Bijlage 6.4 - Niet gesprongen explosieven.pdf
Tekst van het document
In de geraadpleegde bronnen zijn in beperkte mate gegevens beschikbaar over de ingezette sub-soorten CE; In de geraadpleegde bronnen zijn in beperkte mate gegevens beschikbaar over de ingezette kalibers; In de geraadpleegde bronnen zijn in beperkte mate gegevens beschikbaar over de ingezette ontstekingsinrichtingen.
De subsoorten en kalibers geschutmunitie zijn vastgesteld op basis van de MORA’s die in of nabij het onderzoeksgebied in het archief van de EODD zijn aangetroffen. Het maximale kaliber geschutmunitie is vastgesteld op 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd). Indicatie Militaire aanwezigheid in de vorm van geschutstellingen Bron: • Luchtfoto’s
Aan te treffen CE Geschutmunitie
Militaire aanwezigheid in de vorm van loopgraven en mangaten Bron: • Luchtfoto’s
Kleinkalibermunitie Handgranaten
Ontstekingsinrichtingen Munitietoebehoren
Geweergranaten Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren
Artilleriebeschieting • Luchtfoto’s • Literatuur • Archieven
Geschutmunitie
(Mogelijk) mijnenveld • Archieven (SSA) Mijnenveld 45 • Archieven (EODD) Mijnenveld 46 • Archieven (EODD) Mijnenveld 58 • Archieven (EODD) Mijnenveld 63 • Archieven (EODD)
Landmijnen
Sub-soort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t. n.v.t. Diversen Aanvals, verdedigings, rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, rook, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant n.v.t.
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd) Tot 2 cm (Duits en geallieerd) n.v.t. (Duits en geallieerd) n.v.t. (Duits en geallieerd) n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
Landmijnen
Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand Antitank en antipersoneel Antitank
Landmijnen
Antitank
n.v.t. Mark V en Mark III (geallieerd) n.v.t. (geallieerd)
Landmijnen
Antipersoneel
n.v.t. (geallieerd)
Landmijnen
Antitank
n.v.t. (Duits)
n.v.t. (geallieerd)
In de volgende paragrafen komen de soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de aan te treffen CE aan bod, evenals de horizontale en verticale afbakening van de verdachte gebieden in het onderzoeksgebied.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
50
4.1.1 Soort en hoeveelheid CE Naast de aan te treffen soorten en sub-soorten CE zijn de hoeveelheden CE per indicatie vastgesteld. Dit is gebeurd op basis van ervaringen met soortgelijke situaties. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Aan te treffen CE Geschutmunitie
Ontstekingsinrichtingen
Subsoort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t.
Munitietoebehoren
n.v.t.
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
Hoeveelheden Tientallen
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd)
Tientallen
Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Aan te treffen CE Kleinkalibermunitie
Subsoort Diversen
Handgranaten
Aanvals, verdedigings, rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, rook, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant n.v.t.
Geweergranaten
Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren
Artilleriebeschieting Aan te treffen CE Geschutmunitie
(Mogelijk) mijnenveld Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 45
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 46
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 58
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 63
Aan te treffen CE Landmijnen
Tientallen
Kaliber (nationaliteit) Tot 2 cm (Duits en geallieerd) n.v.t. (Duits en geallieerd)
Hoeveelheden Honderdtallen
n.v.t. (Duits en geallieerd)
Tientallen
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd)
Enkele
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
Hoeveelheden Tientallen
Subsoort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand
Tientallen
Tientallen
Subsoort Antitank- en antipersoneelsmijnen
Kaliber (nationaliteit) n.v.t.
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. Mark V en Mark III (geallieerd)
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (geallieerd)
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antipersoneel
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (geallieerd)
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (Duits)
Hoeveelheden Enkele
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
51
4.1.2
Verschijningsvorm De verschijningsvorm van de aan te treffen CE in de verdachte gebieden zijn per indicatie vastgesteld. De verschijningsvorm houdt verband met de manier waarop de explosieven in de bodem terecht zijn gekomen. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Aan te treffen CE Geschutmunitie
Ontstekingsinrichtingen
Subsoort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t.
Munitietoebehoren
n.v.t.
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits en geallieerd)
Verschijningsvorm Gedumpt
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd)
Gedumpt
Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Aan te treffen CE Kleinkalibermunitie
Subsoort Diversen
Handgranaten
Aanvals, verdedigings, rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, rook, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant n.v.t.
Geweergranaten
Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren
Artilleriebeschieting Aan te treffen CE Geschutmunitie
(Mogelijk) mijnenveld Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 45
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 46
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 58
Aan te treffen CE Landmijnen
Gedumpt
Kaliber (nationaliteit) Tot 2 cm (Duits en geallieerd) n.v.t. (Duits en geallieerd)
Verschijningsvorm Gedumpt
n.v.t. (Duits en geallieerd)
Gedumpt
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd)
Gedumpt
Subsoort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
Verschijningsvorm Verschoten
Subsoort Antitank- en antipersoneelsmij nen
Kaliber (nationaliteit) n.v.t.
Verschijningsvorm Gelegd
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. Mark V en Mark III (geallieerd)
Verschijningsvorm Gelegd
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (geallieerd)
Verschijningsvorm Gelegd
Subsoort Antipersoneel
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (geallieerd)
Verschijningsvorm Gelegd
Gedumpt
Gedumpt
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
52
Mijnenveld 63
Aan te treffen CE Landmijnen
4.2
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (Duits)
Verschijningsvorm Gelegd
Horizontale afbakening Op basis van de geraadpleegde bronnen is vastgesteld dat binnen het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waardoor het onderzoeksgebied verdacht is op de aanwezigheid van CE in de bodem. Per indicatie is een horizontale afbakening vastgesteld aan de hand van de richtlijnen van het WSCS-OCE. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn verschillende geschutstellingen binnen de grenzen van het onderzoeksgebied waargenomen. Het is onbekend of deze stellingen tijdens de bevrijding van het gebied bemand waren. Indien de stellingen in gebruik waren bij de Duitse troepen die zich ter plaatse bevonden is het mogelijk dat er CE is achtergebleven/gedumpt op deze locaties. Om deze reden zijn de contouren van de stellingen plus 5 meter georeferentie-afwijking verdacht verklaard op de aanwezigheid van geschutmunitie, ontstekingsinrichtingen en munitietoebehoren. Tevens zijn de greppels en/of watergangen binnen een straal van 25 meter van de stelling verdacht verklaard op CE. Dit zijn potentiële dumplocaties voor CE afkomstig uit deze stelling. Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn verschillende loopgraven en mangaten binnen de grenzen van het onderzoeksgebied waargenomen.
Het is onbekend of deze loopgraven en mangaten gebruikt zijn door de aanwezige Duitse en geallieerde troepen. Indien ze gebruikt zijn dan kunnen er CE achtergebleven/gedumpt zijn. Om deze reden zijn de contouren van de loopgraven en mangaten plus 5 meter georeferentie-afwijking verdacht verklaard op de aanwezigheid van KKM, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren. Deze CE behoorden tot de standaarduitrusting van een militair. Artilleriebeschieting(en) Tijdens de bevrijding van de plaatsen in de omgeving van het onderzoeksgebied hebben in september en oktober 1944 Duitse en geallieerde artilleriebeschietingen plaatsgevonden. Op de geraadpleegde luchtfoto’s van 19 november 1944 is een concentratie inslagen van geschutmunitie waargenomen bij de grens van het onderzoeksgebied. Het doelwit van deze beschieting is onbekend, gezien de aanwezigheid van zowel Duitse als geallieerde troepen in het gebied is het aannemelijk dat zich hier militairen bevonden. Omdat er zich nog blindgangers (van geschutmunitie) in het gebied kunnen bevinden is deze locatie conform de richtlijnen van het WSCS-OCE situationeel afgebakend. De buitenste inslagen zijn met elkaar verbonden en rondom dit gebied is een buffer van 25 meter (plus 5 meter georeferentie-afwijking) getrokken. Binnen dit gebied kan zich nog geschutmunitie bevinden.
(Mogelijk) mijnenveld In het Semi Statisch Archief (SSA) in Rijswijk zijn twee kaarten gevonden met daarop enkele percelen in en nabij het onderzoeksgebied waar in de periode na de Tweede Wereldoorlog mijnen gevonden zijn. Tevens is door de EODD in 1987 één antipersoneelsmijn Shrapnel Mark II (Brits) ter plaatse geruimd. Om deze reden zijn de percelen waar naoorlogs mijnen gevonden zijn verdacht verklaard op de aanwezigheid van mijnen. Op de onderstaande afbeelding is weergegeven waar het mogelijke mijnenveld gelegen was.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
53
Afbeelding 15: Een van de kaarten afkomstig uit het SSA waarop de locaties van mijnen zijn weergegeven.
Afbeelding 16: Een van de kaarten afkomstig uit het SSA waarop mijnenvelden zijn weergegeven.
Overige mijnenvelden In het Semi Statisch Archief (SSA) in Rijswijk zijn gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat er meerdere mijnenvelden binnen het onderzoeksgebied lagen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De contouren van deze mijnenvelden (plus 5 meter georeferentie-afwijking) zijn verdacht
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
54
verklaard op het aantreffen van landmijnen. Het overzicht van de verschillende mijnenvelden binnen het onderzoeksgebied is terug te vinden in paragraaf 3.7. Op de onderstaande afbeelding is de CE-bodembelastingkaart weergegeven.
Afbeelding 6: CE-Bodembelastingkaart van het onderzoeksgebied. Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied bevonden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog meerdere geschutstellingen, loopgraven en mangaten. Daarnaast bevonden zich enkele mijnenvelden in het onderzoeksgebied. De locaties van de mitrailleurstellingen, loopgraven en mangaten zijn verdacht verklaard op de aanwezigheid van diverse gedumpte CE. De mijnenvelden zijn verdacht verklaard op het aantreffen van landmijnen.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
55
Afbeelding 17: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In dit gedeelte van het onderzoeksgebied zijn twee locaties verdacht verklaard op de aanwezigheid van landmijnen. Daarnaast is het gebied dat getroffen is door een artilleriebeschieting verdacht verklaard op (verschoten) geschutmunitie en zijn locaties waar zich loopgraven en mangaten bevonden verdacht verklaard op de aanwezigheid van diverse (gedumpte) CE.
Afbeelding 18: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In dit gedeelte van het onderzoeksgebied zijn verschillende mangaten verdacht verklaard op het aantreffen van diverse (gedumpte) CE.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
56
Afbeelding 19: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In dit gedeelte zijn enkele voormalige mijnenvelden verdacht verklaard op de aanwezigheid van landmijnen.
Afbeelding 20: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In dit gedeelte van het onderzoeksgebied zijn verschillende mangaten verdacht verklaard op het aantreffen van diverse (gedumpte) CE.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
57
Afbeelding 21: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In het onderzoeksgebied zijn verschillende mangaten verdacht verklaard op het aantreffen van diverse (gedumpte) CE.
Afbeelding 22: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In het onderzoeksgebied zijn verschillende mangaten en een loopgraaf verdacht verklaard op het aantreffen van diverse (gedumpte) CE.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
58
Afbeelding 23 Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In dit gedeelte van het onderzoeksgebied zijn verschillende mangaten verdacht verklaard op het aantreffen van diverse (gedumpte) CE.
Afbeelding 24: Uitsnede van de CE-Bodembelastingkaart. In dit gedeelte van het onderzoeksgebied zijn verschillende mangaten en een loopgraaf verdacht verklaard op het aantreffen van diverse (gedumpte) CE.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
59
4.3
Verticale afbakening In deze paragraaf is de verticale afbakening van het verdacht gebied vastgesteld. De verticale afbakening van het op CE verdachte gebied bestaat uit een minimale en maximale diepteligging. De diepteligging is afhankelijk van het soort oorlogshandeling, de soort munitie en de opbouw van de bodem ter plaatse. 4.3.1 Diepteligging CE In onderstaande tabel is de minimale en maximale diepteligging van de aan te treffen CE ten opzichte van het maaiveld (situatie 1940-1945) in het verdacht gebied weergegeven. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Soort CE
Sub-soort
Geschutmunitie
Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t.
Ontstekingsinrichtingen Munitietoebehoren
n.v.t.
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld137 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaringen vastgesteld op 2 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit is de maximale diepte van stellingen.
Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Soort CE
Sub-soort
Kleinkalibermunitie Handgranaten
Diversen Aanvals, verdedigings, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant
Geweergranaten Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren
Artilleriebeschieting
rook,
n.v.t.
Soort CE
Sub-soort
Geschutmunitie
Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t. n.v.t.
Ontstekingsinrichtingen Munitietoebehoren
Mijnenvelden
4.4
rook,
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld138 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaringen vastgesteld op 2 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit is de maximale diepte van stellingen.
Soort CE
Sub-soort
Mijnen
Antitankantipersoneelsmijnen
en
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld139 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaringen vastgesteld op 2,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog.
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld140 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is net onder het maaiveld. Mijnen werden net onder het maaiveld gelegd om ervoor te zorgen dat de uitwerking zo groot mogelijk was.
Naoorlogse ontwikkelingen Naoorlogse ontwikkelingen in een gebied kunnen van invloed zijn op de aanwezigheid van CE in de bodem. De veranderingen in het onderzoeksgebied zijn onderzocht aan de hand van een vergelijking met luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog en recente luchtfoto’s. In en nabij het onderzoeksgebied hebben enkele zichtbare naoorlogse ontwikkelingen plaatsgevonden. Zo zijn omstreeks 2004 enkele bosgebieden verdwenen, is er nieuwe beplanting bijgekomen, is er in en nabij het onderzoeksgebied eind jaren ’70 een groot
Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 139 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 140 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 137 138
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
60
fabriekscomplex (de Volvofabriek) gebouwd. Tevens is in het op geschutmunitie verdacht verklaarde gebied de periode na de Tweede Wereldoorlog eveneens een weg aangelegd, de A2. Bij de aanleg van de weg is een cunet gegraven waarin de fundering van de weg is aangebracht. Deze A2 is in de jaren 1960 aangelegd. De diepte van het cunet is onbekend.
Afbeelding 25: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Het bos dat ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in het op mijnen verdacht verklaarde gebied lag is naoorlogs verdwenen. De watergang in en nabij het noordoostelijke gedeelte van het onderzoeksgebied is naoorlogs blijven bestaan. In het op geschutmunitie verdacht verklaarde gebied is in de periode na de Tweede Wereldoorlog eveneens een weg aangelegd.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
61
Afbeelding 26: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. De bossen die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in dit gedeelte van het onderzoeksgebied gelegen waren, zijn grotendeels verdwenen.
Afbeelding 27: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Er is naoorlogs nieuwe beplanting ter plaatse bijgekomen (in de vorm van bomen).
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
62
Afbeelding 28: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. In dit gedeelte van het onderzoeksgebied zijn geen zichtbare naoorlogse ontwikkelingen.
Afbeelding 29: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Naoorlogs is in dit gedeelte van het onderzoeksgebied een weg aangelegd.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
63
Afbeelding 30: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. De watergang die tijdens de Tweede Wereldoorlog in dit gedeelte van het onderzoeksgebied gelegen was, is naoorlogs verdwenen.
Afbeelding 31: Naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Naoorlogs is er een bos in dit gedeelte van het onderzoeksgebied aangelegd. Daarnaast is ook een TenneT station aangelegd.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
64
4.5
Overige indicaties In de geraadpleegde bronnen zijn enkele indicaties gevonden die niet hebben geleid tot een verdacht gebied. Er waren in deze gevallen te weinig indicaties dat er CE in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Het gaat om de onderstaande indicaties: RAP-nummer Geen
Indicatie Niet definieerbare verstoringen
Gebeurtenis In het onderzoeksgebied zijn op de geraadpleegde luchtfoto’s enkele verstoringen waargenomen waarvan de oorzaak niet kon worden vastgesteld.
RAP_002, RAP_004, RAP_440919A, RAP_440920B, RAP_440921A, RAP_440925A, RAP_440928A, RAP_440929A, RAP_440929B, RAP_441016A, RAP_431103A, RAP_441213A
Artilleriebeschietingen
In de geraadpleegde literatuur en archiefgegevens zijn diverse indicaties gevonden waaruit blijkt dat de omgeving van het onderzoeksgebied is getroffen door artilleriebeschietingen tijdens de bevrijding in september en oktober 1944.
RAP_411117A, RAP_421005A RAP_430812A
Bombardementen
RAP_430530A, RAP_430603A, RAP_440602A
Crashes
RAP_400500A
Springladingen
RAP_440927A
Beschieting boordwapens
In de geraadpleegde bronnen zijn indicaties gevonden waaruit blijkt dat er enkele bombardementen in of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de geraadpleegde bronnen zijn indicaties gevonden waaruit blijkt dat er enkele crashes in of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. In de geraadpleegde bronnen zijn indicaties gevonden waaruit blijkt dat in een gedeelte van het onderzoeksgebied in mei 1940 springladingen aan bomen waren aangebracht. In de middag vielen twee Amerikaanse Thunderbolt vliegtuigen de Duitse stellingen bij Holtum aan.
RAP_002, RAP_003, RAP_431103A, RAP_440522A, RAP_440929A, RAP_490201A, RAP_490416A, RAP_510702A,
Oorlogsschade
met
In de omgeving van het onderzoeksgebied was sprake van oorlogsschade.
Analyse Er is gekeken in literatuur en archieven naar een oorzaak, maar deze kon niet worden vastgesteld. De waargenomen verstoringen zijn aangemerkt als ‘niet definieerbaar’: het is duidelijk dat er verstoringen zijn, maar de oorzaak is niet bekend. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat deze verstoringen veroorzaakt zijn door CE. Er zijn luchtfoto’s uit november en december 1944 besteld en geanalyseerd om na te gaan in hoeverre het onderzoeksgebied tijdens de bevrijding getroffen is door artilleriebeschietingen. Tevens is een naoorlogse luchtfoto besteld. Op de luchtfoto’s werden slechts op een enkele locatie geschutinslagen waargenomen. Deze locatie is afgebakend. Voor de rest van het onderzoeksgebied geldt dat er geen inslagen van geschutmunitie zijn waargenomen. Om deze reden in er geen op geschutmunitie verdacht gebied afgebakend. De exacte locatie van de verschillende bombardementen is onbekend. Om deze reden zijn er geen verdachte gebieden afgebakend. De exacte locatie van de verschillende crashes is onbekend. Om deze reden zijn er geen verdachte gebieden afgebakend. Er zijn in de geraadpleegde bronnen geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat de springladingen niet tot ontploffing gekomen zijn. Om deze reden is er geen verdacht gebied afgebakend. De exacte locaties van de stellingen die werden aangevallen in Holtum zijn onbekend.
Daarnaast zijn er op de geraadpleegde luchtfoto’s van november 1944 geen sporen van de beschieting waargenomen. De beschadigde panden lagen buiten het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn geen sporen van oorlogshandelingen waargenomen. Om deze reden is er geen verdacht gebied afgebakend.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
65
RAP-nummer RAP_531229A, RAP_540414A RAP_451226A, RAP_491019, RAP_501122A, RAP_560714A, RAP_570115A, RAP_720419A, RAP_730911A
Indicatie
Gebeurtenis
Analyse
Geruimd explosief
In en nabij het onderzoeksgebied zijn naoorlogs diverse CE geruimd.
Diverse nummers
MORA’s
In en nabij het onderzoeksgebied zijn door de EODD diverse CE geruimd. Het ging om een scherfhandgranaat, schokbuizen no. 113 en 117, 1 antipersoneelsmijn en enkele brisantgranaten.
In veel gevallen was de exacte locatie van de geruimde explosieven onbekend. Daarnaast zijn in het onderzoeksgebied geen inslagen van geschutmunitie waargenomen. Om deze reden is er geen verdacht gebied afgebakend op basis van de ruimingen. In veel gevallen was de exacte locatie van de geruimde explosieven onbekend. In dat geval is een MORA als lijn ingetekend op een straat die gedeeltelijk in of nabij het onderzoeksgebied lag. Tevens zijn er ook veel MORA’s in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Het is bekend dat er gedurende de bevrijding beschietingen in de omgeving van het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Omdat op de geraadpleegde luchtfoto’s van na de bevrijding op een kleine concentratie na, geen inslagen zijn waargenomen in het onderzoeksgebied is er geen op geschutmunitie verdacht gebied afgebakend op basis van de MORA’s/UO’s.
UO-
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
66
5 CONCLUSIE EN ADVIES 5.1
Conclusie In de geraadpleegde bronnen zijn indicaties gevonden die erop wijzen dat in of nabij het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het gaat om de volgende indicaties: • • • •
Geallieerde en Duitse artilleriebeschietingen tijdens de bevrijding van het gebied; Geallieerde en Duitse militaire aanwezigheid in de vorm van geschutstellingen; Geallieerde en Duitse militaire aanwezigheid in de vorm van loopgraven en mangaten; Geallieerde en Duitse mijnenvelden.
Aan de hand van deze indicaties zijn de hoofd- en subsoorten CE, de hoeveelheden CE, de verschijningsvormen CE en de horizontale en verticale afbakening van de verdachte gebieden vastgesteld. Deze zijn in de onderstaande paragrafen beschreven. 5.1.1
Aan te treffen CE Op basis van de geraadpleegde bronnen is het onderzoeksgebied per indicatie verdacht op het aantreffen van de volgende CE. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Aan te treffen CE Geschutmunitie
Ontstekingsinrichtingen
Subsoort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t.
Munitietoebehoren
n.v.t.
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
Hoeveelheden Tientallen
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd)
Tientallen
Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Aan te treffen CE Kleinkalibermunitie
Subsoort Diversen
Handgranaten
Aanvals, verdedigings, rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, rook, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant n.v.t.
Geweergranaten
Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren
Artilleriebeschieting Aan te treffen CE Geschutmunitie
Subsoort Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand
Tientallen
Kaliber (nationaliteit) Tot 2 cm (Duits en geallieerd) n.v.t. (Duits en geallieerd)
Hoeveelheden Honderdtallen
n.v.t. (Duits en geallieerd)
Tientallen
n.v.t. (Duits en geallieerd) Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits en geallieerd)
Enkele
Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits) en 25 pond (geallieerd)
Hoeveelheden Tientallen
Tientallen
Tientallen
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
67
(Mogelijk) mijnenveld Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 45
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 46
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 58
Aan te treffen CE Landmijnen
Mijnenveld 63
Aan te treffen CE Landmijnen
5.1.2
Subsoort Antitank- en antipersoneelsmijnen
Kaliber (nationaliteit) n.v.t.
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. Mark V en Mark III (geallieerd)
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (geallieerd)
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antipersoneel
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (geallieerd)
Hoeveelheden Enkele
Subsoort Antitank
Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (Duits)
Hoeveelheden Enkele
Horizontale afbakening verdachte gebieden Op basis van de geraadpleegde bronnen is vastgesteld dat binnen het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waardoor het onderzoeksgebied verdacht is op de aanwezigheid van CE in de bodem. Per indicatie is een horizontale afbakening vastgesteld aan de hand van de richtlijnen van het WSCS-OCE. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn verschillende geschutstellingen binnen de grenzen van het onderzoeksgebied waargenomen. Het is onbekend of deze stellingen tijdens de bevrijding van het gebied bemand waren. Indien de stellingen in gebruik waren bij de Duitse troepen die zich ter plaatse bevonden is het mogelijk dat er CE is achtergebleven/gedumpt op deze locaties. Om deze reden zijn de contouren van de stellingen plus 5 meter georeferentie-afwijking verdacht verklaard op de aanwezigheid van geschutmunitie, ontstekingsinrichtingen en munitietoebehoren. Tevens zijn de greppels en/of watergangen binnen een straal van 25 meter van de stelling verdacht verklaard op CE. Dit zijn potentiële dumplocaties voor CE afkomstig uit deze stelling. Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn verschillende loopgraven en mangaten binnen de grenzen van het onderzoeksgebied waargenomen.
Het is onbekend of deze loopgraven en mangaten gebruikt zijn door de aanwezige Duitse en geallieerde troepen. Indien ze gebruikt zijn dan kunnen er CE achtergebleven/gedumpt zijn. Om deze reden zijn de contouren van de loopgraven en mangaten plus 5 meter georeferentie-afwijking verdacht verklaard op de aanwezigheid van KKM, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren. Deze CE behoorden tot de standaarduitrusting van een militair. Artilleriebeschieting Op de geraadpleegde luchtfoto’s van 19 november 1944 is een concentratie inslagen van geschutmunitie waargenomen bij de grens van het onderzoeksgebied. Het doelwit van deze beschieting is onbekend, gezien de aanwezigheid van zowel Duitse als geallieerde troepen in het gebied is het aannemelijk dat zich hier militairen bevonden. Omdat er zich nog blindgangers (van geschutmunitie) in het gebied kunnen bevinden is deze locatie conform de richtlijnen van het WSCS-OCE situationeel afgebakend. De buitenste inslagen zijn met elkaar verbonden en rondom dit gebied is een buffer van 25 meter (plus 5 meter georeferentie-afwijking) getrokken. Binnen dit gebied kan zich nog geschutmunitie bevinden.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
68
(Mogelijk) mijnenveld In het Semi Statisch Archief (SSA) in Rijswijk zijn twee kaarten gevonden met daarop enkele percelen in en nabij het onderzoeksgebied waar in de periode na de Tweede Wereldoorlog mijnen gevonden zijn. Tevens is door de EODD in 1987 één antipersoneelsmijn Shrapnel Mark II (Brits) ter plaatse geruimd. Om deze reden zijn de percelen waar naoorlogs mijnen gevonden zijn verdacht verklaard op de aanwezigheid van mijnen. Op de onderstaande afbeelding is weergegeven waar het mogelijke mijnenveld gelegen was. Overige mijnenvelden In het Semi Statisch Archief (SSA) in Rijswijk zijn gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat er meerdere mijnenvelden binnen de contouren van het onderzoeksgebied lagen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De mijnenvelden (zoals uitgewerkt in paragraaf 3.7) zijn verdacht verklaard op het aantreffen van landmijnen. 5.1.3
Verticale afbakening verdachte gebieden In onderstaande tabel is de minimale en maximale diepteligging van de aan te treffen CE ten opzichte van het maaiveld (situatie 1940-1945) in het verdacht gebied weergegeven. Militaire aanwezigheid (geschutstellingen) Soort CE
Sub-soort
Geschutmunitie
Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t. n.v.t.
Ontstekingsinrichtingen Munitietoebehoren
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld141 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaringen vastgesteld op 2 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit is de maximale diepte van stellingen.
Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Soort CE
Sub-soort
Kleinkalibermunitie Handgranaten
Diversen Aanvals, verdedigings, rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, rook, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant
Geweergranaten Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren
Artilleriebeschieting
n.v.t.
Soort CE
Sub-soort
Geschutmunitie
Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand n.v.t. n.v.t.
Ontstekingsinrichtingen Munitietoebehoren
Mijnenvelden
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld142 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaringen vastgesteld op 2 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit is de maximale diepte van stellingen.
Soort CE
Sub-soort
Landmijnen
Antitankantipersoneelsmijnen
en
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld143 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaringen vastgesteld op 2,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog.
Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld144 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is net onder het maaiveld. Mijnen werden net onder het maaiveld gelegd om ervoor te zorgen dat de uitwerking zo groot mogelijk was.
Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 143 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 144 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 141 142
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
69
5.1.4
Naoorlogse ontwikkelingen Na de Tweede Wereldoorlog hebben in het onderzoeksgebied enkele zichtbare ontwikkelingen plaatsgevonden. Het gaat onder andere om het verdwijnen van bosgebieden, de komst van nieuwe beplanting, de bouw van een groot fabriekscomplex (autofabriek) en het aanleggen van enkele wegen.
5.1.5
Leemten in kennis Tijdens het onderzoek bleek er een aantal leemten in kennis te zijn: • • • • •
5.2
De gegevens over munitieruimingen binnen de grenzen van het onderzoeksgebied in de periode 1940-1945 CE zijn niet volledig; De gegevens over munitieruimingen binnen de grenzen van het onderzoeksgebied in de periode 1945-1970 zijn niet volledig; Niet van alle gebeurtenissen kon de exacte locatie worden vastgesteld op basis van de geraadpleegde bronnen; Websites veranderen continue door updates en nieuwe informatie. Soms verdwijnen sites ook van het web; of zijn ontoegankelijk geworden. Informatie kan zodoende verdwijnen of veranderen; In het onderzoeksgebied zijn op de geraadpleegde luchtfoto’s enkele verstoringen waargenomen waarvan de oorzaak niet kon worden vastgesteld. Er is gekeken in literatuur en archieven naar een oorzaak, maar deze kon niet worden vastgesteld. De waargenomen verstoringen zijn aangemerkt als ‘niet definieerbaar’: het is duidelijk dat er verstoringen zijn, maar de oorzaak is niet bekend. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat deze verstoringen veroorzaakt zijn door CE.
Advies Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusie zijn enkele locaties binnen het onderzoeksgebied (de locaties van de geschutstellingen, loopgraven, mangaten, een mogelijk mijnenveld en een gebied dat getroffen is door een artilleriebeschieting) verdacht verklaard op de aanwezigheid van diverse (gedumpte) CE. Het advies voor dit gebied is als volgt: Onverdachte gebieden Voor de onverdachte gebieden geldt dat er geen aanwijzingen zijn aangetroffen in de geraadpleegde bronnen dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor CE in de bodem zijn achtergebleven. In de onverdachte gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat er vervolgstappen in de explosievenopsporing noodzakelijk zijn. De voorgenomen werkzaamheden in de onverdachte gebieden kunnen plaatsvinden zonder nader onderzoek of OCE-begeleiding. Verdacht gebied Afhankelijk van de naoorlogse ontwikkelingen in de verdachte gebieden en de voorgenomen werkzaamheden, zijn er verschillende mogelijkheden in de vervolgstappen voor explosievenopsporing: 1. De werkzaamheden die plaatsvinden op/boven het maaiveld kunnen plaatsvinden zonder dat vervolgstappen in de explosievenopsporing. Hetzelfde geldt voor de werkzaamheden die plaatsvinden in naoorlogs geroerde gronden.
Er kan van worden uitgegaan dat in de naoorlogs geroerde gronden eventueel aanwezige CE zijn verwijderd (zie ook punt 3); 2. De werkzaamheden verplaatsen buiten de verdachte gebieden in horizontale en/of in verticale zin (indien mogelijk). De werkzaamheden kunnen in het horizontale vlak worden verplaatst en worden uitgevoerd in onverdacht gebied. De werkzaamheden kunnen ook worden uitgevoerd in een aan te brengen ophooglaag; 3. Het opstellen van een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) waarbij dit vooronderzoek als basis zal dienen. De PRA heeft tot doel om te bepalen of het verdacht gebied door naoorlogse werkzaamheden of voor de uitvoer van de geplande werkzaamheden (nog) verdacht is. Beschikbare bodemkundige onderzoeken zullen worden gebruikt om de exacte maximale en minimale diepteligging van CE vast te stellen. Tevens wordt op
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
70
basis van een analyse van de risico’s van CE voor de daadwerkelijke uitvoering van het project bepaald wat de meest geschikte detectietechniek is. Er zal met name worden vastgesteld waar en welke grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied alsmede tot welke diepte de bodem geroerd is geweest; 4. Het laten uitvoeren van detectiewerkzaamheden. De detectietechniek is afhankelijk van het soort munitie en de diepteligging ervan. Voor de verdachte gebieden is gezien de geringe diepteligging (2,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog) oppervlaktedetectie een geschikte detectiemethode. Advies onderzoeksgebied In het onderzoeksgebied hebben naoorlogs enkele zichtbare ontwikkelingen plaatsgevonden. Zo zijn omstreeks 2004 enkele bosgebieden verdwenen, is er nieuwe beplanting bijgekomen, is er in en nabij het onderzoeksgebied eind jaren ’70 een groot fabriekscomplex (de Volvofabriek) gebouwd. In het op (verschoten) geschutmunitie verdacht verklaarde gebied is naoorlogs een weg aangelegd. Omdat slechts een klein gedeelte van deze weg binnen dit verdachte gebied valt is het advies detectiewerkzaamheden uit te laten voeren. Gezien de geringe diepteligging van de CE (2,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog) is oppervlaktedetectie een geschikte detectiemethode.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
71
6 BIJLAGEN
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
72
Bijlage 1
Overzicht beoordelen/evalueren inventarisatie (WSCS-OCE)
In het WSCS-OCE staat vermeld dat de indicaties en contra-indicaties uit de inventarisatie-resultaten dienen te worden beoordeeld en dat op basis hiervan de volgende punten gemotiveerd vastgesteld moeten worden: • Of er sprake is van een CE verdacht gebied, en zo ja: • De (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoedelijke CE; • De horizontale en verticale afbakening van het verdachte gebied. Bij de beoordeling en evaluatie van de resultaten van de inventarisatie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Indien sprake is van de vermoedelijke aanwezigheid van CE, wordt de conclusie VERDACHT gerapporteerd. Indien er geen sprake is van de vermoedelijke aanwezigheid van CE, wordt de conclusie ONVERDACHT gerapporteerd; 2. De conclusie wordt vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke verifieerbare bronnen. Indien een indicatie in slechts in bron is aangetroffen, wordt dit duidelijk aangegeven in de rapportage. Hierin wordt gerapporteerd hoe de betrouwbaarheid van de bronnen is ingeschat; 3. Indicaties en/of contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE op de projectlocatie en/of in het onderzoeksgebied. Voor de locatieverwijzing gelden de volgende uitgangspunten: a.
Indicaties en/of contra-indicaties moeten worden vertaald naar een locatie in de huidige topografie; b. Waar sprake is van onduidelijkheid/onbetrouwbaarheid in de locatieverwijzing, wordt dit gedocumenteerd; c. Bij gebruikmaking van indicaties en/of contra-indicaties uit geschreven bronnen, dient de locatieverwijzing uit het bronbestand in de rapportage ongewijzigd te worden overgenomen. 4. Bij het vaststellen van de conclusie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. Bij de beoordeling of bepaalde oorlogshandelingen een indicatie vormen voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied, wordt bijlage 3 van het WSCS-OCE als leidraad gehanteerd. Hiervan mag alleen gemotiveerd worden afgeweken; b. Als er geen indicaties zijn die wijzen op de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied, is de conclusie ONVERDACHT; c. Als er indicaties zijn dat bij oorlogshandelingen binnen de grenzen van de projectlocatie en/of onderzoeksgebied bepaalde hoofdsoorten CE zijn gebruikt/betrokken geweest, dan is (een deel van) de projectlocatie en/of onderzoeksgebied VERDACHT op de aanwezigheid van deze hoofdsoorten CE, tenzij op basis van contra-indicaties het tegendeel kan worden bewezen. 5. Het verdachte gebied wordt horizontaal en verticaal afgebakend, gespecificeerd per (sub)soort CE, hoeveelheid en verschijningsvorm van vermoedelijke CE.
Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. Bij de horizontale afbakening van het verdachte gebied wordt bijlage 3 van het WSCSOCE gehanteerd; b. Uitgangspunten voor de verticale afbakening: i. Bij het bepalen van de verticale afbakening dient specifiek rekening te worden gehouden met: bodemweerstand, verwachte indringingsnelheid en –hoek, gewicht, vorm en diameter CE; ii. Voor het berekenen van de penetratiediepte wordt gebruik gemaakt van een rekenmethode waarin ten minste rekening gehouden wordt met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem; iii. Indien sprake is van grondverzet/grondroering in de periode 1945 tot heden, wordt op basis daarvan bepaald of, en zo ja, tot welke diepte minus maaiveld (gerelateerd aan NAP), de aanwezigheid van CE kan worden uitgesloten; iv. De verticale afbakening wordt zodanig uitgedrukt dat deze is te herleiden tot de diepte ten opzichte van NAP; c. Uitgangspunten horizontale afbakening:
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
73
i. Bij de horizontale afbakening van het verdachte gebied wordt de tolerantie gemotiveerd, gebaseerd op het beschikbare bronnenmateriaal; ii. Het verdachte gebied wordt weergegeven in RD-coördinaten; d. Onder de verschijningsvorm wordt verstaan de wijze waarop CE in het verleden in de (water)bodem zijn terechtgekomen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt in: afgeworpen, verschoten, gegooid, gelegd, weggeslingerd, opgeslagen, gedumpt, begraven (inclusief redepositie), als restant uit springputten of explosie en als onderdeel van (vliegtuig)wrakken en/of gezonken vaartuigen.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
74
Bijlage 2
Vaststellen verdacht gebied en afbakening in vooronderzoek
In onderstaand overzicht is de horizontale afbakening van het verdachte gebied weergegeven zoals deze is opgenomen in het WSCS-OCE. Indicatie
Algemene omschrijving
Verdedigingswerk
Geschutopstelling (statisch en mobiel)
Groepering van wapenopstellingen en/of geschutsopstellingen, rondom afgezet met een versperring (bijvoorbeeld weerstandskern of steunpunt) Opstelling van handvuurwapen, machinegeweer of andere (semi)automatisch wapen, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk Locatie van geschut, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk.
Munitieopslag in open veld Loopgraaf
Locatie van munitievoorraad in het open veld, niet zijnde binnen een verdedigingswerk Militaire loopgraaf
Tankgracht of –geul
Een diepe (al dan niet droge) gracht of geul met steile wanden, aangebracht om pantservoertuigen tegen te houden Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD géén landmijnen aangetroffen Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD, of bij naoorlogse activiteiten landmijnen aangetroffen. Geregistreerd mijnenveld, waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geregistreerd mijnenveld waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Niet alle volgens het mijnenlegrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geen feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Mijnenlegrapport aanwezig. Niet alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Versperringen, zoals strandversperringen en drakentanden Militaire werken zoals woononderkomen of werken met een burgerdoel zoals schuilbunker
Wapenopstelling
Landmijnen verdacht gebied
Landmijnen verdacht gebied
Mijnenveld Mijnenveld
Mijnenveld
Versperringen Infrastructuur zonder geschutsopstelling of munitievoorraad Schuilloopgraaf Kampementen
Mangat Vernielingslading Artillerie-, mortierof raketbeschieting Raketbeschieting inslagenpatroon bekend
Uitgangspunt conclusie Verdacht Onverdacht
✗ ✗
Gat in grond met schuilfunctie, niet in gebruik genomen als schuttersput Locatie van aangebrachte vernielingslading Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudige) raketwerpersysteem Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers
✗ ✗ ✗ ✗
Het gebied binnen de contouren van de loopgraaf is verdacht, bij voorkeur bepaald aan de hand van gegeorefereerde luchtfoto’s. Niet verdacht, tenzij er aanwijzingen zijn dat er mogelijk munitie in gedumpt is. n.v.t.
De grenzen zoals aangegeven in het ruimrapport
✗
✗
n.v.t. De grenzen zoals aangegeven in het mijnenlegrapport en/of ruimrapport.
✗
✗
n.v.t.
✗ ✗
Tenzij er indicaties zijn dat CE onderdeel uitmaken van de versperring. Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van nabij verdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen
✗ ✗
n.v.t.
✗
Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van munitieopslag of nabij verdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen. n.v.t.
✗ ✗
Locatie van vernielingslading
✗
Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon Te bepalen volgens rekenmethode waarin ten minste rekening wordt gehouden met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Op basis van in ieder geval deze vijf parameters wordt berekend tot welke diepte CE theoretisch kunnen indringen en hoever de maximale horizontale verplaatsing is. Situationeel te bepalen
Inslagpunt blindganger, zijnde een vliegtuigbom
Vliegtuig die niet in werking is getreden
✗
Crashlocatie vliegtuig Krater van gedetoneerde incidentele luchtafweergranaat Inslagpunt van een V.1 wapen
Aanwezigheid van CE vanwege de crash
✗
Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een incidentele luchtafweergranaat bevindt. Gebied dat is getroffen door de inslag van een V.1 wapen
25 meter rondom het hart van de geschutopstelling, maar niet verder dan een eventuele aangrenzende watergang. Locatie van de veldopslaglocatie
✗
Loopgraaf voor burgerbevolking om in te schuilen Grondgebied met onderkomens zoals tenten
Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied Het grondgebied binnen de grenzen van het verdedigingswerk is verdacht. De grenzen worden bij voorkeur bepaald aan de hand van gegeorefereerde luchtfoto’s. Locatie van de wapenopstelling
Situationeel te bepalen
✗ ✗
Tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft. 15 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke horizontale verplaatsing onder de grond.
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
75
Indicatie
Algemene omschrijving
Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerde V.1 wapen Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerde V.2 wapen Dumplocatie van munitie en/of toebehoren Ongecontroleerde (massa)explosie
Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V.1 wapen bevindt.
Vernietigingslocatie voor CE
Vernielingslading (in werking gesteld) Tapijtbombardement
Duikbombardement op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend Duikbombardement op zgn. ‘Line Target’, inslagenpatroon onbekend Raketbeschieting op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend Raketbeschieting op zgn. ‘Line Target’, inslagenpatroon onbekend
Uitgangspunt conclusie Verdacht Onverdacht
✗
Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied 50 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke aanwezigheid van explosieve componenten.
Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V.2 wapen bevindt.
✗
Situationeel te bepalen
Dumplocatie van CE en/of toebehoren in landbodem of op waterbodem
✗
(Sympathische) detonatie van explosieven voorraad zoals ontploffing munitieopslag of munitietrein Eén of meerdere springputten
✗
Locatie van de dump en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld dumping in stilstaand of stromend water Situationeel te bepalen
Locatie van in werking gestelde vernielingslading, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en) Gebied dat is getroffen door een bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.
✗
Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen
✗
Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen
✗
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn147.
Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen.
✗
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 108 meter gemeten vanuit het hart van het doel148
Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn of treinstel op deze spoorlijn te treffen
✗
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 80 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn149
✗
✗
De contour(en) van de springput(ten) en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld gelet op de afstand van eventuele uitgeworpen CE buiten deze contour(en). Locatie waar de vernielingslading in werking is gesteld en afbakening verder situationeel te bepalen. Op basis van een analyse van het inslagenpatroon145 wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel146.
Verzameling van de locaties van inslagen van één bepaald toestel of één bepaald bombardement. Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50% van de vliegtuigbommen binnen 119 meter neer is gekomen en de maximaal gemeten afstand t.o.v. het doel 181 meter was. 147 Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50 % van de vliegtuigbommen binnen 46 meter neer is gekomen en de maximaal afstand t.o.v. het doel 91 meter was. 148 Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322).
Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel (gebouwen) waarbij opgemerkt moet worden dat de gemiddelde spreiding van de raketten t.o.v. het middelpunt van een salvo 69 meter was, en dat de gemiddelde afstand van het middelpunt van een salvo t.o.v. het doel 39 meter was. 149 Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de maximale afstand gemeten n.a.v. luchtfoto-interpretatie. 145 146
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
76
Bijlage 3
Dekking geraadpleegde luchtfoto’s
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
77
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
78
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
79
Bijlage 4
A1 Inventarisatiekaart (losbladig)
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
80
Bijlage 5
A1 CE-Bodembelastingkaart (losbladig)
19P091 Definitieve rapportage VO CE Born-Graetheide d.d. 9 december 2019.
81