Definitieve rapportage ETHOS Westelijke Mijnstreek
Tekst van het document
ETHOS-telling van dak- en thuisloosheid
Regio Westelijke mijnstreek
Iedereen telt mee ETHOS-telling van dak- en thuisloosheid in regio westelijke mijnstreek
Onderzoeksrapportage
Hogeschool Utrecht Lectoraat Wonen en Welzijn
Colofon De ETHOS-telling is een initiatief van Hogeschool Utrecht en Kansfonds. Uitvoering Hogeschool Utrecht, Lectoraat Wonen en Welzijn Met medewerking van Regio Westelijke Mijnstreek (regionale coördinatie door Lieke Janssen) Catelijne Akkermans (kwalitatief onderzoek naar arbeidsmigranten en campings en vakantieparken) Jan de Vries (onderzoeker vanuit mensenrechtenperspectief) Ronja Bruijns (onderzoeker met ervaringskennis) Auteurs Marte Kuijpers, MSc Drs. Dorieke Wewerinke Annabel Scheepers, MSc Lincy Scholten, MSc Dr. Lia van Doorn Dr. Sandra Schel In samenwerking met KU Leuven: prof. dr. Koen Hermans, Nana Mertens en Evelien Demaerschalk Financiers Kansfonds (coördinatie door Willem van Sermondt, Esther Vogel en Eva Mos) Robin Jung Fonds Ontwerp Anke Muijsers - www.visual-research.studio (vormgeving) Marieke Odekerken - www.mariekeodekerken.nl (fotografie) Datum publicatie: 9 oktober 2024 Bronvermelding bij gebruik van deze rapportage: Kuijpers, M., Wewerinke, D., Scheepers, A., Scholten, L., van Doorn, L., & Schel, S. (2024). Iedereen telt mee. Resultaten ETHOS-telling van dak- en thuisloosheid in regio Westelijke Mijnstreek. Utrecht: Hogeschool Utrecht.
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
9
1.1
Aanleiding voor de telling
10
1.2
Noodzaak tot andere telling van dakloosheid in Nederland
10
1.3
De ETHOS-Light definitie van dakloosheid
11
1.4
Aanvullend kwalitatief onderzoek naar arbeidsmigranten en verblijf op campings en vakantieparken
11
1.5
Leeswijzer
12
Hoofdstuk 2 Methode ETHOS-telling
15
2.1
Onderzoeksmethode
16
2.2
Afbakening van de doelgroep
16
2.3
Onderzoeksprocedure
18
2.4
Invullen van de vragenlijst
19
2.5
Voorkomen van dubbeltellingen
19
2.6
Organisatie van de telling
20
2.7
Deelnemende organisaties
21
2.8
Non-respons
22
2.9
Betrouwbaarheid van de resultaten
22
Hoofdstuk 4 Resultaten kwalitatief onderzoek naar arbeidsmigranten en verblijf op campings en vakantieparken
43
4.1
Arbeidsmigranten in een situatie van dak- of thuisloosheid
44
4.1.1 Zicht op het aantal dak- en thuisloze arbeidsmigranten in de zes regio’s
44
4.1.2 Profielkenmerken van dak- en thuisloze arbeidsmigranten
45
4.1.3 Leefsituaties van dak- en thuisloze arbeidsmigranten
46
Mensen die noodgedwongen verblijven op campings en vakantieparken
47
4.2.1 Zicht op het aantal mensen op campings en vakantieparken in de zes regio’s
47
4.2.2 Profielkenmerken van mensen op campings en vakantieparken
48
4.2.3 Leefsituaties van mensen die verblijven op campings en vakantieparken
50
4.2
Hoofdstuk 5 Samenvatting en conclusies
53
5.1
Samenvatting
54
5.1.1 Eerste telling aan de hand van de ETHOS-Light definitie in regio Westelijke Mijnstreek
54
5.1.2 Het aantal dak- en thuisloze mensen in regio Westelijke Mijnstreek
54
5.1.3 Profielkenmerken van de getelde dak- en thuisloze mensen
55
Conclusies
55
5.2.1 Veel vrouwen zijn dak- of thuisloos
56
5.2.2 Dak- en thuisloosheid treft een groot aantal kinderen en jongeren
56
5.2.3 Arbeidsmigranten op straat vormen het topje van de ijsberg
56
5.2.4 Veel mensen verblijven noodgedwongen in niet-conventionele woonruimten
56
5.2.5 Een op de zeven getelde volwassenen is langdurig dak- of thuisloos
57
5.2.6 Het organiseren van een ETHOS-telling levert veel op
57
Terugblik op de ETHOS-telling in regio Westelijke Mijnstreek
57
5.2
2.10 Kwalitatief onderzoek naar arbeidsmigranten en verblijf op campings en vakantieparken
23
Hoofdstuk 3 Algemene resultaten van de telling
25
3.1
Het aantal dak- en thuisloze mensen in regio Westelijke Mijnstreek
26
3.1.1 In openbare ruimte
27
3.1.2 In noodopvang voor dakloze mensen
27
3.1.3 In tijdelijke opvang voor dakloze mensen
27
3.1.4 In een instelling
27
3.1.5 In een niet-conventionele woonruimte
28
3.1.6 Bij familie, vrienden of derden
29
3.1.7 Dreigende huisuitzetting
29
3.1.8 Verblijfssituatie 26 maart – 9 april 2024
30
Bijlage 1: ETHOS-classificatie
65
3.1.9 Aantal dak- en thuisloze volwassenen en kinderen per gemeente
31
Bijlage 2: ETHOS-Light
66
De profielkenmerken van de getelde dak- en thuisloze mensen
32
Bijlage 3: Deelnemende diensten en (sub)organisaties
67
3.2.1 Gender
32
3.2.2 Leeftijd
33
3.2.3 Nationaliteit en geboorteland
34
3.2.4 Samenstelling huishouden
34
3.2.5 Gezondheid
35
3.2.6 Verleden in een instelling
36
3.2.7 Inkomstenbronnen
37
3.2.8 Actieve begeleiding
37
3.2.9 Briefadres
38
3.2.10 Aanleiding(en) voor dak- en thuisloosheid
38
3.2.11 Duur van dak- en thuisloosheid
40
Opvang van Oekraïense vluchtelingen
41
3.2
3.3
5.3
Hoofdstuk 6 Blik op de toekomst
61
6.1
Van tellen naar oplossen
62
6.2
Derde telronde (2025)
62
Referenties
64
Bijlagen
65
1
Inleiding
inleiding
1.1 Aanleiding voor de telling De Nederlandse overheid stelt zich als doel om dakloosheid volledig uit te bannen vóór 2030 (Ministerie van BZK et al., 2022). Om dit doel te bereiken zijn gegevens over de aard en omvang van dak- en thuisloosheid in Nederland van cruciaal belang. Hoeveel mensen er dak- en thuisloos zijn in Nederland is echter niet duidelijk. Ook is niet bekend wat hun kenmerken en leefsituaties zijn. In het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023-2030) wordt gewezen op het belang van betere monitoring van dakloosheid, zodat er gericht kan worden gestuurd aan de hand van kwantitatieve gegevens. De huidige monitoring van dakloosheid in Nederland biedt hiertoe onvoldoende mogelijkheden (Ministerie van BZK et al., 2022). Om beter zicht te krijgen op de aard en omvang van dak- en thuisloosheid voerde Hogeschool Utrecht in samenwerking met Kansfonds in 2024 voor de tweede keer de ETHOS-telling uit. Ditmaal in zes Nederlandse regio’s: regio Breda met centrumgemeente Breda, regio Gelderland-Zuid met centrumgemeente Nijmegen, regio Hart van Brabant met centrumgemeente Tilburg, regio Holland Rijnland met als grootste gemeente Leiden, regio West-Friesland met centrumgemeente Hoorn en regio Westelijke Mijnstreek met centrumgemeente Sittard-Geleen.
Hierbij werd gebruik gemaakt van een voor Nederland nieuwe definitie van dakloosheid, de ETHOS-Light classificatie, en van een nieuwe telmethode. Dit rapport bevat de resultaten van de telling die plaatsvond op 9 april 2024 in regio Westelijke Mijnstreek. De telling is uitgevoerd in nauwe samenwerking met de gemeenten die onderdeel uitmaken van deze regio: SittardGeleen, Beek en Stein.1 Het onderzoeksteam van Hogeschool Utrecht werd ondersteund door het onderzoeksteam van de Katholieke Universiteit Leuven dat de toegepaste telmethode ontwikkelde. Dit onderzoeksteam, onder leiding van prof. dr. Koen Hermans, past de telmethode sinds 2020 met succes toe in een groot aantal Belgische regio’s. Met toestemming van de Katholieke Universiteit Leuven passen wij de methode dit jaar voor de tweede keer toe in Nederland. Met het uitvoeren van de telling geven de gemeenten in regio Westelijke Mijnstreek, Hogeschool Utrecht en Kansfonds een impuls aan het in kaart brengen van dak- en thuisloosheid in Nederland. De betrokken gemeenten hebben de ambitie om dak- en thuisloosheid in hun regio’s gedegen aan te pakken. Zij willen hun beleid gericht op preventie en aanpak van dakloosheid baseren op concrete cijfers en profielkenmerken van dak- en thuisloze mensen in hun regio.
1.2 Noodzaak tot andere telling van dakloosheid in Nederland
Regio westelijke mijnstreek
In Nederland wordt dakloosheid op verschillende manieren in kaart gebracht. De methoden die hierbij gebruikt worden, kennen echter veel beperkingen. Daardoor wordt niet de gehele populatie in kaart gebracht: onder meer kinderen, vijfenzestigplussers en ongedocumenteerde mensen komen niet in de bestaande cijfers voor. Bovendien is het met de gehanteerde methoden niet mogelijk om een goed beeld te krijgen van dak- en thuisloosheid op regionaal- en gemeentelijk niveau. Hierdoor kan geen passend beleid worden gemaakt gericht op het voorkomen en uitbannen van dak- en thuisloosheid. Een uitgebreide toelichting hierop is te vinden in de onderzoeksrapporten van de eerste ETHOS-tellingen.
1
Regio Westelijke Mijnstreek is een subregio van regio Maastricht-Heuvelland met Maastricht als gelijknamige centrumgemeente van de regio. De subregio nam het voortouw bij het in kaart brengen van dak- en thuisloosheid in Zuid-Limburg. De rest van de gemeenten uit regio Maastricht (Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Maastricht, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul) zullen deelnemen aan de derde telronde van het ETHOS-telonderzoek dat in oktober 2024 zal starten. De resultaten van de derde telronde worden in
De ETHOS-Light classificatie wordt binnen de Europese Unie en door vooraanstaande onderzoekers in Europa gezien als de best onderbouwde manier om dakloosheid te meten (Edgar, 2012; Baptista & Marlier, 2019). ETHOS staat voor ‘European Typology of Homelessness and Housing Exclusion’ en definieert dakloosheid als een gebrek aan volwaardige huisvesting. De brede ETHOS-classificatie bestaat uit dertien operationele categorieën die een onvolwaardige huisvestingssituatie beschrijven. Deze zijn onderverdeeld in vier conceptuele categorieën: dakloosheid, thuisloosheid, onveilige huisvesting en onbehoorlijke huisvesting (FEANTSA, 2005; zie ook Bijlage 1). Voor het meten van dakloosheid werd in 2006 een afgeslankte versie geïntroduceerd: ETHOS-Light (zie kader). Deze versie omvat zes van de dertien categorieën van de brede ETHOS-classificatie en geldt als een minimale classificatie van dakloosheid. Alle mensen die geen eigen (t)huis hebben kunnen hiermee in beeld worden gebracht (FEANTSA, 2018; zie ook Bijlage 2). De ETHOS-Light definitie sluit goed aan bij het feit dat de verblijfssituatie van dak- en thuisloze mensen vaak wisselt. Mensen verblijven bijvoorbeeld (noodgedwongen) afwisselend tijdelijk bij vrienden, in nietconventionele woonruimten, in de noodopvang voor dak- en thuisloze mensen of op straat (Schel et al., 2023).
Uit onderzoek blijkt dat een huisuitzetting een belangrijke route is naar dakloosheid (Al Shamma et al., 2015). Om die reden heeft het onderzoeksteam van de Katholieke Universiteit Leuven een zevende categorie aan de classificatie toegevoegd: mensen die hun woning binnen een maand moeten verlaten zonder dat zij zicht hebben op een passende woonoplossing (Hermans et al., 2021). Met de ETHOS-Light definitie kan naast zichtbare dakloosheid ook verborgen dakloosheid in beeld worden gebracht, met name onder mensen die verblijven bij vrienden, familie of derden en onder mensen die verblijven in een nietconventionele woonruimte, zoals een auto, stacaravan, schuur of woning zonder basisvoorzieningen. ETHOS-Light categorieën + dreigende huisuitzetting 1.
Mensen die verblijven in de openbare ruimte
2.
Mensen die verblijven in de noodopvang voor dakloze mensen
3.
Mensen die verblijven in tijdelijke opvang voor dakloze mensen
4.
Mensen die een instelling verlaten zonder passende vervolghuisvesting en mensen die langer in een instelling verblijven wegens gebrek aan passende vervolghuisvesting
5.
Mensen die verblijven in niet-conventionele woonruimten vanwege een gebrek aan passende huisvesting
6.
Mensen die tijdelijk verblijven bij familie, vrienden of derden
+
Mensen met een dreigende huisuitzetting zonder passende vervolghuisvesting
De ETHOS-Light definitie van dakloosheid was leidend bij de telling die in regio Westelijke Mijnstreek werd uitgevoerd. Omdat bij deze definitie de leefsituatie centraal staat, wordt iedereen die zich bevindt in een leefsituatie die valt onder de ETHOS-Light categorieën beschouwd als dak- of thuisloos. Daarbij maakt het niet uit welke status mensen hebben voor de wet en voor beleid. Concepten als wettelijke verblijfsstatus, regiobinding en recht op voorzieningen spelen geen rol in het al dan niet geteld worden.
1.4 Aanvullend kwalitatief onderzoek naar arbeidsmigranten en verblijf op campings en vakantieparken Bij de pilot ETHOS-tellingen in 2023 bleek het moeilijk om dak- en thuisloosheid onder arbeidsmigranten en mensen die verblijven op campings en vakantieparken goed in beeld te krijgen. Deze groepen overlappen ook deels, omdat veel arbeidsmigranten op campings en vakantieparken verblijven. De ETHOS-telling gaat uit van medewerking van organisaties die in contact staan met dak- en thuisloze personen (zie Hoofdstuk 2 voor nadere toelichting op de methode). Echter, de organisaties die meetelden in 2023 hadden onvoldoende zicht op deze specifieke groepen. In 2024 is daarom extra inzet gepleegd om organisaties te betrekken
oktober 2025 verwacht. 10
11
1
1.3 De ETHOS-Light definitie van dakloosheid
1 Inleiding
inleiding 1
die in contact staan met arbeidsmigranten en mensen die verblijven op campings en vakantieparken. Om een beter begrip van en zicht op deze groepen te verkrijgen is daarom besloten om ook een aanvullend kwalitatief onderzoek uit te voeren naar dak- en thuisloosheid onder arbeidsmigranten en mensen die verblijven op campings en vakantieparken.
1.5 Leeswijzer
Regio westelijke mijnstreek
Hoofdstuk 2 van dit rapport geeft een beschrijving van de methode van de ETHOS-telling. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de ETHOS-telling weer. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten weer van het kwalitatieve deelonderzoek naar arbeidsmigranten en personen die noodgedwongen verblijven op campings en vakantieparken. Hoofdstuk 5 geeft een samenvatting en beschrijft de conclusies van het onderzoek en in Hoofdstuk 6 blikken we vooruit op de toekomst.
12
13
2
methode ethos-telling
Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de aard en omvang van dak- en thuisloosheid in regio Westelijke Mijnstreek door middel van een regionale telling van dak- en thuisloosheid. De volgende twee onderzoeksvragen staan daarbij centraal: 1. Hoeveel personen zijn dak- of thuisloos in regio Westelijke Mijnstreek en in welke leefsituatie bevinden deze personen zich? 2. Wat is het profiel van de dak- en thuisloze personen in regio Westelijke Mijnstreek?
2.1 Onderzoeksmethode Om bovenstaande onderzoeksvragen te beantwoorden is er gebruik gemaakt van een point-in-time telling. Bij een point-in-time telling wordt op een bepaald moment (dag of week) een telling georganiseerd in een geografisch afgebakend gebied (Hermans et al., 2021). Er zijn verschillende manieren om een pointin-time telling uit te voeren. De methode die door ons werd toegepast vertrekt vanuit een intensieve samenwerking met zoveel mogelijk organisaties die met dak- en thuisloze personen in contact komen. Op één specifieke dag vullen medewerkers van deze organisaties voor alle personen in een leefsituatie van dak- of thuisloosheid een vragenlijst in met vragen over de leefsituatie en over diverse kenmerken van de personen die geteld worden. De betrokkenheid van een onafhankelijke onderzoeksinstelling is van belang om de privacy van de getelde personen te garanderen. Er is bij deze telling bewust gekozen voor het werken met een vragenlijst, omdat dit een middel is om ook profielkenmerken in kaart te kunnen brengen. Zicht op profielkenmerken stelt gemeenten in staat om gerichter beleid te ontwikkelen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen (Wewerinke et al., 2023a). Dat beleid kan zich bijvoorbeeld richten op specifieke groepen of op specifieke leefsituaties.
Door álle organisaties te betrekken die in contact staan met dak- en thuisloze personen, dus niet alleen de organisaties die zich specifiek op deze groep richten, komt bovendien ook verborgen dak- en thuisloosheid in beeld. Omdat deze organisaties in aanloop naar de telling intensief samenwerken, groeide hun kennis over de problematiek van dak- en thuisloosheid en hun inzicht in hoe zij kunnen bijdragen aan een betere ondersteuning van dak- en thuisloze mensen. De ervaring leert dat dit proces leidt tot meer draagvlak voor een gezamenlijke aanpak van dak- en thuisloosheid in de regio waar de telling plaatsvindt (Vermeir & Samyn, 2021). Een beperking van de gehanteerde methode is dat een point-in-time telling minder goed in staat is om inzicht te geven in de dynamiek van dak- en thuisloosheid. Dit komt omdat er een momentopname wordt gemaakt. Monitoringsinstrumenten van gemeenten en organisaties zijn beter geschikt voor het in kaart brengen van de dynamiek van dak- en thuisloosheid onder de groepen mensen die zij in beeld hebben. Een tweede belangrijke beperking van de gehanteerde methode is dat deze maar beperkt inzicht biedt in routes naar dak- en thuisloosheid in de regio. Daarvoor zijn andere onderzoeksmethoden geschikter.
Mensen die verblijven in de openbare ruimte (op straat of in de natuur).
2. In noodopvang voor dakloze mensen
Mensen die in laagdrempelige en kortdurende opvang voor dakloze mensen verblijven, zoals nachtopvang, dag- en nachtopvang, noodopvang of winteropvang.
3. In tijdelijke opvang voor dakloze mensen
Mensen die in een tijdelijke opvangplek voor dakloze mensen verblijven, zoals 24-uurs opvang, crisisopvang, vrouwenopvang, jongerenopvang, gezinsopvang, doorstroomwoningen of alternatieve tijdelijke opvang specifiek bedoeld voor dakloze mensen.
4. Mensen die uitstromen uit een instelling / langer verblijven in een instelling
a. Mensen die binnen een maand na de teldag een instelling verlaten zonder passende vervolghuisvesting (bijvoorbeeld de gevangenis, ziekenhuis, jeugdzorginstelling, GGZ-instelling, beschermd wonen of AZC) b. Mensen die vanwege een gebrek aan passende huisvesting langer dan nodig verblijven in een instelling.
5. In niet-conventionele woonruimten
Mensen die verblijven in niet-conventionele woonruimtes vanwege een gebrek aan een passende woonoplossing. Bijvoorbeeld in een (sta)caravan, hut, garage, kraakpand, auto, op een camping, in een hotel / B&B, een vakantiewoning zonder rechtsgeldig huurcontract of een woning zonder basisvoorzieningen zoals een keuken of badkamer.
6. Bij familie, vrienden of derden
Mensen die tijdelijk verblijven bij (gast)familie, vrienden of derden, wegens gebrek aan eigen huisvesting.
+ Dreigende huisuitzetting
Mensen die hun woning binnen een maand na de teldag moeten verlaten, zonder dat zij zicht hebben op een stabiele woonoplossing. Bijvoorbeeld vanwege: een betekend vonnis tot gerechtelijke huisuitzetting, een beslissing onbewoonbaarheid, beslissing ongeschiktheid, een beëindigd of verlopen huurof omklapcontract, terugnamebevel van een koopwoning, tijdelijke sluiting van de woning op basis van Wet Damocles of vanwege sloop of renovatie.
b. De persoon heeft een link met de regio De getelde personen moesten ook een link hebben met de regio. In de volgende situaties werden mensen meegeteld: • •
2.2 Afbakening van de doelgroep De personen die door middel van deze point-in-time telling werden geteld in regio Westelijke Mijnstreek moesten voldoen aan de volgende twee voorwaarden:
Regio westelijke mijnstreek
1. In openbare ruimte
De persoon verbleef op de teldag in regio Westelijke Mijnstreek (Sittard-Geleen, Beek of Stein, zie ook Figuur 2). De persoon verbleef buiten de regio, maar had het laatste officiële woonadres in de regio. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een persoon vanuit de tellende regio vlucht naar de vrouwenopvang in een andere regio, of wanneer een persoon vanuit de tellende regio tijdelijk verblijft in een andere regio omdat deze persoon daar verblijfsmogelijkheden heeft, bijvoorbeeld bij vrienden, familie of derden.
a. De persoon bevindt zich in een situatie van dak- of thuisloosheid Een situatie van dak- of thuisloosheid definiëren we zoals gezegd aan de hand van ETHOS-Light + dreigende huisuitzetting. De categorieën die hiertoe behoren worden nader gespecificeerd in Figuur 1. Op basis van het conceptuele model zijn alle mogelijke leefsituaties van dak- en thuisloosheid geordend. In elke categorie zijn diverse leefsituaties te onderscheiden.
16
17
Methode ethos-telling
2 Methode ETHOS-telling
2
Figuur 1. Toelichting ETHOS-Light categorieën + dreigende huisuitzetting
Sittard-Geleen
Op de teldag zelf of kort daarna probeerden medewerkers te achterhalen waar de personen die aan de criteria voldeden verbleven in de nacht van 8 op 9 april. Zo kon de actuele verblijfssituatie worden ingevuld in de vragenlijst. De medewerkers vulden ook – indien bekend – de verblijfssituatie(s) van de persoon in de twee weken voorafgaand aan de telling in. Hier werd naar gevraagd, omdat het voor de medewerkers van de deelnemende organisaties niet altijd mogelijk is om de exacte verblijfssituatie op de teldag te achterhalen. Op deze manier wordt toch informatie verkregen over de verblijfssituatie(s) van deze personen. Bovendien geeft deze informatie inzicht in de dynamiek van dak- en thuisloosheid, omdat bij deze vraag meerdere verblijfssituaties konden worden aangegeven. Indien er geen informatie was over de verblijfssituatie in de nacht van 8 op 9 april of over de verblijfssituatie(s) in de twee weken voorafgaand aan de telling dan werden mensen niet meegeteld.
2.4 Invullen van de vragenlijst Stein
Beek
Er waren geen voorwaarden verbonden aan de duur van het verblijf in de regio: ook indien de persoon er één nacht verbleef, werd de persoon meegeteld. Er is steeds gekeken naar de actuele situatie van de persoon op de teldag. Alle personen die op de teldag voldeden aan de twee criteria werden meegeteld.
Regio westelijke mijnstreek
2.3 Onderzoeksprocedure Alle personen die aan bovenstaande voorwaarden voldeden en in beeld waren bij een van de deelnemende organisaties werden geteld op één specifieke datum: 9 april 2024. De verblijfssituatie, uitgedrukt in de ETHOSLight categorie, betreft de nacht voorafgaand aan de teldag, dus de nacht van 8 op 9 april. Deelnemende organisaties vulden op de teldag of in de twee weken daarna een online vragenlijst in over de personen die voldeden aan de genoemde criteria. Deelnemende verblijfsinstellingen vulden de vragenlijsten in binnen een maand na de teldag, omdat bij de verblijfsinstellingen onder meer werd gekeken naar personen die een instelling verlaten zonder passende woonoplossing binnen een maand na de teldag. Niet altijd was op de teldag al bekend of mensen de verblijfsinstelling binnen een maand zouden verlaten zonder passende woonoplossing (denk bijvoorbeeld aan een schorsing van een persoon bij een instelling vanwege ongewenst gedrag).
De vragenlijst bestond gemiddeld genomen uit 25 vragen (het exacte aantal vragen is afhankelijk van de ingevulde antwoorden). Naast de verblijfssituatie op de teldag en de twee weken voorafgaand aan de teldag werd ook gevraagd naar een aantal profielkenmerken. De vragen in de vragenlijst zijn grotendeels gebaseerd op de Europese MPHASIS-richtlijnen voor het meten van dak- en thuisloosheid (MPHASIS, 2009) 2 . De vragenlijsten werden ingevuld door de medewerkers van de deelnemende organisaties. Zij maken een inschatting over de situatie van de betreffende persoon. Indien gewenst konden zij de vragenlijst invullen samen met de dak- of thuisloze persoon. In dat geval werd de persoon actief om toestemming gevraagd voor deelname aan het onderzoek door de betreffende medewerker. Een handleiding met uitgebreide instructies voor het invullen van de vragen ondersteunde de organisaties bij het invullen van de vragenlijst. Organisaties konden de vragenlijst op voorhand invullen op papier of in een PDF-versie om de werkdruk te verspreiden. De vragenlijsten werden vervolgens via een online link ingevoerd.
2.5 Voorkomen van dubbeltellingen Hoe meer organisaties meetellen, hoe groter de kans dat mensen twee keer of vaker geteld worden. Om dubbeltellingen te identificeren werd er gebruik gemaakt van een naamcode. Om de identiteit van de getelde personen te beschermen, werden geen namen of burgerservicenummers genoteerd. De naamcode bestaat uit de eerste letter van de voornaam en de eerste en laatste letter van de (volledige) achternaam3. Bij Jan De Wit is de naamcode bijvoorbeeld JDT. Aan de hand van de naamcodes, gecombineerd met informatie uit de vragenlijst over de persoonskenmerken en leefsituatie van de getelde personen, identificeren en verwijderen de onderzoekers de dubbeltellingen. Na het verwijderen van de dubbeltellingen werden de naamcodes en de exacte leeftijd uit het databestand verwijderd en apart opgeslagen in de digitale kluis van Hogeschool Utrecht om de privacy van de getelde personen te waarborgen.
2
Voorafgaand aan de teldag werd de telling door de deelnemende organisaties voorbereid (zie Bijlage 3 voor een overzicht van de deelnemende organisaties). De organisaties screenden alle mensen waar zij mee in contact staan op de twee criteria voor deelname en maakten een lijst van alle personen die aan deze criteria voldeden. Vervolgens zijn deze personen door de organisaties zoveel mogelijk geïnformeerd over de telling.
MPHASIS staat voor Measuring Progress on Homelessness through Advancing and Strengthening Information Systems. Dit was een Europees project dat liep van december 2007 tot december 2009 en dat werd gefinancierd door het EU PROGRESS programme. Het voornaamste doel van MPHASIS was om de monitoring van dakloosheid en dakloosheidsbeleid in 20 Europese landen te verbeteren, gebaseerd op de aanbevelingen van het ‘Measurement of Homelessness at European Union Level’ onderzoek (University of Dundee, z.d.).
3
Bij een namenreeks is er soms geen sprake van een duidelijk onderscheid tussen een voornaam en een achternaam. Daarom werd bij een namenreeks gekeken naar de eerste letter van de eerste naam en de eerste en laatste letter van de laatste naam in de namenreeks.
18
19
Methode ethos-telling 2
Hiervoor werden posters en flyers opgehangen bij de deelnemende organisaties en voerden sommige medewerkers gesprekken met personen die aan de criteria voldeden. Indien mensen niet meegeteld wilden worden, konden zij dit aangeven bij de betrokken medewerkers. Voor deze personen is geen vragenlijst ingevuld, en ingevulde vragenlijsten over deze personen bij andere organisaties zijn verwijderd.
Figuur 2. Regiokaart Westelijke Mijnstreek
Methode ethos-telling
2.6 Organisatie van de telling
Figuur 3. Tijdlijn ETHOS-telonderzoek
Begin februari 2024 werd een startbijeenkomst georganiseerd om bestuurders en managers van de regionale organisaties te informeren over de telling. Een onderzoeker van Hogeschool Utrecht lichtte op deze dag de wetenschappelijke basis en de praktische uitwerking van de telling toe. De gemeenten deden een oproep aan alle aanwezige organisaties om deel te nemen aan de telling. In de maand maart vonden vier informatiesessies plaats om medewerkers van de organisaties te informeren over het onderzoek en hen te instrueren over het invullen van de vragenlijsten. Drie van deze sessies vonden fysiek plaats, één sessie vond online plaats. Deze informatiesessies zijn goed bezocht. In aanvulling op de informatiesessies vond in de week voor de teldag ook een online vragensessie plaats, waar medewerkers van de tellende organisaties hun laatste vragen over het invullen van de vragenlijst konden stellen aan de onderzoekers. De vragenlijst en de handleiding bij de vragenlijst werden aangescherpt op basis van de vragen en opmerkingen die tijdens de informatie- en vragensessies naar voren kwamen. Alle vragen die tijdens de informatieen vragensessies werden gesteld door de medewerkers van de organisaties en de antwoorden op deze vragen werden gebundeld in een document met veel gestelde vragen. Dit document werd naar alle organisaties toegestuurd.
Op de teldag zelf en in de weken daarna waren de onderzoekers telefonisch en per mail bereikbaar voor het beantwoorden van vragen over het invullen van de vragenlijst. De regionale coördinator bezocht op de teldag diverse meetellende organisaties om te horen hoe de telling verliep en om de organisaties te bedanken voor hun inzet. In de weken na de teldag is steeds gekeken hoeveel vragenlijsten er waren ingediend door de verschillende organisaties. Alle organisaties ontvingen herinneringsmails met het verzoek om de vragenlijsten tijdig in te dienen. Organisaties die nog geen vragenlijsten hadden ingevoerd en organisaties die minder vragenlijsten hadden ingevoerd dan verwacht werden gebeld door de regionale coördinator om na te gaan of er voldoende geteld was. Op deze manier is gezorgd voor een zo groot mogelijke respons. De onderzoekers zochten contact met de organisaties die de vragenlijsten hadden ingevuld indien er onduidelijkheid bestond over de leefsituatie van mensen die geteld waren.
Regio westelijke mijnstreek
In juni 2024 vond tijdens een feedbackmoment in Sittard-Geleen een terugkoppeling van de voorlopige resultaten van de telling plaats. Vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten, leden van de werkgroep en vertegenwoordigers van de belangrijkste telorganisaties waren hierbij aanwezig. Tijdens het feedbackmoment gingen de onderzoekers met deelnemers in gesprek over de telmethode en over het aantal mensen dat geteld is in verschillende leefsituaties in de verschillende gemeenten. Vanuit hun kennis van de situatie in de regio reflecteerden zij op de cijfers. Zo gingen we na of er voldoende geteld is en of de resultaten een juiste weergave zijn van de werkelijke situatie in de regio.
20
2
De organisatie van de telling was grotendeels in handen van een regionale coördinator die in dienst is van een van de gemeenten in de regio (zie Figuur 3 voor de tijdlijn van de telling). Deze regionale coördinator organiseerde de telling in nauwe samenwerking met het onderzoeksteam. Een regionale werkgroep met vertegenwoordigers van de belangrijkste tellende organisaties werd samengesteld om de regionale coördinator te ondersteunen bij de organisatie van de telling. De werkgroep werd nauw betrokken bij het gehele proces van de telling. Om een zo valide mogelijke telling te organiseren, werd gestreefd naar deelname van zoveel mogelijk organisaties die in contact staan met dak- en thuisloze personen in de regio. De werkgroep droeg bij aan het maken van een overzicht van deze organisaties. Vervolgens werden de organisaties benaderd door de regionale coördinator met het verzoek om aan de telling deel te nemen.
2.7 Deelnemende organisaties In totaal namen 55 organisaties deel aan de telling in regio Westelijke Mijnstreek (zie Bijlage 3). Al deze organisaties zijn af en toe tot dagelijks in contact met de doelgroep van de telling en hebben op de teldag alle mensen met wie zij in contact zijn gescreend op de twee voorwaarden voor deelname. Bij 38 organisaties waren op de teldag mensen in beeld die in de nacht van 8 op 9 april aan de voorwaarden voldeden (zie Tabel 1). Voor deze mensen vulden de organisaties een vragenlijst in. In totaal werden er 444 vragenlijsten ingevuld. 24 van deze vragenlijsten werden ingevuld samen met de persoon om wie het ging. De overige vragenlijsten werden alleen door de medewerkers ingevuld. De onderzoekers verwijderden in totaal 73 vragenlijsten. Bij 47 vragenlijsten was sprake van dubbeltellingen die op basis van de naamcode, de leeftijd, gender en soms ook andere kenmerken werden verwijderd. 26 vragenlijsten die onvoldoende informatie over de verblijfssituatie van de personen bevatten of waarbij niet was voldaan aan de voorwaarden van de telling werden eveneens verwijderd uit het databestand. Tabel 1. Aantal ingevulde vragenlijsten per organisatie Deelnemende organisaties
Aantal ingevulde vragenlijsten
Gemeente Sittard-Geleen
87
Loket Housing Zuid-Limburg
41
ZOwonen
37
Moveoo
34
Partners in Welzijn
34
Zuyderland GGZ
33
Maximus Vastgoedbeheer
30
Gemeente Beek
26
GGD Zuid Limburg
19
Bie Zefke
15
Stichting Sociaal Overleg Zuid-Limburg
15
Zorg- en Veiligheidshuis Westelijke Mijnstreek
14
Kracht in Zorg
5
Kredietbank Limburg
5
MEE Zuid-Limburg
5
Gemeente Stein
4
21
Aantal ingevulde vragenlijsten
Levantogroep Jongeren
4
Ad Hoc beheer
3
Leger des Heils - Geloven in de buurt
3
Platform Allochtonen Geleen Breed
3
Vincentius Vereniging Beek
3
Zaam Wonen
3
KL-IK
2
VLotteam
2
Politie Basisteam Westelijke Mijnstreek
2
De Rooyse Wissel
2
Stichting Zuid-Limburg Zorgt Samen (SZLZS)
2
Woonpunt
2
Avellana Zorg
1
Casa Mama Lisi
1
DaCapo College
1
Mutsaersstichting
1
PSW
1
Talentenwerk Stein
1
Tobas Jeugdhulp
1
XONAR Vrouwenopvang
1
Zuyd Groep
1
Werkplaats Financiën Sittard-Geleen
Geteld via MEE Zuid-Limburg
Totaal
444
De ingevulde vragenlijsten zijn zoveel als mogelijk weergegeven bij de in de vragenlijst opgegeven moederorganisatie. Door onderlinge samenwerkingsverbanden (bv. in wijk- of dorpsteams) kan het zijn dat er vragenlijsten zijn ingevuld onder de noemer van een andere organisatie.
2.8 Non-respons Van alle organisaties ontvingen de onderzoekers respons op het verzoek om deelname aan het onderzoek. De volgende organisaties hadden mogelijk wel dak- en thuisloze personen in beeld, maar namen vanwege onvoldoende capaciteit niet deel aan de telling: AZC, Veilig Thuis, de afdelingen Wmo, Uitkeringen en Handhaving van gemeente Stein en een aantal verblijfsinstellingen. Diverse organisaties hebben met elkaar afgestemd wie welke mensen zou tellen. Dit werd gedaan om de tijdsinvestering van het tellen zoveel mogelijk te beperken.
Om te toetsen in hoeverre de resultaten een goede weerspiegeling zijn van de werkelijke situatie in de regio werden de resultaten tijdens een feedbackbijeenkomst voorgelegd aan vertegenwoordigers van de telorganisaties en medewerkers van de deelnemende gemeenten. Zij reflecteerden uitgebreid op alle resultaten. Uit de reflecties van de professionals kwam naar voren dat de resultaten van de telling over het algemeen goed aansluiten bij de situatie in hun regio, zowel in omvang als in aard en diversiteit van leefsituaties van dak- en thuisloze mensen. De professionals vermoeden dat een aantal specifieke groepen nog niet volledig in beeld is gebracht. Daarbij gaat het vooral om dakloze arbeidsmigranten. Hoewel bekend is dat het een grote groep personen betreft zijn deze personen bij geen van de telorganisaties goed in beeld. Tevens deelt een van de deelnemende organisaties dat er een groep personen met een biculturele achtergrond op de bank slapen bij familie, vrienden of derden die niet meegeteld wilden worden. Professionals geven aan dat er altijd mensen zijn die ook met deze telmethode niet in beeld komen. Het gaat hier volgens hen om personen die niet in contact staan met hulp- of dienstverlenende organisaties, omdat zij niet goed weten waar zij terecht kunnen, of omdat zij bewust onder de radar willen blijven.
Tegelijkertijd benadrukken de betrokken professionals dat met deze methode veel meer groepen die anders onzichtbaar blijven in beeld zijn gekomen.
2.10 Kwalitatief onderzoek arbeidsmigranten, campings en vakantieparken In iedere regio waar de ETHOS-telling plaatsvond, zijn twee regionale focusgroepen georganiseerd: een focusgroep met professionals en eventuele sleutelfiguren die zicht hebben op de leefsituaties van arbeidsmigranten in de regio, en een focusgroep met professionals die zicht hebben op mensen die op campings en vakantieparken verblijven vanwege een gebrek aan passende huisvesting. In totaal namen 13 personen deel aan de focusgroepen. De focusgroepen werden geleid door twee onderzoekers van Hogeschool Utrecht. Van de focusgroepen zijn gespreksverslagen gemaakt welke vervolgens zijn voorgelegd aan alle deelnemers van de focusgroepen met het verzoek om het verslag te controleren op onjuistheden en om waar nodig nog aanvullingen te doen. Daarna werden de verslagen door de onderzoekers geanalyseerd. De resultaten van het kwalitatieve onderzoek staan beschreven in Hoofdstuk 4.
Regio westelijke mijnstreek
2.9 Betrouwbaarheid van de resultaten Een belangrijke vraag is of de resultaten van deze telling een goede weergave zijn van de werkelijke situatie van dak- en thuisloosheid in regio Westelijke Mijnstreek. Uit de reflecties van de onderzoekers en de betrokken professionals uit de regio ontstaat het beeld dat de juiste organisaties bij de telling betrokken waren en dat er zorgvuldig is geteld. Bij de gehanteerde methode hangt de betrouwbaarheid van de resultaten grotendeels af van het draagvlak binnen de regio waar de telling is uitgevoerd. In regio Westelijke Mijnstreek was er vanaf de start van het project veel draagvlak voor de telling. Dat blijkt onder andere uit het grote aantal organisaties dat deelnam
22
23
Methode ethos-telling
Deelnemende organisaties
aan de telling: 55 organisaties in de regio namen deel, waarbij er sprake was van een grote verscheidenheid aan partijen. Ook lieten de organisaties en hun medewerkers een grote betrokkenheid bij de telling zien. De lijst van organisaties die benaderd moesten worden voor deelname werd opgesteld samen met een speciaal voor de telling opgerichte regionale werkgroep. Deelnemers aan de werkgroep kennen de regio goed en weten daardoor welke organisaties betrokken moesten worden om zoveel mogelijk dak- en thuisloze personen in beeld te krijgen.
2
Tabel 1. Aantal ingevulde vragenlijsten per organisatie - vervolg
3
Algemene resultaten van de telling
algemene resultaten van de telling
3.1.1 In openbare ruimte
3 Algemene resultaten van de telling
In de nacht van 8 op 9 april verbleven 12 mensen (3%) in de openbare ruimte.
Dit hoofdstuk beschrijft de algemene resultaten van de ETHOS-Light telling in regio Westelijke Mijnstreek. Het geeft eerst het aantal dak- en thuisloze personen in de regio weer, met een verdeling over de verschillende gemeenten en een verdeling over de verschillende leefsituaties. Vervolgens biedt dit hoofdstuk inzicht in de profielkenmerken van de getelde groep dak- en thuisloze personen.
3.1.2 In noodopvang voor dakloze mensen
3
We telden 6 mensen (2%) die in de noodopvang voor dakloze mensen verbleven. Met regio Westelijke Mijnstreek is overeengekomen dat aantallen kleiner dan 5 niet exact worden gerapporteerd in deze onderzoeksrapportage, in plaats hiervan worden deze resultaten aangeduid met <5. In tabellen waar een of meerdere antwoordcategorieën minder dan 5 personen betreffen, tellen percentages daarom niet altijd op tot 100%
3.1.3 In tijdelijke opvang voor dakloze mensen Er verbleven 40 mensen (11%) in een tijdelijke opvang voor dakloze mensen. Tabel 3 laat zien in welk type opvangvoorziening deze personen verbleven.
3.1 Het aantal dak- en thuisloze mensen in regio Westelijke
Tabel 3. Aantal volwassenen in tijdelijke opvang voor dakloze mensen op 9 april 2024
Mijnstreek In de nacht van 8 op 9 april 2024 werden in totaal 454 dak- en thuisloze personen geteld in regio Westelijke Mijnstreek. We telden 366 dak- of thuisloze volwassenen en 88 minderjarige kinderen. Dit betrof 5 alleenstaande kinderen en 83 kinderen die samen met hun ouder(s) in een leefsituatie van dak- of thuisloosheid verbleven. Van de getelde personen waren minder dan 5 mensen zwanger. Tabel 2 geeft een overzicht van de verblijfssituaties van de getelde personen, uitgesplitst naar volwassenen en kinderen. Tevens zijn er 100 kinderen geteld die niet zelf dak- of thuisloos waren, maar van wie ten minste één ouder wel dak- of thuisloos was. Deze kinderen worden verder aangeduid als indirect betrokken kinderen.
Maatschappelijke opvang (interne plekken MO/FMO)
Aantal volwassenen
%
22
55%
Jongerenopvang Moveoo
6
15%
Gezinsopvang Moveoo
≤5
≤13%
Vrouwenopvang Xonar (Maastricht)
≤5
≤13%
Onbekend
6
15%
Totaal
40
100%*
Tabel 2. Verblijfssituatie van dak- en thuisloze personen op 9 april 2024 Totaal getelde personen
1
454
In de openbare ruimte
Aantal volwassenen
%
Aantal kinderen
%
12
3%
-
-
2 In noodopvang voor dakloze mensen
6
2%
-
-
3
40
11%
5
6%
60
16%
5
6%
5 In niet-conventionele woonruimte
88
24%
16
18%
6 Bij familie / vrienden / derden
135
37%
56
64%
In tijdelijke opvang voor dakloze mensen
4 In een instelling
+ Dreigende huisuitzetting
15
4%
6
7%
Verblijfssituatie onbekend op teldag, dak- of thuisloosheid bevestigd
10
3%
-
-
Totaal
366
100%
88
100%*
Regio westelijke mijnstreek
* Door afronding tellen de percentages op tot 101% in plaats van 100%
De getelde personen verbleven het vaakst bij familie, vrienden of derden, in een niet-conventionele woonruimte of in een instelling. In totaal telden we 341 volwassenen en 82 minderjarige kinderen die volgens de definitie van ETHOS-Light (categorie 1 t/m 6) dak- of thuisloos zijn. Daarnaast hadden 15 volwassenen (4%) en 6 kinderen (7%) te maken met een dreigende huisuitzetting. Voor 10 personen (3%) is de verblijfssituatie in de nacht van 8 op 9 april onbekend. Van deze personen was de verblijfssituatie (of verblijfssituaties) in de twee weken voor de teldatum wel bekend (zie ook Tabel 8).
De grootste groep volwassenen verbleef op interne plekken in de (flexibele) maatschappelijke opvang in de regio (22 personen, 55%). Een groep van 6 personen (15%) verbleef in de jongerenopvang van Moveoo, 5 personen of minder (≤13%) verbleven in de gezinsopvang van Moveoo en 5 personen of minder met link met de regio (≤13%) verbleven in de Xonar vrouwenopvang in Maastricht (3%). Voor 6 personen (15%) is het type tijdelijkeopvangvoorziening op de teldag onbekend.
3.1.4 In een instelling In totaal verbleven 60 mensen (16%) in een instelling die ze op de teldag 1) al hadden moeten verlaten maar waar zij langer verbleven wegens een gebrek aan een passende woonoplossing, of die ze 2) binnen een maand na de teldag moesten verlaten zonder dat ze een passende woonoplossing hadden. Ruim twee derde van de personen die in een instelling verbleven (41 personen, 68%), verbleef daar langer wegens gebrek aan een woonoplossing. Ongeveer een derde van de personen (19 personen, 32%) moest de instelling binnen één maand verlaten zonder woonoplossing (zie ook Tabel 4a). Tabel 4a. Aantal volwassenen dat een instelling verliet of er langer verbleef door gebrek aan een woonoplossing op 9 april 2024 Aantal volwassenen
%
Verblijft langer in instelling wegens gebrek aan woonoplossing
41
68%
Verlaat instelling binnen de maand zonder woonoplossing
19
32%
Totaal
60
100%
In de rest van dit hoofdstuk worden de resultaten alleen voor de getelde volwassenen weergegeven, tenzij anders vermeld.
26
27
Tabel 5. Aantal volwassenen in een niet-conventionele woonruimte op 9 april 2024 - vervolg
Tabel 4b. Aantal volwassenen in een instelling op 9 april 2024
3.1.6 Bij familie, vrienden of derden
%
Hotel
<5
<6%
Anders
6
7%
Onbekend
<5
<6%
Totaal
88
100%
3
Aantal volwassenen
algemene resultaten van de telling
Tabel 4b geeft de verdeling van deze groep over de verschillende typen instellingen in de regio weer. Bijna de helft van de personen verbleef in een GGZ-instelling (29 personen, 48%). Daarnaast verbleven 10 personen (17%) in detentie. Personen die in detentie verbleven, zijn meegeteld wanneer zij de instelling moesten verlaten binnen één maand na de teldag zonder dat zij zicht hadden op een passende woonoplossing. Daarnaast verbleven 9 personen in een voorziening voor beschermd wonen (15%). In elk van de volgende instellingen werden minder dan 5 volwassen personen (<8%) geteld: in een instelling voor verslavingszorg, een asielzoekerscentrum, een forensisch psychiatrische instelling en in een jeugdzorgvoorziening. Binnen de categorie anders werden 7 personen (12%) geteld in een intramurale voorziening die niet verder werd gespecificeerd.
Aantal volwassenen
%
GGZ-instelling
29
48%
Detentie
10
17%
Beschermd wonen
9
15%
Instelling voor verslavingszorg
<5
<8%
Asielzoekerscentrum5
<5
<8%
Forensisch psychiatrische instelling
<5
<8%
Jeugdzorgvoorziening
<5
<8%
Anders
7
12%
Totaal
60
100%
3.1.5 In niet-conventionele woonruimten In totaal verbleven 88 van de getelde volwassenen (24%) in een niet-conventionele woonruimte. Tabel 5 geeft weer in welk type niet-conventionele woonruimte zij verbleven. De meeste personen verbleven in een anti-kraakwoning vanwege een gebrek aan passende huisvesting (30 personen, 34%), in een vakantiewoning zonder rechtsgeldig huurcontract (17 personen, 19%), in een (sta)caravan (13 personen, 15%) of in een auto (6 personen, 7%). Daarnaast verbleven er in elk van de volgende niet-conventionele woonruimten minder dan 5 personen (<6%): op een camping, in een camper, in een woning zonder basisvoorzieningen als een keuken of badkamer, in een garage/schuur en in een hotel. Tenslotte verbleven er 6 personen (7%) in een ander type niet-conventionele woonruimte. Van minder dan 5 personen (<6%) is het type niet-conventionele woonruimte onbekend, maar is wel vastgesteld dat zij in een niet-conventionele woonruimte verbleven.
Regio westelijke mijnstreek
Tabel 5. Aantal volwassenen in een niet-conventionele woonruimte op 9 april 2024 Aantal volwassenen
%
Antikraakpand
30
34%
Vakantiewoning zonder rechtsgeldig huurcontract
17
19%
(Sta)caravan
13
15%
Auto
6
7%
Op een camping
<5
<6%
Camper
<5
<6%
Woning zonder basisvoorzieningen als keuken of badkamer
<5
<6%
Garage / schuur
<5
<6%
5
Van de getelde dak- en thuisloze mensen verbleven 135 personen (37%) bij familie, vrienden of derden wegens gebrek aan een passende woonoplossing. Meer dan de helft van de personen (77 personen, 57%) stond niet ingeschreven op het verblijfadres. Minder dan een kwart van de personen (31 personen, 23%) stond wel ingeschreven, maar verbleef vanwege grote woononzekerheid en/of slechte woonkwaliteit in een dermate precaire situatie dat we spreken van thuisloosheid. Van 20% van de personen (27 personen) is onbekend of ze waren ingeschreven op het verblijfsadres (zie ook Tabel 6). Tabel 6. Aantal personen dat staat ingeschreven op verblijfadres bij familie, vrienden of derden Aantal volwassenen
%
Niet ingeschreven op verblijfadres
77
57%
Ingeschreven op verblijfadres
31
23%
Onbekend
27
20%
Totaal
135
100%
3.1.7 Dreigende huisuitzetting Op 9 april hadden 15 mensen (4%) te maken met een dreigende huisuitzetting: zij moesten in de maand na de teldag hun woning verlaten zonder dat zij zicht hadden op een passende woonoplossing. Tabel 7a geeft de redenen voor dreigende huisuitzetting weer. Er konden meerdere redenen per persoon worden aangegeven. De percentages in de tabel tellen daarom niet op tot 100. De meeste personen dreigden hun woning te moeten verlaten vanwege een huurachterstand (6 personen, 40%). Daarnaast werden elk van de volgende redenen voor huisuitzetting aangegeven voor minder dan 5 personen (<33%): vanwege een huurcontract dat binnen een maand na de teldag verliep, vanwege drugsvondst, vanwege gedwongen verkoop van de koopwoning, en vanwege een verlopen huurcontract. Tevens was er bij minder dan 5 personen (<33%) sprake van een andere reden voor dreigende huisuitzetting en was van minder dan 5 personen (<33%) de reden tot huisuitzetting onbekend. Tabel 7a. Redenen voor de dreigende huisuitzetting op 9 april 2024 (n=15) Aantal volwassenen
%
Huurachterstand
6
40%
Huurcontract verloopt binnen de maand na de teldag
<5
<33%
Drugsvondst
<5
<33%
Gedwongen verkoop van koopwoning
<5
<33%
Huurcontract is verlopen
<5
<33%
Personen die langer verblijven in een AZC vanwege gebrek aan woonoplossing zijn meegeteld in dit onderzoek wanneer zij op de
Anders
<5
<33%
teldag waren aangemerkt als statushouder en langer dan 6 maanden (de wettelijke termijn die gemeenten hebben om woonruimte te
Onbekend
<5
<33%
realiseren voor statushouders) wachtten op woonruimte. Vanwege hoge werkdruk hebben zowel het AZC als de afdeling statushouders van de gemeente Sittard-Geleen niet deelgenomen aan de telling. 28
29
Aantal volwassenen
%
Huurwoning van woningcorporatie
6
40%
Huurwoning van particuliere verhuurder
<5
<33%
Koopwoning
<5
<33%
Onbekend
<5
<33%
Totaal
15
100%
3.1.8 Verblijfssituatie 26 maart – 9 april 2024
Tevens zijn in elk van de gemeenten dak- en thuisloze kinderen geteld (zie ook Tabel 9a). Het aantal kinderen dat in de nacht van 8-9 april 2024 (met een of meerdere ouders) in een situatie van dak- of thuisloosheid verkeerde, was het hoogst in gemeente Sittard-Geleen (44 kinderen, 50%), gevolgd door Stein (9 kinderen, 10%) en Beek (7 kinderen, 8%). 13 kinderen (15%) met een link met de regio verbleven in een gemeente buiten regio Westelijke Mijnstreek. Voor de overige 15 kinderen (17%) is niet bekend in welke gemeente zij (met hun ouder(s)) verbleven. Tabel 9a. Aantal dak- en thuisloze volwassenen en kinderen per gemeente op 9 april 2024
Naast de verblijfssituatie van 8 op 9 april 2024 werd ook de verblijfssituatie tijdens de twee weken voorafgaand aan de teldag in kaart gebracht. Tabel 8 geeft weer waar de getelde volwassen dak- en thuisloze personen in de nacht van 8 op 9 april 2024 en in periode van 26 maart tot 9 april 2024 verbleven. Aangezien de verblijfssituatie van dak- en thuisloze mensen kan wisselen, konden per getelde persoon meerdere categorieën worden aangekruist. De percentages tellen daardoor niet op tot 100%.
Gemeente
Aantal volwassenen
%
Aantal kinderen
%
Beek
15
4%
7
8%
Sittard-Geleen
245
67%
44
50%
Stein
17
5%
9
10%
42
12%
13
15%
Gemeente in regio onbekend
47
13%
15
17%
Totaal
366
100%*
88
100%
In de twee weken voor de teldag (26 maart- 9 april) verbleven de getelde personen net als op de teldag het vaakst bij familie, vrienden of derden (159 personen, 43%), in een niet-conventionele woonruimte (97 personen, 27%) en in een instelling (60 personen, 16%).
Andere gemeente buiten de regio
Tabel 8. Verblijfssituatie van volwassen dak- en thuisloze mensen op 8-9 april en tussen 26 maart – 9 april 2024 (n=366)
*Door afronding tellen de percentages op tot 101% in plaats van 100%
1
In de openbare ruimte
2 In noodopvang voor dakloze mensen 3
In tijdelijke opvang voor dakloze mensen
Aantal volwassenen 8-9 april
%
Aantal volwassenen 26 maart-9 april
%
12
3%
23
6%
6
2%
10
3%
40
11%
40
11%
4 In een instelling
60
16%
60
16%
5 In niet-conventionele woonruimte
88
24%
97
27%
6 Bij familie, vrienden of derden
135
37%
159
43%
+ Dreigende huisuitzetting
15
4%
19
5%
10
3%
14
4%
Verblijfssituatie onbekend, dak- of thuisloosheid bevestigd
Regio westelijke mijnstreek
Tabel 9a geeft het aantal dak- en thuisloze personen weer per gemeente. In elk van deze gemeenten zijn dak- en thuisloze volwassenen geteld. De meeste volwassen dak- en thuisloze mensen verbleven in de nacht van 8-9 april 2024 in gemeente Sittard-Geleen (245 personen, 67%), gevolgd door Stein (17 personen, 5%) en Beek (15 personen, 4%). Een groep van 42 volwassenen (12%) met een link met regio Westelijke Mijnstreek verbleef in een gemeente buiten regio Westelijke Mijnstreek. Van de overige 47 personen (13%) is niet bekend in welke gemeente deze personen verbleven, maar is wel vastgesteld dat ze in de regio verbleven of een link met de regio hadden.
6
Tabel 9b geeft per gemeente de verblijfssituatie van de getelde volwassenen weer en toont het percentage dak- en thuisloze personen ten opzichte van het totaal aantal inwoners in de gemeente. Het aandeel daken thuisloze personen was het hoogst in gemeente Sittard-Geleen (0,32%), gevolgd door Beek (0,14%) en Stein (0,10%). De tabel laat zien dat in elk van de gemeenten mensen verbleven in niet-conventionele woonruimten, bij familie, vrienden of derden of op tijdelijke opvang plekken voor dakloze mensen. In Sittard-Geleen zijn personen geteld in elk van de verblijfssituaties. De relatief hoge aantallen getelde personen in de gemeente kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid voorzieningen (voor dak- en thuisloze mensen). In de gemeenten Beek en Stein zijn voornamelijk mensen geteld die verblijven in niet-conventionele woonruimten en bij familie, vrienden of derden.
Wanneer het aantal getelde mensen per verblijfssituatie in de nacht van 8-9 april wordt vergeleken met de verblijfssituaties van de twee weken ervoor (26 maart-9 april), valt op dat er verschillen zijn tussen deze aantallen. In veel verblijfssituaties zijn de aantallen hoger in de twee weken ervoor dan in de nacht van 8-9 april. Dit duidt erop dat een deel van de getelde mensen in de twee weken voor de teldag in (een) andere verblijfssituatie(s) verbleef dan op de teldag. Dit is kenmerkend voor de dynamiek van dak- en thuisloosheid. Met name het aantal personen dat in de twee weken voor de teldag op enig moment verbleef in de openbare ruimte, in niet-conventionele woonruimten, en bij vrienden, familie of derden is hoger dan op de teldag. 6
Een groep van 11 volwassenen en kinderen met een link met de Westelijke Mijnstreek verbleven in een andere gemeente binnen regio Maastricht Heuvelland.
30
algemene resultaten van de telling
Tabel 7b. Type woning bij huisuitzetting
3.1.9 Aantal dak- en thuisloze volwassenen en kinderen per gemeente
3
Bij 6 personen met een dreigende huisuitzetting (40%) betrof het een huisuitzetting uit een huurwoning van een woningcorporatie. Voor elk minder dan 5 personen betrof het een huisuitzetting uit een huurwoning van een particuliere verhuurder (<33%) en een koopwoning (<33%). Voor minder dan 5 personen (<33%) was het type woning met dreigende huisuitzetting onbekend (zie Tabel 7b).
31
5. In niet-conventionele woonruimte (garage, boot..)
6. Bij familie/vrienden/derden
+ Dreigende huisuitzetting
Verblijfssituatie onbekend op teldag, dak- of thuisloosheid bevestigd
<5
-
<5
8
<5
-
Gemeente Sittard-Geleen
10
6
37
46
54
77
10
5
Gemeente Stein
<5
-
<5
<5
<5
11
-
-
Andere gemeente
-
-
<5
11
12
18
-
-
Gemeente in regio onbekend
<5
-
-
<5
17
21
<5
5
15 (+7) 245 (+44) 17 (+9) 42 (+9)
0,14% 0,32%
%
Aantal mannen
%
Aantal vrouwen
%
In openbare ruimte
12
3%
10
83%
<5
<42%
2 In noodopvang voor dakloze mensen
6
2%
<5
<83%
<5
<83%
3
40
11%
28
70%
11
28%
60
16%
47
78%
12
20%
5 In niet-conventionele woonruimte
88
24%
46
52%
32
36%
6 Bij familie, vrienden of derden
135
37%
79
59%
54
40%
+ Dreigende huisuitzetting
15
4%
7
47%
8
53%
Verblijfssituatie onbekend op teldag, dak- of thuisloosheid bevestigd
10
3%
≤5
≤50%
≤5
≤50%
Totaal
366
100%
226
In tijdelijke opvang dakloze mensen
4 In een instelling
125
* Het verschil tussen het totaal aantal personen en uitsplitsing naar mannen en vrouwen bestaat uit getelde personen met een andere of onbekende genderidentiteit.
0,10%
3.2.2 Leeftijd
47 (+15)
Tabel 11 geeft de leeftijdsverdeling van de getelde volwassenen en kinderen weer. Opvallend is het relatief hoge percentage kinderen (0-17 jaar) (88 kinderen, 19%) en jongeren (18-27 jaar) (105 jongeren, 23%). Samen vormen zij 43% van het totaal aantal getelde mensen. Bijna twee derde van de getelde personen (290 personen, 64%) was jonger dan 40 jaar. 7% van de personen (31 personen) was 60 jaar of ouder.
3.2 De profielkenmerken van de getelde dak- en thuisloze mensen
Tabel 11. Leeftijd van de getelde dak- en thuisloze volwassenen en kinderen Aantal personen
%
0-17 jaar
88
19%
18-27 jaar
105
23%
Tabel 10a geeft de genderidentiteit van de getelde volwassen dak- en thuisloze mensen weer. Van deze personen was 62% bij de professional bekend als man (226 personen) en 34% als vrouw (125 personen). Er zijn geen personen geteld waarvan bekend was dat zij een non-binaire of andere genderidentiteit hadden. Daarnaast was van 4% van de personen (15 personen) de genderidentiteit onbekend.
28-39 jaar
97
21%
40-49 jaar
74
16%
50-59 jaar
51
11%
60-69 jaar
17
4%
Tabel 10a. Gender van de getelde volwassen dak- en thuisloze personen
70-79 jaar
9
2%
80+ jaar
5
1%
3.2.1 Gender
Regio westelijke mijnstreek
Aantal volwassenen*
Aantal volwassenen
%
Onbekend
8
2%
Man
226
62%
Totaal
454
100%*
Vrouw
125
34%
Non-binair / andere genderidentiteit
-
-
Onbekend
15
4%
Totaal
366
100%
Tabel 10b geeft de verdeling van mannen en vrouwen binnen de verschillende verblijfssituaties weer. In elk van de verblijfssituaties verbleven zowel mannen als vrouwen. In de meeste verblijfssituaties vormen mannen de grootste groep. Enkel in de categorie ‘woning met een dreigende huisuitzetting’ vormen vrouwen een grotere groep dan mannen.
32
*Door afronding tellen de percentages op tot 99% in plaats van 100%
De groep jongeren (18-27 jaar), waarvan het merendeel alleenstaand was zonder kinderen (71%), verbleef het vaakst bij familie, vrienden of derden (38 jongeren, 36%) en in niet-conventionele woonruimten (30 jongeren, 29%). Daarnaast verbleef 14% van de jongeren (15 jongeren) in een instelling die zij binnen een maand na de teldag moesten verlaten zonder zicht op passende woonoplossing of waar zij op dat moment langer verbleven vanwege gebrek aan een passende woonoplossing.
33
algemene resultaten van de telling
4. In een instelling
-
1
Verblijfssituatie
3
3. In de tijdelijke opvang voor dakloze mensen
-
% van aantal inwoners in de gemeente
2. In de noodopvang voor dakloze mensen
Gemeente Beek
Tabel 10b. Verdeling van volwassen mannen en vrouwen per verblijfssituatie op 9 april 2024
Totaal (+kinderen)
1. In de openbare ruimte
Tabel 9b. Verblijfssituaties van dak- en thuisloze personen per gemeente op 9 april 2024
In totaal zijn er 16 verschillende niet-Nederlandse nationaliteiten geteld. De meest voorkomende nietNederlandse nationaliteiten zijn Roemeens (14%), Pools (11%) en Duits (11%). Het merendeel van de getelde personen werd in Nederland geboren (313 personen, 86%). De vier meest voorkomende geboortelanden van de getelde personen die buiten Nederland zijn geboren, zijn: Marokko, Polen, Roemenië en Duitsland. Tabel 12. Nationaliteit van de getelde volwassen dak- en thuisloze personen Aantal volwassenen
%
Nederlandse nationaliteit
287
78%
Nederlandse nationaliteit, maar uitgeschreven uit het BRP, daarom registratie RNI
<5
<1%
Nationaliteit van EU-land
16
4%
Nationaliteit van land van buiten de EU
11
Staatloos
<5
Van de indirect betrokken kinderen was 65% van de kinderen (65 kinderen) betrokken bij een dak- of thuisloze vader en 35% (35 kinderen) bij een dak- of thuisloze moeder. Tabel 14. Samenstelling huishouden van de volwassen getelde dak- en thuisloze personen Aantal volwassenen
%
Alleenstaand zonder kinderen
243
66%
3%
Alleenstaand met kind(eren)
35
10%
<1%
Met partner zonder kinderen
32
9%
12
3%
Onbekend
49
13%
Met partner met kind(eren)
Totaal
366
100%
Met ouder(s) zonder kinderen
<5
<1%
Met ouder(s) met kind(eren)
<5
<1%
Ander familieverband zonder kinderen
6
2%
Ander familieverband met kind(eren)
<5
<1%
Onbekend
30
8%
Totaal
366
100%
Van de 11 personen met de nationaliteit van een land buiten de EU, hadden elk minder dan 5 personen (<45%) een onwettige verblijfsstatus, permanent verblijfsrecht, tijdelijk verblijfsrecht en een verblijfsstatus in procedure. Tevens was de verblijfsstatus voor minder dan 5 personen (<45%) onbekend (zie Tabel 13). Tabel 13. Verblijfsstatus van de getelde volwassenen met de nationaliteit van een land buiten de EU Aantal volwassenen
%
Onwettig verblijf
<5
<45%
Permanent verblijfsrecht
<5
<45%
Tijdelijk verblijfsrecht
<5
<45%
In procedure
<5
<45%
Onbekend
<5
<45%
Totaal
11
100%*
3.2.4 Samenstelling huishouden
Tabel 15 geeft aan of de getelde dak- en thuisloze mensen te maken hebben met gezondheidsproblemen. Een groot deel van de vragenlijsten is ingevuld zonder betrokkenheid van de desbetreffende dak- en thuisloze personen. Daarom zijn deze cijfers grotendeels gebaseerd op de professionele inschatting van de medewerkers van de tellende organisaties. Hen werd gevraagd of er sprake was van (een vermoeden van) diverse gezondheidsklachten. Bij een deel van de personen is wellicht bekend bij de professionals dat er sprake is van officiële diagnoses, bij een ander deel van de personen is dit niet het geval. Bij een groot deel van de personen is niet bekend of er sprake is van gezondheidsproblemen. Bovendien is niet duidelijk of deze gezondheidskenmerken als oorzaak of gevolg kunnen worden gezien in relatie tot (dreigende) daken thuisloosheid. Voorzichtigheid is daarom geboden bij het interpreteren van deze cijfers. In de vragenlijst konden er meerdere gezondheidsproblemen worden opgegeven per persoon. De percentages in de tabel tellen daarom niet op tot 100.
Onder huishouden worden de personen verstaan met wie de dak- of thuisloze persoon samenleeft in een situatie van dak- of thuisloosheid. Het gaat daarbij om private huishoudens. Institutionele huishoudens zoals het samenwonen in een instelling vallen hier niet onder, net als vormen van huishoudens waarbij meerdere personen leven in een woning met gedeelde faciliteiten. Bij de samenstelling van het huishouden gaan we uit van de feitelijke situatie en niet van de eventuele registratie van de relatie tussen personen. Zo worden ongehuwde partners aangeduid als ‘partners’ en een koppel dat uit elkaar is maar nog wettelijk getrouwd is als ‘zonder partner’.
Bij 37% van de getelde dak- en thuisloze personen (137 personen) was er vermoedelijk sprake van psychische of psychiatrische problematiek, bij 22% van de mensen (80 personen) was er vermoedelijk sprake van verslavingsproblemen en bij 11% (39 personen) was er vermoedelijk sprake van een verstandelijke beperking. 7% van de mensen (27 personen) had vermoedelijk langdurige lichamelijke problemen en 2% (9 personen) had vermoedelijk een fysieke beperking. Voor 9% van de mensen (34 personen) was de inschatting dat er geen gezondheidsproblemen waren. Voor 41% van de getelde personen (149 personen) is de informatie over gezondheidskenmerken onbekend. Bovenstaande percentages van bekende gezondheidsproblemen