Notulen Ronde Raadszaal 5 februari 2026
Tekst van het document
Ze benadrukt dat de raad primair verantwoordelijkheid heeft voor haar eigen inwoners en dat regionale afstemming niet mag worden gebruikt als reden om te wachten met acties die voor de inwoners noodzakelijk zijn.
17
De heer Kuburic (GOB) benadrukt dat er niet passief wordt afgewacht op andere gemeenten. Volgens hem is het onderzoek al in gang gezet en loopt dit al in juni. Daarnaast geeft hij aan dat er al regionale afstemming plaatsvindt met de buurgemeenten, en dat de periode tot juni relatief kort is, waardoor er geen lange vertraging optreedt. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat ingrijpen in de toewijzing van woningen niet zomaar kan, omdat de vrijheid van vestiging het hoogste goed is. Hij benadrukt dat een discussie over voorrang bij toewijzing breder kan zijn dan alleen eigen inwoners, bijvoorbeeld ook voor essentiële beroepen zoals zorgmedewerkers. Desondanks pleit hij ervoor eerst de resultaten van het lopende onderzoek af te wachten, dat in juni wordt gepresenteerd, zodat de discussie op basis van feiten kan plaatsvinden en niet op speculatie. De heer Talpe (PIT) sluit hierbij aan en geeft aan dat hij geen exacte definitie van schaarste heeft, maar dat het belangrijk is te wachten op het onderzoek dat in juni beschikbaar komt. Dan kan worden gekeken welke conclusies gedeeld worden en of bijsturing nodig is. Hij stelt dat een discussie nu nog speculatief zou zijn en vraagt zich af welke bezwaren er zouden zijn om dit punt pas in juni, op basis van het onderzoek, verder te behandelen.
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan dat het wachten op het schaarsteonderzoek tot juni op zich geen bezwaar is, mits daarna direct overgegaan kan worden tot het vaststellen van een huisvestingsverordening en een eventuele voorrangsregeling. Ze benadrukt echter dat een onderzoek sterk afhankelijk is van de vraagstelling. Alleen het vaststellen van schaarste is onvoldoende. Ze pleit ervoor dat de raad samen met het college concreet bepaalt welke vragen relevant zijn, zoals het aandeel toewijzingen zonder urgentie en het aantal doorstromers, zodat het onderzoek een duidelijk beeld geeft van de daadwerkelijke woningbehoefte in de gemeente. Ze suggereert dat hiervoor mogelijk een aparte vergadering moet worden gepland om de vraagstelling gezamenlijk te formuleren. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat het eerst duidelijk moet zijn welke onderzoeksvraag ten grondslag ligt aan het schaarsteonderzoek en dat dit opgevraagd kan worden om transparantie te waarborgen. Vervolgens kan, wanneer de resultaten in juni beschikbaar zijn, de raad het onderzoek analyseren en beoordelen in hoeverre het bruikbaar is voor de discussie over woningtoewijzing. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat het wachten op het schaarsteonderzoek alles op de lange baan schuift. Eerst moet er gedebatteerd worden over de uitkomsten, daarna moet het college de uitvoering oppakken, wat maanden kan duren.
Ze vraagt zich af wat ertegen is om alvast richting te geven aan het onderzoek en wil weten of het mogelijk is om specifieke vragen vooraf mee te geven, zodat het onderzoek concreter en bruikbaarder wordt voor de raad. De heer Talpe (PIT) benadrukt dat hij meer waarde hecht aan een zorgvuldig en gedegen schaarsteonderzoek dan aan snelheid. Hij vindt dat het beter is te wachten op het onderzoek in juni om op basis daarvan een weloverwogen besluit te nemen over de verordening, waarbij zorgvuldigheid een hogere prioriteit heeft dan haast. Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) wijst erop dat uit de analyse van huurderscijfers blijkt dat wachttijden vooral bij eengezinswoningen spelen, terwijl andere groepen vaak geen wachtlijstprobleem hebben. Ze vindt het vreemd dat mensen met zorgbehoefte of bewoners van sloopwoningen niet standaard voorrang krijgen, omdat ook zij een woning nodig hebben. Ze benadrukt dat dit onrechtvaardig en onwenselijk is. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat ze nooit heeft gezegd dat mensen met sloopwoningen of medische urgentie geen voorrang zouden moeten krijgen. Ze legt uit dat ze het percentage van 22,9 procent gebruikte om te illustreren dat het aantal reguliere toewijzingen laag is, ondanks dat 67 procent van de woningen wordt toegewezen.
Ze stelt dat de resterende woningen eerlijk kunnen worden verdeeld: eerst mensen met urgente categorieën (medische urgentie, sloopwoningen, sociale urgentie) en de overige woningen eventueel voor mensen met lokale of economische binding.
18
De heer Klein (Lokaal SGB) benadrukt dat bij de regionale afstemming van woningvraagstukken gemeenten zoals Echt-Susteren niet meegenomen worden, terwijl deze voor Sittard-Geleen veel relevanter zouden zijn dan bijvoorbeeld Vaals of andere gemeenten. Hij geeft aan dat dit een punt is dat onder de aandacht moet worden gebracht, omdat de afstemming en de vraagstelling van het onderzoek de uitkomsten kunnen beïnvloeden. Daarnaast verwijst hij naar eerdere ervaringen waarbij de uitkomst van een onderzoek bepaald wordt door de vraagstelling, en benadrukt hij dat de raad hier vooraf bij betrokken moet worden om beïnvloeding te voorkomen. Hij gaat verder in op het onderwerp van woningtoewijzing voor mensen in essentiële beroepen, zoals zorgmedewerkers. Hij wijst op een motie die in november eerder door de raad werd aangenomen om het stimuleren van essentiële beroepen te ondersteunen, maar die door het college werd afgekeurd. Kort daarna werd er volgens hem toch achter de schermen contact gezocht met andere instanties over dit onderwerp, wat hij als niet respectvol richting de raad beschouwt. Tot slot roept hij de wethouder op om in de verdere uitwerking van de regionale afstemming en bij het onderzoek meer betrokkenheid van de raad te waarborgen en om actiever te zijn in de uitvoering van dergelijke besluiten, zodat de belangen van de inwoners en de raad beter worden meegenomen.
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) merkt op dat ze aan het begin van de vergadering een vraag aan alle partijen had gesteld over het formuleren van concrete onderzoeksvragen, maar dat niet iedereen hierop is ingegaan. Ze benadrukt dat dit relevant is voor de verdere voortgang van de raadsvergadering. Omdat ze constateert dat het huidige voorstel waarschijnlijk geen meerderheid zal halen, overweegt ze een motie in te dienen. In die motie wil ze het college vragen om vooraf concrete, objectieve en technische vragen voor te leggen aan het onderzoeksbureau, zodat de uitkomsten van het schaarsteonderzoek beter aansluiten bij de vragen die de raad relevant vindt. Ze geeft aan dat ze de andere partijen wil peilen over hun steun voor deze aanpak, omdat ze anders veel tijd zou investeren in een voorstel dat mogelijk geen draagvlak heeft. De voorzitter vraagt mevrouw Lotfy te verduidelijken of ze het initiatiefvoorstel wil handhaven of terugtrekken, zodat er duidelijkheid is over de vervolgstappen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan dat ze het Reglement van Orde niet volledig paraat heeft en nog moet nagaan of ze het initiatiefvoorstel kan amenderen of dat het via een motie moet gebeuren.
Ze benadrukt dat ze in de raadsvergadering in ieder geval wil stemmen over het voorstel om zo richting te geven aan het college welke vragen beantwoord moeten worden om schaarste te kunnen beoordelen. De voorzitter adviseert mevrouw Lotfy om eerst met de griffie te overleggen over de procedure. Hij legt uit dat als het voorstel wordt omgezet in een motie, het formeel een ander instrument wordt en dat er dan andere regels gelden. Hij vraagt zich af of de fracties al kunnen reageren op iets dat nog niet volledig is uitgewerkt. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat het zeker mogelijk is om het college op voorhand richting mee te geven richting juni, waarbij de raadsvergadering dan ook kan horen in hoeverre dit praktisch uitvoerbaar is. Hij suggereert dat mevrouw Lotfy eventueel een amendement kan maken op haar eigen initiatiefvoorstel om dit formeel vast te leggen. De heer Schlössels (CDA) geeft aan dat het verstandig is om de kwestie eerst met de griffie en de fractie te overleggen. Hij merkt op dat het voorstel op 5 maart behandeld zal worden, terwijl de verordening pas enkele maanden later, in juni, opnieuw aan de orde komt. Hij benadrukt dat het belangrijk is eerst alle informatie, cijfers, de verordening en eventuele juridische afspraken, volledig in beeld te hebben voordat er een beslissing wordt genomen.
De heer Kuburic (GOB) geeft aan dat zijn persoonlijke voorkeur is om het onderzoek af te wachten voordat er verdere besluiten worden genomen. Hij zal dit nog met zijn fractie overleggen, omdat zij mogelijk een andere mening hebben.
19
De voorzitter geeft aan dat het voorstel is dat de initiatiefnemer eerst met de griffie overlegt en daarna de fracties zo snel mogelijk informeert over wat wordt voorgelegd. Op die manier weten de fracties concreet waarover zij moeten discussiëren en zich op moeten voorbereiden. Hij merkt op dat juridisch advies uit de memorie van toelichting nog verspreid zal worden, maar afhankelijk en pas ingeroepen wordt als duidelijk is welk voorstel uiteindelijk wordt ingediend. De voorzitter benadrukt dat het initiatief bij de indiener ligt en dat het belangrijk is dat de fracties goed geïnformeerd worden voordat de raad zich buigt over de kwestie. Hij sluit de vergadering om 21.56 uur.
20