Eindrapport fase 1 WZL 03-08-2023
Tekst van het document
Verduurzaming Chemelot In de basis is nu en in de toekomst voldoende (rest)warmte van voldoende capaciteit en volume beschikbaar2. Een lange termijn beschikbaarheid van 250 MWth aan restwarmte lijkt geen issue (Consultaties: USG, Brightsite/Sitech - 14/06/2023).
Zie ook figuur 4; er is sprake van 230PJ aan energie en grondstoffen als invoer op Chemelot, en daarvan worden het energetisch equivalent van 160PJ in de vorm van producten gemaakt als uitvoer. Ongeveer 70PJ blijft dan achter op de site: in de vorm van restwarmte. Niet alle restwarmte is gemakkelijk te ontsluiten, of van voldoende aantrekkelijke temperatuur. Het WZL beoogt hiervan uiteindelijk ~4 tot 5 PJ te benutten (ongeveer 200MWth), wat neerkomt op minder dan 10% van het huidige beschikbaar aanbod aan restwarmte (~70PJ, zie ook figuur 4).
Figuur 4: grondstof- en energiestromen en scope 1,2,3 emissies op Chemelot in 2019
Een harde uitspraak over de temperatuur op lange termijn kan echter niet gegeven worden. De komende decennia zullen bedrijven weggaan/sluiten en zullen er ook altijd nieuwe bedrijven op Chemelot zich blijven vestigen. Door de verdere verduurzaming van Chemelot en de ambitie om in 2050 CO2-neutraal te zijn voor wat betreft processen en producten, zal de temperatuur van de beschikbare warmte naar verwachting gradueel dalen, i.v.m. verdere elektrificatie van bedrijfsprocessen en intern hergebruik van warmte waar mogelijk. Daartegenover staat dat naarmate lagere temperaturen van de restwarmte kunnen ingezet worden, er steeds meer warmte beschikbaar komt. Potentiële restwarmtebronnen met een aanvoertemperatuur lager dan 70°C, zijn in de eerder uitgevoerde analyses niet meegenomen. Bijvoorbeeld de warmte die vrijkomt bij de koeltorens op ~40°C wordt op >1000MWth ingeschat. De temperatuur van de restwarmtebronnen van Chemelot zal in de basis altijd hoger zijn dan die van de omgeving en/of het oppervlaktewater. Deze laagtemperatuur warmtebronnen kunnen vervolgens met een gering elektrisch vermogen3 geschikt gemaakt worden voor invoeding in het warmtenet. Toename van het aantal verduurzamingsprojecten 2
HGNO – USG/RHDHV: Maasvallei studie (2019), USG – CE Delft: Systeemstudie Limburg (2020) Restwarmte met temperatuur van 40°C kan zeer efficiënt met warmtepompen naar 60°C gebracht worden. In vergelijking met bijvoorbeeld klassieke warmtepompen op basis van omgevingslucht of bodemwarmte is te denken aan een halvering van de stroombehoefte. 3
26
op Chemelot, zal zowel een positieve (RWE, Uniper) als een negatieve impact hebben op specifieke restwarmtebronnen.
Bedrijfsmatige toekomstverwachtingen Chemelot Als mogelijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid van restwarmte worden genoemd, zijn: 1. Doortrekken van de 380 kV hoogspanningsverbinding van Maasbracht naar Graetheide; 2. Realisatie van de buisleidingcorridor voor productieleidingen waterstof, grondstoffen en CO2, met focus op elektriciteit, waterstof, methaan/biogas, restwarmte en transport van CO2; 3. De aansluiting op een publiek gereguleerde waterstofinfrastructuur; 4. CO2-neutrale processen en producten in 2050; 5. Chemelot als Circular Hub (wijziging in de aanvoer, bewerking van grondstoffen en vervanging van aardgas en nafta); 6. De vergroening van Chemelot die reeds gestart is; na 2030 volgen nieuwe grootschalige processen voor de productie van circulaire grondstoffen. 7. Toename elektrificatie van 250 MWe in 2020 naar 700-1.700 MWe in 2050; 8. Toename waterstofbehoefte van 200 kton/jaar in 2020 naar 250-320 kton/jaar in 2050; 9. Toename methaanproductie van 0 PJ/jaar in 2020, naar 0-30 PJ/jaar in 2050; 10. Uitbreiding van FUREC (productie van waterstof uit reststromen, deels afkomstig van biologische oorsprong); 11. Onzekere toekomst van WKC-S; 12. Vraagsturing en flexibiliteit (demand side response).
Ten aanzien van de toekomstverwachtingen: Tijdens de interviews kon geen formele uitspraak worden gedaan over de toekomst van naftakraker Olefins 3 (een van de SABIC restwarmtebronnen op Chemelot). Wel werd toegelicht dat deze warmtebron niet meegenomen werd in de eerder uitgevoerde interne restwarmte analyse. De impact bij stopzetting van de kraker op het eerder genoemde restwarmte aanbod (250MWth op +70°C) is daarmee nihil. Men gaat ervan uit dat Chemelot in 2050 nog steeds aanwezig zal zijn, maar dan wel CO 2-neutraal. Daarvoor zijn een aantal van voorgaande beschreven ontwikkelingen voorwaardelijk; bijvoorbeeld de beschikbaarheid van voldoende hoogspanningscapaciteit, circulaire grondstoffen etc. Deze ontwikkelingen lopen nu al. Over de huidige vestiging van Chemelot is aangegeven dat deze om verschillende redenen als gunstig wordt gezien. De belangrijkste redenen zijn: 1. Het geïntegreerde en geoptimaliseerde bedrijventerrein; Door het onderling verknopen van energie en materiaalstromen is er een efficiencywinst van ca. 15% t.o.v. gelijkaardige productieprocessen in separate (standalone) fabrieken; 2. De aanwezigheid van een ‘parapluvergunning’; 3. De aanwezigheid van een centrale utility voorzieningen; 4. De aanwezigheid van kennisinstellingen (Brightsite) en een industriële campus met oog op lokale innovatie; Als minder gunstige argumenten worden genoemd: 1.
Chemelot ligt niet aan zee, waardoor grotere transportafstanden van duurzame stroom van de Noordzee windparken te overbruggen zijn;
27
2. Chemelot is (nog) niet voorzien van een 380kV aansluiting op het hoogspanningsnet van TenneT; 3. Ligging nabij een dichtbevolkt gebied. (Dit is overigens wel gunstig voor een warmtenet, wat op zijn beurt de efficiency van de site vergroot.)
De belangrijkste overwegingen van bedrijven om zich op Chemelot te vestigen wordt vooral ingegeven door de aanwezige energie-infrastructuur (elektriciteit en waterstof), de synergie met reststromen van andere bedrijven en de aanvoer van (groene) grond- en of hulpstoffen. Deze infrastructuur is belangrijk voor de verdere vergroening van Chemelot en de verschillende scenario’s waarlangs gewerkt wordt, waarbij potentiële (groene) partijen actief worden benaderd. De impact van het vertrek van bedrijven wordt opgepakt zodra het besluit daartoe daadwerkelijk wordt genomen. Indien zich een situatie voordoet waarbij als gevolg van extreme energieprijzen, in relatie tot relevante concurrentiebedrijven, de productie op Chemelot stil komt te vallen, zal ook de beschikbare hoeveelheid restwarmte navenant minder worden. Extreem lage energieprijzen zullen juist meer restwarmte tot gevolg hebben. Bij een structureel hoge energieprijs zal naar een alternatief gezocht worden waarbij tevens nagegaan wordt in hoeverre de stijging van de energieprijs doorberekend kan worden aan de klant/consument. In Europees en Nationaal verband wordt gestreefd naar een gelijk speelveld, dat hogere klimaatkosten niet leidt tot het vertrek van de industrie en beleid wordt ontwikkeld m.b.t. de positie van de EU op het gebied van de beschikbaarheid van kritische ruwe grondstoffen.
5.3 Alternatieve warmtebronnen Wanneer een warmtebron in de toekomst weg zal vallen, of de beschikbaarheid afneemt, is het belangrijk duurzame alternatieven tot de beschikking te hebben die dit kunnen opvangen en daarmee warmtelevering veilig te stellen. Daarom heeft Royal Haskoning DHV in juni 2023 in opdracht van WZL een verkenning van duurzame warmtebronnen als alternatief voor de restwarmte van Chemelot gepresenteerd (zie bijlage 7 voor het volledige rapport). De resultaten van dit onderzoek worden samengevat in tabel 3. Er blijkt dat drie bronnen kansrijk worden geacht op korte termijn (~2030; oranje gemarkeerd) en vier bronnen kansrijk worden geacht op lange termijn (~2040-2050; geel gemarkeerd). De overige bronnen worden niet of nauwelijks haalbaar geacht of zijn beperkt in omvang zodat toepassing als onderdeel van een groot regionaal warmtenet weinig zinvol is. Tabel 3: Beschouwde warmtebronnen voor inzet in WZL, waardeoordeel Omschrijving warmtebron voor inzet Termijn in WZL
Herkomst
Dekt volledige Vermogen warmte-vraag? in MWth
Aantal bronnen
Centraal/ decentraal
Temperatuur
Richting 2030
Lokaal
Ja
0,1 tot 2
100 tot 500
Decentraal
Tot 25°C
Vanaf 2030
Lokaal
Onbekend
Onbekend
Onbeken d
Decentraal
Circa 28°C
Bodemenergie Warmte koude opslag in aquifer De mogelijkheden voor opslag warmte in ondergrond zijn beperkt, lekt weg Geothermie Mijnwater geothermie Toepassen geothermie op basis van mijnwater in de Oostelijke- en Westelijke Mijnstreek
28
Omschrijving warmtebron voor inzet in WZL Ondiepe geothermie Weinig kansrijk, potentieel beperkt en risicovol, slechte geologische condities Diepe geothermie Weinig kansrijk, potentieel beperkt en risicovol, slechte geologische condities Ultradiepe geothermie Weinig kansrijk, potentieel beperkt en risicovol, slechte geologische condities Gesloten, Eavor-Loop Enigszins kansrijk, sterk afhankelijk demo ervaring Gerietsried (Duitsland).
Termijn
Herkomst
Dekt volledige Vermogen warmte-vraag? in MWth
Aantal bronnen
Centraal/ decentraal
Temperatuur
Tot 2030
Lokaal
Nee
5
Circa 40
Decentraal
40 tot 50°C
Tot 2030
Lokaal
Nee
5 tot 20
10 tot 40
Decentraal
60 tot 80°C
Tot 2030
Lokaal
Nee
25 tot 50
4 tot 8
Decentraal
Vanaf 120°C
Richting 2040
Lokaal
Ja
25 tot 50
4 tot 8
Decentraal
60 tot 120 °C en hoger
Tot 2030
Lokaal
Nee
10
200
Decentraal
LT
Lokaal
Ja
Voldoende
1 tot 2
Centraal
LT
Lokaal
Nee
Max. 35
Max. 10
Decentraal
LT
Lokaal
Nee
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
LT
Richting 2040
Import
Ja
1.600 MWe
1
Centraal
MT of HT
Vanaf 2030
Import
Nee
40
1
Centraal
MT of HT
Voor 2030
Beiden
Nee
N.v.t.
1
Centraal
N.v.t.
Richting 2040
Import
Ja
200
1
Centraal
MT of HT
Import
Nee
15
10 tot 15
Decentraal
MT of HT
Import
Nee
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
Lokaal
Nee
8
1
Centraal
MT of HT
Zonthermie Zonthermie Werkt aanvullend, maar vraagt om WKO / warmteopslag, beperkt in omvang Aquathermie Thermische energie oppervlaktewater (TEO) Aquathermie, naar potentieel meest Vanaf 2030 veelbelovend, winning is grensverleggend Thermische energie uit afvalwater (TEA) Richting 2030 Werkt aanvullend, afhankelijk van locatie en omvang Thermische energie drinkwater (TED) Richting 2030 Weinig kansrijk door beperkt potentieel Restwarmte Waterstof gerelateerde restwarmte Kansrijk, maar sterk afhankelijk van rol Chemelot in waterstofeconomie Biobased gerelateerde restwarmte Kansrijk, maar sterk afhankelijk van rol Chemelot in biobased economie FUREC Kansrijk, maar warmte primair ingezet in industrie Chemelot Kernenergie Enigszins kansrijk, sterk afhankelijk van demo ervaring Changjiang (China) Bio-energie Vaste biomassa Werkt aanvullend, import duurzame Voor 2030 biomassa nodig of kleine schaal pieklast Biogas, syngas, groen gas, vloeibare biomassa Primair bestemd voor hoogwaardige Voor 2030 toepassing, niet warmte. Beschikbaarheid beperkt en onzeker. RWZI-slib Mogelijk kansrijk voor de levering van warmte aan het WZL-gebied in Richting 2030 basislast. De omvang is beperkt tot ongeveer 5% van de warmtebehoefte.
29
Conclusies alternatieve warmtebronnen De verkenning van het toekomstbeeld duurzame warmtebronnen WZL heeft duidelijk gemaakt dat er meerdere grootschalige bronnen zijn die het wegvallen van restwarmte van Chemelot zouden kunnen opvangen. De belangrijkste bronnen die op korte termijn als vervanger voor de restwarmte van Chemelot kunnen dienen zijn: • • • • •
Restwarmte biobased economy Chemelot; Aquathermie Maas en Maasplassen; Restwarmte biobased economy Chemelot; Geothermie mijnwater; RWZI-slib.
Deze warmtebronnen zijn geografisch goed verdeeld over het WZL-gebied met biobased restwarmte op Chemelot, aquathermie is het westen; in het stroomgebied van de Maas, en mijnwater geothermie doorheen de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek. In het geval van aquathermie, en geothermische energie uit oude mijngangenstelsels zijn echter wel warmtepompen nodig om het gewenste MT temperatuurniveau te behalen. De belangrijkste bronnen die op langere termijn als vervanger voor restwarmte van Chemelot zouden kunnen dienen zijn: • • • •
Restwarmte waterstofeconomie of conversie, geconcentreerd op/nabij Chemelot; Restwarmte uit de geïntegreerde biobased en waterstofeconomie, vooral op Chemelot; Restwarmte uit kernenergie bij realisatie SMR op/nabij Chemelot; Gesloten geothermisch systeem (Eavor concept), verschillende locaties.
Het betreft daarbij restwarmtebronnen op MT-niveau, waarbij geen warmtepompen nodig zijn om op grote schaal de temperatuur op te krikken. De beschikbaarheid van deze warmtebronnen is op dit moment echt nog onzeker. Aanbevolen wordt om in de lange termijn strategie te borgen dat de negen hierboven genoemde van belang zijnde bronnen blijven opgevolgd worden, en deze in te zetten in WZL wanneer mogelijk, bewezen en betaalbaar. Dit is extra relevant wanneer het restwarmteaanbod van Chemelot onzeker is of door energiebesparende maatregelen gaat dalen. Merk op dat, gezien de scope van deze studie, het bestaande restwarmteaanbod op Chemelot van +40°C hier niet in beschouwing genomen is, maar in een dergelijk scenario wel aandacht verdient. Daarbij blijft het belang in te zetten op de vraag naar warmte in de gebouwde omgeving te reduceren (m.n. door isoleren) ongeacht de bronnenmix die wordt ingezet. In het geval van gebruik van lage temperatuur warmtebronnen zoals aquathermie en bodemenergie via het concept mijnwater is dit met name essentieel aangezien, gelet op de nood aan elektriciteit voor het aandrijven van warmtepompen op koude winterdagen.
30
6. Financiering De bijlage bij dit hoofdstuk is: -
Bijlage 2: Kamerbrief over voortgang Wetsvoorstel collectieve warmtevoorziening.
Om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over de financiële haalbaarheid van het beoogde Warmtenet Zuid-Limburg, alsook voor partijen die potentieel willen instappen, dienen financiële mogelijkheden te worden verkend. Daartoe heeft de projectgroep een inschatting gemaakt van de benodigde investeringen met daarnaast de verschillende financieringsopties. De projectgroep onderscheidt vier fases na fase I: Voorbereiden – ‘Proof of Concept’ ontwikkelen – Realiseren – Opschalen. De overgang tussen elke fase is een natuurlijk beslismoment, waarop getoetst dient te worden of het project nog voldoet aan de vooropgestelde doelstelling en de belangen van de verschillende partners, of de risico’s met betrekking tot de volgende fase voldoende gemitigeerd zijn, of er voldoende commitment bij alle stakeholders is etc., alvorens men het besluit neemt om mensen en middelen te committeren aan de volgende fase. De verschillende fases kennen allen een verschillende omvang van investering, het soort van gevraagd vermogen én de soort van financier(s). Daarom worden in dit hoofdstuk investeringen en financieringsopties per fase ingeschat en onderzocht. De hieronder gepresenteerde resultaten vormen op dit punt in het proces een doorkijk naar de investeringen en financieringsopties voor de aankomende fases, uitgaand van een 100% publieke samenwerkingsvorm.
Er zal meer zekerheid verkregen worden wanneer meer duidelijkheid ontstaat rondom het afdekken van risico’s, rendementen en voorwaarden voor financiering. De projectgroep is op basis van de volgende methoden tot de benodigde investeringen en financieringsopties gekomen: 1.
2.
3.
Op basis van een extrapolatie van de business case HGN- Westelijke Mijnstreek (cijfers 2020) is een berekening gemaakt van de kosten van de aanleg van het regionale warmtenet in volle omvang4. Op basis van de vergaand uitgewerkte business-case HGN-Zuid fase I kan een inschatting worden gemaakt van de investeringen benodigd voor het eerste deel van het warmtenet. Met algemene kengetallen voor projectontwikkeling is op basis daarvan een inschatting gemaakt van de kosten voor de ontwikkelfase van het warmtenet. Voor de eerst volgende fase is een inschatting gemaakt van de benodigde (inhuur)capaciteit voor de organisatie van deze fase. In de twee consultatierondes is aan iedere gesprekspartner gevraagd naar de mogelijkheden om eigen middelen in te brengen respectievelijk op een andere manier (een fase van) het project te financieren en onder welke voorwaarden. Via openbare bronnen en gesprekken met BZK is onderzocht welke subsidiemogelijkheden beschikbaar zijn voor het project. Daarnaast heeft een consortium van adviseurs in opdracht van Provincie Limburg onderzoek gedaan in het kader van een lopende JTM-aanvraag voor het eerste deel van het warmtenet. Dit gaat om een Europese financiering met subsidie.
In paragraaf 6.1 worden de investeringen en financieringsmogelijkheden in één integraal overzicht gepresenteerd. De belangrijkste projectrisico’s die van invloed zijn op de financierbaarheid komen aan
4
Deze extrapolatie diende als onderligger voor de JTM-aanvraag voor financiering en subsidie vanuit de EIB respectievelijk het JTF.
31
bod in paragraaf 6.2. Paragraaf 6.3 gaat in op voorwaarden van financiers. In paragraaf 6.4 wordt dit hoofdstuk afgesloten met de conclusies over de verkenning van de financiële mogelijkheden.
6.1.
Investeringen en financieringsmogelijkheden
Tabel 4 is een beknopte weergave van de benodigde investeringen en de mogelijkheden voor financiering onderverdeeld per fase. Onder de tabel volgt een toelichting op de verschillende soorten vermogen en de mogelijkheden voor WZL. Tabel 4: Financieringsmogelijkheden per fase Fase Omvang investering Voorbereiden Ca. € 400.000
Ontwikkelen
5-10% van de CAPEX, bij CAPEX ~ € 40mln: ~ € 2-4 mln.
Realiseren: eerste deel – proof of concept
Afhankelijk van scope en ambitie: ~ € 30-50 mln.
Realisatie: opschalen tot volledige aanleg en exploitatie van operationele delen – volledige benutting restwarmte Chemelot >70°C
Max. scenario: ~ € 1,9 mld.
Soort vermogen Eigen vermogen, in te brengen door consortium van deelnemende partijen Eigen vermogen, in te brengen door consortium van deelnemende partijen Eigen vermogen Vreemd vermogen Bijdragen aansluitkosten / subsidies (Herfinanciering slechts na bouwrisico) Beperkt eigen vermogen Vreemd vermogen Bijdrage aansluitkosten / subsidies Herfinanciering van operationele delen
Soort financier Niet van toepassing
Niet van toepassing
Durfkapitaal fondsen, publieke banken
Durfkapitaal fondsen Publieke banken Herfinanciering vermogensbeheerders
Inbreng eigen vermogen De mogelijkheid van gemeenten en Provincie Limburg om eigen vermogen in te brengen is beperkt. Netwerkbedrijven kunnen investeren maar mogen daarmee nu geen deel uitmaken van opwek en levering van warmte, waardoor een gesplitst bedrijf noodzakelijk zou zijn. Onder de aankomende Wcw zou dit verbod opgeheven worden door een uitzondering in de Energiewet op te nemen. Hiermee krijgen de netwerkbedrijven ook een taak bij de aanleg van warmtenetten. Staatsbedrijven kunnen investeren, voor zover dat niet marktverstorend is, en voor zover zij aangewezen worden om deze rol in een specifiek project op te nemen. Staatsparticipatie zal altijd een minimale schaalgrootte vereisen die de mogelijkheden van gemeenten en provincie overstijgt. Dit is bij WZL aan de orde. Uit de Kamerbrief van 6 juli 2023 (bijlage 2) over de voortgang voorstel Wet collectieve warmte blijkt dat EZK de mogelijkheden van een waarborgfonds voor het afdekken van risico’s in warmtenetten onderzoekt, waardoor projecten met minder eigen vermogen kunnen worden gefinancierd. De ambitie 32
is om de gangbare verhouding van 30% / 70% (verhouding eigen vermogen / vreemd vermogen) naar 10% / 90% terug te brengen, waardoor het op te brengen eigen vermogen aanzienlijk lager kan komen te liggen. Potentiële eigen vermogen verstrekkers De volgende mogelijke partners kunnen, voorwaardelijk, de inbreng van het benodigd eigen vermogen afdekken: • • • • • • • • •
WZL-gemeenten Provincie Limburg Enpuls Enexis WBL LEF Invest-NL EBN Gasunie
De voorwaarden waaronder dit wel/niet mogelijk is, en voor welke delen van het warmtenet dit voor bepaalde partijen van toepassing is worden onder het hoofdstuk 10 verder toegelicht.
Inbreng vreemd vermogen Vreemd vermogen is hoog of minder groot risico dragende financiering door derde partijen. In de ontwikkel- en realisatiefase van WZL zijn de risico’s en daarmee de kosten voor het aantrekken van vreemd vermogen het hoogst. De risico’s worden minder naarmate meer delen van het warmtenet worden ontwikkeld tot uiteindelijk het gehele project in operationele fase beland. Hierdoor ontstaan er op termijn kansen om rentekosten te verlagen door middel van herfinanciering (oversluiten van de leningen naar leningen met lagere rentes). Inbreng vreemd vermogen hoog risico LEF en Invest NL zijn mogelijke partijen om hoog risicodragend vreemd vermogen in te brengen. In fase 2 zullen de mogelijkheden hiervoor nader verkend moeten worden. Inbreng vreemd vermogen Bij de financiering van het vreemd vermogen kunnen publieke banken als BNG, NWB en EIB een rol spelen. Afhankelijk van voorwaarden, risico’s, looptijden en renteopslagen is er op termijn mogelijk een rol voor commerciële banken. Herfinanciering vreemd vermogen Voor eventuele herfinanciering van het vreemd vermogen op langere looptijden kunnen vermogensbeheerders, zoals pensioenfondsen een rol spelen. Deze optie vereist schaalgrootte en lage risico’s. Dit wordt met name interessant wanneer (grotere) delen van het netwerk operationeel zijn.
Subsidies Subsidie is een vorm van financiering die in principe niet hoeft te worden terugbetaald. Subsidies worden door overheden gebruikt om beleidsdoelen te stimuleren. Daarmee kunnen subsidies, naast eigen en vreemd vermogen, een rol spelen om de benodigde investeringen bij elkaar te krijgen. Subsidies voor woning- en gebouweigenaren en verhuurders kunnen een rol spelen bij de gedeeltelijke compensatie van de aansluitkosten op het warmtenet, wat kan helpen bij het verkrijgen van voldoende 33
aansluitovereenkomsten voor de afname van warmte. De volgende subsidies zijn in beeld voor verschillende aspecten rondom de aanleg van warmtenetten. Subsidie voor de planfase van een warmtenet: • ELENA (European Local Energy Assistance) is een subsidie voor het uitwerken van een projectplan voor een grootschalige investering. ELENA kent een beperkte hoeveelheid middelen, toekenning gebeurt op volgorde van binnenkomst.
Subsidie voor de aanleg van een warmtenet: • JTF (onderdeel van JTM) is een subsidie voor de investeringskosten welke gekoppeld is aan een lening van de EIB. De leningsfaciliteit van de EIB betreft ca. 50% van de investeringskosten, met aanvullend een subsidie van het JTF ter hoogte van 15% van de leningsfaciliteit. • WIS is een subsidie voor de onrendabele top in de aanlegfase van een warmtenet. Looptijd van het project mag maximaal 7 jaar zijn. €150 miljoen in de huidige subsidieronde die loopt tot december 2023. Uit de ‘voortgangsrapportage verduurzaming gebouwde omgeving’ (2023) blijkt dat er in de periode 2024-2030 nog 1,4 miljard in deze subsidiepot zit. Subsidie voor het aansluiten van woningen op een warmtenet: • ISDE (Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing) is een subsidie voor duurzame maatregelen in de woning of bedrijfspand, waaronder aansluiting op een warmtenet. Elk jaar komt er nieuw budget beschikbaar. De ISDE loopt door tot 2030. • SAH (Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen) is een subsidie voor het aardgasvrij maken van bestaande huurwoningen door deze aan te sluiten op een warmtenet. De huidige regeling loopt af op 31-12-2023. • SVOH (Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen) is een subsidie voor het verduurzamen van bestaande huurwoningen.
Dit is een subsidiepot van € 152 miljoen met een einddatum van 31 december 2025. • SVVE (Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars) is een subsidie voor Vereniging van Eigenaars, Woonverenigingen of wooncoöperaties om hun gebouwen te verduurzamen. Deze subsidie voor energieadvies en verduurzamingsmaatregelen loopt tot en met 27 december 2027. • DUMAVA (Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed) is een subsidie van minimaal € 5.000 en maximaal € 2,5 miljoen per aanvraag voor het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed. Deze subsidiepot loopt tot en met 31 december 2024 en heeft een budget van € 190 miljoen. Subsidie voor een rendabele exploitatie: • SDE++ (Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaat) geeft subsidie aan bedrijven en nonprofitorganisaties die grootschalig hernieuwbare energie opwekken of de CO2-uitstoot verminderen. Dit is een onrendabele top subsidie voor de exploitatiefase, in het geval van warmtenetten met name gericht op duurzame (rest)warmtebronnen. Overige subsidie: • EFRO/Interreg (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (internationale programma’s)). Er zijn nationale EFRO programma’s. Dit worden landsdelige programma’s genoemd. Binnen alle EFRO programma’s ligt de focus bij prioriteiten op het gebied van een ‘slimmer’ en een ‘groener’ Europa.
Met het geld kunnen economische activiteiten worden verricht die gericht zijn op innovatie (slimmer) en de overgang naar een koolstofarme (groener) economie. Het geld is vooral bedoeld voor het midden- en kleinbedrijf. 34
Vanuit de Rijksoverheid en de Europese Unie worden regelmatig nieuwe subsidieregelingen beschikbaar gesteld om de energie- en warmtetransitie mogelijk te maken of te versnellen. De hier vermelde subsidieregelingen lopen op dit moment en geven een beeld over de rol die subsidies direct of indirect kunnen spelen bij het financieren van de investeringen voor het warmtenet. Dit overzicht biedt echter geen zekerheid. De regelingen hebben gelimiteerde budgetten, verschillende looptijden en worden per aanvraag beoordeeld. Daarnaast is het nog niet duidelijk in hoeverre al deze subsidies gestapeld kunnen worden. Gelet op de huidige subsidieregelingen en beleidsdoelen is het wel de verwachting dat ook de komende jaren een aanvraag voor vergelijkbare subsidies kan worden gedaan.
6.2.
Belangrijkste risico’s van invloed op de financieringskosten
De kosten van financiering worden mede bepaald door de risico’s van het project, met hogere risicoopslagen van financiers wanneer de risico’s groter zijn. Door het verminderen van risico’s kunnen deze kosten worden verlaagd. Risico’s waarvoor oplossingen moeten worden gevonden zijn: Bouwrisico: Dit betreft het risico voor het realiseren van de beoogde infrastructuur binnen het vooropgestelde budget en binnen de daartoe voorziene tijd. Het is lastig om dit risico bij de financier neer te leggen wanneer er nog geen enkele realisatie is gebeurd. In praktijk wordt dit risico met eigen vermogen afgedekt om buitensporige due-dilligence kosten en rentetarieven te voorkomen. Nadat een deel operationeel is kan financiering op basis van gerealiseerde kasstromen dienen om de overige delen te realiseren. Vervolgens kan herfinanciering over het geheel overwogen worden. Overdimensioneren van infrastructuur en vollooprisico: Overdimensioneren is investeren in het warmtenet met het oog op latere uitbreiding. Zo moet leidingen bijvoorbeeld dikker zijn om in de toekomst dit warmtenet uit te breiden naar achterliggende gemeenten, of er later andere warmtenetten aan te kunnen verbinden. Deze aanpassingen met het oog op de toekomst vergen extra voorinvesteringen. Hier staan geen kasstromen tegenover totdat infrastructuur volledig benut wordt.
Dit risico hangt samen met het vollooprisico, waarmee bedoeld wordt dat de vraag naar warmte achterblijft op de verwachte afzet, of met andere woorden dat afnemers later of niet aansluiten dan verwacht en hiermee dus kasstroom later en minder op gang komt. Gemeenten kunnen een rol spelen in het verminderen van deze risico’s door hun regievoering in de transitievisies warmte en het aanwijzen van warmtekavels. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik maken van de bevoegdheden die ze krijgen in de aankomende Wgiw om wijken van het aardgas af te halen. Het vollooprisico kan bovendien deels gemitigeerd worden door gelijktijdig centraal en decentraal het warmtenet te ontwikkelen, het in een vroeg stadium overeenkomen van aansluitovereenkomsten met woningcorporaties, en het overhalen van particuliere woningeigenaren om aan te sluiten op het warmtenet door het goed organiseren van en investeren in burgerbetrokkenheid. Bronrisico: Bij bronrisico gaat het om het risico dat er op enig moment onvoldoende warmtebronnen beschikbaar zijn voor een warmtenet, en daarmee men moet terugvallen op kostelijke en/of niet duurzame vormen van bijstook om aan de leveringsverplichtingen te voldoen.
Dit risico wordt gemitigeerd door een bronnenstrategie, waarin back-up alternatieven uitgewerkt zijn voor (gedeeltelijke) bronuitval in verschillende scenario’s van acute kortstondige calamiteit tot permanente substitutie op lange termijn.
6.3.
Aandachtspunten voor financiers
De volgende punten spelen bij financiers een rol in de besluiten of en onder welke voorwaarden zij financiering willen en kunnen verstrekken. Organisatiestructuur: 35
•
• • •
Spreiding in financiële risico’s door eigen en vreemd vermogen, waarbij voldoende inleg van eigen vermogen van publieke partijen noodzakelijk zal zijn om aan de door Wcw vereiste zeggenschapsverhouding te kunnen voldoen. Risico’s zijn voldoende gedekt en gemitigeerd, bijvoorbeeld door op voorhand contracten vast te leggen ten aanzien van levering en afname van warmte. In het geval van JTM dient de financieringsvraag van een publieke partij te komen (of in elk geval een partij met een publieke taak). Rendementsverwachtingen van aandeelhouders moeten gelijk zijn zodat hierover tussen aandeelhouders geen conflicten ontstaan.
Besluitvorming: •
•
•
Inmenging van politieke belangen minimaliseren door een onafhankelijk bestuur. Directie draagt eindverantwoordelijkheid en legt voldoende verantwoording af en behoeft toezicht en goedkeuring op ingrijpende besluitvorming. Politiek staat voldoende op afstand, door financiële middelen van gemeenten of Provincie Limburg direct in te brengen om politieke besluitvormingsprocessen te vermijden, of ruim vooraf een kritiek moment te borgen. Eigen vermogen verstrekkers, en grotere vreemd vermogen verstrekkers willen mogelijk invloed op besluitvorming kunnen uitoefenen via een RvC.
Risicomanagement: •
Goed werkend risico managementsysteem, wat inhoudt dat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor welk risico en ook hoe dat werkt voor toekomstige risico’s. Van belang is dat risico’s in beeld zijn en duidelijk is hoe deze worden beheerst.
6.4.
Conclusies t.a.v. financiering
In iedere fase van het project zijn de benodigde investeringen en daarmee financieringsbehoeften verschillend. De grootste risico’s zitten in de ontwikkelfase van het project. Daarin moet het bewijs geleverd (en gecontracteerd) worden op basis waarvan de eerste realisatie van start kan gaan. Er zijn financieringsvraagstukken te verwachten in de eerste realisatiefase van het project, waarin het bouwrisico moeilijk te beleggen valt bij de financiers. Een succesvolle eerste realisatie biedt daarna wel enig comfort voor opschalen. Ook zullen er oplossingen gevonden moeten worden voor het overdimensioneren van warmteleidingen en het vollooprisico, met oog op het realiseren van een regionaal netwerk. Voor gemeenten en Provincie Limburg zijn de mogelijkheden om te investeren beperkt. Hierdoor is er de behoefte aan een grote investeerder vanuit de Rijksoverheid, met name in de fase van opschaling van het warmtenet. Voor de aandeelhouders van de uitvoeringsorganisatie voor WZL is het belangrijk dat zij dezelfde rendementsdoelstellingen nastreven om conflicten hierover te voorkomen. Dit maatschappelijk project vraagt een lange termijn investering waar beperkt financieel rendement pas op lange termijn komt.
Zowel het instappen bij het project van een grote publieke investeerder als de oprichting van een landelijk waarborgfonds voor het afdekken van de grootste projectrisico’s kan bijdragen aan het rondkrijgen van de financiering voor de investeringen die nodig zijn voor dit grootschalig warmtenet.
36
7. Juridisch De bijlagen bij dit hoofdstuk zijn: -
Bijlage 1: Kamerbrief besluit infrastructuur collectieve warmtevoorziening in publieke handen. Bijlage 2: Kamerbrief over voortgang Wetsvoorstel collectieve warmtevoorziening. Bijlage 3: Wetsvoorstel Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie.
Naast organisatorische, technische en financiële aspecten die in eerdere hoofdstukken aan bod zijn gekomen, zijn er ook een aantal belangrijke juridische aspecten rondom de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten waar rekening mee dient te worden gehouden. Als onderdeel van het traject om te komen tot een regionaal warmtenet in Zuid-Limburg, heeft de werkgroep een aantal aspecten nader verkend en extern juridisch advies ingewonnen, specifiek rondom de beoogde publiekrechtelijke samenwerking en de bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen Sittard-Geleen, Beek en Stein, in relatie tot staatssteun, aanbesteding, vigerende en aankomende warmtewet en de Wet Markt en Overheid. Juridische aspecten zijn om dit moment geregeld onder de Warmtewet uit 2014. Om de groei en verduurzaming van warmtenetten beter te ondersteunen wordt er gewerkt aan een nieuwe wet voor warmtenetten en warmtelevering; de Wet collectieve warmte (Wcw), die naar verwachting op 1 januari 2025 in werking treedt. Aan Banning Advocaten is extern juridisch advies gevraagd omtrent aanbesteding-technische aspecten, staatssteun en de relatie tot de Wet Markt en Overheid. Meer hierover leest u in paragraaf 7.1.
In het kader van het bestaande project ‘Het Groene Net’ is in het verleden een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking op de distributie en levering van warmte en koude binnen het grondgebied van de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek. Aan Banning Advocaten is advies gevraagd omtrent de juridische gevolgen van de samenwerkingsovereenkomst indien deze gemeenten publiekrechtelijke medewerking verlenen aan het beoogde regionale warmtenet. Meer hierover leest u in paragraaf 7.2.
7.1.
Advies publieksrechtelijke samenwerking
Regulering van de (kleinschalige) warmteleveringsmarkt is op dit moment geregeld in de warmtewet uit 2014. Om de groei van de verduurzaming van collectieve warmtesystemen in de bestaande gebouwde omgeving te versnellen en te faciliteren – en zo uitwerking te geven aan de afspraken uit het Klimaatakkoord – zijn nieuwe regels in de maak rondom collectieve warmtevoorziening. Het betreft de Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). In deze paragraaf gaan wij achtereenvolgens in op de huidige warmtewet uit 2014, de verwachte wijzigingen zoals die nu bekend zijn, en de naar aanleiding hiervan mogelijke juridische implicaties voor het beoogd Warmtenet Zuid-Limburg.
Huidige warmtewet (2014) Doel van deze warmtewet is om kleinverbruikers te beschermen door een betrouwbare en betaalbare warmtelevering te bevorderen, o.a. door het vaststellen van een maximumprijs (prijsplafond) voor warmtelevering en een redelijke rendementseis voor warmteleveranciers. Momenteel zijn de bij de huidige Warmtewet behorende juridische kaders leidend bij de ontwikkeling van warmtenetten. De ACM geeft hierover jaarlijks een maximumprijs af voor de levering van warmte (in €/GJ), het jaarlijks vastrecht, meetkosten, eventuele huurkosten van apparatuur en de bijdrage aansluitkosten (BAK). 37
De huidige warmtewet kent geen bindende voorschriften omtrent de wijze waarop gemeenten hun warmteprojecten governance-technisch moeten inrichten, dan wel de samenwerking met marktpartijen juridisch moeten vormgeven. Voor de keuze/selectie van een warmteleverancier is het aanbestedingsrecht van toepassing. Ook de wijze waarop gemeenten een samenwerkingspartner selecteren voor de realisatie en exploitatie van het warmtenet is in de huidige Warmtewet niet voorgeschreven. Verder verplicht noch verbiedt de huidige warmtewet gemeenten om de warmteketen te splitsen dan wel bij één partij onder te brengen.
Wet collectieve Warmte en Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie Op 21 oktober 20225 en 6 juli 20236 heeft de minister brieven gestuurd aan de Tweede Kamer over de voortgang van het voorstel Wet collectieve warmte (Wcw) (zie bijlage 1 en 2 voor de volledige brieven). Het doel van de voorliggende Wcw is om het draagvlak voor het product collectieve warmte, het vertrouwen in de markt en de bereidheid om te investeren in duurzame collectieve warmte, te vergroten. De minister heeft besloten dat in het wetsvoorstel Wcw gemeenten alleen warmtebedrijven voor een nieuw warmtekavel kunnen aanwijzen waarbij de infrastructuur in handen is van één of meerdere publieke partijen of waarbij één of meerdere publieke partijen door een meerderheidsaandeel in het warmtebedrijf doorslaggevende zeggenschap hebben over de infrastructuur. De zeggenschap over (infrastructuur van) warmtenetten komt hiermee in publieke handen. Een warmtebedrijf krijgt met de aanwijzing de exclusieve bevoegdheid, maar ook de wettelijke taak, een collectieve warmtevoorziening in een warmtekavel aan te leggen en te exploiteren als de gemeente hiertoe besluit. Het besluit van de minister heeft verstrekkende gevolgen, en daarom is een ingroeiperiode en langdurig overgangsrecht voorzien. De wet moet nog verder worden uitgewerkt en treedt vooralsnog naar verwachting op 1 januari 2025 in werking.
De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)7 (zie bijlage 3 voor het Wetsvoorstel) biedt gemeenten de bevoegdheid tot het stellen van lokale regels om de transitie in de gebouwde omgeving naar duurzame alternatieven tot uitvoering te brengen. Het gaat daarbij om wijzigingen van de Omgevingswet en de Gaswet. Het bevat voorstellen die in het bijzonder van belang zijn voor de gemeentelijke planvorming van de wijkgerichte verduurzaming van de bestaande gebouwenvoorraad. Het wetsvoorstel geeft gemeenten juridische mogelijkheden om gebieden (wijken) van het aardgas af te sluiten. Dat kan alleen als er een nieuwe warmtebron beschikbaar is, zoals een warmtenet of een all-electric-variant. Gebouweigenaren hebben de mogelijkheid om een andere warmtebron te kiezen dan de collectieve warmtevoorziening die de gemeente voor de betreffende wijk kiest, mits dat minimaal even duurzaam is. Bovendien bevat het wetsvoorstel waarborgen die ervoor zorgen dat het proces en de besluitvorming zorgvuldig verlopen en burgers niet tussen wal en schip raken. Zo worden gemeenten geacht zorgvuldig rekening te houden met de tijd die alle betrokken partijen nodig hebben om zich voor te bereiden op het duurzame alternatief. De gemeenteraad ziet daarop toe.
Ook moet de gemeente in een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het warmteprogramma respectievelijk het omgevingsplan en wat de resultaten daarvan zijn.
5
https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8945a8c0bcb7be54eae00d4d2bbb75763326f399/pdf
6
https://open.overheid.nl/documenten/ae2241ee-b13f-4e57-b494-14dd5d2c250f/file
7
De consultatieversie van de Wgiw is te vinden via: https://www.internetconsultatie.nl/wgiw/b1
38
De onzekerheid rondom zaken als overgangsrecht en het publieke meerderheidsaandeel van publieke partijen uit de Wcw zorgt ervoor dat marktpartijen met bestaande warmtenetten in Zuid-Limburg (m.n. Ennatuurlijk) momenteel een afwachtende houding aannemen. Daarbij wordt vooralsnog vastgehouden aan bestaande afspraken en posities.
Gevolgen gewijzigde warmtewet Omdat op dit moment nog niet geheel duidelijk is hoe het juridisch kader voor de ontwikkeling van het beoogd warmtenet in Zuid-Limburg er precies uit zal komen te zien, is specifieke juridische advisering in deze fase lastig. Om een eerste beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen, is door Banning Advocaten antwoord gegeven op de volgende vraag: “Als wij later (Q4 2023 – Q1 2024) met één of meerdere partijen een ontwikkelovereenkomst, en later een samenwerkingsovereenkomst willen afsluiten, is er in deze fase dan een lichte juridische toets nodig op het gebied van aanbesteding, staatssteun e.d. en/of zijn er nu al op voorhand juridische aandachtspunten waar we rekening mee moeten houden?”. Bij de verrichte juridische toets zijn geen “showstoppers” aan het licht gekomen, noch onder de aankomende Wcw, noch onder de huidige wetgeving. Onder de Wcw is het mogelijk om warmtekavels onderhands uit te geven, mits het beoogd warmtenet voldoet aan het vereiste van een publiekelijk meerderheidsbelang. Gelet op de beoogde samenwerkingspartners, lijkt hiervan sprake te zijn. Een samenwerking onder de huidige warmtewet met de beoogde samenwerkingspartners is eveneens te realiseren. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de huidige aanbestedingsregels en regels over de verdeling van schaarse publieke rechten.
Voorbereidingswerkzaamheden waarbij wordt voorgesorteerd op de Wcw, zodat kort na inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving een juridische entiteit kan worden ingericht en een aanwijzingsprocedure kan worden doorlopen, stuiten niet op juridische bezwaren. Als de juridische entiteit reeds voor inwerkingtreding van de Wcw wordt opgericht en aan haar een overheidsopdracht, concessie of schaars recht wordt verleend, dient naar huidig recht te worden getoetst of die onderhandse gunning/verlening op juridische bezwaren stuit. Gezien de beoogde samenwerkingspartners lijkt quasi-inbesteden8 vooralsnog de meest voor de hand liggende route om aan WZL onderhands een concessie te kunnen verlenen, op grond waarvan WZL het recht en de plicht verkrijgt om gedurende een x-aantal jaar binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten een duurzaam warmtebedrijf te ontwikkelen, te realiseren en te exploiteren. Zowel onder de huidige Warmtewet als onder de Wcw dient rekening te worden gehouden met Europese staatssteunregels en de Wet Markt en Overheid. Ook hier worden in een 100% publieke samenwerking vooralsnog geen grote issues verwacht.
7.2.
Advies bestaande samenwerkingsovereenkomst
Na een Europese aanbesteding zijn de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek, Mijn Streekwarmte B.V. (MSW), Ennatuurlijk, Het Groene Net B.V. (HGN) en Het Groene Net Ontwikkel-B.V. (HGNO) op 8 juni 2015 de ‘Samenwerkingsovereenkomst Het Groene Net’ aangegaan. Deze overeenkomst ziet, kort gezegd, op de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van een duurzaam warmtenet op het grondgebied van deze drie Gemeenten binnen de scope van het WZL. Mijn Streekwarmte en Ennatuurlijk zijn gedeeld eigenaar van HGN en HGNO. MSW is een overheids-BV. De aandelen in MSW worden gehouden door Sittard-Geleen. In de overeenkomst is vastgelegd dat Beek en Stein als aandeelhouder 8
Gemeenten kunnen, in bijzondere gevallen, opdrachten direct gunnen aan rechtspersonen die geen deel uitmaken van de gemeente.
39
zullen toetreden indien en zodra het warmtenet in hun gemeente wordt aangelegd. Ter uitvoering van de overeenkomst is inmiddels een warmtenet gerealiseerd in het Noordelijke deel van het Groene Net (“HGN Noord”). Voor HGN Noord wordt gebruik gemaakt van warmte van de Biomassa Energiecentrale Sittard (BES). De volgende stap in de ontwikkeling van Het Groene Net is warmtelevering in het Zuidelijke deel van het Groene Net (“HGN Zuid”). Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van restwarmte afkomstig van de Chemelot site.9 De activiteiten met betrekking tot HGN Zuid zijn (nog) niet verder gekomen dan de ontwikkelfase. Deze heeft plaatsgevonden vanuit HGNO in opdracht en met financiering van een breder samenwerkingsverband, waarbij naast de SOK partijen ook de Provincie Limburg (de “Provincie”), Enexis en haar dochteronderneming Enpuls waren betrokken. Zou het op enig moment tot realisatie en exploitatie van HGN Zuid komen, dan dienen de activiteiten met betrekking tot HGN Zuid in een aparte entiteit te worden ondergebracht (conform de voorwaarden van de SOK).
Ten aanzien van HGN Zuid zijn betrokken partijen jegens elkaar onverkort gebonden aan de in de overeenkomst neergelegde afspraken, waaronder het uitgangspunt van een 50/50 samenwerking en het exclusieve recht (en de plicht) voor HGN/HGNO tot het ontwerpen, realiseren, onderhouden en zo nodig vervangen, beheren en exploiteren van een warmtenetwerk ten behoeve van de distributie en levering van warmte en koude binnen het grondgebied van de Gemeenten. De gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek zijn partij bij de SOK én deelnemer aan het WZL-initiatief. De aan HGN verleende exclusiviteit staat er op dit moment aan in de weg dat de genoemde gemeenten (voor zover het hun grondgebied betreft) participeren in en/of publiekrechtelijke medewerking verlenen aan een ander warmte initiatief dan Het Groene Net. Aan HGN is het exclusieve recht en de plicht verleend tot het ontwerpen, realiseren, onderhouden en zo nodig vervangen, beheren en exploiteren van een warmtenetwerk ten behoeve van de distributie en levering van warmte en koude binnen het grondgebied van de drie gemeenten. In de SOK is onder punt 2.3 het volgende opgenomen omtrent het verlenen van publiekrechtelijke medewerking aan een andere partij dan Het Groene Net B.V.
“Partijen verbinden zich jegens elkaar om voor de duur van de overeenkomst niet direct of indirect als aandeelhouder, financier, ondernemer of anderszins betrokken te zijn bij de exploitatie van een ander soortgelijk warmtenet als Het Groene Net binnen het exploitatiegebied, anders dan in het kader van Het Groene Net B.V., een en ander steeds in de meest ruime zin des woords en een en ander te allen tijde behoudens voorafgaande schriftelijke goedkeuring van alle overige partijen. De reeds ten tijde van Contract Close bestaande betrokkenheid van de gemeente Sittard-Geleen en Ennatuurlijk bij warmtenetten en warmteprojecten (waaronder het warmtenet dat is gelegen in de woonwijk ‘Hoogveld’ in de gemeente Sittard-Geleen, Partijen genoegzaam bekend) kwalificeert niet als een overtreding van dit artikel 2.3.”
9
Op basis van door HGNO met SABIC gemaakte afspraken geldt met betrekking tot restwarmte afkomstig van de Chemelot site het volgende; indien het komt tot een positieve investeringsbeslissing voor HGN Zuid is SABIC gehouden om met HGN (Zuid) een WLO te sluiten op grond waarvan HGN (Zuid) ten opzichte van eventuele andere afnemers met voorrang warmte ontvangt. Tenzij HGN (Zuid) alle beschikbare warmte afneemt, zal afgaande op de met HGNO gemaakte afspraken geen sprake zijn van een exclusief afnamerecht voor HGN (Zuid) van Chemelot warmte. Indien het niet komt tot een positieve investeringsbeslissing en er een andere exploitant in beeld komt, dient deze goedkeuring te vragen aan de Provincie voor het gebruik en de verdere ontwikkeling van de Tie-in.
40
Door Banning Advocaten is antwoord gegeven op de vraag of het in punt 2.3 van de SOK gestelde geïnterpreteerd dient te worden als concessieovereenkomst. Daarbij is ook de vraag gesteld of de gemeente Sittard-Geleen, Beek en Stein in strijd met de in het kader van het project ‘Het Groene Net’ gesloten SOK handelt, indien zij publiekrechtelijke medewerking verleent aan een verzoek van een andere partij dan Het Groene Net B.V. om binnen het grondgebied van de gemeenten een warmtenetwerk te realiseren en te exploiteren. Het nakomen van de overeenkomst is thans de hoofdregel; niet nakoming is slechts mogelijk als bijzondere omstandigheden daartoe nopen. In een reactie van Banning d.d. 9 maart 2023, wordt gesteld dat in het onderhavige geval, Sittard-Geleen, Beek en Stein er gelet op alle feiten en omstandigheden (in samenhang met het Haviltex-criterium10) naar inzien van Banning Advocaten rekening mee moet houden dat zij in strijd handelt met art. 2.3 SOK, indien zij publiekrechtelijke medewerking verleent aan een warmte-initiatief van een andere partij dan het Groene Net B.V. Uit de gevoerde overleggen en bovenstaand juridisch advies komt naar voren dat er vervolgoverleg met betrokken partijen plaats dient te vinden over de bestaande SOK.
Het overleg over de SOK zal plaatsvinden vanuit de drie betrokken gemeenten en maakt verder geen deel uit van het regionale proces om te komen tot een regionaal warmtenet in Zuid-Limburg. Daarna dienen de gevolgen van de vigerende SOK voor het proces om te komen tot een regionaal warmtenet in Zuid-Limburg afgestemd te worden onder de andere partijen.
10
Het relevante deel van de uitspraak van de Hoge Raad luidt als volgt: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht”.
41
8. Risicoanalyse De bijlage bij dit hoofdstuk is: -
Bijlage 8: Risicoregister WZL.
Bij een risicoanalyse worden bedreigingen benoemd en in kaart gebracht. De bedoeling van deze risicoanalyse is dat er na de analyse wordt vastgesteld op welke wijze de risico's beheerst kunnen worden, of teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau. Risicomanagement bestaat daarbij uit de volgende activiteiten: -
Het identificeren, kwantificeren, vastleggen en toedelen van risico's; Het bepalen van beheersmaatregelen en het managen van die maatregelen; Het monitoren en evalueren van het risicomanagement, inclusief de daarbij gedefinieerde beheersmaatregelen.
Op voorhand hoeft niet ieder risico te worden afgedekt: wanneer de kosten of capaciteit om een risico te beperken hoger zijn dan de mogelijke schade, dan kan besloten worden het risico te accepteren. De inventarisatie van de risico's in fase 1 (de zogenaamde ‘kwartiermakersfase’) is gebaseerd op een bureaustudie, verder aangevuld op basis van de consultatieronde deel 1 bij alle stakeholders, wat resulteert in een uitgebreide (en deels overlappende) set aan risico's. Om relevante risicofactoren voor het project in kaart te brengen die in het register moeten worden opgenomen, is gebruik gemaakt van de TECOP risico identificatiemethode (TECOP: Technical, Economical, Commercial, Organizational and Political). Het volledige overzicht van de geïnventariseerde risico’s is bijgevoegd in de Excel-tabel in bijlage 8.
8.1.
Risicoregister
Het risicoregister biedt een eerste inzicht in de projectrisico's die van belang zijn voor het project en de mate waarin deze risico's het project kunnen beïnvloeden. Daarbij wordt een uitsplitsing gemaakt in verschillende fases van het project en verschillende risico-categorieën benoemd. In figuur 5 is schematische weergave van het proces dat voor elk van de risico’s benoemd in het risicoregister doorlopen is. Figuur 5: Overzicht risicoregister Fase
• Kwartiermaken • Voorbereiden • Ontwikkelbedrijf • Aanlegfase • Exploitatie • Amovatie
Categorie
• Externe ontwikkelingen • Planning • Draagvlak • Samenwerking • Besluitvorming • Middelen • Financiering • Contractueel/juridisch • Wet- en regelgeving • Vergunningen • Bronnen • Communicatie • Exploitatie • Health, Safety & Environment • Techniek
Oorzaak, risico & gevolg
Beoordeling risico
•Beschrijving van de oorzaak •Beschrijving van het risico en het gevolg dat hieruit voortkomt.
•Een beoordeling van het gevolg (score 1-5) en kans (score 1-5), resulterende in een nietgemitigeerde rating van het risico in de categorie 'laag' (score 0-6), 'gemiddeld'(712) of 'hoog' (> 12)
Mitigerende maatregel & risico-eigenaar
•Beschrijving van de te nemen maatregelen om het risico te beheersen of terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau. Vervolgens worden een risico-eigenaar en actiehouder aan het risico toebedeeld.
42
Het risicoregister biedt geen compleet overzicht van alle mogelijke risico’s in de toekomst van het project. Het risicoregister is een levend document dat periodiek geactualiseerd wordt; zo is het nu nog niet mogelijk om alle risico's te overzien, zeker niet voor wat betreft de latere fases. Het betreft een eerste ambtelijke inventarisatie van de belangrijkste risico's, aangevuld op basis van de gesprekken met (markt)partijen in de eerste consultatieronde. Daarmee is het in deze fase daarmee een gedegen inventarisatie van de mogelijke risico’s. Het register dient verder uitgewerkt te worden na eventuele positieve besluitvorming (go/no-go moment) door de Stuurgroep Warmtenet Zuid-Limburg omtrent de position paper en het opstarten van de 2e projectfase. Daarmee vormt dit onderdeel de basis voor een gespreksonderlegger tussen de deelnemende partijen in fase 2. Het uitvoeren van risicoanalyses is een permanent onderdeel van de verschillende projectfases.
Fases risico’s Het traject om te komen tot de aanleg van een warmtenet kent verschillende fases om te komen van het oorspronkelijke idee tot uiteindelijke exploitatie. Hoewel de exacte terminologie kan verschillen, is het project om te komen tot een regionaal Warmtenet Zuid-Limburg grofweg in te delen in de volgende fases: •
•
•
•
• •
Fase 1 – Kwartiermakersfase: In kaart brengen van de (technische) potentie van een regionaal warmtenet en inventariseren bereidheid van een breed scala aan partijen om deel te nemen aan het project. Afspraken over de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de volgende fase worden vastgelegd. Fase 2 – Voorbereidende fase: Gaat vooraf aan het sluiten van een overeenkomst. Een deel van de partijen gaat uitgebreider met elkaar in gesprek en leggen de kaders voor warmtelevering met elkaar vast. Fase 3 – Ontwikkelfase: Partijen werken een technisch- en financieel plan uit voor de totstandkoming van het warmtenet, met o.a. een systeemontwerp, gedetailleerde businesscase, investeringsvoorstel voor projectpartners en contracten voor warmtelevering en -afname. Fase 4 – Aanlegfase: Deze fase omvat de fysieke aanleg van een warmtenet, ontsluiting van de warmtebron, aansluiting van klanten en inrichten van een formele organisatie voor de exploitatie van het warmtenet. Fase 5 – Exploitatiefase: In deze fase is er sprake ven een werkend warmtesysteem en operationele exploitatieorganisatie. Fase 6 – Amovatie-fase: In deze fase wordt overgegaan tot het vernieuwen of verwijderen van het warmtenet en bijbehorende infrastructuur.
Risico-categorieën In totaal zijn 15 verschillende risicocategorieën benoemd (zie figuur 5). Categorieën kunnen in meerdere fases optreden. Ook kunnen risico's diverse oorzaken en gevolgen hebben, waardoor dezelfde categorie meermaals binnen dezelfde fase terug kan komen. De categorieën zijn redelijk vanzelfsprekend en worden derhalve niet nader toegelicht.
Oorzaak, risico en gevolg Na ‘fase’ en ‘risico-categorie’ volgt voor ieder individueel risico een beschrijving van de mogelijke oorzaak, het bijbehorende risico en gevolgen. Waar risico's verschillende mogelijke oorzaken, risico's of gevolgen heeft, worden deze voor zover mogelijk separaat weergegeven. Middels een risicochecklist (zie figuur 6) is gecontroleerd of er geen risico's over het hoofd zijn gezien.
43
Beoordeling risico's (gevolg x kans) Bij een risicoanalyse worden bedreigingen benoemd en in kaart gebracht. Per bedreiging wordt de kans van het optreden ervan bepaald en wordt vervolgens berekend wat als gevolg de schade is die op zou kunnen treden als een bedreiging zich daadwerkelijk voordoet. Zowel gevolgen en kansen worden weergegeven op basis van een score tussen 1 en 5. De beoordeling van een risico komt tot stand door ‘kans’ maal ‘gevolg’. Deze leidt vervolgens tot een rating ‘laag’ (score 0-6), ‘gemiddeld’ (score 7-12) of ‘hoog’ (score > 12). Figuur 6: Risico-checklist
Mitigerende maatregel en risico-eigenaar Ook de mate waarin risicomanagement kan worden toegepast is van belang om de relevantie en urgentie van de benoemde risico's te beoordelen. Daarbij zijn ook de risicoverdeling tussen verschillende stakeholders, de mate waarin de stakeholder beschikt over de middelen om deze risico's te mitigeren en de governance structuur. Ook externe risico's, buiten de invloedssfeer van de betrokken partijen, worden kort benoemd.
8.2.
Belangrijkste risico’s
Voor een volledig overzicht van de geïnventariseerde risico’s verwijzen we naar de Excel-tabel in bijlage 8 Onderstaand worden de belangrijkste risico’s (gevolg x kans ≥ 10) benoemd voor de kwartiermakersfase en voorbereidingsfase, gevolgd door een beknopte doorkijk naar een aantal belangrijke risico’s in de ontwikkelfase. 44
Kwartiermakersfase De belangrijkste risico’s in de kwartiermakersfase zijn: •
•
•
• •
Planning: Door hoge werkdruk komen medewerkers niet toe aan alle taken en verantwoordelijkheden die er liggen, waardoor het project noemenswaardige vertraging loopt of zelfs stil komt te liggen, of partijen onvoldoende aangehaakt zijn bij het proces; Draagvlak: Onvoldoende maatschappelijk of politiek draagvlak voor (regionale) warmtenetten leidt tot vertraging of stilvallen van het project. Dit kan ertoe leiden dat besluitvorming over wezenlijke processtappen (bijv. oprichting entiteit) uitblijven; Samenwerking: Door conflicterende belangen wordt onvoldoende samengewerkt en worden niet de (hoogste) maatschappelijke baten conform Klimaatakkoord nagestreefd. Risico is ook dat niet alle in deze fase benodigde expertise beschikbaar wordt gesteld of beschikbare expertise tussentijds wegvalt; Wet- en regelgeving: Onduidelijkheid omtrent wet- en regelgeving (met name de Wcw) leidt ertoe het project ‘on-hold’ wordt gezet; Besluitvorming: Mogelijke afbreukrisico’s als gevolg van vertraging of uitblijven van besluitvorming door publieke partijen, waardoor een regionaal warmtenet nu of in de toekomst niet of moeilijker van de grond komt.
Voorbereidingsfase De belangrijkste risico’s in de onderhandelfase zijn: •
• •
•
Planning: Doordat financiële middelen en/of capaciteit niet tijdig na besluitvorming ter beschikking worden gesteld, kan niet worden gestart met (alle) benodigde werkzaamheden. Door uitloop van de werkzaamheden kunnen de beschikbaar gestelde financiële middelen en/of capaciteit onvoldoende blijken om te komen tot een ontwikkelovereenkomst; Financiering: Projectpartners dragen onvoldoende budget bij voor de werkzaamheden in de ontwikkelfase, waardoor de fase niet (tijdig) kan worden afgerond; Samenwerking: Door conflicterende belangen wordt onvoldoende samengewerkt en worden niet de (hoogste) maatschappelijke baten conform Klimaatakkoord nagestreefd. Risico is ook dat niet alle in deze fase benodigde expertise beschikbaar wordt gesteld of beschikbare expertise tussentijds wegvalt; Besluitvorming: Mogelijke afbreukrisico’s als gevolg van vertraging of uitblijven van besluitvorming door publieke partijen, waardoor een regionaal warmtenet nu of in de toekomst niet of moeilijker van de grond komt.
Ontwikkelfase Ook in de ontwikkelfase komen bovenstaande risico’s terug. Risico’s die specifiek betrekking hebben op het ontwikkelproces van een warmtenet zijn het aantrekken van voldoende financiering voor het aanleggen van het netwerk, het uitkoppelen van de restwarmte, het aansluiten van voldoende potentiële afnemers, het sluitend maken van de businesscase en het verkrijgen van de benodigde vergunningen en het verkrijgen/behouden van maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak.
45
9. Just Transition Mechanism In 2021 hebben de gemeenten Beek, Stein, Sittard-Geleen en de Provincie Limburg een ambtelijke werkgroep geformeerd om oplossingen voor bestaande knelpunten binnen HGN Zuid te onderzoeken. HGN Zuid is een 2017 ingezette ontwikkeling om in deze gemeenten een warmtenet te ontwikkelen). Uit dit onderzoek is o.a. gebleken dat het heel moeilijk is een dergelijk project te financieren als publiek private samenwerking (PPS). Tegelijk werd bekend dat vanuit Europa een financiering met subsidiecomponent beschikbaar kon komen via het Europese Just Transition Mechanism (JTM), mits een grootschalige uitrol van HGN Zuid werd nagestreefd. De ambtelijke werkgroep heeft bij afronding van haar werkzaamheden in februari 2022 geadviseerd hierop in te zetten. Onder regie van Provincie Limburg en samen met de betrokken gemeenten is in juli 2022 een extern consortium van drie adviesbureaus gecontracteerd om een financierbare businesscase te ontwikkelen voor HGN Zuid. Door het consortium zijn diverse memo’s opgesteld. Deze documenten dienen als input voor het financieringsmodel en de uiteindelijke businesscase voor HGN Zuid. Begin 2023 is besloten, vanwege de overlap, het onderzoek van het consortium te incorporeren in het WZL traject.