Notulen Ronde Raadszaal 5 februari 2026
Tekst van het document
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 5 februari 2026 Tijdstip:
19.00-21.56 uur
1.1 Aanvraag Rijksbijdrage Opsporen en ruimen Ontplofbare Oorlogsresten (OOO) (Geilen)19.00-19.15 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:
P. Boonen A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
F. Kuburic R.C.M.J. Bakx A.C.M. Raven T.A.G. Baars afgemeld F.M.J. Frenken P.W.M. Winteraeken-Bruls S.A.J. Klein E.V.P. Talpe
het college:
Wethouder Geilen
ambtenaar:
-
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Hij meldt dat er een bericht van verhindering is binnengekomen van D66 voor deze Ronde. Het eerste agendapunt betreft de aanvraag van een Rijksbijdrage voor het opsporen en ruimen van explosieven. Met het voorliggende raadsvoorstel wordt voldaan aan de eis om in het kader van de subsidieregeling een vergoeding uit het gemeentefonds aan te vragen. De totale kosten bedragen 243.201,81 euro. Eerste termijn Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) geeft aan dat haar fractie het positief vindt dat de gemeente oorlogsexplosieven verwijdert. Ook dat een deel van de kosten wordt vergoed, kan op instemming van de SPA rekenen. De fractie staat daarom achter de aanvraag die het college heeft ingediend voor een bijdrage in de kosten. De heer Baars (GroenLinks/PvdA) sluit zich daarbij aan en geeft aan dat het voorstel voor zijn fractie een hamerstuk is. Wel stelt hij nog een korte vraag: hij wil weten of er voor het genoemde bedrag daadwerkelijk explosieven zijn geruimd, of dat het uitsluitend om onderzoekskosten gaat. De heer Kuburic (GOB) licht toe dat de gemeente deze onderzoeken naar ontplofbare oorlogsresten heeft moeten uitvoeren om de veiligheid te waarborgen. De kosten zijn al gemaakt binnen lopende
1
projecten en via de landelijke regeling kan 68 procent daarvan worden vergoed. Volgens hem voldoen de werkzaamheden aan alle voorwaarden en zou het niet aanvragen van deze bijdrage betekenen dat de gemeente onnodig geld laat liggen. Zijn fractie beschouwt het voorstel daarom als een hamerstuk. De heer Bakx (CDA) geeft aan dat het voor zijn partij ook een hamerstuk is. Mevrouw Frenken (VVD) meldt dat ook de VVD kan instemmen met het voorstel. Ze benadrukt dat het opsporen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten een noodzakelijke taak is om de veiligheid van inwoners, ondernemers en projecten te waarborgen. Daarnaast vindt ze het positief dat de gemeente gebruikmaakt van de Rijksregeling, waardoor een aanzienlijk deel van de kosten wordt vergoed en de lasten niet volledig bij de inwoners terechtkomen. Wethouder Geilen merkt op wettelijk gezien de raad over dit agendapunt moet beslissen, maar geeft mee dat het in de toekomst wellicht het overwegen waard is om deze bevoegdheid te delegeren, zodat hier minder vergadertijd aan wordt besteed. Vervolgens geeft hij, met een kleine slag om de arm, aan dat het volgens hem uitsluitend om onderzoekskosten gaat en dat er bij de betreffende projecten geen ontplofbare oorlogsresten zijn aangetroffen. Hij zal dit nog controleren en de raad informeren mocht dat anders blijken.
De voorzitter concludeert dat de bespreking hiermee is afgerond en dit voorstel als hamerstuk wordt doorgeleid naar de raadsvergadering van 5 maart as. Hij schorst de vergadering voor enkele minuten.
2
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 5 februari 2026 Tijdstip:
19.00-21.56 uur
1.2 Wijziging van het omgevingsplan voor de locatie Bornerweg 33 te Obbicht (Geilen) 19.20-19.31 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:
P. Boonen A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
F. Kuburic J.E.E.A. Schlössels A.C.M. Raven T.A.G. Baars afgemeld F.M.J. Frenken P.W.M. Winteraeken-Bruls S.A.J. Klein A.R.A.R, Lotfy E.V.P. Talpe
het college:
Wethouder Geilen
ambtenaar:
De heer Friesen
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent het volgende agendapunt. Dit betreft het raadsvoorstel tot wijziging van het omgevingsplan voor de locatie Bornerweg 33 in Obbicht. Met deze wijziging wordt het mogelijk om op het betreffende perceel acht nultredenwoningen te bouwen door de sloop van de leegstaande bedrijfshal. De raad wordt gevraagd te besluiten dat voor dit plan geen milieueffectrapportage wordt opgesteld, het omgevingsplan voor het perceel gewijzigd vast te stellen en het kostenverhaal te borgen via een anterieure overeenkomst. De technische vragen van PIT en de beantwoording zijn terug te vinden in iBabs. Eerste termijn De heer Raven (Stadspartij) geeft aan dat het plan om woningen te bouwen inhoudelijk positief is. Ook met de voorgestelde procedure kan zijn fractie instemmen. De heer Talpe (PIT) stelt dat het raadsvoorstel in grote lijnen duidelijk is, mede dankzij de beantwoording van de technische vragen. Wel heeft hij nog twee aanvullende vragen. Ten eerste vraagt hij om een nadere toelichting op de anterieure overeenkomst, waarin wordt verwezen naar een financiële bijdrage waarvan de specificatie in bijlage 2 zou zijn opgenomen, terwijl deze bijlage ontbreekt. Het gaat hem daarbij niet zozeer om de bedragen, maar om de categorieën waarvoor de bijdrage wordt ingezet. Daarnaast stelt hij een vraag over de bouwhoogte.
In het raadsvoorstel wordt gesproken over een hoogte van 7,7 meter, terwijl op de plankaart een maximale hoogte van 8 meter is opgenomen. In de beantwoording van de technische vragen wordt aangegeven dat dit is gedaan om discussies over kleine
3
verschillen te voorkomen. Hij vindt deze uitleg wat vreemd en vraagt of de toegestane bouwhoogte wel voldoende duidelijk is omschreven, of dat er een andere reden aan ten grondslag ligt. Mevrouw Frenken (VVD) benoemt drie aandachtspunten. Allereerst vraagt ze aandacht voor de bereikbaarheid van de locatie, met name voor dit type woningbouw. Ze wil weten of er is nagedacht over bereikbaarheid zonder auto en benadrukt dat deze vraag niet bedoeld is om het plan te heropenen, maar om te toetsen of deze afweging structureel wordt meegenomen bij vergelijkbare besluiten. Daarnaast gaat ze in op de participatie. Formeel is het proces correct doorlopen: er zijn geen zienswijzen ingediend en er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Tegelijkertijd ontvangt de VVD signalen van omwonenden die aangeven niet precies te weten waar men staat en wat zij concreet kunnen verwachten. Tot slot staat ze stil bij de ambtshalve verhoging van de bouwhoogte. De VVD kan deze aanpassing volgen, maar vindt het belangrijk dat duidelijk is dat het om een locatiespecifieke afweging gaat en dat hiermee geen generiek precedent wordt geschapen. Ze vraagt het college te bevestigen dat er geen sprake is van precedentwerking voor andere locaties.
De heer Schlössels (CDA) spreekt zijn steun uit voor de plannen voor de bouw van acht levensloopbestendige woningen, die volgens hem een positieve impuls geven aan de doorstroming in Obbicht. De heer Kuburic (GOB) noemt het voorstel een zorgvuldig voorbereide, beperkte planwijziging. Een oude bedrijfsbestemming wordt omgezet naar woningen, waarbij de milieueffecten beperkt zijn en het kostenverhaal volledig is geregeld via een anterieure overeenkomst. Het ontwerp heeft ter inzage gelegen, er zijn geen zienswijzen ingediend en de hogere bouwhoogte is stedenbouwkundig beoordeeld en als acceptabel bevonden. De procedure verloopt netjes, de juridische onderbouwing klopt en er zijn geen inhoudelijke belemmeringen. Voor zijn fractie is het een hamerstuk. De heer Baars (GroenLinks/PvdA) vraagt zich af of de woningen ook betaalbaar zijn en of dit in de anterieure overeenkomst is meegenomen. Hij geeft aan dat de woningen niet te duur mogen worden, zodat jongeren of toekomstige bewoners niet buitenspel komen te staan doordat ouderen de goedkopere woningen bezetten. Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) geeft aan dat het voorstel voor haar fractie een hamerstuk is. Wethouder Geilen antwoordt op de heer Talpe dat de specificatie van de kosten in bijlage 2 van de anterieure overeenkomst vooral ambtelijke uren betreft, die via deze weg in rekening zijn gebracht.
Over de bouwhoogte van acht meter merkt hij op dat dit zorgvuldig is vastgesteld om interpretatieverschillen te voorkomen, mede door hoogteverschillen op de locatie. Zo wordt gegarandeerd dat de bouwhoogte zoals in de plannen staat correct kan worden gerealiseerd. Over de bereikbaarheid zonder auto geeft hij aan dat er op de locatie weliswaar geen trottoirs liggen, maar dat er te voet en met de fiets gewoon toegang is. Er lopen al bestaande wegen en paden langs woningen en bedrijven, zodat de locatie op veilige wijze kan worden bereikt. Hij benadrukt dat eventuele extra ontsluitingen voor voetgangers kunnen worden bekeken als de woningbouw daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wat de participatie betreft, geeft hij aan dat het proces correct is doorlopen en dat de directe omgeving door de initiatiefnemer is betrokken. Over de locatiespecifieke bouwhoogte benadrukt hij dat dit uitsluitend geldt voor deze plek en geen precedent schept voor andere locaties. Tot slot gaat hij in op de vraag over betaalbaarheid. Omdat het hier gaat om transformatie van een bedrijfsgebouw naar woningen, zijn er geen specifieke eisen gesteld aan betaalbaarheid. Wel zal het type woning mede bepalen welk segment op de markt wordt gebracht. Andere inhoudelijke vragen die niet direct te beantwoorden zijn, vallen onder technische details die in het rapport van Aelmans staan beschreven.
4
De heer Baars (GroenLinks/PvdA) is nieuwsgierig naar de technische kant van het segment van de huurprijzen en of daar afspraken over zijn gemaakt. Het gaat hem vooral om de betaalbaarheid, niet om exacte bedragen. Wethouder Geilen geeft aan dat, om de discussie over huurprijzen of betaalbaarheid te voeren, eerst duidelijk moet zijn welk segment woningen wordt gebouwd. Dit is een technische vraag die aan de initiatiefnemer moet worden gesteld. Pas als bekend is wat er precies komt en wat de kosten zijn, kan er inhoudelijk over meningsvorming worden gesproken. De voorzitter constateert dat het voorstel als hamerstuk kan worden doorgeleid naar de raadsvergadering van 5 maart as. Hij schorst de vergadering voor enkele minuten.
5
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 5 februari 2026 Tijdstip:
19.00-21.56 uur
1.3 Initiatiefvoorstel (Burger Centraal) inzake Lokale voorrang bij woonruimteverdeling (Geilen) 19.3521.56 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:
P. Boonen A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
F. Kuburic J.E.E.A. Schlössels A.C.M. Raven J.E. Janssen afgemeld F.M.J. Frenken J.G. Kollée P.W.M. Winteraeken-Bruls S.A.J. Klein A.R.A.R, Lotfy E.V.P. Talpe
het college:
Wethouder Geilen
ambtenaar:
De heer Machiels
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent het derde agendapunt. Het initiatiefvoorstel van de fractie Burger Centraal houdt in dat het college wordt opgedragen een concept-huisvestingsverordening op te stellen, waarin woningzoekenden met een maatschappelijke binding aan de gemeente voorrang zouden moeten krijgen bij de verdeling van woonruimte. Deze lokale voorrang zou toegepast moeten worden tot het wettelijk toegestane maximum. Het voorstel vraagt tevens dat de conceptverordening eerst aan de raad wordt voorgelegd voordat deze in procedure wordt gebracht voor definitieve vaststelling. De technische vragen van PIT en Burger Centraal, en de beantwoording daarvan, zijn terug te vinden in iBabs. De voorzitter licht de procedure toe: bij een initiatiefvoorstel krijgt de indiener als eerste het woord voor toelichting, waarna de portefeuillehouder kan reageren. Daarna wordt het voorstel besproken. Eerste termijn Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) licht het initiatiefvoorstel toe over lokale voorrang bij de woonruimteverdeling. Het voorstel is in essentie simpel: het college krijgt de opdracht om bij het opstellen van de huisvestingsverordening gebruik te maken van artikel 14 van de Huisvestingswet, waarmee woningzoekenden met een maatschappelijke binding aan de gemeente bij schaarste voorrang kunnen krijgen.
6
Ze geeft aan dat het college adviseert niet in te stemmen met het voorstel, maar dat de onderbouwing hiervan haar verbaast. Na bestudering van de memo wensen en bedenkingen en beantwoording van de technische vragen constateert ze dat het college zichzelf tegenspreekt, vragen ontwijkt en feitelijke onjuistheden als argument presenteert. Zo wordt in een antwoord erkend dat het onderzoek naar lokale voorrang in 2023 niet is uitgevoerd, maar gebruikt het college datzelfde onderzoek toch om te stellen dat voorrang niet nodig zou zijn. De belangrijkste drogreden van het college is volgens haar dat momenteel 67 procent van de sociale huurwoningen wordt toegewezen aan inwoners van Sittard-Geleen, wat zou betekenen dat een voorrangsregeling niet nodig is. Ze legt uit dat dit percentage vooral betrekking heeft op toewijzingen op basis van sociale of medische urgentie, ingrijpende verbouwingen en eerste reactie/loting. Slechts 22,9 procent van de woningen is recent via reguliere inschrijving toegewezen, inclusief mensen van buiten de gemeente. Voor reguliere woningzoekenden met maatschappelijke binding, waarvoor dit initiatiefvoorstel is bedoeld, is het netto-effect veel kleiner. Zo moeten mensen gemiddeld bijna 6 jaar wachten op een sociale huurwoning.
Het college stelt volgens haar ten onrechte dat het instrument van lokale voorrang niet mag worden ingezet omdat al 50 procent van de woningen naar inwoners gaat. Artikel 14 stelt juist dat maximaal 50 procent van de woningen aan mensen met binding kan worden toegewezen. Het gaat om de toepassing van het instrument, niet om de uitkomst. De gemeenteraad is verantwoordelijk voor vaststelling en inhoud van de huisvestingsverordening, het college heeft slechts een voorbereidende en uitvoerende rol. Ze benadrukt dat de woningmarkt in Sittard-Geleen krap is en dat jongeren en andere inwoners soms jarenlang geen zelfstandige woonruimte kunnen krijgen. Door het instrument van lokale voorrang in te zetten, kan de kans van deze woningzoekenden op een geschikte woning worden vergroot. Ze sluit af met een aantal vragen aan de wethouder. Zo wil ze weten of de wethouder zich bewust is dat er momenteel geen specifieke voorrangsregeling bestaat voor mensen met maatschappelijke binding, waardoor op dit moment effectief 0 procent van de woningen aan deze groep wordt toegewezen.
Ze vraagt of het college het huidige aantal reguliere toewijzingen van 22,9 procent voor mensen met maatschappelijke binding aanvaardbaar vindt, en hoe het college tot de conclusie komt dat er volgens de memo geen onderbouwing voor het voorrangsbeleid nodig zou zijn, terwijl dit juist een onderdeel is van de uitwerking van het initiatiefvoorstel en de voorbereiding van de huisvestingsverordening. De heer Raven (Stadspartij) merkt op dat hij het gevoel krijgt dat sommige vragen niet beantwoord worden door ze als technisch te bestempelen. Hij benadrukt dat hij politieke stellingen heeft gehoord en verwacht van het college degelijke onderbouwing, zeker wanneer het gaat om concrete cijfers en politieke keuzes. Hij vraagt de voorzitter hierop te letten en niet zomaar mee te gaan in het argument dat iets technisch is. Wethouder Geilen legt uit dat het college al in november heeft toegelicht waarom op dit moment geen verordening kan worden opgesteld op basis van het 50 procent-criterium. Het standpunt is sindsdien ongewijzigd, maar nu nader onderbouwd, mede naar aanleiding van het voorstel van Burger Centraal. Hij licht toe dat het college bezig is met de voorbereiding van een huisvestingsverordening, waarbij onder andere gegevens uit het behoefte en schaarste onderzoek van 2023 nodig zijn, evenals duidelijkheid van de provincie over de woningmarktregio.
Dit is belangrijk om de cijfers goed te kunnen vertalen naar een verordening. Hij benadrukt dat het huidige percentage van 67 procent van vrijkomende woningen dat aan inwoners wordt toegewezen grotendeels bestaat uit mensen met sociale of medische urgentie en dat er al sprake is van maatschappelijke binding. Daarom is volgens hem een extra bepaling in de verordening nu niet noodzakelijk en ontbreekt de wettelijke grondslag om dit aanvullend te regelen. Hij verklaart dat individuele situaties, zoals jongeren die uit huis willen of mensen die scheiden, vallen onder het bestaande toewijzingsbeleid van de corporaties en dat dit losstaat van de verordening. Hij geeft verder aan dat het initiatiefvoorstel niet direct verband houdt met het streven van Burger Centraal om de gemeente te laten groeien. Wel wijst hij op het algemene gemeentelijke doel om te groeien, waarbij nieuwe inwoners worden aangetrokken en bestaande woningen vrijkomen door doorstroom. Dit proces is echter niet beperkt tot sociale woningbouw en staat los van het instrument van lokale voorrang in de huisvestingsverordening.
7
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) merkt op dat de wethouder niet op alle vragen is ingegaan, terwijl die niet technisch van aard waren. Ze vraagt of de wethouder een verschil ziet tussen toewijzing en toewijzing met voorrang, omdat zij van mening is dat dit twee verschillende begrippen zijn. Wethouder Geilen reageert dat hij de vraag probeert te begrijpen en interpreteren. Hij legt uit dat het initiatiefvoorstel draait om de vraag of een huisvestingsverordening een voorrangsregeling kan bevatten voor mensen met maatschappelijke binding. Volgens de wet kan dit alleen als minder dan 50 procent van de jaarlijks toegewezen woningen naar mensen met maatschappelijke binding gaat. Omdat momenteel 67 procent van de woningen al aan inwoners wordt toegewezen, voldoet de gemeente niet aan dat criterium. Daarom kan die bepaling volgens hem niet in de verordening worden opgenomen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vindt dat hij de wet verkeerd interpreteert. Ze verwijst naar artikel 14, lid 2 van de Huisvestingswet, waarin staat dat de gemeenteraad kan bepalen dat voor maximaal 50 procent van de woningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden met maatschappelijke binding. Volgens haar gaat dit niet over hoeveel mensen daadwerkelijk een woning krijgen, maar over het percentage van de woningvoorraad waarop voorrang mag worden toegepast.
Wethouder Geilen geeft aan dat hij de vraag probeert te begrijpen en een helder antwoord wil geven, maar dat men het ook oneens kan zijn over de interpretatie van de wet. Volgens hem, inclusief de memorie van toelichting, geldt dat het criterium van lokale voorrang pas kan worden toegepast als minder dan 50 procent van de jaarlijks toegewezen woningen naar mensen met maatschappelijke binding gaat. Omdat momenteel 67 procent naar deze groep gaat, is er volgens hem geen wettelijke grondslag om via een verordening de voorrang uit te breiden. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vraagt naar de mening van de wethouder over het feit dat slechts 22,9 procent van de woningzoekenden via reguliere inschrijving een woning krijgt toegewezen in de afgelopen 3 maanden. Dit percentage betreft mensen zonder urgentie of voorrang, en omvat ook woningzoekenden van buiten de gemeente. Ze wil weten of de wethouder dit een reëel percentage vindt. Wethouder Geilen antwoordt dat 3 maanden een te korte periode is om beleid op te baseren. Hij legt uit dat bij die 22,9 procent nog altijd 67 procent van de woningen wordt toegewezen aan mensen die voldoen aan het criterium van maatschappelijke binding. Daarom ziet hij geen grond om de verordening aan te passen.
De heer Talpe (PIT) vraagt hoe de wethouder zou aankijken tegen een situatie waarin het percentage toegewezen woningen met maatschappelijke binding onder de 50 procent zakt. Hij stelt voor dat de raad in dat geval een politiek streven kan uitspreken om 50 procent voorrang te hanteren, los van of dit nu al in de verordening wordt vastgelegd. Wethouder Geilen antwoordt dat het college positief staat tegenover het gebruik van het instrument wanneer dat nodig is. Daarom is dit opgenomen in het volkshuisvestingsprogramma als een mogelijk instrument, maar op dit moment is het nog niet aan de orde. Om te kunnen bepalen of het nodig wordt, verricht het college opnieuw zowel een woonbehoefteonderzoek als een schaarsteonderzoek, zodat men tijdig kan inzetten op het instrument van voorrang als dat in de toekomst vereist blijkt. De heer Talpe (PIT) verduidelijkt dat het hem niet zozeer gaat over direct handelen, maar over een politieke uitspraak van de raad. Hij vindt het belangrijk dat het streefpercentage van 50 procent voor woningen met maatschappelijke binding wordt gehaald. Hij benadrukt dat er op dit moment misschien niets hoeft te gebeuren, maar dat de raad wel haar doel kan uitspreken. Wethouder Geilen legt uit dat dit doel al is opgenomen in het volkshuisvestingsprogramma, en dat er daarom geen noodzaak is om dit apart nogmaals vast te leggen.
Hij voegt toe dat het bovendien wettelijk niet mogelijk is om dit nu al in de verordening op te nemen, omdat de verordening alleen verordenende maatregelen kan bevatten wanneer dat wettelijk aan de orde is.
8
De heer Talpe (PIT) concludeert dat de ambitie van 50 procent voor woningen met maatschappelijke binding door zowel het college als de raad wordt onderschreven. De voorzitter reageert dat dit al in het beleid is vastgelegd, en dat de wethouder dit daarom niet nogmaals hoeft te onderstrepen. De heer Raven (Stadspartij) merkt op dat de wethouder stelt dat er geen grondslag is om een verordening aan te passen omdat momenteel meer dan 50 procent wordt toegewezen. Hij benadrukt dat dit de praktische situatie is, die kan veranderen, terwijl de wettelijke grondslag van 50 procent ongewijzigd blijft. Volgens hem zou dit in de verordening vastgelegd kunnen worden, en hij vraagt zich af waarom dit een probleem zou zijn. Wethouder Geilen legt uit dat hij de zorgen van de raad begrijpt, maar benadrukt dat het belangrijk is dat de raad ook zijn uitleg begrijpt. Hij geeft aan dat iedereen het eens is over het belang van 50 procent, maar dat dit niet vastgelegd hoeft te worden in een verordening. Volgens hem geeft de wet in Nederland iedereen het recht op vrije vestiging. Een voorrangsregeling kan alleen worden opgenomen als minder dan 50 procent van de woningen wordt toegewezen aan inwoners met maatschappelijke binding, dus als er daadwerkelijk een wettelijke basis is om in te grijpen.
Omdat momenteel al 67 procent van de woningen aan eigen inwoners wordt toegewezen, is er geen juridische grondslag om in de verordening een 50 procent-regel vast te leggen of het recht op vrije vestiging te beperken. De heer Raven (Stadspartij) merkt op dat de raad toch een minimaal percentage van 50 procent zou kunnen vastleggen, omdat de praktijk soms kan variëren en er voorbeelden zijn dat het onder de 50 procent lag. Wethouder Geilen reageert dat volgens de memorie van toelichting van de Huisvestingswet een gemeente alleen een categorie woningen kan aanwijzen voor voorrang als er sprake is van schaarste, en die schaarste is in dit geval niet aangetoond. Omdat 67 procent van de woningen al naar eigen inwoners gaat, kan het instrument juridisch gezien niet worden toegepast. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) heeft een punt van orde. Ze vindt dat de discussie niet zinvol is zolang er geen duidelijkheid is over de feiten. Ze benadrukt dat het niet om een juridische discussie gaat, maar om de feitelijkheden. De wethouder heeft herhaaldelijk gesteld dat de memorie van toelichting voorschrijft dat een voorrangsregeling niet kan worden opgenomen als al 50 procent van de woningen aan inwoners wordt toegewezen. Ze stelt dat dit niet in de memorie van toelichting staat.
Volgens haar gaat de wet alleen over schaarste aan woonruimte en de bevoegdheden van de gemeenteraad om maatregelen te nemen als dat nodig en geschikt is om onevenwichtige effecten te bestrijden (artikel 2 van de Huisvestingswet). Het percentage van 50 procent dat de wethouder noemt, is volgens haar niet in de memorie te vinden. Ze vraagt of er even geschorst kan worden zodat de wethouder dit kan nakijken, en benadrukt dat het college eerlijk moet informeren. De voorzitter geeft aan dat hij niet van plan is te schorsen, omdat er volgens hem sprake is van een verschil van inzicht over de uitleg van de wet en de memorie van toelichting. Hij benadrukt dat het uiteindelijk niet gaat om de mening van het college, maar om wat de raad als geheel vindt. Partijen kunnen kiezen of ze de uitleg van mevrouw Lotfy volgen of die van het college. Hij geeft aan dat eerst de andere partijen aan het woord komen om hun standpunt te geven, waarna kan worden bekeken of een schorsing nodig is. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) maakt een punt van orde over de manier waarop de vergadering verloopt en de informatieverstrekking door het college. Ze geeft aan dat raadsleden nu feitelijke besluiten zouden moeten nemen op basis van informatie die volgens haar onjuist of onvolledig is.
Volgens haar wordt de raad hierdoor in een oneerlijke positie geplaatst, omdat het wettelijk recht op correcte informatieverstrekking wordt geschonden. Ze stelt dat het college verantwoordelijk is voor het eerlijk informeren van de raad en pleit ervoor om de vergadering te schorsen totdat de juiste feiten zijn
9
geverifieerd, zodat raadsleden een weloverwogen oordeel kunnen vormen zonder zelf de waarheid te hoeven achterhalen. De voorzitter ziet het verschil van inzicht tussen mevrouw Lotfy en het college vooral als een kwestie van interpretatie en benadrukt dat raadsleden zelf voldoende kennis en middelen hebben om te beoordelen welke informatie zij volgen. Volgens hem is het de taak van de raad om zelfstandig te bepalen of zij de visie van het college, die van mevrouw Lotfy of een geheel ander standpunt willen volgen. De heer Kollée (PVV) benadrukt dat er een duidelijk verschil is tussen het feit dat 50 procent van de sociale woningen toevallig bij eigen inwoners terechtkomt en het juridisch verankeren van lokale voorrang in de huisvestingsverordening. Volgens hem ontkent het college door zich op die toevallige uitkomst te beroepen de wettelijke mogelijkheden die de wet biedt om inwoners formeel voorrang te geven. Het voorstel is volgens hem dan ook geen overbodige formaliteit, maar een manier om inwoners zekerheid te bieden dat zij daadwerkelijk als eerste in aanmerking komen voor woningen in hun eigen gemeente. Hij wijst erop dat dit geen vrijblijvende politieke oefening is, maar een concreet middel om de sociale cohesie te behouden en inwoners perspectief te geven op wonen in Sittard-Geleen.
Hij roept het college en de commissie daarom nadrukkelijk op om het instrument van lokale voorrang maximaal te benutten en formeel in de huisvestingsverordening te verankeren, zodat inwoners niet achter het net vissen en de regeling juridisch afdwingbaar is. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat zijn fractie een evenwichtige verdeling van woonruimte in de gemeente belangrijk vindt, zodat jong en oud zo snel mogelijk betaalbare woningen kunnen krijgen. Hij prijst het initiatief van Burger Centraal om via een verordening een betere woonruimteverdeling te realiseren, maar wijst erop dat ingrijpen in de vrijheid van vestiging niet zomaar kan. Volgens hem mag een lokale voorrangsregeling alleen worden toegepast als er aantoonbare en structurele schaarste is op de woningmarkt, wat volgens de fractie momenteel niet het geval is. Uit cijfers van de corporaties blijkt dat al 67 procent van de sociale woningen aan inwoners van Sittard-Geleen wordt toegewezen. Dit percentage schommelt al jaren tussen 60 en 70 procent. Hij stelt dat extra instrumenten zoals het voorstel van Burger Centraal niet nodig zijn en zelfs ongewenst kunnen zijn omdat ze de doorstroming op de woningmarkt zouden belemmeren. Hij benadrukt dat woningzoekenden meer geholpen zijn met meer woningbouw en het versnellen van betaalbare projecten.
Tot slot vraagt hij aan de wethouder om het onderzoek naar schaarste en adviezen over betaalbaarheid te delen, zodat de raad goed geïnformeerd is over de situatie en mogelijke toekomstige noodzaak voor aanvullende regels kan beoordelen. De heer Raven (Stadspartij) constateert dat er twee tegenstrijdige interpretaties van de wetgeving bestaan, waardoor het moeilijk is om inhoudelijk een oordeel te vormen. Hij benadrukt dat de raad niet over de juridische middelen beschikt om dit zelf te beoordelen en dringt erop aan dat het college een deskundig juridisch advies opstelt waarin beide interpretaties naast elkaar worden gezet. Pas op basis van zo’n advies kan een inhoudelijke discussie en besluitvorming plaatsvinden. De voorzitter stelt dat alle partijen de gelegenheid moeten krijgen om in de eerste termijn te reageren. Hij benadrukt dat, afhankelijk van de reacties, mogelijk eerst een juridisch advies moet worden afgewacht voordat verdere stappen in de raad worden gezet, maar dat het belangrijk is dat iedereen gehoord wordt. De heer Klein (Lokaal SGB) roept op om de juridische details even los te laten en de politieke kern van het debat centraal te stellen. Hij erkent dat de regels blijkbaar op meerdere manieren te interpreteren zijn, waardoor er voor raadsleden onduidelijkheid bestaat.
Hij sluit zich aan bij de opmerkingen van mevrouw Lotfy en anderen dat er helderheid moet komen over hoe het instrument van lokale voorrang juridisch en praktisch werkt. Hij wijst op een praktisch probleem: iemand kan formeel maatschappelijke binding hebben, bijvoorbeeld via vrijwilligerswerk of deelname aan verenigingen, maar deze binding bevindt zich niet noodzakelijkerwijs in de gemeente waar de woning wordt toegewezen. Volgens hem lost het huidige voorstel dat fundamentele probleem niet op. Bovendien benadrukt hij dat de wachttijd voor sociale huurwoningen in de praktijk lang is, vooral voor mensen die specifieke voorkeuren hebben voor bepaalde woningen, wat het belang van duidelijke en werkbare regels verder vergroot.
10
De heer Talpe (PIT) vraagt om de passage uit de memorie van toelichting van de Huisvestingswet waarop het college haar antwoord baseert, zodat de onderbouwing duidelijk schriftelijk beschikbaar is. Hij benadrukt dat het huidige voorstel en de reactie van het college zich uitsluitend richten op de toewijzing van huurwoningen, terwijl volgens PIT ook aandacht moet zijn voor sociale koopwoningen. De fractie vindt het belangrijk dat, mocht een voorrangsregeling worden ingevoerd, deze ook wordt bekeken voor sociale nieuwbouwkoopwoningen, zodat het instrument van lokale voorrang breder wordt toegepast en inwoners op beide markten perspectief krijgen. Mevrouw Frenken (VVD) benadrukt dat haar fractie het belang van betrokkenheid en binding met de gemeente erkent. Mensen die hier wonen, werken en bijdragen aan de samenleving versterken de gemeenschap. Tegelijkertijd waakt de VVD voor het verlies van gelijke kansen en vrijheid van vestiging als voorrang op de woningmarkt wordt ingevoerd. Volgens haar blijft er veel onduidelijkheid over wat precies onder maatschappelijke binding wordt verstaan, hoe dit wordt gemeten en hoe het objectief en eerlijk kan worden toegepast. De VVD ziet het probleem vooral in de woningnood en benadrukt dat dit niet wordt opgelost door voorrang, maar door het bouwen van meer woningen en het faciliteren van de doorstroming.
De heer Schlössels (CDA) ondersteunt het idee van maximaal 50 procent toewijzing van sociale huurwoningen aan mensen met maatschappelijke binding, omdat dit actieve participatie in het sociale en verenigingsleven beloont. Tegelijkertijd vindt het CDA dat dit formeel vastleggen in de huisvestingsverordening overbodig is, omdat de praktijk deze manier van toewijzen al decennialang volgt. Hij wijst erop dat doorstroming en het realiseren van woningen in het middenhuur- en koopsegment belangrijker zijn om het woonprobleem structureel aan te pakken. Het CDA benadrukt dat de gemeente de huidige informele voorrangsregeling moet blijven monitoren om te waarborgen dat het in de praktijk effectief blijft, maar ziet geen noodzaak voor extra formele regels. De heer Kuburic (GOB) benadrukt dat het initiatiefvoorstel voor lokale voorrang op sociale woningen op dit moment onvoldoende feitelijk, juridisch en beleidsmatig onderbouwd is. Hij stelt dat actuele gegevens nodig zijn voordat een regeling kan worden ingevoerd en wijst op het belang van het nieuwe woningbehoefte- en schaarsteonderzoek. Volgens hem is lokale voorrang alleen verantwoord bij aantoonbare schaarste. Het onderzoek van 2023 biedt daarvoor geen solide basis. Zonder actuele cijfers is een regeling juridisch kwetsbaar, en ook de provincie kan pas een zorgvuldig advies geven als betrouwbare feiten beschikbaar zijn.
Hij merkt verder op dat al meer dan de helft van de sociale huurwoningen wordt toegewezen aan mensen met maatschappelijke binding, waardoor een extra voorrangsregeling nauwelijks effect zou hebben. Bovendien vraagt een open woningmarkt en regionale afstemming aandacht om groei naar 100.000 inwoners mogelijk te maken. Hij sluit af door te benadrukken dat discussies over wetgeving normaal zijn, maar dat het beeld dat de wethouder zou geven dat feitelijk niet klopt, zorgelijk is. Wethouder Geilen benadrukt dat de kern duidelijk is: momenteel wordt 67 procent van de vrijkomende woningen toegewezen aan mensen met lokale binding. Hierdoor is er op dit moment geen noodzaak om aanvullende regels vast te leggen, omdat het gewenste resultaat al wordt bereikt. Hij benadrukt dat het debat over juridische interpretaties geen rechtszaak is, maar een raadsvergadering, en dat er altijd ruimte is voor verschillende interpretaties van wet- en regelgeving. Het instrument voor lokale voorrang staat in het volkshuisvestingsprogramma genoemd, maar mag pas worden ingezet als dat daadwerkelijk nodig is. Daarnaast legt hij uit dat het onderliggende probleem van woningnood niet opgelost wordt door een specifieke voorrangsregeling, maar door het creëren van meer betaalbare woningen.
Hiervoor zijn in de omgevingsvisie en het volkshuisvestingsprogramma instrumenten en plannen opgenomen om de woningvoorraad te vergroten en doorstroom te bevorderen. Hij reageert ook op de beschuldigingen van bewust of onbewust verkeerde informatieverstrekking door het college. Hij benadrukt dat het college altijd oprecht informeert en dat er juridisch advies beschikbaar is via het ambtelijk apparaat, inclusief juristen die de memorie van toelichting hebben onderzocht. Dit advies heeft al geleid tot beantwoording van technische vragen in eerdere vergaderingen en memo’s. Tot slot legt hij de wettelijke kaders uit. Volgens de Huisvestingswet 2014 mag voorrang aan woningzoekenden met maatschappelijke of economische binding alleen worden gegeven als dit noodzakelijk is om onrechtvaardige en onevenwichtige effecten van schaarste tegen te gaan. Daarbij
11
moet de subsidiariteit en proportionaliteit worden aangetoond, overleg met andere gemeenten in de woningmarktregio plaatsvinden, en advies worden gevraagd aan Gedeputeerde Staten. Omdat momenteel aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, en de provincie nog niet heeft vastgesteld wat de woningmarktregio precies is, ziet het college geen noodzaak om de voorgestelde regeling in de huisvestingsverordening op te nemen. Wel wordt continu gemonitord of dit in de toekomst nodig zal zijn, en voorbereidingen voor een verordening worden gedaan zodra nieuwe woningbehoefte- en schaarsteonderzoeken beschikbaar zijn en de provincie haar advies heeft gegeven. De voorzitter merkt op dat het debat nu een toelichting van de wethouder heeft gekregen, maar dat er nog onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van de memorie van toelichting. Hij verwijst naar het verzoek om deze toelichting te verstrekken en wil polsen of de raad deze informatie wil ontvangen. Vervolgens wil hij weten of, na het ontvangen van deze informatie, een tweede termijn van debat nodig is, of dat de raadsleden voldoende basis hebben om een standpunt in te nemen. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) reageert dat hij geen behoefte heeft aan een extern juridisch advies, omdat hij vindt dat de wethouder duidelijk heeft uitgelegd wat de situatie is.
Hij stelt dat de kwestie niet multi-interpretabel is, maar dat het vooral om een politieke discussie gaat. Volgens hem wordt er nu gedebatteerd over informatie die pas in juni volledig beschikbaar zal zijn, wanneer de actuele cijfers uit het nieuwe onderzoek bekend zijn. Hij pleit ervoor om het debat niet langer door te voeren over de voorlopige informatie, maar te wachten tot de nieuwe gegevens duidelijkheid geven over de situatie. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan dat zij graag wil focussen op haar oorspronkelijke voorstel en de inhoudelijke discussie daaromheen. Ze benadrukt dat de wethouder herhaaldelijk heeft gesteld dat een voorrangsregeling niet mogelijk zou zijn wanneer 50 procent of meer van de woningen aan inwoners wordt toegewezen, terwijl dit cijfer niet letterlijk in de memorie van toelichting staat. Ze stelt dat het werkelijke criterium volgens de memorie van toelichting is dat er aantoonbare schaarste moet zijn, iets waar alle partijen het over eens zijn. Volgens haar is er daarom geen reden om het debat uit te stellen. Ze pleit ervoor om een tweede termijn te houden zodat het onderwerp in de komende raadsvergadering behandeld kan worden. De heer Raven (Stadspartij) onderstreept dat zijn verzoek om meer duidelijkheid over de juridische uitleg van de memorie van toelichting blijft staan.
Hij vindt het essentieel voor zorgvuldige besluitvorming dat er geen onduidelijkheid bestaat over de wettelijke bedoelingen, gezien de maatschappelijke impact en de wisselende meningen hierover. Hij geeft aan dat hij zelf onderzoek kan doen naar de wetsgeschiedenis, maar erkent dat dit niet onafhankelijk is en weinig waardevol voor de raad. Hij benadrukt dat op een belangrijk punt zoals dit geen verschil van inzicht over juridische aspecten mag bestaan en dat er een objectief en volledig onderbouwd advies nodig is voordat verdere besluiten worden genomen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan dat ze het voorstel van de heer Raven steunt om juridisch advies door het college te laten overleggen. Ze ziet geen reden om het debat in de tweede termijn niet door te laten gaan, terwijl het college tegelijkertijd juridisch advies aanlevert voor de raadsvergadering. Volgens haar sluiten deze twee zaken elkaar niet uit. De heer Raven (Stadspartij) geeft aan dat hij vanaf het begin constateert dat er verschillende juridische inzichten zijn en dat hij daarom om aanvullend juridisch advies vraagt. Hij benadrukt dat hij niet voorstelt om het onderwerp aan te houden. Wel geeft hij aan dat er tijd nodig kan zijn om dat advies zorgvuldig te krijgen. Volgens hem betekent dit niet dat de tweede termijn niet kan doorgaan.
De voorzitter maakt duidelijk dat er brede overeenstemming over is dat de juridische onderbouwing en toelichting naar de raad moeten komen. Hij vraagt of de leden eerst de informatie willen ontvangen en daarna pas verder discussiëren, of dat zij nu de tweede termijn willen houden. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat de tweede termijn volgens hem gewoon kan doorgaan. Hij wijst erop dat het college al een aantal toezeggingen doet over informatie die nog volgt. Volgens hem kan de raad in de tweede termijn alvast de politieke aspecten bespreken, zoals hoe wordt gekeken naar toewijzing en
12
voorrang, los van de juridische vraag. Aan het einde kan dan worden afgewogen of het voorstel behandelrijp is voor de raad. De voorzitter voelt op basis van de reacties voldoende steun om door te gaan met de tweede termijn en legt dit als ordevoorstel neer bij de commissie. Hij concludeert dat kan worden doorgegaan met de tweede termijn. De heer Klein (Lokaal SGB) vraagt naar het maatschappelijke aspect binnen de gemeente. Hij vraagt of het college instrumenten heeft om op dorpsniveau bij te sturen. Wethouder Geilen geeft aan dat hiervoor een nadere analyse nodig is van wachttijden en woningbeschikbaarheid per dorp. Hij is hierover al in gesprek met woningcorporatie ZOwonen, die het grootste woningbezit in de gemeente heeft. Hij onderzoekt of een verdiepende analyse mogelijk is op basis van cijfers van Thuis in Limburg en of deze kan worden meegenomen bij de voorbereiding van de verordening. Ook wijst hij op het belang van het toevoegen van sociale woningbouw in de dorpen als structurele oplossing voor schaarste. Hij geeft aan dat het college hierop terugkomt bij de verdere uitwerking van het woonbeleid en de verordening. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) stelt twee aanvullende vragen. Hij vraagt of de raad het onderzoek over betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen kan ontvangen.
Daarnaast vraagt hij naar het standpunt van het college over voorrang bij sociale koopwoningen. Wethouder Geilen geeft aan dit betrekking heeft op twee verschillende onderzoeken. Het onderzoek uit 2023 is al beschikbaar en gebruikt als basis voor het volkshuisvestingsprogramma. Hij laat nagaan waar dit precies te vinden is. Daarnaast loopt er een nieuw woningbehoefte- en schaarsteonderzoek. Zodra de resultaten daarvan bekend zijn, worden deze met de raad gedeeld. Deze nieuwe cijfers vormen ook de basis voor een verordening die naar verwachting wettelijk verplicht wordt. Volgens hem is het daarom logisch om vooral de nieuwe onderzoeken af te wachten. Over de vraag rond voorrang bij sociale koopwoningen geeft de wethouder aan dat dit nu niet in de regeling zit. Het is wel een instrument dat kan worden ingezet. Als de gemeente gerichter wil toewijzen in het goedkope koopsegment, kan dat vooral bij projecten waar de gemeente zelf gronden uitgeeft. Bij plannen van derden is die sturing veel lastiger. Hij benadrukt dat de grootste uitdaging is om koopwoningen ook daadwerkelijk in het goedkope segment te houden, omdat prijzen door ontwikkelingen en uitbreidingen vaak oplopen. Op basis van de lopende onderzoeken bekijkt het college welke aanvullende sturingsmogelijkheden wenselijk en haalbaar zijn binnen het volkshuisvestingsprogramma.
Hij vult aan dat het schaarsteonderzoek uit 2023 openbaar beschikbaar is via de website van het omgevingsplan. Tweede termijn De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) stelt dat de raad inhoudelijk hetzelfde doel nastreeft: een evenwichtige woningmarkt waarin iedereen snel en betaalbaar een woning kan vinden. Volgens hem verschillen de meningen vooral over de manier waarop dat doel wordt bereikt. Hij gaat in op het punt van voorrang voor eigen inwoners en zegt dat dit volgens hem een politieke keuze is waarover verschil van inzicht mag bestaan. Tegelijk waarschuwt hij voor de suggestie dat andere opvattingen neerkomen op onjuiste of verkeerde informatie. Dat beeld vindt hij onterecht en niet helpend in het debat. Hij stelt dat het volgens hem niet juist is om geld uit te geven aan extern juridisch advies als dat waarschijnlijk alleen bevestigt wat al bekend is. Hij vindt dat moeilijk uit te leggen aan inwoners. Volgens hem is het zuiverder om te wachten op de uitkomsten van de lopende onderzoeken en daarna, op basis van die resultaten en de komende volkshuisvestingsverordening, een inhoudelijke discussie te voeren. De heer Raven (Stadspartij) geeft aan dat hij niet begrijpt waarom de wet deze mogelijkheid biedt als die volgens sommigen niet toepasbaar zou zijn. Volgens hem is dat juist een reden om de optie serieus te bekijken.
Hij zegt dat zijn zorg gaat over de betrouwbaarheid van de aangeleverde informatie, omdat hij
13
daarover verschillende en tegenstrijdige uitleg hoort. Voor een zorgvuldig besluit vindt hij het noodzakelijk dat de juiste informatie vaststaat. Hij constateert dat een meerderheid van de commissie geen aanvullend juridisch advies nodig vindt. Daarom besluit hij zelf nader onderzoek te doen, onder meer bij de VNG en andere betrokken organisaties. Inhoudelijk stelt hij dat er volgens hem geen bezwaar is om een minimumpercentage van 50 procent in de verordening op te nemen, zodat voor iedereen duidelijk is waar men aan toe is. Afwijkingen in de praktijk kunnen later altijd worden beoordeeld. Hij benadrukt dat de verordening bedoeld is om sturing te geven aan de huisvesting en om woningcorporaties duidelijke richtlijnen vanuit de gemeenteraad te geven. Volgens hem is dit instrument al sinds 2014 beschikbaar en heeft het college daar te weinig voortgang op geboekt. Hij stelt dat het onderwerp maatschappelijk sterk leeft, vooral in sociale woningbouwwijken, en dat het belangrijk is dat de gemeente haar rol via verordeningen invult zoals de wet dat mogelijk maakt. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat zijn fractie inhoudelijk vooral wil weten hoe andere fracties aankijken tegen het vastleggen van ambities rond sociale koop.
Hij merkt op dat de regeling zich nu alleen richt op sociale huur en vraagt of er ook draagvlak is om voor sociale koop, bijvoorbeeld via een percentage, iets te benoemen of vast te leggen in beleid of verordening. De heer Schlössels (CDA) reageert dat bij sociale koop nu al inkomensregels gelden via woningcorporaties en dat niet iedereen daarvoor in aanmerking komt. Hij vindt dat het onderwerp in zijn ogen te politiek wordt opgeblazen. Volgens hem laat de praktijk zien dat de uitkomsten vaak anders zijn dan vooraf gedacht. Hij noemt voorbeelden van woningbouwprojecten waarbij voorrang voor eigen inwoners mogelijk was, maar uiteindelijk toch een deel van de woningen door mensen van buiten het dorp of de gemeente wordt bewoond. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) stelt dat ze in de raad zit om de belangen van inwoners te behartigen en wil voorkomen dat zij worden verdrongen door woningzoekenden van buiten de gemeente. Ze wijst erop dat de gemeenteraad, los van de landelijke wetgeving rond regie op volkshuisvesting, een eigen bevoegdheid heeft om een huisvestingsverordening vast te stellen. De heer Schlössels (CDA) erkent dat die bevoegdheid er is, maar geeft aan dat een verordening niet van vandaag op morgen is geregeld. Hij benadrukt dat de uitvoering bij de woningcorporaties ligt en niet bij de raad.
Volgens hem gaat de gemeente niet zelf individuele woningen toewijzen, dat gebeurt door de corporaties. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vraagt wat de gemeente volgens hem dan wel vastlegt in een huisvestingsverordening. De heer Schlössels (CDA) geeft aan dat de raad de verordening vaststelt en daarbij de mogelijkheid heeft een voorrangsregeling toe te passen als er maatschappelijk belang is. Hij vindt dat er op dit moment geen noodzaak is, maar dat het college dit bij de opstelling van de verordening kan toetsen en monitoren of bijvoorbeeld het percentage van 50 procent voor eigen inwoners wordt gewaarborgd. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat het debat vandaag juist bedoeld is om dit soort inhoudelijke vragen te bespreken. Ze uit kritiek op het gebrek aan dualisme in de raad en op de rol van het college, dat volgens haar een eigen interpretatie geeft van schaarste en noodzaak. Ze wijst erop dat het college een percentage van 50 procent noemt, terwijl dit nergens wettelijk is vastgelegd, en vraagt aan de heer Schlössels welk percentage hij persoonlijk koppelt aan schaarste en noodzaak. De heer Schlössels (CDA) geeft aan dat er momenteel al bijna 30 procent sociale woningen beschikbaar is en dat toekomstige projecten ook sociale appartementen bevatten.
Hij verwacht dat het percentage sociale woningen hierdoor ruim boven de 30 procent uitkomt, wat volgens hem het streven is. Daarom ziet hij geen noodzaak om extra maatregelen te nemen.
14
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) stelt dat het belangrijk is dat de raad een inhoudelijke discussie kan voeren. Ze wil de mening van de grootste partij begrijpen en vraagt waarom zij een extra regeling voor sociale koop of voorrang van eigen inwoners een slecht idee vinden. Ze merkt op dat hoewel er al 30 procent sociale woningvoorraad is en er meer wordt gebouwd, een groot deel van de nieuwe woningen mogelijk wordt toegewezen aan mensen van buiten de gemeente. Volgens haar lost dit het woningprobleem voor de eigen inwoners niet op. De heer Schlössels (CDA) merkt op dat een 50 procent-regeling niet betekent dat inwoners van buiten de gemeente geen aanspraak kunnen maken op woningen. Hij benadrukt dat Sittard-Geleen wil groeien naar 100.000 inwoners en economisch wil blijven ontwikkelen, waarbij ook mensen van buiten de regio nodig zijn, naast eigen inwoners. Volgens hem moet er een balans worden gezocht. De heer Talpe (PIT) reageert dat het opmerkelijk is dat het debat soms wordt weggezet als verkiezingsretoriek. Hij benadrukt dat de gemeenteraadsverkiezingscampagne vier jaar duurt, en dat zijn fractie gedurende die hele periode op dezelfde manier handelt en reageert, los van de kortere campagneperiodes van andere partijen. De heer Kuburic (GOB) stelt dat aanvullend juridisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Hij legt uit dat schaarste aantoonbaar moet zijn en dat er op dit moment geen feitelijke basis is omdat het lopende onderzoek nog niet is afgerond. Volgens hem wordt de discussie nu vooral gevoerd op aannames in plaats van objectieve gegevens, en daarom vindt hij dat het voorstel nu niet behandeld kan worden. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) wijst erop dat uit het schaarsteonderzoek van 2023 al blijkt dat wachtlijsten toenemen. Ze vraagt of het college in dat onderzoek specifiek is nagegaan of er sprake is van schaarste in de gemeente en of dat een noodzaak voor de voorrangsregeling oplevert. De heer Kuburic (GOB) geeft aan dat dat niet het geval is, omdat een objectief onderzoek niet zou worden beïnvloed door zulke specifieke beleidsvragen. Het onderzoek uit 2023 is volgens hem bovendien verouderd, en hij wil eerst het nieuwe, actuele onderzoek afwachten voordat er op basis daarvan een debat kan worden gevoerd. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vraagt wanneer er volgens hem gesproken kan worden van schaarste. Ze wil weten of de raad dat zelf bepaalt, een percentage hanteert, of simpelweg overneemt wat het onderzoeksbureau aangeeft, en hoe de onderliggende cijfers daarin worden meegenomen. De heer Kuburic (GOB) geeft aan dat schaarste wordt bepaald aan de hand van wat in de wet is vastgelegd.
Hij benadrukt dat de wet wel over schaarste spreekt, maar geen norm of percentage, zoals 50 procent, voorschrijft. Volgens hem is het daarom verstandig eerst het lopende onderzoek af te wachten voordat er een debat wordt gevoerd. Hij vraagt zich af op welke gegevens mevrouw Lotfy haar opmerkingen over schaarste baseert en suggereert dat dit nu vooral op onderbuikgevoelens berust in plaats van op objectieve feiten. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat haar beoordeling van schaarste niet op onderbuikgevoelens is gebaseerd. Ze legt uit dat ze het woningaanbod en de toewijzingen bij Thuis in Limburg al langere tijd bijhoudt, sinds ze in de raad zit. Ze merkt op dat de termijnen voor reguliere toewijzingen vaak niet overeenkomen met de officiële cijfers en dat sommige urgentiecategorieën mogelijk meerekenen, wat ze nog wil navragen. Haar observaties zijn gebaseerd op deze gegevens en op de plannen van het college, waarbij veel woningen door mensen van buiten de gemeente worden toegewezen terwijl lokale inwoners wachten. Ze stelt dat dit de reden is dat ze haar voorstel heeft ingediend. Enerzijds op basis van de cijfers van Thuis in Limburg, anderzijds op basis van het woningbouwbeleid van het college en haar eigen waarnemingen in de gemeente.
Volgens haar is het feit dat het college woningen toewijst aan mensen van buiten de gemeente een concreet probleem voor de lokale inwoners. Verder wijst ze erop dat de wet en de memorie van toelichting geen percentage van 50 procent als norm voor schaarste voorschrijven. Ze benadrukt dat dit betekent dat de gemeenteraad vrij is om zelf te
15
bepalen wanneer sprake is van schaarste. Ze vraagt de heer Kuburic hoe hij dat zou invullen en waar hij de grens van schaarste zou leggen. De heer Kuburic (GOB) geeft aan dat hij schaarste ziet als iets wat in balans moet zijn. Volgens hem moeten er naast lokale inwoners ook mensen van buiten de gemeente naar Sittard-Geleen kunnen komen, bijvoorbeeld ziekenhuispersoneel. Als de gemeente alleen voor eigen inwoners bouwt, ontstaat op termijn een tekort aan mensen die elders in de regio nodig zijn. Hij pleit daarom voor een middenweg die zowel lokale als externe woonbehoeften respecteert. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) merkt op dat er nu veel verschillende interpretaties ontstaan die niet altijd overeenkomen met de wettelijke tekst. Hij benadrukt dat de Huisvestingswet geen landelijke uniforme percentages voorschrijft. Voor de gemeentelijke verordening geldt dat maximaal 50 procent aan voorrang kan worden toegewezen, maar dat een concreet percentage niet wettelijk verplicht is. Hij legt uit dat sociale koopwoningen ook in de huisvestingsverordening kunnen worden meegenomen, maar dat dit privaatrechtelijke instrumenten bij nieuwbouw kan beperken. Volgens hem kan dit onderwerp pas in juni integraal worden besproken, omdat het anders conflicteert met de mogelijkheden van het privaatrecht.
De voorzitter herinnert de raad eraan dat de toon van het debat van belang is en vraagt iedereen rustig te blijven. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat de discussie niet gaat over het feit dat de wet een 50 procent-regel noemt, maar dat dit percentage in de wet of memorie van toelichting geen betrekking heeft op schaarste. Volgens haar wordt door de wethouder ten onrechte gesuggereerd dat bij 50 procent toewijzingen geen sprake meer zou zijn van schaarste. Ze vraagt bevestiging dat dit percentage dus niet als maatstaf voor schaarste in de wet staat en, zo niet, waar dit dan wel zou staan. De voorzitter stelt dat dit antwoord onderdeel kan zijn van het aanvullende onderzoek dat nog wordt uitgevoerd, zoals ook door de heer Raven is aangegeven. Die discussie kan later op basis van de aanvullende stukken en onderzoeken verder worden gevoerd. De heer Talpe (PIT) verduidelijkt dat zijn fractie het niet primair gaat om het opnemen van sociale koop in de verordening ten koste van andere regelingen, maar om het algemene principe van een regeling voor sociale koop. Het gaat hem en zijn fractie er vooral om hoe zo’n regeling wordt ingevuld.
De heer Klein (Lokaal SGB) vraagt mevrouw Lotfy of zij binnen haar raadsvoorstel mogelijkheden ziet om maatschappelijke betrokkenheid te motiveren, bijvoorbeeld door jongeren uit specifieke dorpen sneller toegang te geven tot sociale woningen in hun eigen dorp, of dat dit eventueel in de huisvestingsverordening van juni kan worden opgenomen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) antwoordt dat dit wettelijk niet mogelijk is. Ze legt uit dat de wet niet toestaat om binnen de gemeente specifieke gebieden voorrang te geven bij woningtoewijzing. Ze benadrukt dat ze dit daarom niet kan opnemen in haar voorstel of in de verordening. Ze verwijst naar het belang van juridische kaders. Ook al wil ze bepaalde politieke keuzes maken, ze moeten wel juridisch uitvoerbaar zijn. De heer Klein (Lokaal SGB) geeft aan dat hij het er niet mee eens is dat dergelijke regels niet binnen de gemeentelijke verordening kunnen worden opgenomen. Hij benadrukt dat het politieke wenselijk zou kunnen zijn om te sturen op woningtoewijzing op wijk- of dorpsniveau, omdat veel problemen die hij in de praktijk ziet juist daar spelen. Volgens hem lost het huidige voorstel deze lokale problemen niet op. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) legt uit dat er een spanningsveld is tussen de vrijheid van vestiging en het behoud van lokale woonkansen.
Ze vindt het politiek niet wenselijk om binnen een gemeente op wijkniveau voorrang te regelen, omdat dat tot ongelijke kansen kan leiden. Mensen in betere wijken krijgen dan voorrang op woningen, terwijl bewoners van slechtere wijken er minder makkelijk uitkomen. Ze benadrukt dat het onderscheid dat zij voorstelt, tussen inwoners van de gemeente en mensen van buiten de gemeente, wettelijk is toegestaan, maar verder ingrijpen op basis van wijk of dorpsniveau
16
inbreuk maakt op het recht van vrije huisvesting, wat alleen door de Tweede en Eerste Kamer kan worden geregeld. De heer Klein (Lokaal SGB) wijst hierop dat het vrije recht van huisvesting in de praktijk beperkt wordt. Een jongere uit Obbicht kan bijvoorbeeld niet in zijn eigen dorp wonen als daar geen woningen beschikbaar zijn. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat het doorgaan op te kleine schaal, bijvoorbeeld straatniveau, onwenselijk is. Ze vindt het realistischer en wenselijker om het te beperken tot het gemeentelijke niveau, zoals in de wet is bedoeld. Zo blijft de regeling gericht op mensen met een lokale binding zonder te ver te gaan in selecties op straatniveau. De heer Klein (Lokaal SGB) merkt op dat jongeren vaak juist in hun eigen wijk willen blijven wonen, maar door de huidige toewijzingen gedwongen worden elders te gaan wonen. Hij wijst op gevolgen voor het dorpsleven, zoals leegloop en een afname van vrijwilligers. Hij benadrukt dat het sturen op kleiner niveau juridisch misschien lastig is, maar dat het praktisch en sociaal wenselijk kan zijn. Hij ziet uit naar de voorstellen van het college in juni, waar dit onderwerp mogelijk verder aan bod komt. De heer Kuburic (GOB) noemt het idee van de heer Klein vreemd en vraagt hoe ver deze zorgplicht moet reiken, bijvoorbeeld als iemand in een bepaald dorp wil wonen terwijl dat juridisch niet kan.
De heer Klein (Lokaal SGB) reageert dat het verschil in woonmogelijkheden voor jongeren in kleinere dorpen groot is. Hij legt uit dat afstand tot scholen, werk, openbaar vervoer of zorgsituaties een belangrijke rol speelt, waardoor jongeren vaak genoodzaakt zijn buiten hun dorp te wonen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat de raad een zelfstandige bevoegdheid heeft om een huisvestingsverordening op te stellen en daarin categorieën zoals sociale urgentie en voorrangsregelingen te regelen. Ze verwijst naar andere gemeenten waar dergelijke regelingen bestaan via afspraken met Thuis in Limburg, zodat mensen met sociale urgentie sneller een woning krijgen. In Sittard-Geleen ontbreekt een dergelijke regeling, waardoor inwoners van de gemeente soms moeten wijken voor mensen van buiten. Ze stelt dat er binnen de raad een afwachtende houding heerst. Er wordt gewacht op het college of op nieuwe cijfers voordat beslissingen worden genomen. Ze benadrukt dat de schaarste op de woningmarkt geen vast percentage heeft in de wet of memorie van toelichting, waardoor het een politieke keuze is wanneer er sprake is van schaarste. Ze licht verder toe dat haar voorstel is ingegeven door de behoefte om inwoners voorrang te geven bij woningtoewijzing, vooral jongeren en mensen in kwetsbare situaties, en dat ze geen privaatrechtelijke beperkingen wil opleggen aan particuliere eigenaren.
Haar pleidooi is praktisch en politiek: woningen eerst toewijzen aan inwoners van Sittard-Geleen, en alleen als er overschot is, woningen beschikbaar stellen aan anderen. Ze vraagt aan de raad om na te denken over concrete voorwaarden voor het vaststellen van schaarste en voor het formuleren van onderzoeksvragen aan een onderzoeksbureau, zodat straks een objectief en bruikbaar debat kan worden gevoerd en er een duidelijke basis is voor een huisvestingsverordening die inwoners beschermt. De heer Kuburic (GOB) benadrukt dat er al regionale afstemming met buurgemeenten loopt en dat er onderzoek in gang is gezet. De raad kan in juni de resultaten van dat onderzoek afwachten voordat verdere besluiten over schaarste en voorrangsregelingen worden genomen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) reageert dat het probleem juist is dat de raad het volledige initiatief voor de vraagstelling uit handen geeft. Ze legt uit dat het moment waarop en de manier waarop een onderzoek wordt uitgevoerd, zoals bij een schaarsteonderzoek, de uitkomst sterk kan beïnvloeden. Afwachten wat andere gemeenten doen kan volgens haar leiden tot een oplossing die niet aansluit bij de concrete problemen van Sittard-Geleen, zoals het gebrek aan sociale urgentie binnen de gemeente.