CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen Ronde Raadzaal 13 maart 2025

Raad 27 maart 2025, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststellen van de notulen (9)11.610 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 13 maart 2025 1.1 Toelichting over de Omgevingsvisie: de rol van de raad, de bespreekvorm tussen raad en college, de samenwerking met de samenleving, de rol van het instrument omgevingsvisie, de impact van het besluit. 19.00-19.36 Tijdstip:

19.00-23.15 uur

Aanwezig de voorzitter: de griffier:

M. De Loo A. Lamers

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Forum voor Democratie PIT:

P.G.J.M. Boonen, F. Kuburic B.A.J. Hoedemakers, J.E.E.A. Schlössels W.P.H. Paauwe, A.C.M. Raven J.E. Janssen, T.A.G. Baars P.R. Pi Van de Venne, B. Bonten J.M.H. Joosten, L. Hoogenberg J.J. Renet, P.W.M. Winteraeken-Bruls S.A.J. Klein, P.P.H. Vola L.T.S. Engels E.V.P. Talpe, M.G.H. Habets

het college:

Wethouder L. Geilen, wethouder A. Houtakkers

ambtenaar:

De heer Denissen, de heer Gorissen, de heer Vernaus

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter opent de vergadering om zeven uur en heet iedereen van harte welkom. De agenda van de vergadering bevat één hoofdonderwerp, verdeeld in drie blokken. Wethouder Geilen benadrukt in zijn inleiding het belang van de omgevingsvisie, een proces dat al in 2016 begon toen Sittard-Geleen de eerste gemeente in Nederland was die een omgevingsvisie opstelde. Inmiddels is het een wettelijk verplicht instrument geworden. De wethouder legt uit dat de visie op een participatieve manier tot stand is gekomen, waarbij inwoners, ondernemers, belangenpartijen en verenigingen betrokken zijn. Dit proces heeft geleid tot een concept omgevingsvisie die in inspraak is gebracht. Na het verwerken van de reacties is het nu tijd voor besluitvorming. De wethouder benadrukt dat keuzes moeten worden gemaakt, aangezien niet alle belangen altijd met elkaar te verenigen zijn. Het proces wordt in twee fasen verdeeld, met vanavond een terugblik op de stappen die zijn gezet. De definitieve besluitvorming zal op 27 maart plaatsvinden, na de Ronde van vanavond en volgende week waarin met de raad over dit onderwerp wordt gesproken. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) presenteert de omgevingsvisie, een document dat de koers uitzet voor de fysieke leefomgeving van de gemeente. Deze visie wordt niet alleen door het

1

gemeentebestuur bepaald, maar samen met inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties vormgegeven. De gemeenteraad speelt hierin een belangrijke rol, zowel bij het vaststellen van de visie als bij de uitwerking in concreet beleid en regelgeving. Het opstellen van de omgevingsvisie ging gepaard met een intensief participatietraject. In verschillende kernen zijn bijeenkomsten georganiseerd, waarbij inwoners hun ideeën en zorgen konden delen. Ook onderwijsinstellingen werden betrokken, en er was online inspraak mogelijk. Bovendien werd samengewerkt met buurgemeenten, zowel in Nederland als over de grens in België en Duitsland. De gemeenteraad was gedurende dit proces actief betrokken via werkgroepen en thematische sessies. Uit de participatie kwamen een aantal duidelijke thema’s naar voren. Gezondheid is een belangrijk uitgangspunt, met aandacht voor voldoende ruimte om te bewegen en te ontmoeten, en voor de vergroening van wijken. Duurzaamheid staat eveneens hoog op de agenda, waarbij ingezet wordt op de energietransitie en een circulaire economie. Mobiliteit krijgt een impuls door het stimuleren van fietsen en wandelen, woningbouw richt zich op het toevoegen van nieuwe woonruimtes en de herontwikkeling van bestaande wijken. Daarnaast wordt extra aandacht besteed aan groen en water, onder meer door maatregelen tegen hittestress en wateroverlast.

Specifieke gebieden zoals het stationsgebied, de Brightlands campus en de voormalige sportzone worden benoemd als belangrijke ontwikkellocaties. De omgevingsvisie is geen statisch document, elke vier jaar wordt geëvalueerd of de koers moet worden bijgesteld. Door middel van een beleidscyclus worden strategische keuzes vertaald naar concrete projecten en programma’s. Hierbij is nauwe samenwerking tussen de raad en het college essentieel om tot een effectieve uitvoering te komen. Uit de participatie bleek dat inwoners veel waarde hechten aan een groene en leefbare omgeving. Veiligheid en gezondheid in relatie tot industrie zijn belangrijke aandachtspunten, net als de behoefte aan betaalbare en levensloopbestendige woningen. Daarnaast werd het belang van levendige dorps- en stadscentra en het behoud van voorzieningen benadrukt. Inwoners gaven aan ook in de uitvoeringsfase betrokken te willen blijven, zodat de visie echt gezamenlijk wordt waargemaakt. Deze omgevingsvisie schetst dus niet alleen een ambitie voor de toekomst, maar is ook een belofte om samen te werken aan een gemeente die duurzaam, gezond en aantrekkelijk blijft voor iedereen. 1.2 Technische vragen door de raad (19.36 uur - 20.23 uur) De heer Kuburic (GOB) verzoekt om een duidelijke afbeelding met de exacte locatie van de campus in het Lexhygebied.

Met betrekking tot het 380 kV-station vraagt hij of de aangegeven 30 hectare ook de landschappelijke inpassing omvat. Daarnaast wil hij weten hoe de ruimteverdeling is tussen het station zelf en de landschappelijke inpassing. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat het nog te vroeg is om een precieze verdeling binnen de 30 hectare te bepalen, omdat er momenteel slechts een zoekgebied is vastgesteld. Hij benadrukt dat de provincie bevoegd gezag is voor deze ontwikkeling, niet de gemeente. Wel vindt de gemeente het belangrijk om landschappelijke inpassing en compensatie mee te nemen, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. Dit wordt een ontwerpopgave die in een volgende fase verder wordt uitgewerkt, in samenhang met de omliggende functies. De afbeelding met de locatie van de campus kan aangeleverd worden. De heer Kuburic (GOB) vraagt, los van het zoekgebied, naar een indicatie van de verdeling binnen de 30 hectare. Hij wil weten welk percentage uiteindelijk volledig bebouwd zal worden en hoeveel ruimte groen blijft. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat deze informatie op dit moment niet beschikbaar is. Hij zegt toe na te gaan of er meer gegevens voorhanden zijn en dat het antwoord op een later moment zal volgen.

De heer Schlössels (CDA) vraagt om verduidelijking over de rol van de gemeenteraad bij de uitvoering van de omgevingsprogramma’s in de toekomst. Hij wil specifiek weten waar de scheidslijn ligt tussen de verantwoordelijkheden van de raad en het college, zoals beschreven in de omgevingsvisie. Met het oog

2

op 2037 vraagt hij zich af waar de raad op dat moment nog zeggenschap over heeft en welke taken buiten haar bevoegdheid zullen vallen. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de bevoegdheidsverdeling onder de Omgevingswet duidelijk is. De visie ligt bij de raad, terwijl het college verantwoordelijk is voor het programma. De juridische vertaling komt vervolgens weer bij de raad, evenals de financiën voor de programma’s. Het is belangrijk dat de raad invloed kan uitoefenen op de uitvoering van deze programma’s, zodat er een goed gevoel is over de besluiten, vooral als er juridische of financiële beslissingen moeten worden genomen. Daarom is er een voorstel vanuit de griffie om een werkwijze te ontwikkelen waarin de raad betrokken blijft bij de belangrijke gesprekken. Hoewel de raad geen bevoegd gezag heeft over de programma’s, blijft haar invloed in de uitvoering essentieel. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) heeft een vraag over het aantal betaalbare sociale huurwoningen in de komende vijftien jaar. Op pagina 68 van de concept omgevingsvisie wordt vermeld dat er in 2030 30 procent sociale huurwoningen in de voorraad moeten zijn, wat in lijn is met de woondeals. Momenteel ligt dit percentage echter rond de 27, 28 procent.

De heer Janssen vraagt zich af hoe het college dit doel wil bereiken, vooral gezien het feit dat er de afgelopen jaren nauwelijks sociale huurwoningen zijn bijgekomen. Hij wijst op het effect van sloop en herstructurering, waardoor er steeds minder sociale huurwoningen beschikbaar zijn. Hij vraagt het college om aan te geven hoe ze dit doel willen realiseren binnen de beschikbare ruimte en welke instrumenten daarvoor gebruikt zullen worden. Hij geeft aan dat hij ook akkoord gaat als hij het antwoord op de vraag op een later moment ontvangt. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) erkent dat veel plannen van de woningcorporaties betrekking hebben op transformatie en sloop, wat inderdaad een uitdaging vormt. Hij benadrukt dat er een belangrijke verandering is in de prestatieafspraken die met de corporaties worden gemaakt. Ook wordt er in het volkshuisvestingsprogramma gekeken naar mogelijke locaties, waaronder gemeentelijke eigendommen, die een rol zouden kunnen spelen in het realiseren van sociale huurwoningen. Het is echter een complexe ruimtelijke puzzel die opgelost moet worden, zodat het niet alleen één erbij, één eraf is. De heer Raven (Stadspartij) refereert aan de omgevingsvisie van tien jaar geleden, waarin de discussie werd gevoerd over het één erbij, één eraf-principe.

Hij benadrukt dat deze visie uiteindelijk resulteerde in een grote achterstand in woningbouw, en hij vraagt zich af welke blunder er precies gemaakt is, aangezien de gemeente heeft stilgestaan in haar woningbouwontwikkeling. Hij roept het college en de ambtenaren op om kritisch naar hun eigen werk te blijven kijken en te zorgen dat er geen nieuwe vergissingen worden gemaakt voor de periode tot 2040. Daarnaast refereert hij aan een eerdere discussie uit 2015, waarin werd gesteld dat het Lexhybos zijn langste tijd had gehad. Ondanks zijn eerdere actie om het bos te behouden, blijft de discussie bestaan of het bos wel of niet moet verdwijnen. Hij vraagt de wethouders en de ambtenaren om een definitief besluit te nemen, zodat er duidelijkheid komt over de toekomst van dit groene gebied. De voorzitter geeft aan dat dit deels politieke vragen zijn, deze worden in de volgende ronde beantwoord. Vandaag mogen er technische vragen gesteld worden. Wethouder Geilen reageert op de vraag van de heer Raven over mogelijke blunders in het verleden. Hij stelt dat het niet eenvoudig is om te spreken van een blunder, aangezien de keuzes destijds verantwoord waren, hoewel de toekomst zich anders heeft ontwikkeld dan verwacht. De wethouder benadrukt dat de gemeente niet blind moet bijbouwen, maar eerder moet inzetten op transformatie, en dat er nog steeds een sloopopgave is.

Wat betreft de discussie over het Lexhybos en de strategische gebiedsvisie Chemelot, herinnert de wethouder de heer Raven eraan dat deze discussie plaatsvond rond 2021, niet 2015. In de strategische gebiedsvisie Chemelot is al een beslissing genomen over de ontwikkeling van de campus aan de overkant van de Urmonderbaan, en dit is ook verwerkt in de huidige omgevingsvisie. De wethouder geeft aan dat de raad uiteindelijk beslist over de visie, en het is aan hen om, indien nodig, amendementen in te dienen om de visie te wijzigen.

3

De heer Bonten (D66) uit zijn enthousiasme over de aandacht in de omgevingsvisie voor het groen. Hij heeft echter nog enkele vragen, bijvoorbeeld over de beleidskeuzes met betrekking tot de gekoesterde plekken en objecten die de eigenheid van de gemeente bepalen, zoals monumenten, beeldbepalende grondstructuur en stadsentrees. Hij vraagt zich af waar deze elementen precies terug te vinden zullen zijn in de omgevingsvisie, vooral omdat het lijkt alsof het bestaande bomenbeleidsplan en de grondstructuurvisie, ondanks dat ze nog actueel zijn, niet meer van toepassing zijn bij de nieuwe plannen. De heer Bonten is bezorgd dat zonder een beleidsplan de uitvoering van groenbeleid moeilijk te realiseren is. Hij vraagt om verduidelijking over hoe de groenstructuren worden vastgesteld en welke behouden moeten blijven, en suggereert om voorlopig de focus op deze groenstructuren te behouden. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de omgevingsvisie strategische keuzes maakt, zoals nieuwe beleidsambities op het gebied van groen. Deze keuzes worden verder uitgewerkt in programma's, waarbij onder andere het bomenbeleidsplan aan bod komt. Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe agenda voor groen, die rekening houdt met de nieuwe ambities en het verouderde karakter van sommige bestaande programma-uitwerkingen.

Als raad heeft men al enkele sessies hierover gehad, waarin de nieuwe structuren worden uitgewerkt. Op hoofdlijnen zijn er in de omgevingsvisie al belangrijke ecologische structuren opgenomen, zoals op de kaart te zien is. De heer Renet (SPA) stelt twee vragen in verband met de ruimtebehoefte van Chemelot. Ten eerste vraagt hij of, wanneer duidelijk is dat Chemelot op termijn meer ruimte nodig heeft, niet de conclusie moet worden getrokken dat Chemelot te groot is geworden voor zijn huidige locatie en deels of geheel zou moeten vertrekken. Ten tweede vraagt hij zich af of de ruimte voor milieucategorie 5-activiteiten daadwerkelijk voor dit doel wordt gebruikt, of dat het tijd is om niet-milieucategorie 5-bedrijven elders onder te brengen. Hij verzoekt om duidelijkheid over hoeveel ruimte er op Chemelot beschikbaar zou komen als niet-milieucategorie 5-bedrijven en andere bedrijven die niet direct van de milieucategorie 5activiteiten afhankelijk zijn, naar andere locaties verhuizen. Wethouder Geilen geeft aan dat de gemeente momenteel geen gedetailleerde cijfers heeft per milieucategorie om te bepalen hoeveel ruimte er op Chemelot beschikbaar zou komen als nietmilieucategorie 5-bedrijven zouden vertrekken.

Hij legt uit dat de aanwezigheid van een bepaalde milieucategorie op een terrein niet betekent dat alleen bedrijven binnen die categorie daar mogen zitten, er kunnen ook lichtere bedrijven aanwezig zijn. De wethouder benadrukt dat de vraag of Chemelot meer ruimte nodig heeft en of niet-milieucategorie 5-bedrijven zouden moeten vertrekken, vooral een politieke kwestie is. Het college is van mening dat Chemelot een cruciale economische motor is voor Limburg en Nederland, en dat er ruimte moet zijn om deze belangrijke activiteiten voort te zetten, zoals vastgelegd in de strategische gebiedsvisie Chemelot. De heer Renet (SPA) vraagt zich af waar de grens ligt wat betreft de verdere uitbreiding van bedrijventerreinen, gezien de historische groei van het gebied, dat ooit voornamelijk landbouwgrond was. Wethouder Geilen reageert door te wijzen op de voortdurende ontwikkeling van het gebied, wat ooit volledig landbouwgrond was, maar nu stedelijk gebied is geworden. Hij benadrukt dat het noodzakelijk is om te blijven groeien en ruimte te bieden voor zowel woningbouw als bedrijvigheid, zoals gemeld in de omgevingsvisie. Wat betreft de uitbreiding van Chemelot, geeft de wethouder aan dat de enige ruimte die nu beschikbaar is voor uitbreiding aan de noordzijde van de Urmonderbaan ligt, zoals vastgelegd in de strategische gebiedsvisie Chemelot.

Andere uitbreidingsmogelijkheden worden ingeperkt. De omgevingsvisie biedt dus een kader voor toekomstige ontwikkelingen rondom Chemelot, waarbij de gemeente blijft bepalen waar uitbreiding mogelijk is en hoe die zich verhoudt tot risicocontouren en geluidscontouren. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) doet de suggestie om de risico's van het huisvesten van een oorlogsfabriek en het Chemelot gebied in de gemeente in kaart te brengen, gezien de mogelijke risico’s van dergelijke faciliteiten. Hij stelt voor om hier een paragraaf aan toe te voegen, ook al erkent hij dat de laatste ontwikkelingen nog onbekend zijn.

4

Daarnaast benadrukt hij het belang van het bieden van prioriteit aan lokale bewoners voor sociale huurwoningen. Hij stelt dat het beleid van alleen maar bijbouwen niet voldoende is om dorpen leefbaar te houden, en dat een beleidsverandering noodzakelijk is. Tot slot onderstreept de heer Klein het belang van de uitvoering van de omgevingsvisie, waarbij hij de nadruk legt op de bestuurscultuur en de bereidheid om na te denken over beleidswijzigingen. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) reageert op de opmerkingen over sociale huurwoningen en geeft aan dat de gemeente niet direct invloed kan uitoefenen op het landelijke wettelijke kader voor sociale huur, dat uitgevoerd wordt door de woningcorporaties. Hij vermeldt echter een experiment in Einighausen, waarbij de sociale huurwoningen eerst beschikbaar worden gesteld aan lokale inwoners, beginnend met starters. Dit is een poging om lokale bewoners voorrang te geven. Het experiment wordt als model gezien voor andere gebieden, maar er zijn wel beperkingen in wat de gemeente en de woningcorporaties kunnen doen. De heer Hoogenberg (VVD) uit zijn zorgen over het opgeven van parkeerplaatsen voor vergroening, zoals vermeld in de omgevingsvisie. Hij erkent het belang van vergroening, maar vraagt zich af hoe het college dit kan verantwoorden tegenover inwoners die nu al klagen over een tekort aan parkeergelegenheid.

Hij wijst erop dat de visie sterk inzet op minder autogebruik en meer fietsen en lopen, maar benadrukt dat er ook inwoners zijn die afhankelijk zijn van de auto, zoals forenzen en ouderen, zeker in het licht van de vergrijzing. Hij vraagt hoe het college ervoor zorgt dat de gemeente bereikbaar blijft voor deze groepen. Wethouder Geilen benadrukt dat de vraag van de VVD geen technische vraag is, maar een hoe-vraag. Hij wijst erop dat de omgevingsvisie een visiedocument is en dat de concrete uitvoering in programma’s wordt uitgewerkt. Hij noemt specifiek het parkeerbeleid, waarvoor binnenkort een opiniërende ronde gepland staat. Daarin zal worden besproken hoe parkeeroplossingen worden ingevuld en hoe de balans tussen vergroening en parkeerruimte wordt bepaald. De heer Engels (Forum voor Democratie) uit zijn zorgen over de mogelijke ongewenste gevolgen van de energietransitie en vraagt welke juridische en procedurele mogelijkheden er in de toekomst zijn om gemaakte keuzes terug te draaien als ze niet de gewenste effecten opleveren. Hij wijst erop dat dit een thema is met lange termijnbeslissingen en projecten die niet binnen enkele jaren afgerond zijn. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat een omgevingsvisie gebaseerd is op de huidige beschikbare informatie en dat deze in de toekomst kan worden aangepast als ontwikkelingen of nieuwe inzichten daarom vragen.

De visie zelf is geen juridisch bindend instrument voor inwoners of bedrijven, maar de juridische vertaling ervan kan wel gevolgen hebben, zoals bij planschade. Als de wereld verandert, staat het de raad vrij om de visie later te herzien. De heer Engels (Forum voor Democratie) vraagt zich af of er nog ruimte is om op keuzes terug te komen als langlopende projecten eenmaal in gang zijn gezet volgens de omgevingsvisie. Hij verwijst naar de mogelijkheid om de visie na vier jaar te herzien, maar wil weten in hoeverre lopende projecten dan nog bijgestuurd kunnen worden. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de mogelijkheid om op besluiten terug te komen afhangt van het specifieke project en de voortgang ervan. De omgevingsvisie zelf zet geen radicale koerswijziging in, maar bestendigt grotendeels bestaand beleid met enkele bijsturingen. Dit proces blijft doorlopen, en in de toekomst kunnen er opnieuw aanpassingen komen. Echter, zodra de visie in uitvoering gaat, zijn er momenten waarop de gemeente niet zomaar kan terugdraaien, omdat projecten al in gang zijn gezet en andere juridische en praktische overwegingen een rol spelen. De heer Talpe (PIT) vraagt naar de jaarlijkse monitoring van de omgevingsvisie en de rol van de raad daarbij.

Hij wil weten wat deze monitoring inhoudt en hoe de raad betrokken wordt bij de evaluatie en eventuele bijstelling van de programma's.

5

De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de jaarlijkse monitoring bedoeld is om te controleren of de gemaakte keuzes effectief zijn. Indien nodig kan er worden bijgestuurd. Dit monitoringproces moet nog worden opgebouwd, omdat niet alle benodigde data al beschikbaar is. De Omgevingseffectrapportage biedt hiervoor een basis, met relevante informatie en indicatoren die kunnen helpen bij de evaluatie en mogelijke aanpassingen van de omgevingsvisie. De heer Talpe (PIT) vraagt of de monitoring betrekking heeft op de volledige omgevingsvisie of specifiek op programmaniveau wordt ingevuld. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de monitoring voortkomt uit de uitvoering, oftewel de programma's en de projecten die daaruit voortvloeien. De verzamelde data wordt vervolgens geprojecteerd op de doelstellingen uit de omgevingsvisie, waardoor de monitoring door de gehele visie heen zit. De heer Kuburic (GOB) vraagt of het college bekend is met het Nationale Aanvalsplan Landschap en het Deltaplan Biodiversiteitsherstel, en hoe deze plannen invloed hebben op de doelstelling van de gemeente om in 2040 een 10 procent groenblauwe dooradering van het buitengebied te bereiken.

Hij wil weten wat de condities zijn in deze plannen voor de groenblauwe dooradering en wat de gevolgen zijn voor de gemeente als deze plannen worden gekoppeld aan de doelstelling van de omgevingsvisie. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de doelstelling van 10 procent groenblauwe dooradering van het buitengebied in 2040 programmatisch uitgevoerd zal worden via de groenagenda. Hij geeft aan dat dit ook samenhangt met programma's op provinciaal en Rijksniveau, zoals het Nationale Aanvalsplan Landschap en het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Hoewel hij de plannen niet volledig uit zijn hoofd kent, wijst hij erop dat deze programma's op Rijksniveau dynamisch zijn en voortdurend veranderen, bijvoorbeeld in verband met stikstofmaatregelen. De gemeente moet zich aanpassen aan de ontwikkelingen op provinciaal en Rijksniveau. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt naar de toegankelijkheid van de omgevingsvisie en stelt voor om deze via een digitale platform zoals het STOP/TPOD, zoals in Eindhoven, ontsloten te maken. Dit zou de toegang tot ruimtelijk beleid vergemakkelijken, door een duidelijk en overzichtelijk kaartbeeld te bieden, zodat inwoners snel kunnen zien wat er wel of niet mogelijk is zonder door lange documenten te moeten bladeren. Hij vraagt de wethouder of deze aanpak de koers is die het college voor ogen heeft.

De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de reden waarom de omgevingsvisie niet in het STOP/TPOD-systeem wordt gepresenteerd, te maken heeft met technische beperkingen. Bij de publicatie van de ontwerpversie had de gemeente nog geen toegang tot het volledig functionerende digitale stelsel, waardoor de publicatie moest voldoen aan de IMRO-normen volgens de Wet Ruimtelijke Ordening. Omdat de ontwerpversie al op deze manier is gepubliceerd, moet ook de definitieve versie op dezelfde manier gepubliceerd worden. Zodra het systeem volledig operationeel is, kan de omgevingsvisie echter technisch worden omgezet naar het STOP/TPOD-formaat, zonder dat er een nieuw besluit van het college of de raad nodig is. De heer Gorissen geeft aan dat de planning voor deze omzetting nog gedeeld kan worden. De heer Raven (Stadspartij) vraagt naar de juridische betekenis van de omgevingsvisie, specifiek over de aanduidingen in het Lexhybos, zoals de paarse streepjes en symbolen, zoals een duim omhoog. Hij wil weten wat de juridische status van deze aanduidingen is, aangezien de wethouder aangeeft dat de omgevingsvisie geen juridische gevolgen heeft voor de burgers. De heer Raven vraagt zich af welke consequenties de omgevingsvisie dan wel heeft voor de gemeente, als het niet direct van belang is voor de burgers.

De heer Gorissen (ambtelijke organisatie) legt uit dat de omgevingsvisie niet direct juridisch bindend is voor de inwoners. Het heeft geen directe gevolgen voor wat een inwoner of ondernemer doet, maar kan wel dienen als toetsingskader bij het aanvragen van een omgevingsvergunning die afwijkt van het omgevingsplan. Voor de vaststellende overheid is de omgevingsvisie wel bindend, wat betekent dat het

6

college en de raad zich moeten houden aan wat in de visie is vastgesteld. Dit bindende karakter is vergelijkbaar met eerdere structuurvisies onder de WRO. De heer Raven (Stadspartij) vraagt zich af of de vaststelling van de omgevingsvisie juridische consequenties heeft voor de bestemming van grond, bijvoorbeeld in het geval van het Lexhybos-gebied. Hij stelt dat de waarde van grond kan stijgen door de vaststelling van een nieuwe bestemming, zoals het bouwen van een 380 kV-verbinding door de provincie. Als de gemeenteraad de omgevingsvisie vaststelt, kan dit de bestemming van de grond veranderen en de waarde aanzienlijk verhogen, wat een fysieke wijziging van het gebied betekent. Hij maakt hierbij een vergelijking met de huidige lage waarde van bosgrond en de mogelijke stijging naar een veel hogere waarde per vierkante meter. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de omgevingsvisie geen juridische basis biedt voor veranderingen, maar enkel ontwikkelingen voorziet. Functiewijzigingen kunnen alleen plaatsvinden via het omgevingsplan. De omgevingsvisie maakt toekomstige veranderingen wel zichtbaar, maar biedt geen directe rechten.

Voor projecten zoals de bouw bij Chemelot of de 380 kV-locatie moet eerst een wijziging in het omgevingsplan worden doorgevoerd, waarbij de bevoegdheid voor de 380 kV-locatie bij de minister ligt en mogelijk naar de provincie wordt doorgegeven. De heer Renet (SPA) uit zorgen over de bescherming van inwoners en bezoekers tegen veiligheidsrisico's van bedrijven en infrastructuur. Hij benadrukt dat de wereld is veranderd en dat naast safety, security nu ook belangrijk is. Hij vraagt waarom de omgevingsvisie geen activiteiten vermeldt die worden ondernomen om de veiligheid van burgers te waarborgen, zoals het verwijderen van tanks die gevaar kunnen opleveren, bijvoorbeeld bij een drone-aanval. De heer Denissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de omgevingsvisie zich richt op de fysieke leefomgeving en niet op veiligheidsaspecten. Wel bevat de visie keuzes over externe veiligheid, met name waar de milieuruimte van Chemelot begint en eindigt. De heer Renet (SPA) uit zijn verbazing over het antwoord van de heer Denissen, omdat hij veiligheid, en specifiek externe veiligheid, als een van de belangrijkste aspecten van de omgevingsvisie beschouwt. Hij verwacht dat de omgevingsvisie ook maatregelen bevat voor het aanpakken van de grootste veiligheidsrisico’s. De heer Denissen (ambtelijke organisatie) verduidelijkt dat de omgevingsvisie zich richt op de fysieke leefomgeving.

Maatregelen die specifiek gericht zijn op andere veiligheidsaspecten vallen buiten de scope van de omgevingsvisie. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) wijst op de bestuurscultuur en het respect voor burgers, met name in relatie tot een ontmoetingscentrum in Obbicht, waarvoor bewoners jarenlang hebben geknokt. Hij wijst erop dat deze situatie respectloos overkomt, vooral omdat het te maken had met kritiek op het beleid van een grote politieke partij. Hij vraagt zich af hoe de omgevingsvisie ervoor zorgt dat burgerinitiatieven in de toekomst gelijk behandeld worden. De heer Vernaus (ambtelijke ondersteuning) benadrukt het belang van het participatieve proces dat heeft geleid tot de omgevingsvisie. Hij stelt dat het doel is om dit proces voort te zetten, met als uitgangspunt het gelijkwaardig samenwerken met de samenleving. De visie wordt op een gelijkwaardige manier uitgevoerd, waarbij gebiedsgericht wordt gewerkt, met dorpenvisies die parallel aan dit proces zijn gestart. Het doel is om de samenleving meer in de lead te brengen bij het ontwikkelen en realiseren van initiatieven die passen bij de visie. De heer Hoogenberg (VVD) benadrukt het belang van participatie en vraagt naar de reden waarom de dorpsraden, die door het college zelf zijn ingesteld, niet in de lijst van betrokken partijen staan. Hij vraagt zich af of dit nog gecorrigeerd zal worden.

De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat sommige dorpsraden, zoals die van Einighausen en Guttecoven, vanaf het begin intensief betrokken waren bij het proces. Andere dorpsraden werden

7

uitgenodigd, maar kozen ervoor niet actief deel te nemen. Daarnaast stelt hij dat niet elk dorp een dorpsraad heeft. De heer Vernaus (ambtelijke organisatie) geeft aan dat er een samenleving brede overlegstructuur is opgezet, waarbij iedereen die wil meedoen, de mogelijkheid heeft om dat te doen. Er is intensief gecommuniceerd om participatie mogelijk te maken, met gesprekken in de wijken en dorpen. De voorzitter schorst de vergadering voor acht minuten. 1.3 Inspraak door burgers en belanghebbenden (20.32 uur - 23.15uur) De voorzitter heropent de vergadering De heer Paauwe (Stadspartij) uit zijn ongenoegen over het gedrag van de voorzitter tijdens de vergadering. Hij geeft aan dat hij zich gestoord heeft aan het afkappen van vragen van andere raadsleden. Volgens hem hebben alle raadsleden het recht om vragen te stellen en antwoorden te krijgen, aangezien zij gekozen zijn door de burgers van Sittard-Geleen. Hij vindt het onterecht dat de voorzitter bepaalt wanneer een vraag politiek of technisch is en daarmee de mogelijkheid om te antwoorden beperkt. De voorzitter legt uit dat het reglement van orde is vastgesteld door alle raadsleden gezamenlijk, en dat iedereen zich daaraan moet houden. Hij benadrukt dat hij zijn best doet om de vergadering goed te leiden.

De voorzitter geeft aan dat hij ruimte biedt voor beantwoording als een vraag technisch van aard is, maar als het antwoord meer politiek is, het belangrijk is dat de vergadering zich aan de afgesproken spelregels houdt. Hij roept de eerste inspreker op. Inspreker de heer Selten stelt twee vragen. Ten eerste vraagt hij naar de bron van de cijfers die aangeven dat Sittard-Geleen een krimpregio is, omdat hij cijfers van het CBS heeft die wijzen op bevolkingsgroei tot 2035. Ten tweede merkt hij op dat bij woningbouw vaak complete landschappen worden omgewoeld, terwijl er in dorpen kleinere, onbruikbare agrarische terreinen zijn die braak liggen, omdat ze te klein zijn voor agrarisch gebruik. De voorzitter verduidelijkt dat de insprekers hun bijdrage doen, waarna de leden van de ronde vragen kunnen stellen als iets niet duidelijk is. De afspraak is dat de vragen achteraf worden gesteld, nadat de insprekers hun verhaal hebben gedaan. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) pleit voor flexibiliteit in de ronde, zodat de vragen van de burger direct beantwoord kunnen worden. Hij vindt het vreemd als de burger zonder antwoorden naar huis zou moeten gaan. De voorzitter geeft aan bereid te zijn om flexibiliteit te tonen en, indien nodig, buiten de orde de vragen van de burger te beantwoorden. Hij kijkt of de vraag technisch van aard is, zodat het college in die zin kan reageren.

Wethouder Geilen geeft aan dat de vragen wat hem betreft niet technisch van aard zijn. De heer Renet (SPA) vraagt zich af wie antwoord zou moeten geven op de vragen van insprekers, aangezien de raad nog niet over de omgevingsvisie heeft gesproken en er nog geen standpunten zijn. Hij stelt dat de verantwoordelijken voor de omgevingsvisie, die deze presenteren, het antwoord zouden moeten geven. De voorzitter legt uit dat de afspraken over de inrichting van de avond al zijn gemaakt en dat de insprekers hun verhaal mogen doen, waarna de leden van de ronde vragen kunnen stellen. Hij benadrukt dat het niet de bedoeling is dat insprekers direct met het college gaan discussiëren.

8

De heer Talpe (PIT) stelt een tussenoplossing voor, het college kan voorafgaand aan de ronde van volgende week terugkomen op de gestelde vragen. De voorzitter benadrukt dat de vragen technisch van aard moeten zijn. Aangezien er opnames en notulen van de vergadering beschikbaar zijn, kunnen de vragen van de heer Selten daarin worden meegenomen, zodat het college de mogelijkheid heeft om deze te beantwoorden waar mogelijk. De heer Renet (SPA) vraagt of de vragen schriftelijk beantwoord zullen worden. De voorzitter geeft aan dat hij het verzoek aan het college zal doen om, voor zover haalbaar en mogelijk, de gestelde vragen die niet direct in de ronde zijn behandeld, mee te nemen en hierop terug te komen. Mevrouw Joosten (VVD) vraagt verduidelijking aan de inspreker en peilt of hij bedoelt dat braakliggende landbouwgrond in dorpen wellicht geschikt zou kunnen zijn voor woningbouw. De inspreker bevestigt dat dit inderdaad is wat hij bedoelt. De heer Boonen (GOB) stelt voor dat fracties zelf bepalen welke vragen van insprekers zij belangrijk vinden en deze meenemen in hun technische vragen aan het college. Dit voorkomt dat vragen uit de notulen gehaald moeten worden en zorgt ervoor dat alleen relevante vragen worden gesteld. Er wordt besloten dat het zal gebeuren op de manier die de heer Boonen heeft voorgesteld.

Inspreker mevrouw Van Mulken van de Natuur- en Milieufederatie Limburg bekritiseert de omgevingsvisie vanwege een gebrek aan toekomstgericht denken en strijdigheid met de Europese Natuurherstelverordening. Ze benadrukt dat er geen nettoverlies van natuur mag zijn tot 2030 en dat vergroening vanaf 2031 actief gestimuleerd moet worden. De geplande ontwikkelingen zouden echter leiden tot een verlies van meer dan 200 hectare groen, wat niet alleen in strijd is met Europese regelgeving, maar ook de duurzame ambities van de gemeente ondermijnt. Ze roept op om verantwoordelijkheid te nemen, groenbehoud prioriteit te geven en de omgevingsvisie in lijn te brengen met Europese richtlijnen, bijvoorbeeld door amendementen te steunen voor groenblauwe dooradering en basiskwaliteit natuur. De heer Bonten (D66) vraagt of de inspreker verwijst naar een ingediende zienswijze als zij het heeft over een amendement en of zij deze als amendement in de omgevingsvisie wil terugzien. De inspreker antwoord bevestigend. De heer Renet (SPA) vraagt of er is onderzocht hoeveel compensatie in de omgevingsvisie is opgenomen. De inspreker geeft aan dat zij dat op dit moment niet is nagegaan. De heer Renet (SPA) geeft aan dat hij deze vraag graag technisch beantwoord zou zien door het college.

Inspreker de heer Steeghs van de werkgroep Kingbeek van het IVN Land van Swentibold spreekt zich uit tegen ontgronden van het Graetheide gebied en vraagt om dit in de omgevingsvisie vast te leggen als ongewenst. De bezwaren zijn gebaseerd op wetenschappelijke kennis, waarnemingen en rapporten. Het gebied rond de Kingbeek is ecologisch waardevol door de zeldzame flora en fauna, waaronder kwetsbare macrofauna. De Kingbeek heeft de provinciale kwalificatie van natuurbeek en vereist bijzondere bescherming. Ontgronden zou de waterhoeveelheid en -temperatuur in de beek negatief beïnvloeden, wat schadelijk is voor de kwetsbare soorten. Het ontgronden zou het infiltratiegebied voor het grondwater verminderen en de watertemperatuur verhogen, wat onomkeerbare schade aan de macrofauna kan veroorzaken.

9

Mevrouw Joosten (VVD) vraagt om verduidelijking over de opmerking van de inspreker over de Kingbeek, waarin wordt gesproken over een minimaal gebied met minimale infiltratie. Ze wil weten wat precies bedoeld wordt met deze term. De inspreker verduidelijkt dat infiltratie verwijst naar neerslag die in de ondergrond wegzinkt en uiteindelijk in het grondwater terechtkomt. Minder gebied zou nadelige gevolgen hebben voor de macrofauna, omdat een lagere waterstroom schadelijk is voor het ecosysteem. De heer Renet (SPA) vraagt of er wettelijke bescherming is voor de Kingbeek, bijvoorbeeld door plannen die door het provinciebestuur zijn aangenomen of door natuurwetten. Hij wil weten of dit is meegenomen in het L’Ortye-rapport en wat de uitkomst van de beoordeling was. De inspreker legt uit dat het L’Ortye-rapport de punten die hij heeft genoemd heeft onderschreven, maar dat het rapport twee vage alternatieven biedt voor ontgrinden. Het rapport besluit wel dat er niet ontgrind zal worden onder het grondwaterniveau om plassen in het gebied te voorkomen. Wat betreft wettelijke bescherming, noemt de inspreker dat er weinig bescherming is, behalve voor de bever, die echter niet in gebied mag komen.

De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt zich af wat het waterschap vindt van de kwesties die door de inspreker zijn aangekaart, vooral met betrekking tot de bescherming van het Kingbeek-gebied en de mogelijke effecten van ontgronden. De inspreker legt uit dat het waterschap verantwoordelijk is voor het onderhoud van de Kingbeek en het uitvoeren van het beverbeleid, maar dat de bewoners niet altijd tevreden zijn over de uitvoering. De Kingbeek is een van de vele beken die het waterschap beheert, en de inspreker benadrukt dat ze graag meer aandacht zouden zien voor dit specifieke gebied. Inspreker de heer Geelen van de Samenwerkende Natuurorganisaties Sittard-Geleen roept de gemeenteraad op om in de omgevingsvisie concrete en meetbare doelstellingen voor ecologische veerkracht op te nemen. Hij verwijst naar adviezen van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur en de commissie Mer, die wijzen op de achterstand van Sittard-Geleen in vergelijking met landelijke richtlijnen en andere gemeenten, vooral in de kwaliteit van het openbaar groen. Hij vraagt om de basiskwaliteit natuur als ambitie te versterken, met de doelstelling om in 2040 ten minste dat niveau te bereiken. Daarnaast pleit hij voor het opnemen van 10 procent groenblauwe dooradering in de visie, zoals in het Nationale Aanvalsplan Landschap.

Hij wijst ook op de mogelijkheid om 27 hectare natuur te herstellen op het Yard-E-terrein, door het gebied een natuurbestemming te geven, als compensatie voor de kap van het Sterrebos. De heer Bonten (D66) vraagt aan de inspreker of zijn oproep overeenkomt met het amendement dat de mevrouw van de Natuur- en Milieufederatie Limburg eerder had voorgesteld, en of dit gezamenlijk is. De inspreker geeft aan dat, hoewel ze niet gezamenlijk de zienswijze hebben ingediend, er wel overleg heeft plaatsgevonden en dat dit punt voor hen een van de belangrijkste aanpassingen is die moet worden doorgevoerd. De heer Bonten (D66) merkt op dat in de omgevingsvisie op pagina 91 staat dat de biodiversiteit in stedelijke gebieden en dorpen in 2040 naar 100 procent basiskwaliteit natuur moet worden versterkt. Echter, hij wijst erop dat daar een andere definitie van basiskwaliteit natuur wordt gebruikt. De inspreker bevestigt dat in de eerste concept omgevingsvisie het begrip 100 procent basiskwaliteit natuur vaker werd gebruikt, maar later aangepast. Hij vindt die aanpassing niet verkeerd, maar benadrukt dat basiskwaliteit natuur een minimumniveau is dat behaald moet worden. In het landelijke gebied wordt gestreefd naar minimaal basiskwaliteit natuur, maar idealiter zou men verder willen gaan.

De inspreker bevestigt dat de normen voor basiskwaliteit natuur landelijk zijn vastgelegd en dat deze normen het doel zijn waar men naar moet streven.

10

De heer Engels (Forum voor Democratie) vraagt om meer toelichting op de zorgen over de achteruitgang van de natuurkwaliteit in de gemeente. Hij wil weten waaruit blijkt dat de natuurkwaliteit achteruitgaat en wat de voornaamste redenen hiervan zijn. De inspreker legt uit dat de achteruitgang van de natuurkwaliteit blijkt uit de gegevens van de gemeente zelf. Het document Foto van de leefomgeving toont aan dat de hoeveelheid groen in de gemeente, zowel als percentage van de totale oppervlakte als per inwoner, aanzienlijk lager is dan de nationale richtlijnen en de cijfers van omliggende gebieden. Ook de hoeveelheid beschermde natuur ligt lager dan gewenst. Dit wijst op zowel een tekort aan kwaliteit als hoeveelheid groen in Sittard-Geleen. De heer Bonten (D66) vult aan dat dit effect ook terug te lezen is in de omgevingseffectrapportage. Inspreker mevrouw Mergelsberg van Vrienden van de Schwienswei benadrukt in haar betoog het belang van het ESCS-terrein voor de ecologische corridors in de regio. Ze stelt dat het terrein moet worden toegevoegd aan de Schwienswei om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen. De gemeente heeft de zienswijze van de natuurorganisaties afgewezen met de verwijzing naar een raadsbesluit van juli 2023, waarin gesteld wordt dat een vierseizoenenonderzoek uitgevoerd moet worden voordat er plannen voor het gebied kunnen worden gemaakt.

Dit onderzoek is echter nog niet uitgevoerd, waardoor de basis voor de afwijzing vervalt. Het gebied speelt een cruciale rol in het verbinden van Natura 2000-gebieden en zonder intacte ecologische corridors kunnen diersoorten geïsoleerd raken, wat leidt tot genetische verzwakking en uitsterving. De inspreker pleit ervoor om het ESCS-terrein juridisch toe te voegen aan de Schwienswei om de ecologische functie en de biodiversiteit te behouden. Inspreker mevrouw Van Rijnsbergen van Wij Schwienswei pleit voor het behoud en de vergroting van groene ruimte in Sittard-Geleen. Ze benadrukt dat de gemeente geen tijd of ruimte meer heeft om groen te verliezen, gezien de voorgestelde ontwikkelingen rond locaties zoals de ESCS-locatie, de Yard en de Lexhy, die samen 150 hectare groene ruimte zouden kosten. Ze roept de raad op om deze ontwikkelingen te stoppen en in plaats daarvan te investeren in de vergroting van de groene leefomgeving voor huidige en toekomstige generaties. Daarnaast uit ze kritiek op het participatieproces rondom de omgevingsvisie, waarbij de inspraak van inwoners niet goed zichtbaar is in het uiteindelijke plan. Ze benadrukt dat participatie serieus genomen moet worden, niet alleen in woorden, maar ook in daden. Inspreker de heer Muijtjens brengt namens het Graetheide Comité vier punten naar voren waarin hij wijzigingsvoorstellen voor de omgevingsvisie vraagt.

Ten eerste pleit hij ervoor om in de omgevingsvisie vast te leggen dat grindwinning op Graetheide ongewenst is. Tijdens het participatieproces hebben zowel burgers als maatschappelijke organisaties grote bezwaren geuit tegen deze plannen. De inspreker wijst op een motie van de gemeenteraad van 13 november, die in de goede richting wijst, maar stelt dat het college niets doet met deze inbreng. Hij vindt het belangrijk dat dit punt wordt opgenomen in de omgevingsvisie, aangezien dit een juridisch belangrijk document is en het ook als signaal naar de provincie dient. Daarnaast spreekt de inspreker zijn bezorgdheid uit over het behoud van het Lexhybos. In de omgevingsvisie wordt de mogelijkheid genoemd om bomen aan de randen van het bos te kappen, maar hij pleit ervoor om het Lexhybos volledig te beschermen, gezien de ecologische waarde van het gebied. Hij vraagt de gemeenteraad om dit in een amendement vast te leggen en daarmee een duidelijk kader te bieden voor ontwikkelaars. Het derde punt betreft de uitbreiding van de Chemelot campus naar het Lexhygebied, waar volgens de omgevingsvisie ruimte zou moeten zijn voor productiebedrijven. De inspreker vindt dit niet wenselijk, aangezien het de natuur van het Lexhybos bedreigt. Hij verzoekt de raad om geen productiebedrijven op de Lexhy toe te staan, om het bos in zijn huidige staat te behouden.

Ten slotte merkt hij op dat het BCI-rapport uit 2017, dat als basis dient voor de plannen rondom de Chemelot campus, inmiddels verouderd is. Er zijn nieuwe ontwikkelingen, zoals de komst van een TenneT station, en de situatie is niet langer zoals het rapport het schetst. Daarom roept hij de raad op om samen met de provincie en de gemeente een nieuwe studie te doen naar de ruimtebehoefte en de meest geschikte locaties voor de campusuitbreiding.

11

De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) vraagt waarom het belangrijk is om een duidelijke tekst tegen grindwinning op te nemen in de omgevingsvisie, gezien de recente raadsbeslissing om zich tegen grindwinning uit te spreken? Verder vraagt hij om verduidelijking over de noodzaak van het onderzoek naar de ruimtebehoefte op de Chemelot campus. De inspreker legt uit dat het belangrijk is om in de omgevingsvisie duidelijk vast te leggen of grindwinning al dan niet toegestaan wordt, omdat dit voorkomt dat grote delen van groen gebied verloren gaan door grindwinning, wat gepaard gaat met overlast. Door dit vast te leggen, geeft de gemeente een politiek signaal af naar de provincie, wat belangrijk is voor de afweging van de provincie. Als de provincie later een vergunning overweegt, kan de gemeente een zienswijze indienen en zo haar belangen beschermen. Daarnaast bespreekt de inspreker de ruimtebehoefte op de Chemelot locatie. Hij stelt dat er op de huidige locatie geen ruimtegebrek is, omdat het BCI-rapport uit 2017 geen rekening hield met de plannen om delen van het Lexhybos te kappen. Ook merkt hij op dat er veel ruimte op het terrein wordt gebruikt voor gelijkvloers parkeren, wat volgens hem geen noodzakelijke keuze is. Door ruimte efficiënter in te richten, kan er meer ruimte ontstaan zonder groen op te offeren.

De heer Renet (SPA) stelt dat het BCI-rapport, dat hij goed kent, een afweging maakt die voornamelijk economisch gericht is, waarbij milieukwesties slechts een kleine rol spelen. Hij benadrukt dat de omgevingsvisie geen rekening heeft gehouden met de motie die is aangenomen. Hij geeft aan dat dit raadsbesluit moet worden opgenomen in de omgevingsvisie. Volgens de heer Renet is dit geen kwestie die een amendement vereist, maar moet de ambtelijke tekst worden aangepast om het raadsbesluit correct weer te geven. Hij wijst erop dat het BCI-rapport niet over productiebedrijven spreekt, maar over proeffabrieken, en vraagt of dit correct is. De inspreker benadrukt dat ambtelijke aanpassingen niet meer mogelijk zijn, omdat de zienswijzen al zijn ingediend en verwerkt in een collegebesluit. Hij stelt dat een motie geen rechtskracht heeft, terwijl een amendement in de omgevingsvisie wel een bindend effect heeft. Daarom is het volgens hem noodzakelijk om wijzigingen via een amendement vast te leggen. Over het BCI-rapport legt hij uit dat de ruimtebehoefte voor research and development op de bestaande Chemelot-site past. Voor pilot plants en productiebedrijven is echter extra ruimte nodig, deels op de Lexhy. In een laag groeiscenario gaat het om 13 hectare en in een hoog scenario om 35 hectare.

Daarnaast zijn er plannen voor een elektrolyser van 20 hectare en een converter van 7,5 hectare, evenals verdere energieontwikkelingen rond het 380 kV-station. Dit betekent dat de volledige beschikbare ruimte op de Lexhy wordt benut en er geen plek overblijft voor een campus. Hierdoor dreigt 100 hectare open groen gebied te verdwijnen. De inspreker benadrukt dat zijn comité zich niet verzet tegen alle ontwikkelingen, omdat sommige bijdragen aan de energietransitie. Wel pleit hij voor groencompensatie en natuurontwikkeling tussen het Lexhybos en het oude station. De heer Renet (SPA) is het eens met de noodzaak om het rapport te actualiseren. Hij vraagt het college om inzicht te geven in hoeveel ruimte op Chemelot vrijkomt als bedrijven uit lagere milieucategorieën plaatsmaken. Dit helpt om beter te bepalen waar ruimte beschikbaar is en welke keuzes nodig zijn. Daarnaast benadrukt hij het belang van gerichte afwegingen, niet alles hoeft op Chemelot geconcentreerd te worden. Hij vraagt specifiek of het 380 kV-station noodzakelijk is voor heel ZuidLimburg of vooral voor Chemelot. Verder wil hij weten hoeveel energie Zuid-Limburg (exclusief Chemelot) nodig heeft en of een 150 kV-station daarvoor voldoende zou zijn. De inspreker geeft aan dat zowel het 380 kV- als het 150 kV-station essentieel zijn voor heel ZuidLimburg.

Hoewel DSM en Chemelot grote energieafnemers zijn, is de infrastructuur niet uitsluitend voor hen bedoeld. Hij verwijst naar de documenten van TenneT, waaruit blijkt dat deze stations noodzakelijk zijn voor de gehele regio. Aanvankelijk is onderzocht of het station op de huidige site van Chemelot kon worden geplaatst, maar dat bleek niet haalbaar. De provincie heeft al besloten dat er geen 30 hectare aansluitende ruimte beschikbaar is en dat veiligheidsoverwegingen een rol spelen.

12

TenneT organiseert eind maart een informatieavond om te bepalen waar op de Lexhy het station het beste kan komen. De heer Pi Van de Venne (D66) vraagt hoe de gemeenteraad invloed kan uitoefenen op de parkeerplekken bij Chemelot, aangezien de provincie daar het bevoegde gezag is. Hij wil weten hoe de inspreker dit concreet voor zich ziet. De inspreker stelt voor dat de gemeenteraad samen met het college optrekt om invloed uit te oefenen op de parkeerproblematiek bij Chemelot, ondanks dat de provincie bevoegd is voor vergunningen. Hij wijst op de nauwe samenwerking tussen de gemeente en Chemelot, waarbij vier keer per jaar overleg plaatsvindt. Dit biedt volgens hem een kans om het onderwerp bespreekbaar te maken. Daarnaast pleit hij voor een openbare grondboekhouding van het Chemelot-terrein. Dit zou jaarlijks inzicht moeten geven in het grondgebruik, hoeveel ruimte bezet is, hoeveel vrij is, en hoe grond wordt besteed aan bijvoorbeeld parkeren. Dit zou de gemeenteraad in staat stellen de ontwikkelingen te monitoren en strategisch mee te denken over toekomstige ruimtelijke indelingen. Hij benadrukt dat er geen tegenstrijdige belangen zouden moeten zijn tussen de gemeente en de provincie, aangezien beiden streven naar het beste voor de inwoners.

Inspreker de heer Thuis spreekt namens de begeleidingsgroep Omgevingsvisie en richt zich op het proces rondom de totstandkoming van deze visie. Hij benadrukt dat hij in 2022 werd gevraagd om deel te nemen, wat hem verraste vanwege zijn kritische houding ten opzichte van de gemeentelijke besluitvorming. Toch waardeerde hij de kans om achter de schermen mee te kijken en was hij positief verrast over het proces. Hij prijst de brede betrokkenheid van inwoners, instellingen, verenigingen en organisaties. Er zijn tal van bijeenkomsten georganiseerd, variërend van scholen tot cafés, en verschillende omgevings- en expositievarianten zijn gepresenteerd om inwoners te informeren en hun mening te vragen. Volgens hem is dit een sterk participatieproces geweest. Wel waarschuwt hij voor een veelvoorkomende valkuil van participatie, luisteren betekent niet per se dat alles wordt overgenomen. De gemeenteraad maakt uiteindelijk de afwegingen en beslissingen op basis van de voorstellen van het college. Het kan dus voorkomen dat actieve deelnemers hun standpunten niet terugzien in de uiteindelijke visie. Hij hoopt dat raadsleden zorgvuldig nagaan in hoeverre bepaalde opvattingen breed gedragen worden. Tot slot pleit hij voor een voortzetting van dit soort participatieprocessen, met een eerlijke communicatie naar inwoners.

De raad moet blijven luisteren en ophalen wat burgers willen, maar uiteindelijk is het de politiek die de definitieve keuzes maakt. De heer Habets (PIT) begrijpt dat niet alle reacties uit de participatie kunnen worden verwerkt, maar vraagt zich af of deze reacties wel voldoende in beeld zijn gebracht. Aangezien de raad straks een besluit moet nemen, wil hij weten of alle inbreng voldoende is terug te vinden in de stukken of dat dit mogelijk onvoldoende naar voren komt. De inspreker geeft aan dat alle inspraakreacties en participatie-input zijn opgenomen in de stukken die tijdens het proces naar de omgevingsvisie zijn geproduceerd. Echter, in het uiteindelijke voorstel aan de raad zijn niet alle individuele reacties opgenomen, omdat het college hierin een voorkeuze heeft gemaakt. Hij erkent dat het onmogelijk is om iedereen te bereiken en dat er altijd inwoners zullen zijn die pas later reageren. Desondanks vindt hij dat er uitzonderlijk veel moeite is gedaan om inwoners te betrekken en ziet hij dat als een positieve ontwikkeling. Inspreker de heer Inja van Red het Lexhybos benadrukt zijn betrokkenheid bij natuurbescherming en verwijst naar zijn eerdere actie in het Sterrebos. Hij spreekt zijn zorgen uit over de voortdurende aantasting van natuurgebieden en stelt dat Nederland stukje bij beetje wordt volgebouwd.

Volgens hem spelen kleine bosgebieden zoals het Lexhybos een cruciale rol in het behoud van biodiversiteit en de leefbaarheid van de aarde. Hij roept de raad op om het Lexhybos volledig te beschermen en waarschuwt dat hij, indien nodig, opnieuw in actie zal komen.

13

Inspreker de heer Verstaen uit zijn bezorgdheid over de omgevingsvisie, waarbij hij stelt dat ecologische belangen onvoldoende worden belicht. Hij pleit voor het beschermen van het Yard, een gebied nabij Sittard, dat momenteel eigendom is van VDL maar niet meer voor industriële doeleinden wordt gebruikt. De inspreker suggereert dat VDL dit terrein kan verkopen voor natuurontwikkeling in plaats van voor industrieel gebruik. Hij stelt voor om het gebied onderdeel te maken van een ecologische verbindingszone, wat zou bijdragen aan de verbinding van natuurgebieden zoals het Sterrebos en het Limbrichterbos. Ook stelt hij voor om de gemeente de verantwoordelijkheid voor dit gebied terug te geven, door een grenscorrectie aan te vragen, zodat het weer onder Echt-Susteren valt. Inspreker de heer Salden maakt zich zorgen over de aantasting van de natuur en de leefomgeving van Nieuwstadt door de uitbreiding van bedrijvigheid en infrastructuur, zoals de aanleg van de N297 en de uitbreiding van VDL. Hij noemt de oostzijde van het dorp, die nu lijdt onder verkeerslawaai, en de westzijde, die is aangetast door de bouw van grote loodsen en het kappen van het Sterrebos. De inspreker is fel tegen de plannen om het gebied waar de Yard was gepland om te vormen tot bedrijventerrein.

In plaats daarvan ziet hij kansen voor natuurherstel, door het gebied om te vormen tot natuurgebied dat een ecologische meerwaarde zou bieden en bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van mens en dier. Dit zou ook passen bij het herstel van het landschapspark, dat onderdeel is van de natuurcompensatie in de regio. De voorzitter schorst de vergadering voor vijf minuten. De voorzitter heropent de vergadering. Inspreker de heer Janssen, vertegenwoordiger van de maatschap Janssen-Rutten, bespreekt de toekomst van zijn agrarisch bedrijf en de plannen voor de Lahrstraat in de omgevingsvisie. Hij geeft aan dat zijn bedrijf al 25 jaar in gesprek is met de gemeente om het te verplaatsen naar het buitengebied, aangezien de huidige locatie niet toekomstbestendig is. Verschillende locaties zijn onderzocht, maar na meerdere gesprekken en onderzoeken is de gemeente uiteindelijk teruggekomen op de locatie Lahrstraat. In 2021 heeft de gemeente opdracht gegeven om plannen uit te werken voor het gebied van de voormalige steenfabriek Sint Rosa, wat heeft geleid tot drie opties, waarvan één het nieuw vestigen van het bedrijf op het terrein van de familie Janssen betreft. De familie heeft 13 hectare grond in eigendom achter de steenfabriek, waarvan een deel industriële bestemming heeft.

Bij nieuwvestiging willen zij een deel van het terrein omvormen tot natuurbestemming, wat de groene wig zou vergroten en verbeteren. De inspreker vraagt de raad om de nieuwvestiging van het bedrijf en de vergroting van de groene wig op te nemen in de omgevingsvisie, zodat dit kan worden gerealiseerd in samenspraak met de gemeente en grondeigenaren. De heer Talpe (PIT) reageert op de zienswijze die door de heer Janssen is ingediend. Hij wijst erop dat in de reactie van het college wordt aangegeven dat er op dit moment onderzocht wordt of een agrarische functie in het gebied van de groene wig Sint Rosa mogelijk is. Het college stelt dat het nu te vroeg is om hierover een specifieke passage in de omgevingsvisie op te nemen. De inspreker benadrukt dat er in 2015-2016 samen met de provincie al twee locaties, ESCS en Lahrstraat, volledig zijn uitgewerkt. Beide locaties werden toen geschikt bevonden, maar uiteindelijk werd gekozen voor het ESCS-terrein. Hij wijst erop dat de gemeente destijds nog geen eigendom had van de voormalige steenfabriek, wat de besluitvorming beïnvloedde. Nu, met de recente ontwikkelingen zoals de aankoop van de terreinen door de gemeente en de sloop van het bejaardenhuis Kollenberg, liggen er nieuwe plannen voor dit gebied.

Inspreker mevrouw Berends uit haar bezorgdheid over de omgevingsvisie, met name over de implicaties van meer digitale verbindingen en 5G-masten. Ze maakt zich zorgen over gezondheidsrisico's door straling, verwijzend naar symptomen zoals vermoeidheid, hoofdpijn en duizeligheid, die zij aan straling toeschrijft. Ook uit ze haar bezorgdheid over plannen zoals de 15-minutensteden, die volgens haar deel uitmaken van een groter plan dat afkomstig zou zijn van het World Economic Forum, met de gedachte dat deze ontwikkelingen leiden naar een gecontroleerde, communistische samenleving. Ze roept op tot

14

waakzaamheid en stelt dat de gemeenteraad zich niet bewust is van wat er echt achter dit plan schuilgaat. Inspreker mevrouw Van den Berg uit haar zorgen over de omgevingsvisie, met name de wijze waarop deze tot stand is gekomen. Ze stelt vragen over de invloed van de Power of Voices-regeling, opgezet door voormalig minister Sigrid Kaag, die volgens haar gebruikt werd voor het beïnvloeden van beleidsdoelen en publieke opinie door middel van gesubsidieerde maatschappelijke organisaties. Ze vraagt zich af of de omgevingsvisie beïnvloed is door deze regeling, aangezien de gemeente de SDG's uitvoerig toepast. Daarnaast uit ze bezorgdheid over de mate van inspraak die inwoners hebben gehad in het proces, gezien het gebrek aan reacties op kritische vragen. De heer Renet (SPA) vraagt aan de inspreker of ze aanwijzingen of bewijzen heeft voor haar bewering dat de omgevingsvisie beïnvloed zou zijn door de Power of Voices-regeling. Hij benadrukt dat, als dit het geval is, het belangrijk is dat dergelijke feiten kenbaar worden gemaakt, zeker in de politieke setting waarin de discussie plaatsvindt. De inspreker suggereert dat de heer Renet zelf de Power of Voices-regeling kan opzoeken op het internet, waar alle informatie beschikbaar is. Ze geeft aan dat ze hier op terug kan komen als hij dit wenst.

Inspreker de heer Alberti, regio-bestuurslid van de LLTB, uit zijn zorgen over de gevolgen van de ontwikkelingen in de omgevingsvisie, met name de verbreding van de A2, de energietransitie, en andere uitbreidingen, die samen zo'n 230 hectare landbouwgrond in de gemeente Sittard-Geleen beïnvloeden. Hij stelt dat deze ontwikkelingen ruim 10 procent van het beschikbare landbouwgebied in de gemeente beslaan, wat in strijd zou zijn met de visie van zuinig omgaan met landbouwgrond. De inspreker waarschuwt dat hierdoor veel landbouwbedrijven mogelijk verdwijnen, wat kan leiden tot verlies van lokale voedselproductie. Hij pleit voor een strategische keuze om landbouw en tuinbouw te behouden als producenten van voedsel, groen en energie, en vraagt de gemeenteraad om het komende jaar met elkaar in gesprek te gaan over de lokale en regionale voedselzekerheid. De heer Renet (SPA) vraagt waar compensatie voor de 230 hectare landbouwgrond die verandert van functie, en het verlies van veel landbouwgrond, zou kunnen plaatsvinden, aangezien er vaak wordt gesproken over compensatie, maar zonder duidelijke invulling. De inspreker wijst erop dat compensatie, bijvoorbeeld voor het verlies van landbouwgrond door projecten zoals het 380 kV-station (waarbij 30 hectare natuur gecompenseerd moet worden), nog niet volledig is berekend.

Hij benadrukt dat het verlies van landbouwgrond, door verschillende projecten, meer dan 15 procent van de beschikbare landbouwgrond in de gemeente kan zijn. Hij vindt dat niet zuinig omgaan met landbouwgrond en beschouwt het als verspilling, ondanks de intentie om zuinig met de grond om te gaan volgens het rapport. Inspreker de heer Hendriks uit zijn zorgen over de toekomst van Sittard, met name over de effecten van industrie en de uitbreiding van nieuwe ondernemingen. Hij pleit ervoor om oude industrieterreinen en leegstaande panden te vernieuwen in plaats van uit te breiden. Daarnaast bekritiseert hij de plannen voor de 15-minuten stad en de controle over burgers, waaronder de plaatsing van camera’s, QR-codes en stralingskasten. Hij wijst ook op de problematiek van chemtrails en de negatieve effecten op de gezondheid. Verder uit hij bezorgdheid over de behandeling van asielzoekers, bezuinigingen op de landbouw, en de vaccinatiecampagnes. De inspreker roept de gemeente op om meer oog te hebben voor de zorgen van de eigen burgers en hun welzijn. Inspreker mevrouw Verjans uit haar bezorgdheid over de omgevingsvisie en de richting die de samenleving op lijkt te gaan. Ze legt de nadruk op het belang van vrijheid en gezondheid, vooral voor haar kinderen en toekomstige generaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=dd293b1b-3289-444c-aea6-7fa722d46713