat het rekenkamerrapport over het subsidiebeleid Sittard-Geleen op 3 april 2025 is besproken, maar toen nog niet behandelingsrijp was voor de raadsvergadering van 17 april 2025. In afwachting van een gesprek tussen het college en de rekenkamer is het voorstel destijds niet behandeld. Voor de zomer hebben het college en de rekenkamer een gezamenlijke brief gestuurd met uitleg over het proces en de aanbevelingen, inclusief de onderlinge verstandhouding. Het raadsvoorstel is inhoudelijk niet gewijzigd en wordt vanavond opnieuw besproken. De bespreking richt zich op de brief van het college en de rekenkamer, de ingebrachte amendementen en de stemming over de afzonderlijke beslispunten. De voorzitter wijst erop dat de technische vragen, de beantwoording daarvan en de conceptamendementen van PIT beschikbaar zijn in iBabs. Eerste termijn Mevrouw Joosten (VVD) bedankt de rekenkamer voor het grondige onderzoek. Ze merkt op dat het rapport duidelijk laat zien dat binnen het subsidiebeleid belangrijke verbeteringen nodig zijn. De VVD betreurt de defensieve houding van het college in de bestuurlijke reactie, waar de rekenkamer concrete

9

aanbevelingen doet om transparantie, toetsbaarheid en gelijkheid te bevorderen, kiest het college er vaak voor deze niet over te nemen. Hierdoor blijft het subsidiebeleid minder toekomstbestendig en eerlijk. Voor de VVD is vooral aanbeveling 3 belangrijk: het vertalen van beleidsdoelen naar concrete toetsingscriteria. Zonder die criteria is het risico groter dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, wat strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast vraagt de VVD aandacht voor de bekendheid van het subsidiebeleid, kleinere buurtverenigingen of initiatieven maken vaak geen gebruik van subsidies omdat ze er niet van op de hoogte zijn. Hierdoor profiteren grotere organisaties onevenredig van de middelen, terwijl juist de kleinere initiatieven veel maatschappelijke waarde leveren. De VVD roept het college op om aanbeveling 3 serieus te nemen en duidelijke toetsingscriteria te formuleren, zodat iedere aanvrager weet waar hij of zij aan toe is. Ook moet het college actief aandacht besteden aan kleinere verenigingen en burgerinitiatieven, bijvoorbeeld via betere communicatie en ondersteuning. Tot slot pleit de VVD voor een constructievere houding richting de rekenkamer.

Subsidies moeten eerlijk, transparant en effectief worden ingezet, met duidelijke regels, gelijke behandeling en goede communicatie, zodat alle initiatieven een eerlijke kans krijgen en middelen terechtkomen waar ze de meeste maatschappelijke waarde opleveren. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat het rekenkameronderzoek naar het subsidiebeleid op 3 april 2025 al in de ronde is besproken en toen niet behandelrijp werd bevonden. De raad besloot op 17 april 20258 het voorstel niet te behandelen. Nu ligt er alleen de gezamenlijke brief van college en rekenkamer van 26 juni 2025. De PIT-fractie is de enige die nog technische vragen heeft gesteld en vooraf concrete wijzigingsvoorstellen heeft ingediend. Hij vindt dit teleurstellend. De fractie benadrukt dat extra kosten voortvloeiend uit de aanbevelingen niet uit de subsidies zelf mogen komen, maar via de algemene middelen gedekt moeten worden. Aanbevelingen 2 en 4 moeten volgens de PIT-fractie nader gespecificeerd worden vanwege de variatie in subsidies. Voor deze uitwerking zullen tijdens de raadsvergadering twee amendementen worden ingediend, die al via iBabs zijn gedeeld. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) reageert op de opmerkingen van de heer Talpe en betreurt dat werd gesuggereerd dat andere fracties het subsidiebeleid niet serieus nemen.

Volgens hem heeft raadsbreed het standpunt gegolden dat het voorstel destijds nog niet behandelrijp was. GroenLinks/PvdA benadrukt dat elke euro aan subsidies maatschappelijk verantwoord moet worden besteed en dat een goede dialoog tussen college, rekenkamer en raad daartoe essentieel is. Hij wijst erop dat extra administratieve lasten geen reden mogen zijn om zorgvuldigheid en toetsing te verminderen. De fractie stelt dat het hele college verantwoordelijk moet zijn voor controle en dat dit via de bestaande commissie B&V moet worden vastgelegd. GroenLinks/PvdA verzet zich hiermee tegen beslispunt 6. Verder pleit de fractie voor concrete koppeling van alle zes aanbevelingen aan maatregelen met duidelijke tijdspaden en verantwoordelijkheden, gestructureerde monitoring van effecten, en aanpassing van interne procedures en verordeningen. GroenLinks/PvdA stelt een stoplichtmodel voor het subsidieregister voor, groen voor akkoord, oranje voor verbetering, rood voor een krachtig signaal aan de subsidieontvanger, zodat transparantie en grip op subsidies beter wordt gewaarborgd. Tot slot vraagt de fractie of het klopt dat verenigingen bij subsidieaanvragen geen schriftelijke verantwoording hoeven af te leggen voordat een beschikking wordt gegeven.

De fractie wacht de reactie van de wethouder af en benadrukt dat het doel is meer grip en verantwoording over maatschappelijke uitgaven, niet extra administratieve rompslomp. De heer Klein (Lokaal-SGB) uit zijn zorgen over de toon en houding van het college richting de rekenkamer. Hij merkt op dat, hoewel enkele ongelukkige citaten in de brief zijn toegegeven, de ondertoon nog steeds belerend is. Volgens hem is dat niet de manier waarop met de rekenkamer moet worden omgegaan, de medewerkers moeten hun werk kunnen doen zonder deze manier van aanspreken. Hij vindt dat de raad hierin een rol heeft en de rekenkamer moet beschermen tegen een dergelijke benadering. De heer Klee (GOB) benadrukt dat het echte voordeel van het onderzoek van de rekenkamer volgens de GOB-fractie ligt in de geformuleerde verbeterpunten voor het college en de rekenkamer, en niet in de letterlijke aanbevelingen. De zes aanbevelingen zelf dragen volgens hen niet wezenlijk bij aan een beter subsidiebeleid. De fractie stelt daarom voor om geen van de aanbevelingen over te nemen, maar wel de

10

uitkomsten als startpunt te gebruiken voor toekomstige rekenkameronderzoeken en een evaluatie van het huidige subsidiebeleid. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) benadrukt dat het onderwerp subsidiebeleid al meerdere keren in commissies en de raadsrondes aan bod is gekomen. Haar fractie blijft bij het standpunt dat het raadsvoorstel, gelijk aan dat van april 2025, nu in stemming moet worden gebracht. Ze wijst op het eerdere rekenkamerrapport uit 2014, waarin werd besloten het proces eenvoudiger te maken en administratieve lasten te verminderen. Minder administratieve lasten leiden tot lagere uitvoeringskosten en vergroten de uitvoeringskracht. Hoewel het huidige rekenkameronderzoek niet volledig aan de verwachtingen voldeed, ziet de fractie dat verbeteringen worden doorgevoerd, zoals het evalueren van de subsidieverordening. Besluitvorming over dit rekenkamerrapport vindt de fractie daarom belangrijk. De heer Renet (SPA) geeft aan dat SPA er in het verleden voor zorgde dat het subsidieregister openbaar werd en dit jaarlijks grondig bekijkt. Bij de start van het onderzoek heeft SPA, samen met het CDA, aangegeven dat bijvoorbeeld subsidies voor verduurzaming, sportstichtingen en bedrijven meegenomen moesten worden, maar dat ontbreekt in het rapport. SPA respecteert dat de rekenkamer zelf bepaalt wat en hoe zij onderzoekt, en vindt dat het college de rekenkamer moet respecteren.

Voor SPA bevat het rapport weinig nieuws, omdat veel informatie al bekend is uit het register en eerdere onderzoeken. Hij vindt het onderzoek teleurstellend, omdat niet is uitgevoerd wat de raad expliciet vroeg en benadrukt dat het voorstel onder punt 5 moet gaan over alle subsidieregelingen, niet alleen die in het huidige register staan. Wethouder Tillie legt uit dat sinds de vorige bespreking meerdere gesprekken met de rekenkamercommissie hebben plaatsgevonden, waardoor de samenwerking verbeterd is. Het college wil vooraf duidelijk hebben wat de onderzoeksvraag is, zodat de resultaten praktisch bruikbaar zijn voor de gemeente. Hij benadrukt dat de raad sturing kan geven met betrekking tot het subsidiekader en de verordening, maar niet met betrekking tot uitvoering of individuele subsidieregels. Het VNG-model wordt gebruikt voor de verordening, een landelijk gehanteerd systeem. Het college vindt dat het onderzoek soms normen vergelijkt die niet goed te vergelijken zijn, bijvoorbeeld bij kleine vrijwilligerssubsidies. Daarom is gekozen voor een laagdrempelige benadering, kleine subsidies worden toegekend op basis van vertrouwen, niet op strikte KPI’s of SMART-doelen. Voor grotere bedragen boven 15.000 euro is wel een accountantsverklaring verplicht. Ook wordt aangegeven dat subsidies soms meerdere doelen dienen, zoals duurzaamheid, leefbaarheid, educatie.

Het opsplitsen van elke subsidie per doel is vaak praktisch niet haalbaar en kan het effect van de subsidie verminderen. Tot slot benadrukt de wethouder dat verbeterpunten uit het rekenkamerrapport worden meegenomen in de evaluatie van de subsidieregeling en dat hij met fracties wil overleggen om wensen en aandachtspunten mee te nemen bij de nieuwe verordening. Mevrouw Joosten (VVD) merkt op dat veel kleine initiatieven in de stadsdelen vaak buiten de subsidies vallen, terwijl ze juist waardevol zijn. Ze suggereert dat stadsdeelwethouders hier actief naar moeten kijken om zo niet-gebruik te voorkomen. Wethouder Tillie vindt dit een goed voorstel en zal het aan zijn collega’s meegeven. De heer Talpe (PIT) merkt op dat de beantwoording van het college niet volledig is. Hij vindt dat het college benadrukt dat de raad heeft bepaald dat middelen uit het eigen werkveld gevonden moeten worden, maar niet vermeldt dat de raad soms van die kaders kan afwijken. Wethouder Tillie reageert dat, als de raad iets anders wil doen dan het college, de raad daarvoor zelf ook de dekking moet regelen. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt de wethouder om duidelijkheid over de verantwoordelijkheid bij subsidies. Hij wil weten hoe het onderscheid tussen individuele subsidies en subsidieregelingen wordt gehanteerd, waarbij bij die regelingen een verantwoordingsparagraaf mag worden verwacht.

Daarnaast

11

wil hij van de wethouder horen hoe hij aankijkt tegen de focus van de rekenkamer op de zes aanbevelingen, met name gericht op subsidieregelingen en of dit betekent dat er meer controle door de raad mogelijk wordt. De heer Leenders (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de gemeente 21 subsidieregelingen kent. Bij de meeste regelingen is de verantwoording vastgelegd, als dat niet het geval is, geldt de ASV als overkoepelende regeling. Daarin geldt dat voor subsidies tot 15.000 euro geen verantwoording nodig is, tussen 15.000 en 50.000 euro een lichte verantwoording geldt, en voor hogere bedragen een accountantsverklaring vereist is. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat dit systeem voor hem niet transparant is. Hij wijst erop dat er contractuele afspraken liggen tussen gemeente en subsidieaanvrager, maar dat de mate van verantwoording variabel is. Hierdoor wordt de raad, in haar controlerende rol, onvoldoende geïnformeerd. Volgens hem moet het college zich meer rekenschap geven van haar controlefunctie en hierover het gesprek aangaan binnen de commissie B&V. Wethouder Tillie geeft aan dat het college volledig in controle wil zijn over de subsidies. Hij benadrukt dat de verantwoording vastligt in de individuele regelingen of in de ASV. Tegelijkertijd werkt het college aan het versterken van de controle op misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies.

De heer Roberts (ambtelijke ondersteuning) licht toe dat dit onderdeel uitmaakt van de rechtmatigheidsverantwoording. Het gaat om een koepel van maatregelen die ervoor zorgt dat afspraken met subsidieontvangers aantoonbaar correct worden nagekomen en dat er geen onrechtmatig gebruik plaatsvindt. Dit onderwerp zal ook terugkomen in de commissie Begroting en Verantwoording, waar naast begrotings- en voorwaardencriteria ook misbruik- en oneigenlijk gebruikcriteria worden besproken. Zo kan de raad een volledig beeld krijgen van de controle op alle subsidies. De heer Klein (Lokaal-SGB) merkt allereerst op dat het college zegt uit te gaan van vertrouwen en niet van wantrouwen, maar dat dit door burgers soms anders wordt ervaren. Hij benadrukt dat het niet de taak van raadsleden is om subsidies aan te vragen, maar om te controleren of het college en de ambtenaren dit op een eerlijke en consistente manier doen. Hij vraagt het college dan ook extra aandacht te besteden aan gelijke behandeling en te laten zien dat het vertrouwen in de praktijk wordt waargemaakt. Wethouder Tillie reageert met de opmerking dat dankzij de ASV en de bestaande subsidieregelingen iedereen gelijkwaardig wordt behandeld en dus gelijke kansen krijgt. De heer Klein (Lokaal-SGB) merkt daarop op dat dit niet door alle burgers zo wordt ervaren.

Wethouder Tillie vraagt of de heer Klein de burgers kan helpen door hen te wijzen op de juiste subsidieregelingen. De heer Klein (Lokaal-SGB) antwoordt dat dat niet zijn taak is. Hij legt uit dat hij alleen moet controleren of het college iedereen gelijke kansen biedt en dat er voldoende ambtelijke ondersteuning beschikbaar is om burgers te begeleiden bij het aanvragen van subsidies. Als het college die faciliteiten niet goed organiseert, moet dat besproken worden. Wethouder Tillie geeft aan dat het niet verstandig is om op individuele gevallen in te gaan. Hij biedt aan dat burgers die moeilijk contact kunnen vinden met het college, zijn telefoonnummer kunnen krijgen om een afspraak te maken. De heer Renet (SPA) vindt het vreemd dat de rekenkamercommissie vooraf met het college overlegt over de uitvoering van onderzoeken, terwijl de commissie juist primair op de raad gericht zou moeten zijn. Hij benadrukt dat het positief is dat de wethouder in de evaluatie verder kijkt dan wat de rekenkamercommissie heeft onderzocht. Hij wijst erop dat de huidige subsidieregelingen voor verenigingen en professionele organisaties slechts een deel van de verleende subsidies omvatten, en dat de raad geen inzicht heeft in de overige subsidies. Hij onderstreept dat dit inzicht hard nodig is om een

12

goede beoordeling te kunnen maken en geeft daarbij de heer Klein gelijk dat het huidige overzicht onvoldoende is. Wethouder Tillie legt uit dat vrijwel alle subsidies in het subsidieregister staan, behalve individuele subsidies zoals het isolatieprogramma en dat inkooptrajecten geen subsidies zijn en daarom ook niet in het register voorkomen. Hij benadrukt dat het college niet bepaalt wat de rekenkamercommissie onderzoekt, de commissie stelt zelf de onderzoeksvragen vast in overleg met de commissie B&V. Het college stemt alleen af of de uitkomsten bruikbaar zijn voor de gemeente. Hij benadrukt dat de samenwerking met de rekenkamercommissie inmiddels constructief is, zodat verbeterpunten effectief kunnen worden opgepakt zonder tegenstellingen. De heer Renet (SPA) benadrukt dat de raad helder inzicht moet hebben in de verdeling van subsidies, zonder dat individuele bedragen van personen openbaar worden gemaakt. Het gaat erom te zien hoeveel geld per categorie, zoals verduurzaming of sport, is uitgegeven en hoeveel projecten daardoor zijn ondersteund. Volgens hem is dit essentieel om te kunnen beoordelen of de verdeling logisch en doelmatig is en om als raad goed te kunnen sturen en verantwoording te nemen. Wethouder Tillie legt uit dat individuele subsidies van bedrijven niet in een openbare rapportage zullen worden opgenomen, omdat dat vertrouwelijke informatie betreft.

Wat wel kan, is in de jaarrekening duidelijk maken hoeveel subsidies in totaal zijn verstrekt en welke doelen daarmee zijn bereikt. De heer Renet (SPA) stelt dat de raad onder bepaalde voorwaarden en eventueel onder geheimhouding wel inzicht moet kunnen krijgen in de verdeling van subsidies over bedrijven. Zo kan de raad beoordelen wat er wordt uitgegeven en of het doelmatig en rechtmatig wordt besteed, zonder dat individuele bedragen openbaar worden gemaakt. De heer Klein (Lokaal-SGB) vraagt de wethouder om duidelijkheid over de mogelijkheid voor de raad om gedetailleerd inzicht te krijgen in de verdeling van subsidies, ook onder geheimhouding, zodat de controlerende taak kan worden uitgevoerd. Wethouder Tillie antwoordt dat het kader van de subsidieverordening bij de raad ligt, terwijl de uitvoering bij het college ligt. Over de mate van detail waarin de raad inzicht kan krijgen, kan hij nu nog geen uitspraak doen, maar hij geeft aan dat inzicht in de totale verantwoording in ieder geval geen probleem is. De heer Klein (Lokaal-SGB) benadrukt dat het niet om bevoegdheden gaat, maar om de controlerende taak van de raad. Hij wil inzicht in welke bedrijven subsidies ontvangen en welke niet, inclusief de cijfers onder geheimhouding. De voorzitter stelt voor dat de vraag schriftelijk wordt gesteld zodat deze kan worden uitgezocht.

Wethouder Tillie stelt voor te bekijken in welke mate de raad gedetailleerd inzicht kan krijgen. Tweede termijn De heer Talpe (PIT) richt zich tot de fractie SPA en vraagt of zij het eens zijn met de stelling dat als de rekenkamer herhaaldelijk gevraagde informatie niet ontvangt, de rekenkamer dan ook niets kan opnemen in haar rapport. Hij wil weten hoe SPA daar tegenaan kijkt en wat er volgens hen dan nog mogelijk is voor de rekenkamer. De heer Renet (SPA) bevestigt dat hij het eens is met de stelling van de heer Talpe. Hij legt uit dat hij in het verleden als raadslid ook informatie heeft opgevraagd die hij niet kreeg, zelfs niet onder geheimhouding of via een Woo-verzoek. Volgens hem moet de informatievoorziening aan de rekenkamer aanzienlijk beter zijn, en de rekenkamer moet feitelijk alle informatie kunnen krijgen. Krijgt zij die niet, dan moet zij dit opnemen in haar rapport, het college is dan in gebreke gebleven. Vervolgens ligt het aan de raad om te bepalen of dit wordt geaccepteerd, met als uiterste consequentie het afzetten van het college. Het gaat volgens hem primair om het wettelijk recht van de raad op volledige informatie.

13

De heer Talpe (PIT) geeft aan dat dit betekent dat als de rekenkamer aangeeft dat informatie niet is verstrekt, zij feitelijk niets anders kan doen en dat het vervolgens aan de raad is om te handelen. Hij vraagt vervolgens aan de heer Klee concreet aan te geven wat hem ertoe brengt tegen de aanbeveling te zijn, terwijl hij in april 2025 nog had gepleit om het van de agenda te halen. Hij wil weten wat er de afgelopen maanden concreet is gebeurd om zijn standpunt te veranderen. De heer Klee (GOB) legt uit dat zijn fractie in eerste instantie niets met het rapport kon vanwege de gespannen verhoudingen tussen de rekenkamer en het college. De brief van 27 juni 2025 heeft volgens hem echter verheldering gebracht in deze relaties, wat hen heeft doen besluiten het rapport nu beter te kunnen beoordelen. De heer Talpe (PIT) merkt op dat het rapport inhoudelijk niet is gewijzigd. Hij stelt dat alleen de onderlinge gedragingen tussen de partijen veranderd zijn, maar dat de aanbevelingen zelf onveranderd blijven. Hij vindt het vreemd dat het standpunt van de fractie hierdoor alsnog verandert. De heer Klee (GOB) benadrukt dat zijn fractie bij haar eerdere standpunt blijft, voor haar vormden de gespannen verhoudingen de reden om te concluderen dat het rapport onvoldoende behandeld was.

De heer Talpe (PIT) merkt op dat het belangrijk is om naar de inhoud van het rapport te kijken, maar laat aan de andere fracties over hoe zij dit wegen. Voor hem blijft de kern dat bij een volgend onderzoek echt resultaten en acties zichtbaar moeten zijn, in plaats van alleen woorden. Hij stelt vast dat het teleurstellend is dat na de scherpe discussie op 3 april 2025 geen concrete actie is ondernomen door andere fracties, waardoor de rekenkamer volgens hem tekort is gedaan. Mevrouw Joosten (VVD) vraagt de heer Klee of zijn fractie in de toekomst elk rapport waarbij sprake is van gespannen verhoudingen tussen partijen zal aanhouden. De heer Klee (GOB) zegt dat dit niet zomaar geldt, in dit specifieke geval was de situatie zodanig dat zijn fractie besloot het rapport niet te behandelen, maar dat betekent niet dat dit automatisch bij andere stukken zal gebeuren. Mevrouw Joosten (VVD) merkt op dat het antwoord van de heer Klee vaag blijft. Ze wijst erop dat het rapport inhoudelijk niet is veranderd en dat gesprekken tussen partijen prima zijn, maar dat zijn fractie toch het rapport had kunnen behandelen. Ze benadrukt dat het juist waardevol is dat het gesprek is aangegaan. De heer Klee (GOB) erkent dit, maar stelt dat de situatie in april 2025 heel anders was dan nu, zoals blijkt uit de brief van 27 juni 2025 en dat zijn fractie daarom nu een andere mening heeft over het proces.

De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer Talpe en mevrouw Joosten en geeft aan dat hij de reactie van de heer Klee onnavolgbaar en onbegrijpelijk vindt. Hij wijst erop dat er zes beslissingspunten zijn die gaan over de inhoud van de aanbevelingen en niet over het proces, en stelt voor dit tijdens de raadsvergadering van 9 oktober 2025 verder te bespreken. Daarnaast vraagt hij zich af of het nodig is om een aparte klankbordgroep op te tuigen voor de aanbevelingen over het subsidiebeleid, aangezien dit toch binnen de bestaande commissie B&V zou moeten vallen. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) bevestigt dat haar fractie geen voorstander is van het oprichten van een aparte groep naast de commissie B&V, wat ze ook al eerder tijdens de ronde van 3 april 2025 had aangegeven. Mevrouw Joosten (VVD) sluit zich aan bij de eerdere opmerkingen en geeft aan dat ze het jammer vindt dat niet aan de commissie zelf is gevraagd waarom zij de aanbeveling doet. Volgens haar gaat hierdoor een kans verloren om meer inzicht te krijgen.

14

De heer Renet (SPA) vindt een klankbordgroep voor dit onderwerp een te zwaar middel. Hij stelt dat klankbordgroepen normaal gesproken alleen voor zwaarwegende zaken worden ingesteld en niet altijd goed functioneren. Volgens hem is het beter om de discussie over de aanbevelingen in de commissie B&V te voeren en eventueel in een volgende ronde terug te laten komen, bijvoorbeeld een jaar later, in plaats van een aparte klankbordgroep op te richten. De heer Talpe (PIT) vraagt aan mevrouw Essing of de commissie B&V een actievere rol kan spelen bij het opvolgen van de aandachtspunten van de rekenkamer, zodat er geen aparte klankbordgroep nodig is. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) benadrukt dat in de commissie B&V de financiële thema’s worden besproken en dat dit onderwerp daar volgens haar onder valt, waardoor het voor haar niet duidelijk is wat precies bedoeld wordt met een actievere rol. De heer Talpe (PIT) verduidelijkt dat het hem gaat om de klankbordgroep die bepaalde werkzaamheden zou uitvoeren. Hij stelt voor dat deze werkzaamheden eigenlijk in de commissie B&V thuishoren, zodat ze daar worden besproken en opgevolgd in plaats van in een aparte klankbordgroep. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat het stoplichtmodel, waar eerder over is gesproken, wellicht technisch bekeken moet worden.

Voor hem gaat het echter vooral om transparantie en evaluatie achteraf, zoals benoemd in beslispunt 5. Hij benadrukt dat het doel is om de controle en het vertrouwen van de raad in het college te versterken. Het model zelf is slechts een middel om inzichtelijk te maken welke subsidies zijn verstrekt en hoe dit verloopt, zodat openbaarheid en transparantie gewaarborgd blijven. De heer Renet (SPA) benadrukt dat in beslispunt 5 wordt aangegeven dat het moet gaan over alle subsidieregelingen, zowel voor verenigingen als voor professionele organisaties. Hij stelt dat het belangrijk is dat de raad zicht heeft op alle subsidies en de bijbehorende verantwoording, en niet alleen op een beperkt deel dat momenteel in het register staat. Volgens hem ontbreekt het grootste deel van de subsidies in het register, waardoor het overzicht onvolledig is. De heer Klein (Lokaal-SGB) sluit hierbij aan en stelt dat het gebrek aan informatie het kernprobleem is. De rekenkamer en de raad krijgen onvoldoende gegevens, waardoor controle onmogelijk wordt. Hij benadrukt dat de raad moet blijven hameren op volledige informatieverstrekking en dat een register alleen effectief is als daar daadwerkelijk alle subsidies in worden opgenomen. Zonder medewerking van het college blijft het register incompleet en blijft controle beperkt.

De heer Renet (SPA) stelt dat het volstrekt onacceptabel is dat het college geen overzicht heeft van de subsidies die aan bedrijven, sportverenigingen of particulieren worden verstrekt. Volgens hem wijst dit op een ernstig tekort in de informatievoorziening en is er iets fundamenteel mis wanneer zulke gegevens niet beschikbaar zijn. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) legt de nadruk op het stoplichtmodel dat eerder door de heer Janssen werd genoemd. Ze merkt op dat dit model impliciet uitgaat van meetbaarheid, waarmee bedoeld wordt dat het effect van subsidieverlening kwantitatief te beoordelen moet zijn. Tegelijkertijd verwijst ze naar eerdere stukken waarin wordt aangegeven dat het bij subsidies ook om merkbaarheid kan gaan, het zichtbare effect voor de inwoners, dat vaak moeilijk meetbaar is. Haar vraag aan de heer Janssen is daarom wat hij precies wil bereiken met het stoplichtmodel, gaat het om meetbare resultaten of om de merkbaarheid, zoals eerder door de wethouder geschetst? De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) legt uit dat het voor het college lastig is om de effecten van subsidies volledig meetbaar en transparant te maken in concrete cijfers of KPI’s. Volgens hem draait het vooral om het gesprek, gezamenlijk bekijken hoe een subsidietraject verloopt, wat men eruit wil halen en hoe dat wordt vastgelegd in een verslag.

Voor de raad is dat verslag relevant om een oordeel te kunnen vormen. Hij benadrukt dat het voor hem niet nodig is dat alles achter de komma meetbaar is, maar dat de raad wel toegang moet hebben tot de informatie zodra daar vragen over ontstaan.

15

Mevrouw Joosten (VVD) wijst op een schijnbare tegenstelling in het verhaal van de heer Janssen. Enerzijds wil hij alle cijfers tot in detail kennen, anderzijds nuanceert hij dat niet alles meetbaar is. Ze benadrukt dat het belangrijk is te bepalen hoe ver de raad in zijn controlerende taak moet gaan, en dat de commissie B&V hierin een centrale rol speelt. Ze vraagt zich af hoe het college de raad van dienst kan zijn als de raad zelf niet precies weet welke informatie zij moet opvragen of hoe gedetailleerd die moet zijn. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) verduidelijkt dat het niet de bedoeling is dat de raad alle details kent, maar dat het college volledig in controle moet zijn over de subsidieverlening. De raad moet erop kunnen vertrouwen dat het college deze controle uitoefent en op verzoek de benodigde informatie kan verstrekken. Mevrouw Joosten (VVD) erkent dit, maar benadrukt dat het belangrijk is te bepalen welke informatie de raad precies van het college wil ontvangen. Ze wijst erop dat het streven naar gedetailleerde cijfers tot achter de komma iets anders is dan het generieke inzicht dat de heer Janssen eerder noemde. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat het erom gaat in hoeverre de raad invloed wil uitoefenen op doelen en uitvoering van de subsidieregelingen, inclusief toetsbare criteria.

Dit vormt volgens hem een integraal onderdeel van de besluitvorming die binnenkort plaatsvindt. Mevrouw Joosten (VVD) benadrukt dat toetsbare criteria vooral dienen om te beoordelen of een subsidie terecht is toegekend, en niet om het uiteindelijke resultaat te meten. Ze waarschuwt dat het gevaar bestaat alles op een hoop te gooien, terwijl het verschillende aspecten betreft. Ze stelt dat de raad duidelijk moet afbakenen hoe ver en diep hij wil ingrijpen, zonder de rol van het college over te nemen, en benadrukt dat dit een kwestie is van verantwoordelijkheidsverdeling binnen de gemeenteraad. De heer Renet (SPA) geeft aan dat de raad normaal gesproken slechts tot een beperkt niveau van detail gaat bij het beoordelen van stukken. In de jaarrekening en P&C-stukken worden totalen gepresenteerd, maar individuele gegevens, zoals het exacte subsidiebedrag per bedrijf of persoon, zijn volgens hem niet relevant voor de raad. Als een raadslid of fractie een diepgaander onderzoek wil uitvoeren, kan dat, maar dat gaat verder dan de standaardinformatie die wordt verstrekt. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) vraagt vervolgens aan de heer Janssen om op te helderen wat hij bedoelt met de bespreking van de inhoud op 9 oktober 2025, aangezien volgens haar de inhoud al op 3 april 2025 en vanavond is behandeld.

De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat de raadsvergadering van 9 oktober 2025 zes beslispunten bevat die nog moeten worden besproken, waarvan er een betrekking heeft op de voorgestelde oprichting van een aparte raadsgroep om het proces te volgen. Hij vindt dat dit niet verstandig is, omdat de commissie B&V die taak al kan uitvoeren. Hij benadrukt dat er nog vijf andere beslispunten zijn waarop een inhoudelijke discussie over het subsidiebeleid kan plaatsvinden en dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de fracties. De discussie is volgens hem nog niet afgerond en zal op 9 oktober worden voortgezet. Mevrouw Essing-Demandt (CDA) merkt op dat de rondes juist bedoeld zijn voor een thematische behandeling van onderwerpen en dat er al uitgebreid over is gesproken op 3 april 2025. De voorzitter benadrukt dat het niet de bedoeling is om in de raadsvergadering een herhaling van eerdere discussies te krijgen en dat men vooraf duidelijk wil hebben op welke punten het debat zich zal richten. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat er al enkele amendementen van de PIT-fractie liggen, maar dat er nog steeds verschillen van opvatting bestaan tussen de fracties over de follow-up van de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek. Hij stelt dat zijn fractie de aanbevelingen onderschrijft, met uitzondering van de zesde, terwijl andere fracties dat niet doen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=6809e5a0-06fb-447d-b2bd-8f2bd113aae9