Notulen Ronde Raadzaal 20 maart 2025
Tekst van het document
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 20 maart 2025 Tijdstip:
19.30-23.30 uur
1.1 RV Omgevingsvisie 2025-2040 Samen stad en dorp maken Aanwezig de voorzitter: de griffier:
M. De Loo A. Cortlever
de leden GOB: CDA: GroenLinks/PvdA: Stadspartij: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Forum voor Democratie PIT:
P.G.J.M. Boonen, F. Kuburic B.A.J. Hoedemakers, J.E.E.A. Schlössels J.E. Janssen, P.H.J. Kubben W.P.H. Paauwe, A.C.M. Raven P.R. Pi Van de Venne, B. Bonten J.M.H. Joosten, L. Hoogenberg D.D.W Pfoster J.J. Renet, P.W.M. Winteraeken-Bruis S.A.J. Klein, P.P.H. Vola L.T.S. Engels E.V.P. Talpe, M.G.H. Habets
het college:
Wethouder L. Geilen, wethouder A. Houtakkers
ambtenaar:
De heer Denissen, de heer Gorissen
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter heropent de Ronde-vergadering over de Omgevingsvisie. Nadat op 13 maart jl. de beeldvormende bespreking heeft plaatsgevonden is vanavond de oordeelsvormende bespreking van dit onderwerp aan de orde. De bespreking van het raadsvoorstel vindt in twee termijnen plaats. De technische vragen die eerder gesteld zijn, zijn beantwoord en beschikbaar in iBabs. De aanvullende technische vragen van de fracties GOB en PIT zijn ook in iBabs terug te vinden, terwijl de beantwoording van de vragen van SPA volgt voor de raadsvergadering. Daarnaast zijn de ontvangen amendementen van SPA en GroenLinks/PvdA bij de stukken gevoegd. Eerste termijn De heer Kuburic (GOB) benadrukt dat een visie geen vaststaand eindpunt is, maar ruimte moet laten voor verandering. Een belangrijk vraagstuk vindt hij de toekomst van Graetheide. Een 380 kV-station is volgens hem noodzakelijk, maar hij maakt zich zorgen over de impact van mogelijke ontgronding op natuur, leefomgeving en verkeersdrukte. Hij pleit voor een invulling waarin natuur en recreatie een volwaardige plek krijgen en de impact op de omgeving beperkt blijft. Naast aandachtspunten ziet hij kansen, zoals het gebied Yard-E. Dit wordt nauwelijks benoemd in de visie, maar heeft volgens hem potentie voor natuurontwikkeling en recreatie. Hij roept het college op om hierover in gesprek te gaan met VDL Nedcar.
Ook benadrukt hij het belang van het behoud van het
1
Lexhybos, maar vindt het prematuur om nu al een amendement in te dienen zonder alle ruimtelijke vraagstukken mee te wegen. Mobiliteit noemt hij een ander belangrijk thema. Hij steunt duurzame alternatieven zoals lopen, fietsen en deelmobiliteit, maar wijst erop dat de auto voor veel inwoners noodzakelijk blijft. Hij noemt de wijk Hoogveld als voorbeeld, waar te weinig parkeerruimte is ontstaan door een te krappe planning. Dit laat volgens hem zien dat mobiliteitsbeleid ook realistisch moet zijn. Daarnaast vraagt hij om een spoedige evaluatie van het bindend adviesrecht van de gemeenteraad onder de Omgevingswet. Tot slot roept hij het college op om de gesprekken met de familie Janssen over de verplaatsing van hun paardenpension voort te zetten, zodat de Groeneweg mogelijk vergroot kan worden. De heer Schlössels (CDA) wijst op het belang van het verplichte participatietraject en de rol van de raad bij het vaststellen van kaders en bindend advies. Daarnaast benoemt hij de vier pijlers uit de Toekomstvisie 2030, sociaal, economisch, ecologisch en institutioneel, die de basis vormen voor de visie. Het doel is een goede balans tussen deze aspecten. De heer Schlössels spreekt zijn waardering uit voor de bijeenkomsten waarbij de fysieke toekomst van Sittard-Geleen werd besproken.
Hij merkt echter op dat de Omgevingseffectrapportage veel Engels vakjargon bevat, wat de toegankelijkheid beperkt. Hij roept op om de visie begrijpelijk te houden voor alle inwoners. Verder benadrukt hij de unieke positie van Sittard-Geleen als stedelijke en landelijke gemeente en pleit hij ervoor om dit optimaal te benutten. De CDA-fractie gaat niet in op alle details van het 106 pagina’s tellende document, omdat veel ontwikkelingen onzeker zijn door de landelijke en mondiale politieke situatie. Hij onderstreept dat de raad tot 2040 betrokken blijft bij de verdere uitwerking van de omgevingsvisie en besluit met de oproep om niet te ver vooruit te lopen. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat de omgevingsvisie de fysieke leefomgeving van Sittard-Geleen voor de komende 15 jaar bepaalt en dus meerdere raadsperiodes beslaat. Hoewel 90 procent van de ruimte al vastligt, verwacht hij dat de discussie over de resterende 10 procent blijft voortduren. In grote lijnen kan zijn fractie zich vinden in de visie, maar zij plaatsen kritische kanttekeningen bij de invulling van de groene ruimte. Hij wijst op het verlies van meer dan 200 hectare groen, wat volgens hem leidt tot een ruimtelijke onbalans. Ook uit hij zorgen over het gebrek aan actuele gegevens over de procentuele verdeling van functies in de gemeente. Hij roept het college op om met een recent overzicht te komen.
De heer Janssen waardeert de brede dialoog tijdens de totstandkoming van de visie, maar merkt op dat dit nog geen echte participatie is. Ook mist hij een concrete doorvertaling van de Global Goals, ondanks een eerdere vaststelling in 2021. Hij vraagt hoe de kaders na 2030 worden vormgegeven en wijst op het ontbreken van duidelijke gebiedsopgaven voor het landelijk gebied. Verder benadrukt hij dat water en bodem sturend leidend moet zijn voor ruimtelijke inrichting en vraagt hij naar de inbreng van het waterschap. Hij pleit voor slim omgaan met bestaande ruimte, onder andere door herontwikkeling, sloop van leegstaande panden en natuurinclusieve landbouw. Tot slot stelt hij dat de visie onvoldoende ecologische doelen adresseert en kondigt hij vijf amendementen aan, waaronder een over meer sociale huur. Hij pleit voor een adviseur gezonde leefomgeving en vraagt of het college dit wil overwegen. Ook wil hij weten welke mogelijkheden het college ziet om met provinciaal en Rijksbeleid de doelstellingen voor betaalbare sociale huur te behalen. De heer Raven (Stadspartij) benadrukt het belang van de omgevingsvisie als leidraad voor de ruimtelijke, economische en sociale ontwikkeling van Sittard-Geleen. Volgens de partij moet dit document geen statisch beleidsstuk zijn, maar een dynamisch plan dat meebeweegt met nieuwe inzichten en technologische ontwikkelingen.
Daarom pleit de Stadspartij ervoor om de visie niet als een vaststaand document voor vijftien jaar te beschouwen, maar elke drie jaar te evalueren en bij te stellen. Dit zorgt ervoor dat de visie actueel blijft en recht doet aan de veranderende behoeften van inwoners en bedrijven. Een belangrijk speerpunt voor de Stadspartij is het behoud van het Lexhybos. Tien jaar geleden werd al actie ondernomen om dit natuurgebied te beschermen, en de partij is verheugd dat dit nu ook in de omgevingsvisie wordt vastgelegd. De heer Raven spreekt de duidelijke wens uit dat dit bos behouden blijft en niet wordt aangetast door toekomstige ontwikkelingen. De uitbreiding van de campus moet zich
2
volgens de partij richten op Geleen, waar de infrastructuur beter geschikt is, in plaats van ten koste te gaan van natuurgebieden. Daarnaast wil de Stadspartij dat het zwembad De Hateboer behouden blijft en mogelijk wordt gekoppeld aan een vakantiepark of een andere maatschappelijke invulling. Dit zou niet alleen de recreatieve sector versterken, maar ook het toerisme en de werkgelegenheid in de regio bevorderen. Om de groeiende woningbehoefte aan te pakken, pleit de Stadspartij voor de bouw van duizenden nieuwe woningen, met een focus op de omgeving van station Sittard. Dit is een strategische locatie vanwege de goede OV-bereikbaarheid en kan bijdragen aan een levendig stadscentrum. Ook de economische toekomst van de regio is belangrijk. Met het naderende vertrek van Nedcar ziet de Stadspartij kansen voor de defensie-industrie als opvolging, wat de werkgelegenheid in de regio kan behouden en versterken. Daarnaast pleit de partij voor het stimuleren van waterrecreatie langs het kanaal en de Maas. Door te investeren in aanlegplaatsen, horeca en toeristische routes kan dit een economische impuls geven aan de regio. Chemelot is een van de belangrijkste economische motoren van Sittard-Geleen en de bredere regio. De Stadspartij erkent zowel de kansen als de uitdagingen die het bedrijf met zich meebrengt.
Veiligheid en milieu blijven prioriteiten, maar de partij wil ook ruimte bieden voor innovaties en energietransitie. Daarom moet de omgevingsvisie een ademend beleidskader zijn dat actueel blijft en inspelen op nieuwe ontwikkelingen. De heer Raven herinnert aan het ALARA (As Low As Reasonably Achievable) principe en wil dat Chemelot de risico’s zo laag mogelijk houdt door verplichte toepassing van de nieuwste en beste beschikbare technologie. De partij roept Chemelot op om niet alleen in zichzelf te investeren, maar ook in de gemeenschap, bijvoorbeeld door een actievere rol te spelen in de leefbaarheid van Geleen of door bij te dragen aan lokale sport. Op het gebied van duurzaamheid ziet de Stadspartij nog onbenutte kansen, met name in het gebruik van zonnepanelen op noordgerichte daken. Vanwege het lagere rendement worden deze daken nu nauwelijks benut, terwijl ze alsnog een aanzienlijke hoeveelheid duurzame energie kunnen opwekken. Om dit te stimuleren, dient de partij een motie in voor een tijdelijke subsidie van vijf jaar, waarmee 10 procent van het rendement wordt gecompenseerd. Dit experiment kan een substantiële bijdrage leveren aan de energietransitie in de gemeente. Tot slot benadrukt de Stadspartij dat een goede omgevingsvisie geen momentopname mag zijn, maar een richtinggevend document dat meebeweegt met de tijd.
De toekomst van Sittard-Geleen vraagt om realistische en evenwichtige keuzes, waarin zowel behoud als ontwikkeling hand in hand gaan. De heer Pfoster (PVV) complimenteert het college met de zorgvuldige totstandkoming van de omgevingsvisie, waarin participatie van inwoners en ondernemers een wezenlijke rol heeft gespeeld. Volgens hem biedt de visie een ambitieuze toekomst voor Sittard-Geleen, maar zijn duidelijke keuzes nodig om economische groei, innovatie en een sterke arbeidsmarkt te waarborgen. Hij benadrukt het belang van cultuur en erfgoed, niet alleen voor behoud, maar ook als economische kans. Door herbestemming van historische gebouwen en het stimuleren van toerisme kan erfgoed bijdragen aan de economische dynamiek. De PVV vraagt het college hoe ondernemers gestimuleerd kunnen worden om in historisch vastgoed te investeren. Ook het woonklimaat verdient aandacht. De PVV erkent de vraag naar betaalbare woningen, maar vindt dat de focus breder moet liggen. Hoogwaardige woningen en goede voorzieningen zijn nodig om midden en hogere inkomens aan te trekken en wijken te transformeren tot dynamische leefomgevingen. De heer Pfoster ziet daarnaast kansen in de logistieke sector. Sittard-Geleen kan uitgroeien tot een belangrijk logistiek knooppunt binnen Limburg, met slimme investeringen in infrastructuur en multimodaal transport.
Hij vraagt het college hoe synergie kan worden bereikt tussen verschillende logistieke hubs in de regio. Hoewel Chemelot en de Brightlands Campus van groot belang zijn voor de lokale economie, waarschuwt de PVV voor te grote afhankelijkheid van de chemische sector. De gemeente moet ook inzetten op innovatieve start-ups, technologiebedrijven en het MKB. Minder regeldruk en een ondernemersvriendelijk beleid zijn volgens de fractie noodzakelijk om Sittard-Geleen als centrum voor innovatie en ondernemerschap te versterken. Tot slot benadrukt hij dat Sittard-Geleen de potentie heeft om een economische motor in Limburg te worden. Dit vraagt om durf, minder regelgeving en meer focus op innovatie en infrastructuur. Hij sluit af met de ambitie dat de stad, met de juiste keuzes, kan uitgroeien tot het Singapore van Limburg.
3
De heer Bonten (D66) mist enkele belangrijke aspecten in de omgevingsvisie, zoals de rol van Europa. Waar het Rijk en de provincie worden genoemd, blijft Europa afwezig. Daarnaast maakt hij zich zorgen over de afwegingskaders in hoofdstuk 4. Groene wijken en dorpen krijgen bij woongebieden een hoge prioriteit, maar bij bedrijventerreinen en centra veel minder. Dit druist volgens D66 in tegen het belang van biodiversiteit, die afhankelijk is van onderlinge verbinding. Om natuurverlies te voorkomen, pleit hij voor een, nee, tenzij-principe bij ingrepen, waarbij natuurcompensatie niet alleen kwantitatief maar ook ecologisch verantwoord moet zijn. Hij wijst verder op de rolverdeling bij de uitvoering van de omgevingsvisie. De raad stelt de visie vast, maar de programma’s waarmee deze wordt ingevuld, zijn aan het college. Dit roept vragen op over de invloed van de raad op de daadwerkelijke uitvoering. Hij vreest dat de raad alleen via de begroting kan bijsturen en vraagt bevestiging dat het college de programma’s in samenspraak met betrokkenen blijft opstellen. De heer Pi van de Venne (D66) kondigt kort vier amendementen aan. Het eerste amendement betreft de aansluiting op Europese hogesnelheidsnetwerken per trein. Het tweede amendement heeft betrekking op groen compensatie bij herinrichting van de omgeving. Het derde amendement gaat over de groene ambities in stedelijke gebieden.
Het vierde amendement beoogt het versterken van de Europese relaties in het document. De heer Renet (SPA) heeft kritiek op de rol van de gemeenteraad in de omgevingsvisie. Hij waarschuwt dat zodra de visie is vastgesteld, de raad minder invloed heeft op de uitvoering. Hij benadrukt dat gemeenten nu nog keuzevrijheid hebben, bijvoorbeeld over woningbouw en duurzaamheid, maar vraagt of dit in de toekomst verplicht wordt. Verder is SPA tegen de uitbreiding van Chemelot. Gevreesd wordt dat de uitbreiding de veiligheid van de inwoners in gevaar brengt en de partij pleit ervoor bepaalde industriële activiteiten te verplaatsen. Daarnaast vraagt hij om een nieuw onderzoek naar de benodigde ruimte voor Chemelot, aangezien eerdere rapporten achterhaald zouden zijn. Over Smart City-toepassingen is SPA voorzichtig. Ze zien kansen, bijvoorbeeld bij verkeershandhaving, maar vrezen dat te vergaande controle moeilijk terug te draaien is. Ook waarschuwt de heer Renet voor de eenzijdige economische focus op Chemelot en pleit hij voor een sterk stadsdeelcentrum in Geleen. De heer Renet bekritiseert de participatie van inwoners, hoewel er inspraakmomenten zijn geweest, voelt een groot deel van de bevolking zich niet gehoord.
Hij stelt voor om als raad meer tijd te nemen en extra sessies te organiseren om de accenten in de omgevingsvisie beter te bepalen, voordat er een definitief besluit wordt genomen. De heer Vola (Lokaal Sittard-Geleen-Born) uit kritiek op de omgevingsvisie van de gemeente, vooral vanwege het gebrek aan concrete en meetbare doelstellingen op belangrijke gebieden zoals natuurbehoud, waterbeheer en leefbaarheid. Hij wijst erop dat er onvoldoende aandacht is voor ecologie, groene ruimtes, klimaatadaptatie en duurzaamheid. Ook het mobiliteitsbeleid en de ruimtelijke ordening worden als problematisch gezien, met name de uitbreiding en de locatie van de Brightlands campus. De heer Vola pleit voor een herziening van de visie, met nadruk op concrete maatregelen en duidelijke plannen voor natuurbehoud, circulaire economie en betere mobiliteit. Hij stelt voor om gedetailleerdere plannen te maken voor waterbeheer en klimaatadaptatie, en de locatiekeuze voor de Chemelot campus te heroverwegen. Hij concludeert dat de omgevingsvisie goede ambities heeft, maar dat er te weinig concrete stappen worden gezet om deze te realiseren, wat leidt tot onvoldoende bescherming van natuur en duurzaamheid. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) uit zorgen over de toenemende dreigingen van digitalisering en veiligheid, zoals cybercriminaliteit en grote stroomstoringen.
Hij stelt dat de discussie over smart cities, en de bijbehorende technologieën, relevant is, maar hij maakt zich zorgen over de mogelijke risico’s van digitale paspoorten en grootschalige digitale controle. Hij vraagt zich af of we niet te veel inzetten op technologieën die de veiligheid van inwoners in gevaar kunnen brengen. De heer Klein pleit voor meer maatschappelijke participatie en een bredere betrokkenheid bij de omgevingsvisie, waarbij ook burgers uit verschillende achterbannen vertegenwoordigd zouden moeten worden. Hij roept het college op om niet zomaar minder parkeerplaatsen te creëren, maar eerst te
4
onderzoeken of er daadwerkelijk minder autoverkeer is, en hij wijst op onvrede onder buurtbewoners over recente veranderingen. Op het gebied van veiligheid sluit hij zich aan bij de zorgen van de fractie SPA over Chemelot, en hij wil een amendement indienen om de opslag van afval in de openlucht te verbieden, gezien de overlast die dit veroorzaakt. Hij mist daarnaast een visie van het college op toekomstige maatschappelijke problemen, zoals de behoefte aan essentiële beroepen en de mogelijke risico’s van de vestiging van de oorlogsindustrie in de regio. Hij benadrukt dat de omgevingsvisie deze thema’s niet voldoende behandelt en roept op tot meer regie en duidelijkheid vanuit het college over hoe deze toekomstige risico’s te managen. De heer Hoogenberg (VVD) benadrukt dat de omgevingsvisie voor Sittard-Geleen grote ambities bevat op het gebied van duurzaamheid, mobiliteit en leefbaarheid, maar dat ambitie alleen niet voldoende is. Hij wijst erop dat de input van inwoners en ondernemers cruciaal is en dat er naar hun zorgen en ideeën moet worden geluisterd. Op het gebied van economie en ondernemers pleit Hoogenberg voor een ondernemersvriendelijk vestigingsklimaat. De transitie naar een circulaire economie moet ondersteund worden, zonder dat het leidt tot overmatige regeldruk.
Daarnaast moet er actief worden geïnvesteerd in de binnensteden en winkelgebieden, die te maken hebben met leegstand en dalende bezoekersaantallen. Wat betreft mobiliteit stelt hij dat hoewel duurzame mobiliteit belangrijk is, de realiteit in Geleen anders is dan in grotere steden zoals Amsterdam of Utrecht. Veel inwoners en ondernemers zijn afhankelijk van de auto, en het verminderen van parkeerplaatsen zonder alternatieven kan leiden tot frustratie. Hij pleit voor een parkeerbeleid dat werkt voor zowel bewoners als ondernemers, met garanties dat bestaande parkeerplaatsen behouden blijven. Ook moet er rekening worden gehouden met de integratie van nieuwe vervoersmiddelen, zoals elektrische fietsen, in het mobiliteitsbeleid. Ten slotte stelt hij voor om samen met andere gemeenten en regionale partners initiatieven te verkennen die bijdragen aan de ontwikkeling van kernenergie als duurzame energiebron. De VVD is tegen ontgrinding in de regio en steunt het amendement van GroenLinks/PvdA over Graetheide. Hij sluit af door te stellen dat de ambities omgezet moeten worden in concrete acties die de inwoners en ondernemers daadwerkelijk vooruithelpen. De VVD vraagt het college om heldere keuzes te maken en concrete uitkomsten te realiseren, zodat de gemeente vooruit kan blijven gaan.
De heer Engels (Forum voor Democratie) benadrukt dat de Omgevingsvisie een levend document moet blijven, waarbij altijd ruimte is om het bij te sturen op basis van nieuwe inzichten en veranderende omstandigheden. Hij vindt dat de gemeenteraad de mogelijkheid moet behouden om beleid aan te passen, zodat het document niet uitgroeit tot een rigide plan dat de democratische controle ondermijnt. Verder uit hij zijn zorgen over grootschalige controle en smart city-plannen, zoals digitale paspoorten en camerabewaking. Hoewel hij technologie niet verwerpt, waarschuwt hij voor de risico's van privacygevoelige technologie en vraagt hij zich af in hoeverre inwoners hier echt op zitten te wachten. Wat betreft duurzaamheid en de energietransitie stelt de heer Engels dat Forum voor Democratie voor duurzaamheid is, maar dat er grote vraagtekens zijn bij de aannames achter de energietransitie. Hij waarschuwt ervoor dat de omgevingsvisie niet een platform moet worden voor ideologisch gedreven beleid, zoals het doorzetten van aardgasvrije wijken of woningbouwplannen zonder voldoende draagvlak. De visie moet flexibel en realistisch blijven, afgestemd op de behoeften van de inwoners en lokale ondernemers. De heer Talpe (PIT) waardeert de geplande programmatische en strategische evaluaties.
Hij roept op om bij concrete plannen niet alleen zwart-wit te kijken of iets past, maar ook te beoordelen of ze kunnen leiden tot aanpassingen. Hij noemt enkele specifieke punten uit de omgevingseffectrapportage. Wat betreft sociale veerkracht, prijst hij de toevoeging van 500 nieuwe woningen bovenop de woondeal, maar wijst hij op de onzekerheid over waar woningtransformaties plaatsvinden, vooral gezien de vergrijzing in dorpen en wijken. Hij vraagt hoe de gemeente omgaat met de behoefte aan levensloopbestendige woningen en zorg. Wat betreft ecologische veerkracht, erkent hij de voorgestelde mitigatie- en compensatiemaatregelen, maar is hij benieuwd naar de exacte uitwerking daarvan, vooral in verband met de uitbreiding van de Brightlands Chemelot Campus en de aanleg van energie-infrastructuur. Hij merkt ook op dat de vraag
5
naar duurzame elektriciteit groter is dan het aanbod en vraagt hoe het college denkt over de haalbaarheid van de duurzame opwekdoelen. Met betrekking tot economische veerkracht, uit de heer Talpe zijn bezorgdheid dat er onvoldoende gemeentelijk beleid is voor de circulaire transitie, zoals grondstoffengebruik, restafval, en circulair bouwen en slopen. Hij suggereert dat de gemeente circulariteit vooral als een economische ontwikkeling van de industrie ziet, maar dat er weinig gedaan wordt om zelf bij te dragen aan circulariteit. Ten slotte vraagt hij hoe het college aankijkt tegen de botsingen en kansen die in de rapportage worden genoemd, en wat ermee gedaan wordt. De heer Habets (PIT) uit zijn zorgen over uitspraken van de heer De Beer namens DSM-firmenich, waarin werd aangegeven dat de uitbreiding van de Chemelot-campus mogelijk ten koste van bestaande bebouwing zou gaan. Hij stelt dat dit onbespreekbaar is en eist harde toezeggingen van het college dat de bestaande bebouwing binnen de huidige vergunde omgeving blijft. De heer Habets wijst ook op de bredere formuleringen in de omgevingsvisie, die volgens hem leiden tot herhaling van discussies bij vervolgplannen. Door het ontbreken van meetbare en toetsbare criteria blijft er bij elk vervolgplan onduidelijkheid of ruimte voor discussie.
Hij geeft aan dat de toenemende groei ertoe leidt dat steeds meer groen wordt opgeofferd, terwijl er geen ruimte is voor uitbreiding. Hij vraagt zich af hoe het college hier duidelijke richting aan wil geven. Daarnaast benoemt hij de onvrede die onder inwoners leeft vanwege de abstractie van de visie, die volgens hem niet goed is afgestemd op hun wensen. Hij roept het college op om beter te luisteren naar de zorgen van de inwoners, die volgens hem breed uiteenlopen, en deze input te verwerken. Hij vindt het jammer dat de visie, ondanks de uitgebreide voorbereiding, nog steeds controversieel is, maar ziet dit als een kans om het document verder te verbeteren. Wat betreft de progressie van de wijken in 2040, stelt hij dat er geen vooruitgang voorzien is en dat er geen definities zijn voor einddoelen. Hij vraagt zich af of het college dit via deelplannen zal aanpakken. Bovendien heeft PIT vragen over de betrokkenheid van inwoners bij het woningbouwprogramma en de focus op gezondheid in bepaalde wijken, waarbij de heer Habets aangeeft dat er geen sluitend onderzoek aan de basis ligt. Hij vraagt het college om uitleg over de keuzes die zijn gemaakt en waarom deze stappen zijn gezet. De voorzitter schorst de vergadering voor 13 minuten. De voorzitter heropent de vergadering.
Wethouder Geilen waardeert de complimenten die zijn gegeven, die hij doorgeeft aan de medewerkers en de samenleving die betrokken zijn bij het opstellen van de omgevingsvisie. Hij benadrukt het belang van de maatschappelijke bijdrage aan het proces. Hij schetst vervolgens hoe de omgevingsvisie tot stand is gekomen. Hij legt uit dat de visie een alomvattend beleidskader is voor de fysieke leefomgeving van de gemeente, die niet alleen de feitelijke buitenruimte omvat, maar ook de manier waarop deze bijdraagt aan de sociale en economische aspecten van de gemeente. Dit maakt de omgevingsvisie anders dan een sociale agenda, waarin specifieke sociale zaken aan bod komen of de manier waarop je betaalt. Verder benadrukt hij de inclusieve werkwijze in het proces van het opstellen van de visie. Er werd regelmatig input gevraagd van de raad via de raadswerkgroep, en ook werd geadviseerd om verschillende groepen en belanghebbenden actief te betrekken. De wethouder geeft aan dat men heeft geprobeerd de spanning tussen ecologische, economische, en sociale veerkracht te onderzoeken, en vanuit die verschillende perspectieven is de visie vormgegeven. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) legt uit dat de fysieke leefomgeving niet alleen betrekking heeft op de buitenruimte, maar ook invloed heeft op de toegankelijkheid van gemeentelijke voorzieningen, zoals zwembaden en bibliotheken.
Hij maakt de verbinding duidelijk dat het uitsluiten van mensen, bijvoorbeeld door bepaalde betalingsmethoden (zoals niet contant betalen), direct invloed heeft op de fysieke leefomgeving van die mensen. Wethouder Geilen benadrukt dat de fysieke leefomgeving vooral gaat over ruimtelijke aspecten, zoals de inpassing van sportvoorzieningen en zwembaden. Hij begrijpt de link die de heer Klein maakt tussen
6
sociale toegankelijkheid en de fysieke ruimte, maar geeft aan dat dit onderwerp niet direct thuishoort in de omgevingsvisie, die zich richt op de fysieke ruimtelijke inrichting. Verder legt hij uit waarom de omgevingsvisie tot 2040 gemaakt wordt, in tegenstelling tot de toekomstvisie tot 2030. Dit komt omdat de fysieke leefomgeving in vijf jaar tijd niet drastisch verandert, en de omgevingsvisie bedoeld is om vooruit te kijken naar de lange termijn. Hij benadrukt dat deze visie tot stand is gekomen in een participatief proces, waarbij verschillende perspectieven, economisch, ecologisch en sociaal, zijn meegenomen. Hij wijst er ook op dat sommige onderwerpen, zoals de ontwikkeling van essentiële beroepen, niet direct verband houden met de fysieke leefomgeving en daarom niet binnen deze visie vallen. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) vindt dat zaken zoals het verdwijnen van een ziekenhuis of delen daarvan wel degelijk invloed hebben op de omgevingsvisie. Wethouder Geilen verduidelijkt dat de omgevingsvisie vooral richtlijnen biedt voor de fysieke leefomgeving en dat zaken zoals de locatie van bedrijven of de ontwikkeling van de ruimte in de gemeente hierin belangrijk zijn. Hij benadrukt dat de omgevingsvisie niet alle beleidsaspecten dekt, zoals sociale of economische vraagstukken, die elders in ander beleid worden behandeld.
Hij wijst erop dat de visie niet in beton gegoten is, maar dat er ruimte is voor bijstelling, bijvoorbeeld door een evaluatie elke twee jaar. De wethouder benadrukt het belang van participatie bij de uitvoering van de visie en de samenwerking tussen de gemeente, inwoners, en bedrijven om de toekomst van Sittard-Geleen vorm te geven. De heer Renet (SPA) stelt de vraag in hoeverre de gemeenteraad controle kan houden op de uitvoering van de omgevingsvisie. Hij vraagt of de raad verplicht is om via programma’s te werken, of dat zij ook tussentijds kan ingrijpen en bijsturen wanneer het college bepaalde beleidskeuzes maakt waar de raad het niet mee eens is. Volgens hem moet de raad de mogelijkheid hebben om invloed uit te oefenen op de uitvoering, in plaats van pas achteraf te kunnen controleren. Wethouder Geilen legt uit dat de wet bepaalt dat de gemeenteraad de omgevingsvisie vaststelt, terwijl de uitvoering via programma’s de verantwoordelijkheid van het college is. De raad behoudt echter altijd haar controlerende taak en stelt de benodigde budgetten beschikbaar. Dit betekent dat de raad bij het goedkeuren van financiële middelen kan beoordelen of een programma wenselijk is of niet. Daarnaast benadrukt hij dat de voorgestelde tweejaarlijkse evaluatiecyclus bedoeld is om systematisch te monitoren en bij te sturen.
Dit is niet bedoeld om de raad buitenspel te zetten, maar om een goede balans te vinden tussen bevoegdheidsverdeling, flexibiliteit en uitvoeringskracht. De heer Renet (SPA) vraagt of de wethouder toezegt dat het college elke twee jaar naar de raad komt en of de raad dan de mogelijkheid heeft om het beleid te herzien als zij het er niet mee eens is, waarbij het college dit zou accepteren. Wethouder Geilen verwijst naar de omgevingsvisie, waarin een paragraaf staat over monitoring en evaluatie. Hij benadrukt dat hierin is vastgelegd hoe en wanneer de raad wordt betrokken en hoe het college verantwoording aflegt. Als de raad hieraan iets wil veranderen, kan daarover het gesprek worden gevoerd. De heer Bonten (D66) verduidelijkt dat hij niet heeft gesuggereerd dat het college participatie zou negeren, maar dat dit op papier zo zou kunnen lijken. Hij erkent dat de raad het beleidskader bepaalt, terwijl de interpretatie daarvan bij het college ligt. Echter, hij vindt het problematisch dat de raad pas achteraf via monitoring en begrotingen invloed kan uitoefenen, omdat dit neerkomt op terugfluiten in plaats van meedenken. Hij benadrukt dat hierover een gesprek nodig is en dat hij ervan uitgaat dat het college samen met de raad wil bouwen aan beleid. Wethouder Geilen benadrukt dat het samenspel tussen raad en college goed moet worden vormgegeven.
Er is hierover eerder overleg geweest, waarbij ook de griffie een voorstel heeft uitgewerkt om de betrokkenheid van de raad te borgen. Hij wijst erop dat dit proces tijdens eerdere bijeenkomsten is besproken en dat er breed draagvlak gewenst is. De wethouder betreurt het dat niet alle fracties even
7
actief hebben deelgenomen aan de raadswerkgroep, terwijl dit een kans was om invloed uit te oefenen op een belangrijk document over de fysieke leefomgeving. Hij erkent dat betrokkenheid organiseren complex is, maar benadrukt dat het college juist inspanningen heeft geleverd om participatie te stimuleren. Tot slot wijst hij op het belang van een doorlopend gesprek en monitoring om grip te houden op de uitvoering. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat het stellen van duidelijke, meetbare doelstellingen fundamenteel is in de omgevingsvisie. Hij stelt dat de raad de regie heeft over het vaststellen van de kaders, terwijl de uitvoering aan het college wordt overgelaten. Volgens hem moeten deze kaders niet alleen richtinggevend zijn, maar ook concreet en scherp geformuleerd worden, zodat vooraf helder is wat er binnen de fysieke leefomgeving wel of niet kan. Dit biedt volgens de heer Janssen duidelijkheid voor alle betrokkenen en moet eerst goed worden vastgesteld voordat er over de uitvoering wordt gesproken. Wethouder Geilen benadrukt dat de omgevingsvisie door de raad wordt vastgesteld, terwijl de uitvoering via programma’s bij het college ligt. Hij onderstreept dat de raad betrokken wordt bij de invulling van deze programma’s en dat monitoring en evaluatie gezamenlijk worden opgepakt om eventuele bijsturing mogelijk te maken.
Daarnaast gaat hij in op de participatie rondom de omgevingsvisie. Volgens hem is dit proces zorgvuldig verlopen, waarbij verschillende belangen zijn afgewogen. Hij erkent dat niet alle partijen tevreden kunnen zijn, maar benadrukt dat het inspraakproces ervoor heeft gezorgd dat de visie op sommige punten is aangepast. Hij vindt het positief dat insprekers gebruikmaken van hun recht om hun standpunten nogmaals kenbaar te maken aan de raad, zodat deze een weloverwogen definitieve beslissing kan nemen. Tot slot wijst hij erop dat het zoeken naar balans tussen verschillende belangen een kernonderdeel is van dit proces. De heer Renet (SPA) uit zijn zorgen over het proces rondom de omgevingsvisie. Hij vindt dat de raad eerder betrokken had moeten worden bij het eerste concept van de visie. Volgens hem had het belangrijk geweest om eerst gezamenlijk te kijken naar het concept, zodat de raad kon aangeven of dit daadwerkelijk in lijn was met de verwachtingen. Hij wijst erop dat het nu te laat is om inhoudelijk te discussiëren, aangezien de besluitvorming snel volgt na de inspraakronde. Zijn oproep is om de raad meer ruimte te geven om gezamenlijk het concept te herzien voordat er definitieve keuzes worden gemaakt. Wethouder Geilen geeft aan dat de raad wel degelijk betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de concept omgevingsvisie.
Hij herinnert hem aan eerdere sessies, zoals de expositie en de gesprekken in de raadswerkgroep, waar de conceptvisie werd besproken. De wethouder benadrukt dat de raad al in een vroeg stadium is geraadpleegd over de visie en dat dit proces vergelijkbaar zal zijn met de manier waarop de raad bij de uitvoering van programma's betrokken zal worden. De heer Renet (SPA) uit zijn bezorgdheid over de beperkte invloed die de raad had tijdens de eerdere bijeenkomsten, waarbij enkel informatie werd gepresenteerd zonder de mogelijkheid om teksten en gedetailleerde uitwerkingen in te zien. Hij geeft aan dat de raad bij toekomstige plannen en programma's geen kans krijgt om nog wijzigingen aan te brengen op deze manier. Wethouder Geilen legt uit dat de raad vanaf het begin bij het proces van de omgevingsvisie betrokken was, inclusief het bepalen van de doelen en het beleidskader. Hij benadrukt dat het college de raad in verschillende fases heeft geraadpleegd en ook input heeft verzameld van de samenleving. Volgens de wethouder is de raad in staat geweest om invloed uit te oefenen, met name in de conceptfase, en heeft het college geprobeerd om de participatie in lijn met de door de raad vastgestelde principes te organiseren.
De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) vraagt zich af hoe er gesproken kan worden van een balans, wanneer volgens hem het dubbeltje telkens de verkeerde kant opvalt.
8
Wethouder Geilen legt uit dat keuzes noodzakelijk zijn, en dat het niet altijd mogelijk is om alle ballen in de lucht te houden. Hij benadrukt dat de raad betrokken was bij het proces en dat keuzes over de omgevingsvisie op een hoger abstractieniveau moeten worden gemaakt. De wethouder wijst erop dat de transitie naar minder parkeerplaatsen en meer focus op duurzame mobiliteit, zoals wandelen en fietsen, een visie is op de lange termijn. Hij benadrukt dat het belangrijk is om in het proces flexibel te blijven en dat de implementatie geleidelijk zal plaatsvinden, waarbij de raad altijd invloed blijft houden. De wethouder noemt voorbeelden van andere gemeenten waar deze transities al plaatsvinden, zoals het ontwerp van wijken zonder parkeerplaatsen, waarbij de nadruk ligt op groenere leefomgevingen. Mevrouw Joosten (VVD) uit haar bezorgdheid over de snelheid van de transitie, waarbij ze aangeeft dat de wens van de inwoners, die vooral belang hechten aan goede mobiliteit en voldoende parkeergelegenheid, niet volledig wordt weerspiegeld in het voorgestelde beleid. Ze vraagt de wethouder om meer specificiteit en duidelijkheid over hoe deze transitie in de toekomst zal plaatsvinden, zodat de zorgen van de inwoners, met betrekking tot parkeergelegenheid en mobiliteit, beter worden aangepakt.
Wethouder Geilen antwoordt dat het een visie betreft, waarvan de uitvoering later via een programma zal plaatsvinden. Hij verwijst naar een aankomende bijeenkomst op 3 april over parkeerbeleid en andere mobiliteitselementen, waarin zaken als parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen verder besproken zullen worden. Dit proces wordt opgestart, waarbij ook de input van de raad en de inwoners, bijvoorbeeld via een enquête, meegenomen zal worden. Mevrouw Joosten (VVD) uit haar bezorgdheid dat, wanneer de visie nu wordt vastgesteld, er over twee jaar misschien zal worden verwezen naar de goedgekeurde visie. Ze vreest dat er dan geen ruimte meer zal zijn voor aanpassingen. Wethouder Geilen benadrukt dat er een evaluatiemoment is voorzien na twee of tweeënhalf jaar. Op dat moment kan de visie worden bijgesteld, afhankelijk van de maatschappelijke veranderingen en hoe deze de fysieke leefomgeving beïnvloeden. Het evaluatiemoment en de monitoring zijn volgens hem essentieel om die aanpassingen mogelijk te maken. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen Born) benadrukt het belang van een andere benadering in het mobiliteitsbeleid. Hij stelt voor om eerst in te zetten op het verminderen van het aantal auto's op de weg, zodat lege parkeerplaatsen het gevolg zijn. Volgens hem zou de gemeente dit beleid duidelijker moeten verankeren in de visie.
Wethouder Geilen legt uit dat de visie gericht is op het verminderen van het aantal auto's, door het stimuleren van andere vervoersmiddelen zoals fietsen en openbaar vervoer. Hij geeft aan dat naarmate mensen vaker kiezen voor alternatieven, de noodzaak voor parkeerplaatsen afneemt, wat deel uitmaakt van de mobiliteitstransitie. Dit is volgens hem duidelijk verwoord in de visie. De heer Raven (Stadspartij) stelt voor om de termijn voor de evaluatie van de omgevingsvisie te verlengen naar drie jaar in plaats van twee jaar. Hij wijst erop dat als de evaluatie al na twee jaar plaatsvindt, dit mogelijk te vroeg is, omdat er dan een nieuwe gemeenteraad en college in functie zijn. Hij is van mening dat er pas na drie jaar voldoende te evalueren is. Wethouder Geilen verduidelijkt dat de evaluatie van de visie voor het eerst in 2028 zal plaatsvinden, midden in de raadsperiode, wat de mogelijkheid biedt om bij te sturen. Verder geeft hij aan dat de visie ook elementen van de stationsomgeving en de detailhandelsgebieden bevat, en dat de sluiting van winkels niet te wijten is aan het college, maar aan het veranderende consumentengedrag. Hij benadrukt dat de aantrekkelijkheid van winkelcentra afhankelijk is van de bezoekers, en dat het college maatregelen heeft genomen om de winkelcentra te ondersteunen, zoals het bevorderen van een compactere indeling om de aantrekkelijkheid te verhogen.
De heer Renet (SPA) vraagt de wethouder om te bevestigen of het centrum van Sittard inderdaad achteruit is gegaan. Hij benadrukt dat het centrum meer zou moeten zijn dan alleen winkels en dat de
9
gezelligheid verloren is gegaan. Hij vraagt de wethouder of het beleid dat is gevoerd niet heeft geleid tot het stoppen van deze achteruitgang. Wethouder Geilen antwoordt dat het weinig zin heeft om terug te kijken naar de historische ontwikkelingen van de winkelcentra, aangezien de situatie nu is zoals die is. Hij benadrukt dat de gemeente in december 2023 weloverwogen beleid heeft vastgesteld om de toekomst van de winkelcentra vorm te geven. Hij legt uit dat het niet gaat om de wensen van bepaalde partijen, maar om het realisme van de economische veranderingen in Nederland. Winkels kiezen steeds vaker voor vestigingen in grotere verzorgingsgebieden, wat soms betekent dat ze niet meer in kleinere winkelstraten of centra gevestigd worden. Dit leidt tot leegstand, wat niet altijd eenvoudig op te lossen is, aangezien er te weinig nieuwe winkels ontstaan en het aantal mensen dat een eigen winkel begint afneemt. De heer Pfoster (PVV) stelt dat hij het niet eens is met de wethouder die zei dat de enige manier om winkels open te houden is door te kopen. Volgens hem kan de gemeente een actieve rol spelen door vastgoedbeleid te voeren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door afspraken te maken met winkeleigenaren, zoals het beperken van huurprijzen, om zo de winkeleigenaren te ondersteunen. Hij vraagt of de wethouder dit al doet of dit een interessante gedachte is om te overwegen.
Wethouder Geilen beantwoordt bevestigt dat de gemeente al bezig is met het ondersteunen van winkeliers. Er is een stimuleringsregeling waarbij subsidies worden gegeven aan ondernemers die zich vestigen in winkelgebieden. Deze regeling helpt de huurprijs te verlagen en maakt het financieel makkelijker om een winkel te starten zonder de hoge opstartkosten. De heer Raven (Stadspartij) vraagt om meer aandacht van Chemelot voor het centrum van Geleen, specifiek voor de ontwikkeling van schone werkgelegenheid die niet noodzakelijk op het Chemelot-terrein hoeft te plaatsvinden. Hij wijst op het HEMA-gebouw als voorbeeld van een lopende ontwikkeling en vraagt of de wethouder mogelijkheden ziet om Chemelot meer te betrekken bij de stimulering van het centrum, niet alleen voor winkels maar ook voor dienstverlening en uitbreiding van gebouwen. Wethouder Geilen bevestigt dat het college de mogelijkheden ziet om Chemelot meer te betrekken bij de ontwikkeling van het centrum van Geleen, met een focus op innovatie en circulariteit. Hij wijst erop dat het college samenwerkt met Chemelot in een stuurgroep om initiatieven te stimuleren. Hij erkent dat dit een uitdagende weg is, die fysieke ingrepen vereist, maar benadrukt dat stappen in die richting worden gezet.
De wethouder geeft aan dat er al stappen zijn gezet in de aanpak van Geleen, waarbij bedrijven, waaronder Chemelot, worden gestimuleerd om een bijdrage te leveren aan de transitie van het winkelcentrum naar een innovatiecentrum. Dit omvat ook het faciliteren van woon- en werkgelegenheid voor mensen die op de Chemelot-locatie werken. Hij geeft aan dat er al elementen op papier staan, maar dat er mogelijk nog een meer concrete invulling komt om deze plannen verder handen en voeten te geven. Wethouder Houtakkers reageert op een opmerking van de heer Klein over het pleasen van ondernemers. Hij vindt deze opmerking ongelukkig, aangezien de stad juist sterk inzet op het behoud en de ondersteuning van ondernemerschap. Hij legt uit dat de gemeente Sittard-Geleen en Cedo het afgelopen jaar hebben samengewerkt om de situatie rondom een bedrijf te verbeteren, inclusief plannen voor het leegmaken van een terrein en de aanleg van een nieuwe fabriek. Deze plannen worden echter belemmerd door een uitspraak van de Raad van State over stikstof. De wethouder benadrukt dat de omgevingsvisie ook verplicht om te bespreken welke maatregelen nodig zijn om de ontwikkeling van ondernemerschap mogelijk te maken.
De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) geeft toe dat zijn opmerking over ondernemers ongelukkig was, maar verduidelijkt dat zijn kritiek gericht was op een reactie van DSM, die volgens hem suggereerde het ze niet te moeilijk gemaakt moet worden, anders zouden ze vertrekken. Hij legt uit dat het doel van zijn amendement is om duidelijkheid te geven aan bedrijven die zich willen vestigen op Chemelot, door van tevoren te bepalen dat afvalopslag overdekt moet zijn en dat de pijp 50 meter afstand moet hebben.
10
Dit zou voorkomen dat de burgers zes jaar last hebben van overlast, zoals eerder ervaren. Hij vraagt het college om eventuele toevoegingen te doen aan de omgevingsvisie om deze duidelijkheid te waarborgen. Wethouder Houtakkers geeft op een vraag van de PVV aan dat er een onderzoek is uitgevoerd over de verbinding tussen erfgoed en economie, en dat dit in de komende maanden zal worden gepresenteerd. Daarnaast wordt ingegaan op de Groeneweg, waar al langere tijd gesprekken lopen met de heer Janssen, die eigendommen bezit die tegen de Groeneweg aan liggen. Deze gesprekken zullen voortgezet worden. De heer Hoogenberg (VVD) stelt een vraag over kernenergie, waarbij hij aangeeft dat de verduurzaming en energietransitie noodzakelijk zijn voor de fysieke leefomgeving. Hij vraagt om een reactie van de wethouder op dit onderwerp. Wethouder Houtakkers antwoordt dat de routekaart voor de energietransitie momenteel in behandeling is. Wanneer er in het kader van de omgevingsvisie over dit onderwerp wordt gesproken, zal het ook onderdeel van het programma zijn. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat hun vragen niet beantwoord zijn. Hij had vragen gesteld over de omgevingseffectrapportage, zoals de woningbouw en transformatie die mogelijk niet aansluit bij de behoefte, de haalbaarheid van de ambitie voor duurzame energieopwekking, circulariteit en de rol van de gemeente hierin.
Wethouder Geilen legt uit dat de omgevingseffectrapportage is opgesteld op basis van de concept omgevingsvisie. De bevindingen uit de rapportage zijn meegenomen in de definitieve tekst van de omgevingsvisie die nu voorligt. De elementen die volgens hen aangescherpt moesten worden, zijn vertaald en opgenomen in de nieuwe versie. De heer Talpe (PIT) vraagt om verduidelijking over hoe de bevindingen uit de rapportage zijn verwerkt in de omgevingsvisie, en wil graag inzicht in welke aanpassingen er zijn gedaan in de latere versie van de visie. Hij benadrukt dat hij geen 300 pagina's wil doorzoeken om te zien of er daadwerkelijk iets mee is gedaan. Wethouder Geilen geeft aan dat het moeilijk is om precies aan te geven welke passages van de 129 pagina's lange omgevingseffectrapportage tot aanpassingen in de omgevingsvisie hebben geleid. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) stelt twee onbeantwoorde vragen. De eerste betreft de mogelijkheid om een adviseur voor een gezonde leefomgeving aan te stellen, zodat er gebiedsoverstijgend en integraal gekeken kan worden naar wat nodig is. De tweede vraag betreft het overleg met het waterschap bij het opstellen van de omgevingsvisie, waarbij hij vraagt naar de knelpunten die het waterschap heeft geconstateerd, aangezien deze niet terug te vinden zijn in de visie, vooral met betrekking tot water en bodem.
Wethouder Geilen antwoordt dat het waterschap betrokken is bij de omgevingsvisie. Volgens hem betekent de afwezigheid van knelpunten van het waterschap dat zij de visie goedkeuren, vooral op het gebied van water en bodem sturend. Wat betreft de vraag over de adviseur voor een gezonde leefomgeving, geeft de wethouder aan dat dit onderwerp belangrijk is en uitwerking heeft op de fysieke leefomgeving. Er loopt momenteel onderzoek om inzicht te krijgen in hoe de wijken gezond en veerkrachtig ingericht kunnen worden, waarbij niet alleen naar stenen wordt gekeken, maar ook naar groen en water. Deze aanpak wordt uitgevoerd samen met verschillende partners, inclusief het waterschap en de provincie, om sociale en fysieke aspecten van de wijk te verbeteren. De heer Renet (SPA) uit kritiek op het gebruik van de term kenniswerker bij Chemelot, die hij als ongepast en discriminerend beschouwt. Hij stelt dat het gebruik van deze term bepaalde mensen in een negatieve positie plaatst en vraagt hoe het college daartegen aankijkt.
11
Wethouder Houtakkers geeft aan dat het college vasthoudt aan het gebruik van de term kenniswerkers in de context van Chemelot. Het college erkent het belang van kennis en kunde in de stad, en ziet kenniswerkers als een groep met hogere kennis en vaardigheden die van belang zijn voor de stad. Hij benadrukt dat een evenwicht tussen verschillende groepen mensen in de stad belangrijk is. De heer Pfoster (PVV) stelt voor om te onderzoeken of de regio Sittard-Geleen, met de westelijke mijnstreek, kan aanhaken bij de Limburgse Defensiepropositie, gezien de aanzienlijke defensieinvesteringen die door het Nederlands kabinet zijn aangekondigd. Ondanks dat het college waarschijnlijk nog geen kennis heeft genomen van de recente ontwikkelingen, vraagt hij of er mogelijkheden zijn om de economische motor, met betrekking tot defensie, aan te jagen. Wethouder Houtakkers reageert dat het college op dit moment geen verdere informatie heeft over de Limburgse Defensiepropositie en dat er geen mededeling is vanuit hun kant. Hij benadrukt dat, zodra het belang duidelijk is, de raad geïnformeerd zal worden. De heer Habets (PIT) vraagt het college om een standpunt in te nemen over de bestaande bebouwing op Chemelot, en of deze bebouwing niet hoeft te wijken voor de omgevingsvisie.
Wethouder Geilen geeft aan dat er in de omgevingsvisie nergens staat dat bestaande bebouwing moet wijken voor de uitvoering van de visie, althans niet in de context waarin de heer Habets dat bedoelt. De heer Habets (PIT) vraagt of de aanname correct is dat er geen bebouwing hoeft te wijken in relatie tot de veiligheidsaspecten van Chemelot, in lijn met de eerdere opmerkingen van de heer De Beer. Wethouder Geilen geeft aan dat in de omgevingsvisie nergens staat dat bebouwing moet wijken vanwege de veiligheidsaspecten van Chemelot. Er staan wel passages over de veiligheidszorg, maar de omgevingsvisie noemt dit niet als reden voor het verplaatsen van bebouwing. De heer Talpe (PIT) vraagt zich af in hoeverre de omgevingseffectrapportage die eerder is opgesteld, nu nog relevant is, aangezien de opmerkingen uit die rapportage in de huidige visie zouden zijn verwerkt. Hij twijfelt of de effectrapportage geactualiseerd moet worden, omdat anders verouderde informatie vastgelegd zou worden, wat tot verwarring leidt. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de OER een ontwerpproces heeft doorgemaakt, vergelijkbaar met de omgevingsvisie. De OER is continu geüpdatet, parallel aan de omgevingsvisie, en er is een aanvullend advies van een extern bureau toegevoegd.
Het is niet mogelijk om precies aan te geven welke wijzigingen in de OER specifieke gevolgen hebben gehad, omdat deze voortdurend werd aangepast. De heer Talpe (PIT) stelt dat de omgevingseffectrapportage een versie achterloopt ten opzichte van de laatste versie van de omgevingsvisie. Volgens hem benoemt de rapportage zaken die mogelijk al achterhaald zijn door de meest recente versie van de omgevingsvisie. Wethouder Geilen benadrukt dat de OER nu niet meer de focus moet zijn van de discussie, maar dat de raad zich moet richten op de uiteindelijke versie van de omgevingsvisie, die compact en helder de ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving tot 2040 beschrijft. De heer Hoogenberg (VVD) vraagt waarom er in het visiedocument niet iets opgenomen kan worden over de bereidheid van de gemeente om samen met andere gemeenten en regionale partners initiatieven te verkennen met betrekking tot de ontwikkeling van kernenergie als duurzame energiebron. Wethouder Houtakkers geeft aan dit onderwerp besproken kan worden in de raad en er een amendement ingediend kan worden. Hij benadrukt dat de huidige tekst is geleverd, en dat het nu aan de raad is om hierover te beslissen.
12
De heer Raven (Stadspartij) kondigt aan dat zijn partij een motie over de versnelling van de energietransitie wil indienen. Omdat de verantwoordelijke wethouder niet aanwezig was, vraagt hij of het college alsnog een appreciatie over de motie kan geven voor de komende raadsvergadering. Wethouder Geilen geeft aan dat de inhoud van de motie belangrijk is voor de reactie van het college. Hij uit zijn twijfels over de effectiviteit van stimuleringsmaatregelen voor zonnepanelen op minder rendabele locaties, zoals de noordkant, in relatie tot de energietransitie. Hij suggereert dat dergelijke maatregelen wellicht beter passen bij de routekaart voor energietransitie dan in de omgevingsvisie, omdat ze meer detailniveau vereisen. De heer Raven (Stadspartij) legt uit dat zijn motie over de versnelling van de energietransitie in de komende raadsvergadering ingediend zal worden, ondanks de vraag of het onder de omgevingsvisie of de routekaart moet vallen. Hij benadrukt dat de motie relevant is voor de komende vijftien jaar en een kans biedt om alternatieve duurzame energieproductie te versnellen, zoals aangegeven in de omgevingsvisie. Hij vraagt om een meer gedetailleerde appreciatie van het college, waarbij niet alleen het gevoel van de wethouder, maar ook technische aspecten zoals energieopslag zonder terugleverkosten, worden meegenomen.
De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) vraagt het college hoe het aankijkt tegen de risico's van de smart city-doelen, met name in het licht van toenemende spanningen, zoals schurkenstaten en de toename van cybercriminaliteit. Hij vraagt of het college deze zorgen deelt. Wethouder Geilen benadrukt dat de gemeente in 2021 unaniem een visie heeft vastgesteld waarin de inzet van data en vernieuwende technologieën in de openbare ruimte en voor beleidsontwikkeling wordt beschreven. Het gebruik van data gebeurt op een manier die de privacy van inwoners niet in gevaar brengt, aangezien de data niet noodzakelijkerwijs persoonlijk gerelateerd is. Het doel van de smart cityaanpak is om op basis van feiten beter beleid te ontwikkelen. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) maakt een zorg duidelijk over de dreiging van privacyinbreuken, met name door het gebruik van persoonsgebonden informatie, datalekken en het toenemende gebruik van camerabeelden in de openbare ruimte, die een risico kunnen vormen. Hij benadrukt dat zijn zorgen niet gericht zijn op de technologieën die voor het meten van bijvoorbeeld de grondvochtigheid worden ingezet, maar specifiek op de privacy kwesties die kunnen ontstaan door het verzamelen van gevoelige data zoals camerabeelden. Wethouder Geilen reageert door te benadrukken dat er strikte kaders zijn voor het toepassen van cameratoezicht.
Hij geeft aan dat de gemeenteraad de regels bepaalt, waarbij altijd een afweging van proportionaliteit en subsidiariteit moet worden gemaakt. Cameratoezicht mag alleen worden ingezet als de openbare orde in het geding is. De wethouder verduidelijkt ook dat dit toezicht op basis van de geldende criteria is toegepast en dat niet zomaar overal cameratoezicht kan worden geplaatst. Er wordt overleg gevoerd met de burgemeester over de veiligheidsaanpak. Tweede termijn De heer Renet (SPA) vraagt om duidelijkheid over twee belangrijke punten, veiligheid en de centrale rol van Chemelot in de omgeving. Hij wil weten hoe de partijen hierover denken, omdat dit gevolgen heeft voor de ontwikkelingen in de regio. Mevrouw Joosten (VVD) uit haar bezorgdheid over een opmerking dat de partijen die voor de omgevingsvisie stemmen, verantwoordelijk zouden zijn voor doden, mocht er iets gebeuren bij Chemelot. Ze beschouwt dit als onacceptabel en ongepast, vooral omdat het dreigen met doden de inhoudelijke discussie niet bevordert. Ze benadrukt dat de Omgevingswet bedoeld is om de leefomgeving te verbeteren en veiliger te maken, en dat het belangrijk is om op feiten te baseren in plaats van bangmakerij.
13
De heer Renet (SPA) benadrukt de ernst van de situatie, waarbij een ontploffing bij Chemelot grote gevolgen kan hebben voor de veiligheid in de regio, met mogelijke doden en gewonden. Hij stelt dat de gemeenteraad, door niet in te grijpen en onveilige situaties niet te verhelpen, mede verantwoordelijk is voor de gevolgen als er iets misgaat. Veiligheid wordt volgens hem een cruciaal onderdeel van de leefomgeving, en het is de verantwoordelijkheid van de raad om die te waarborgen. De heer Pi van de Venne (D66) ondersteunt de woorden van mevrouw Joosten en benadrukt dat Chemelot moet voldoen aan de strengste veiligheidseisen van het land. Hij stelt dat het niet acceptabel is om op basis van onderbuikgevoel angst te zaaien. Het gaat volgens hem echt te ver om op deze manier te discussiëren. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) sluit zich aan bij de eerder uitgesproken kritiek en vergelijkt het met het politieke debat over de veiligheid van gemeentelijke wegen. Hij benadrukt dat het onzinnig is om fracties verantwoordelijk te houden voor ongelukken, zoals zeggen dat een fractie verantwoordelijk is voor fietsongevallen vanwege het niet vrijhouden van fietspaden. Hij wijst ook op een patroon waarbij er voortdurend met beschuldigingen wordt gesmeten, zonder constructieve voorstellen te doen.
Hij roept de andere raadsleden op om met concrete voorstellen of amendementen te komen, in plaats van enkel kritiek te leveren. De heer Renet (SPA) maakt duidelijk dat er een groot verschil is tussen verkeersrisico's en de gevaren die gepaard gaan met bedrijven zoals Chemelot, waar de risico's aanzienlijk kunnen zijn, zoals bij de opslag van gevaarlijke stoffen in tanks. Hij benadrukt dat deze risico's erkend worden door wetenschappelijke studies en dat de nabijheid van dit soort bedrijven tot bebouwing een serieuze veiligheidskwestie vormt. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat de discussie niet over de veiligheid van Chemelot zou moeten gaan, aangezien veiligheid bij Chemelot hoog in het vaandel staat. Hij vindt het jammer dat de discussie in de verkeerde richting gaat. Volgens hem gaat het nu juist om de transitie die Chemelot wil maken naar een andere bedrijfsvoering, inclusief de uitbreiding van de campus en ruimtelijke plannen. Hij stelt dat veiligheid een andere discussie is die in een andere ronde zou moeten worden gevoerd. De heer Raven (Stadspartij) benadrukt dat we in een democratie leven waarin veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, waaronder voor Chemelot, die voldoen aan de democratisch opgestelde regels. Hij wijst op het concept van maatschappelijk acceptabel risico en vergelijkt het met andere gevaren, zoals verkeersdoden, die jaarlijks optreden.
Hij vindt het niet gepast om individuele raadsleden verantwoordelijk te stellen voor de veiligheid van Chemelot. Volgens hem is het risico en de oproep om het te verbeteren bekend, maar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid kan niet zo eenvoudig op de schouders van raadsleden gelegd worden. Mevrouw Joosten (VVD) vraagt de Stadspartij hoe zij de veiligheid van het watertoerisme op de Maas ziet, aangezien de Maas de laatste tijd heeft laten zien dat het niet altijd veilig is om te recreëren. Ze wijst op draaikolken en andere gevaren die zich in het water voordoen. Ze vraagt zich af hoe de Stadspartij het plan voor meer watertoerisme ziet in verband met deze veiligheidskwesties. De heer Raven (Stadspartij) beantwoordt de vraag door te stellen dat toerisme, inclusief watertoerisme, een belangrijk thema is voor de gemeente. Hij benadrukt echter dat watertoerisme alleen gestimuleerd zal worden als het technisch mogelijk en veilig is. Hij geeft aan dat er kansen liggen in de ontwikkeling van de Maasvallei en de verbreding van de Maas, en dat deze verder uitgewerkt moeten worden, maar veiligheid staat voorop. Hij geeft aan dat er al jaren discussies zijn over de uitbreiding van toerisme en recreatie langs water in de gemeente, zoals langs het kanaal.
Hij stelt voor om deze mogelijkheden verder te onderzoeken, maar benadrukt dat de concrete uitwerking van zulke plannen niet per se de taak van de Stadspartij is. Wel vindt hij het belangrijk dat de gemeente de lijn uitzet voor de toekomst tot 2040 en deze kansen pakt. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt specifiek aan het CDA hoe de partij tegenover grindwinning op Graetheide staat. Hij verwijst naar een motie hierover die bijna raadsbreed is aangenomen. De heer
14
Janssen stelt dat de raad niet morrend akkoord kan gaan met het provinciaal projectbesluit en pleit voor een krachtig signaal naar de provincie om de zorgen van omliggende dorpen serieus te nemen. Verder is hij tegen de kap van het Lexhybos. Hij geeft aan dat Chemelot de kap noodzakelijk acht voor de uitbreiding van de Brightlands Campus. Hij verwijst naar het advies van de commissie mer, die alternatieven aandraagt. De heer Hoedemakers (CDA) stelt dat het CDA de motie over de grindwinning steunt. Het CDA blijft echter ook pleiten voor regie in eigen hand en is bereid om samen met de andere fracties te kijken naar het amendement om een haalbare oplossing te vinden. Mevrouw Joosten (VVD) geeft aan dat haar partij anders kijkt naar het Lexhybos. Ze benadrukt het belang van eigendom, aangezien het bos eigendom is van DSM, en vindt het prematuur om al tegen de plannen te zijn zonder te weten wat DSM precies van plan is, inclusief hun natuurcompensatie. Ze is niet bereid om al tegen toegang tot het bos te zijn, vooral omdat het bos ooit een bruinkoolgroeve was en daardoor gevaarlijk kan zijn. Ze vraagt zich af waarom mensen dan toch toegang tot het gebied willen. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) verduidelijkt dat hij niet heeft gezegd dat het Lexhybos opengesteld moet worden.
Hij geeft aan dat dit inderdaad een kwestie van veiligheid is en dat hij het niet wenselijk zou vinden als het bos alsnog toegankelijk wordt gesteld. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen Born) uit zijn zorgen over de koepelvergunning in combinatie met illegale lozingen, specifiek de duizenden kilo's microplastic. Hij vraagt zich af hoe dit opgelost kan worden en of de koepelvergunning te gemakkelijk is voor bedrijven om onder de belangrijke milieuwetten uit te komen. Hij vraagt om een reactie hierop en geeft aan dat, indien er geen goede argumenten komen, zijn fractie mogelijk een amendement zal indienen om de koepelvergunning af te schaffen, zodat bedrijven weer volgens de milieuwetten beoordeeld kunnen worden. De heer Bonten (D66) merkt op dat de discussie over de inrichting van het terrein van Chemelot en koepelvergunningen al eerder is gevoerd. Hij geeft aan dat dit, volgens zijn fractie, onder de verantwoordelijkheid van de provincie valt en niet bij de gemeenteraad. De heer Boonen (GOB) vraagt aan de heer Klein of hij zijn voorstel voor het amendement concreet kan aangeven. Hij merkt op dat de koepelvergunning volgens hem niet in de omgevingsvisie staat. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen Born) stelt dat de koepelvergunning mogelijk de milieuwetten en dus de veiligheid van de burgers in de weg staat.