Bijlage 4 Bestemmingsplan verbeelding, regels en toelichting 2
Tekst van het document
Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven, het volledige onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen.
4 5
DGMR, ‘Akoestisch onderzoek Glanerbrook’, rapportnummer: M.2021.0981.00.R001, d.d. 7 oktober 2021. Econsultancy, ‘Rapport industrielawaai Glanerbrook’, rapportnr.: 17383 D2, d.d. 1 juli 2022.
Hoofdstuk 4
33
4.2.4 Onderzoek industrielawaai Maximale geluidniveau Ter plaatse van Parklaan 28 kan in de nachtperiode op de zuidgevel een maximaal geluidsniveau tot 63 dB(A) optreden als gevolg van het sluiten van autoportieren op het parkeerterrein. De betreffende auto’s zijn dan gepositioneerd op de grootst mogelijke afstand tot de ingang. In de praktijk zal deze situatie zich beperkt voordoen. Daarom wordt ondanks de overschrijding gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de andere gevels en alle andere omliggende bestemmingen wordt aan alle richt- en grenswaarden voldaan. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau In het onderzoeksrapport worden in tabel 5.1 de woningen genoemd waar de richtwaarde uit stap 2 wordt overschreden.
Uit nadere analyse van de resultaten volgt dat ter plaatse van vier toetspunten sprake is van een overschrijding van de richtwaarde uit stap 2 in de dagperiode, maar dat in de avond- en nachtperiode wel aan die richtwaarde wordt voldaan. Ook wordt overal voldaan aan de richtwaarde uit stap 3. Ter plaatse van 1 toetspunt wordt in enkel in de avondperiode niet voldaan aan de richtwaarde uit stap 2, maar wel aan de richtwaarde uit stap 3. De overschrijding bij de woningen Op de Vey en Beekhoverstraat in de dagperiode is het gevolg van het gebruik van het buitenzwembad met ligweide. Dit onderdeel van het sportpark maakt reeds deel uit van de bestaande gebruiksvergunning, waarin echter het stemgeluid wordt uitgezonderd van toetsing. Zo zal de herinrichting van het sportpark niet leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de betreffende woning(en). De overschrijding in de avondperiode wordt veroorzaakt door voertuigen en stemgeluid op het parkeerterrein voor de entree. De overschrijding bedraagt slechts 1 dB. Wanneer conform de vigerende vergunning het stemgeluid buiten toetsing wordt gelaten, wordt voldaan aan de richtwaarde. Daarom wordt gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indirecte hinder De richtwaarde voor indirecte hinder uit stap 2 wordt ter plaatse van enkele woningen met ten hoogste 5 dB overschreden.
De overschrijding zal met name optreden tijdens dagen met maximaal gebruik van de faciliteiten, zoals een wedstrijd in de ijs- of sporthal. De indirecte hinder voldoet wel aan de richtwaarde uit stap 3. Ook is deze waarde in het kader van vergunningverlening op basis van de Schrikkelcirculaire vergunbaar te noemen, onder voorwaarde dat
Hoofdstuk 4
34
het geluidsniveau in de betreffende woningen aanvaardbaar is. Hoewel indirecte hinder wordt getoetst als etmaalwaarde, moet het binnenniveau worden getoetst aan het Bouwbesluit zijnde 33 dB Lden conform uitspraak van de Raad van State (ABRvS 201503283/2/R2 d.d. 25 januari 2017). Wanneer de indirecte hinder wordt omgerekend naar Lden volgt hieruit een hoogste waarde van 52 dB. De minimaal benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel bedraagt derhalve 19dB. De meeste woningen aan de Kummenaedestraat tussen Parklaan en de toegang tot Glanerbrook zijn gebouwd in de periode 1930 – 1950. Het is op dit moment niet bekend in hoeverre de minimaal vereiste gevelwering aanwezig is. Doorgaans mag worden gesteld dat goed onderhouden woningen met dubbelglas beschikken over voldoende geluidwering. Uit het akoestisch onderzoek behorend bij de vigerende vergunning voor het sportcomplex volgt, dat tijdens regulier gebruik van het sportlocatie in de avondperiode een geluidsbelasting van 50 tot 53 dB(A) optreedt bij woningen aan de Kummenaedestraat. Tijdens wedstrijddagen kan dit oplopen naar 53 tot 56 dB(A). Er is derhalve reeds sprake van een hoge geluidsbelasting als gevolg van bestemmingsverkeer. In de bestaande situatie maken circa 4.000 voertuigen per etmaal gebruik van de Kummenaedestraat, inclusief het bestemmingsverkeer naar Glanerbrook.
Op grond van de eerder aangehaalde verkeersstudie wordt verwacht dat het bestemmingsverkeer verdubbelt. De totale verkeersintensiteit bedraagt dan circa 4.600 voertuigen, waarvan 1.200 van en naar Glanerbrook. Ten opzichte van het reguliere doorgaand verkeer zorgt het bestemmingsverkeer voor een ‘toename’ in geluidsbelasting van minder dan 2 dB. Ten opzichte van de bestaande totale etmaalintensiteit bedraagt die toename grosso modo 0,6 dB. Daarom wordt de indirecte hinder aanvaardbaar geacht. 4.2.5 Conclusie industrielawaai De revitalisatie van sportpark Glanerbrook leidt niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Ter plaatse van enkele woningen wordt de richtwaarde uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) overschreden. Deze overschrijding is echter direct terug te voeren op reeds bestaande activiteiten binnen de inrichting. Voorwaarde voor deze conclusie is dat in het ontwerp van nieuwe gebouwen, de overkapping van de buitenbaan en de nieuw te plaatsen gebouwinstallaties rekening wordt gehouden met de emissie naar de omgeving zodanig dat aan wet- en regelgeving wordt voldaan.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
Hoofdstuk 4
35
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
4.3.2 Conclusie In dat kader dient bezien te worden of de vernieuwbouw van Sportpark Glanerbrook 'Niet In Betekende Mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit kan berekend worden met behulp van de NIBM-tool. Aan de hand van deze tool kan het effect van de toekomstige verkeersgeneratie inzichtelijk worden gemaakt. Volgens het Parkeer- en Verkeersonderzoek van Royal HaskoningDHV genereert de vernieuwbouw een verkeerstoename van circa 600 verkeersbewegingen (motorvoertuigen) per etmaal. Er is daarbij rekening gehouden met 10% vrachtverkeer.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verNO2 in μg/m3 keer PM10 in μg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
2025 600 10,0% 0,57 0,13 1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Uit de berekeningen blijkt dat maximale verkeersgeneratie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De maximale bijdrages van 0,57 en 0,13 ìg/m3 voor respectievelijk
Hoofdstuk 4
36
NO2 en PM10 voldoen ruim aan de NIBM grenswaarde van 1.2 ìg/m 3. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat een nader luchtkwaliteitsonderzoek voor dit plan niet noodzakelijk is. Daarnaast voldoet de huidige luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving blijkens de concentratiekaarten van het RIVM ruimschoots aan de daarvoor geldende normen. Er is dan ook geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Op basis van artikel 5.16 Wm lid 1, sub a en c, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering. De voorgenomen ontwikkeling is kortom niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 4
37
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 6. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Ten behoeve van bedrijven en milieuzonering is door Econsultancy onderzoek uitgevoerd 7. Het sportpark is al decennia lang gelegen aan de rand van het centrum van Geleen. Het park omvat een sportcentrum met hal, zwembad en ijsbaan, een buitenzwembad met ligweide, en een onoverdekte schaatsbaan met daaromheen een wielerbaan.
Bovendien worden periodiek evenementen gehouden op het terrein. Daarom wordt de directe omgeving van het sportpark als een gemengd gebied getypeerd. 6 7
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009. Econsultancy, ‘Rapport industrielawaai Glanerbrook, rapportnr.: 17383 D1, d.d. 4 februari 2022.
Hoofdstuk 4
38
In de publicatie worden voorts per milieucategorie richtafstanden gesteld. De richtafstand volgt uit een voor die categorie gangbare, gemiddelde bedrijfssituatie. Wanneer woningen buiten de richtafstand zijn gelegen, mag worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande tabel wordt de richtafstand voor enkele binnen het sportpark aanwezige functies weergegeven. Omschrijving Zwembad niet-overdekt Sporthal Open-lucht-ijsbaan
Milieucategorie 4.1 3.1 4.2
Richtafstand geluid (meters) 100 30 200
Voor alle bovenstaande bedrijfsactiviteiten is de afstand tot dichtstbijzijnde woningen of andere milieugevoelige objecten groter dan de richtafstand. 4.4.3 Conclusie Op basis van het geldende bestemmingsplan en dit bestemmingsplan zijn binnen de bestemming 'Sport’ bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten toegestaan en/of daarmee qua aard, omvang en omgevingseffecten gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten. Vanuit het aspect bedrijven- en milieuzonering bestaat er dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente Sittard-Geleen heeft geen dergelijk beleid opgesteld.
Hoofdstuk 4
39
4.5.2 Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen gelegen. Er is geen sprake van noemenswaardige agrarische voor- of achtergrondbelasting. Het aspect geur en veehouderijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6 Kabels en leidingen Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en
Hoofdstuk 4
40
bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek Omdat rondom de locatie meerdere risicobronnen liggen en het aantal mogelijke aanwezigen toeneemt is een onderzoek naar externe veiligheid noodzakelijk. De ammoniakkoeling van de buitenbaan van de ijshal wordt vervangen door een co2 installatie. Ten behoeve van de externe veiligheid en daarmee samenhangende risico’s heeft DGMR een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd8 dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. De daarin vermelde ammoniakinstallatie is na vernieuwbouw dus niet meer van toepassing en daarmee valt het sportpark ook niet meer onder het Bevi. Met behulp van de risicokaart is inzichtelijk gemaakt welke mogelijke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden. Het gaat om de volgende risicobronnen: Meerdere buisleidingen ten noordoosten en ten noordwesten van het plangebied. De minimale afstand is 900 meter.
8
DGMR, ‘Onderzoek externe veiligheid - sportpark Glanerbrook’, rapportnummer: M.2021.0981.01.R001, d.d. 24 januari 2022.
Hoofdstuk 4
41
Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor naar Duitsland tussen Sittard en de aansluiting met Herzogenrath op 340 meter ten zuidoosten van de planlocatie (Route 380, Sittard aansl. – Herzogenrath (D)).
Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor tussen Sittard en Maastricht, en de aftakking naar DSM op 1000 meter ten westen van de locatie (route 50).
Rondom het gebied lopen meerdere hoge druk aardgasbuisleidingen. De afstand tot deze leidingen bedraagt minimaal 900 meter. Dit is ruim buiten het invloedsgebied van de grootste mogelijke aardgasleidingen. Deze leidingen vormen daarom geen extern risico voor de planlocatie. De spoorlijn Sittard- aansluiting Herzogenrath ligt op meer dan 200 meter van de planlocatie. Daarom mag conform het Bevt worden gesteld dat op de planlocatie aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt voldaan en dat de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar is. Vanwege het transport van ontvlambare gassen is het invloedsgebied 460 meter en is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig.
Hoofdstuk 4
42
De spoorlijn Sittard-Maastricht ligt op meer dan 200 meter van de planlocatie. Daarom mag conform het Bevt worden gesteld dat op de planlocatie aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt voldaan en dat de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar is. Vanwege het transport van toxische gassen bedraagt het invloedsgebied tot meer dan 4 kilometer en is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. De verantwoording van het groepsrisico is in hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport opgenomen. 4.7.3 Conclusie Rondom de locatie liggen meerdere buisleidingen en vindt transport van geklasseerde stoffen per spoor plaats. De locatie ligt buiten het invloedsgebied van de buisleidingen, maar binnen het invloedsgebied van het spoor. De planlocatie ligt op meer dan 200 meter van de spoorlijnen, zodat de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar is en kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico zoals is opgesteld in hoofdstuk 4 van het bijlagerapport. Concluderend zijn er vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep
Hoofdstuk 4
43
op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven
Hoofdstuk 4
44
in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Quickscan flora en fauna Er is door BRO9 een quickscan flora fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de vernieuwbouw van (top)sportaccommodatie Glanerbrook te Geleen is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (natuurtoets) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen.
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In de natuurtoets zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Het plangebied is niet gelegen binnen het goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel betreft de goudgroene natuurzone en ligt ongeveer 670 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Wel zijn er binnen het plangebied een aantal monumentale bomen aanwezig waar met de ontwikkeling rekening gehouden moet worden. Indien er een monumentale boom gekapt gaat worden dient een kapvergunning bij het bevoegd gezag aangevraagd te worden.
Naast een bomenkapplan heeft het college van Sittard-Geleen op 11 december 2018 een lijst vastgesteld met monumentale en waardevolle bomen die als bijlage bij deze toelichting zijn toegevoegd.
9
BRO, ‘Natuurtoets Glanerbrook te Geleen’, projectnummer P04162, d.d. 15 maart 2021.
Hoofdstuk 4
45
4.8.3 Vervolgonderzoek vleermuizen Middels een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan), uitgevoerd door BRO in 2021, is vastgesteld dat de gebouwen binnen het plangebied geschikte verblijfplaatsen bevatten voor vleermuizen. Naar aanleiding hiervan is vleermuisonderzoek 10 uitgevoerd in het seizoen van 2021, om verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen dan wel met voldoende zekerheid uit te sluiten. Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Er gaan bij werkzaamheden geen rust- en verblijfplaatsen, essentieel leefgebied of vliegroutes verloren. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen. Wel dient een lichtplan te worden opgesteld om verstoringen van het foerageergebied van de gewone dwergvleermuis binnen de parken rond de ijsbaan te voorkomen. Andere diersoorten als vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat men zorg moet dragen voor aanwezige individuen, ook algemene soorten. Men moet deze dieren de tijd geven om het plangebied te verlaten. Weinig mobiele soorten als egel of pad kunnen met beleid naar buiten het plangebied worden verplaatst.
Daarnaast zijn broedende vogels en hun nesten tijdens het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt om het opgaand groen binnen het plangebied buiten het broedseizoen te verwijderen, om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt gemiddeld van half maart tot half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval. 4.8.4 Conclusie flora & fauna De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van beschermde soorten veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en leefgebieden en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel aanwezige of passerende individuen. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen zoals zijn opgenomen in de rapportage Natuurtoets en Vervolgonderzoek vleermuizen.
10
BRO, ‘vervolgonderzoek vleermuizen’, projectnummer P04162, d.d. 15 november 2021.
Hoofdstuk 4
46
4.8.5 Stikstof Gebiedsbescherming – Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt in Nederland al jaren een knelpunt bij de beoordeling van bestemmingsplannen en projecten. Dit wordt veroorzaakt doordat de toegestane stikstofdeposities in een groot gedeelte van de ruim 160 aanwezige Natura 2000-gebieden in Nederland wordt overschreden. Op 15 juli 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden om het knelpunt op te lossen. Dit programma is echter onverbindend verklaard, omdat de Raad van State in hun uitspraak van 29 mei 2019 heeft geconstateerd dat de werking van de PAS in strijdt is met artikel 6, lid 3 van de Europese Habitatrichtlijn. Concreet betekent dit dat de stikstofdepositie bij nieuwe plannen en projecten getoetst dient te worden aan het kader dat gold voor de invoering van de PAS, oftewel direct aan de eisen vermeld in de Habitatrichtlijn. Onderzoek Voor het beoogde plan is een stikstofonderzoek nodig, aangezien er stikstofgevoelige Natura 2000gebieden in de omgeving gelegen zijn. Ten behoeve van de vernieuwbouw van Glanerbrook is er met de wettelijk voorgeschreven AERIUS-calculator een berekening gemaakt van de stikstofdepositie ten gevolge van de gebruiksfase van het plan11. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
De berekeningen zijn toegevoegd aan de bijlagen bij deze toelichting. De uitkomst van de stikstofdepositie berekening luidt dat de gebruiksfase leidt tot stikstofdepositiewaarden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Bij een stikstofdepositie uitkomst boven 0,00 mol/ha/jr, zijn er verschillende mogelijkheden om te bepalen of een nieuwe ontwikkeling in aanmerking komt voor een positief besluit/vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. De eerstvolgende stap hierin is intern salderen. Derhalve is er stikstof verschilberekening opgesteld door IDDS12. Gelet op de berekende overschrijding in de toekomstige situatie, is er een verschilberekening (intern salderen) opgesteld om te achterhalen of de toekomstige situatie ondanks de verhoging van > 0,00 mol/ha/jr leidt tot een betere situatie dan de oude situatie. In deze stap wordt gekeken of het projecteffect ten opzichte van de referentiesituatie per saldo leidt tot een toename in stikstofdepositie ten opzichte van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Vanuit het intern salderen wordt geconcludeerd dat in de gebruiksfase minder depositie op Natura 2000-gebieden is dan in de referentiesituatie. Conclusie stikstof Per saldo treedt er in de gebruiksfase minder uitstoot op dan in de referentiesituatie. Op grond hiervan is geen nader onderzoek benodigd.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze resultaten een positief advies geven voor de beoogde ontwikkeling.
11 12
IDDS, ‘Stikstofonderzoek renovatie en nieuwbouw Kummenaedestraat 45 Geleen’, AERIUS berekening gebruiksfase, d.d. 16 december 2021. IDDS, ‘Stikstof verschilberekening renovatie en nieuwbouw Kummenaedestraat 45 Geleen’, d.d. 22 december 2021.
Hoofdstuk 4
47
4.8.6 Conclusie Gelezen het bovenstaande en de uitgevoerde vervolgonderzoeken, kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Lichthinder Middels een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan), uitgevoerd door BRO in 2021, is vastgesteld dat de gebouwen binnen het plangebied geschikte verblijfplaatsen bevatten voor vleermuizen. Zoals in de ecologie paragraaf is beschreven zijn binnen en in de omgeving van het plangebied geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Wel dient een lichtplan te worden opgesteld om verstoringen van het foerageergebied van de gewone dwergvleermuis binnen de parken rond de ijsbaan te voorkomen. Er is een ontwerp voor de landschapsinrichting van het Burgemeester Damenpark opgesteld onder leiding van Buro Poelmans Reesink13. Dit Voorlopig Ontwerp is in opdracht van de Gemeente SittardGeleen gemaakt door het ontwerpteam NOAHH Architecten, Deerns, Pieters Bouwtechniek en Buro Poelmans Reesink.
13
Buro Poelmans Reesink, ‘Glanerbrook-Burgemeester Damenpark-Geleen Voorlopig Ontwerp’, d.d. 10 mei 2022.
Hoofdstuk 4
48
Voorlopig ontwerp (Poelmans Reesink, 2022)
Hoofdstuk 4
49
In het voorlopig ontwerp landschapsplan is ook een lichtplan opgenomen.
Lichtplan VO (Poelmans Reesink, 2022)
Het plan voorziet in verlichting van de parkeerplaats die deels in de bestaande situatie al aanwezig is. Daarnaast is de entree belicht met een drietal masten en gevelverlichting. Voor de hoofdpaden naar de entree zijn een aantal lage masten voorzien. De rest van het park is niet verlicht. Voor de verlichting van de parkeerplaats gaat het om de interactieve verlichting die aan gaat als er mensen op het parkeerterrein zijn. Een dergelijke vorm van verlichting voorkomt onnodige lichthinder en werkt positief voor de nachtdieren in het park. Dit lichtplan is vervolgens beoordeeld door de ecologen van BRO. Gezien het feit dat op dat op basis van dit ontwerp enkel de gebouwen en parkeerplaatsen worden verlicht heeft dit geen effect op eventueel aanwezige diersoorten. Een deel van de nieuwbouw langs de sportallee en ijshal heeft glazen gevels waardoor licht van binnen naar buiten kan schijnen. Deze uitstralende verlichting wordt echter voor een groot deel weg gefilterd door de pergola met groene klimplanten en heesters direct rondom het gebouw. Het park kan in de toekomstige situatie nog steeds al foerageergebied fungeren. Gelezen het bovenstaande en de uitgevoerde vervolgonderzoeken, kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect van lichthinder geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
50
4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 17 november 2020 zijn de Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeente SittardGeleen 2021-2025 met bijbehorende Nota bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen vastgesteld. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer is een uitvloeisel van het landelijke Besluit bodemkwaliteit dat in 2008 in werking is getreden.
De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer geven aan hoe het binnen het gebied van Sittard-Geleen gesteld is met de diffuse bodemkwaliteit en hoe de gemeente, voor zover het haar bevoegdheden betreft, invulling geeft aan de toetsing van bodemaspecten op beleidsterreinen waar dat aspect een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Bij al deze werkvelden worden dezelfde eisen gesteld aan de bodemkwaliteit. Deze benadering staat bekend onder de benaming meersporenbeleid en ligt aan de basis van een duurzame en efficiënte aanpak van de in de gemeente aanwezige diffuse bodemverontreiniging. 4.10.2 Onderzoek Door IDDS is een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd voor het plangebied.14 Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek weergegeven. Het volledig onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als ‘verdacht’ beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. De opslag van ammoniak, chloor en chemicaliën zijn potentiële bronnen van bodemverontreiniging. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan op basis van de aangetroffen puinresten op het maaiveld niet uitgesloten worden (verdacht).
14
IDDS, ‘Milieuhygienish vooronderzoek NEN5727 Sportpark Glanerbrook te Geleen’, kenmerk: A1343-06/PBE/rap1, d.d. 20 oktober 2021.
Hoofdstuk 4
51
Rekening dient te worden gehouden dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning om een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek kan worden gevraagd. Geadviseerd wordt hierbij rekening te houden met de aanwezige sintellaag ter plaatse van de wielerbaan en de opslagplaatsen van ammoniak, chloor en chemicaliën. 4.10.3 Conclusie In onderhavig bestemmingsplan worden de bestemmingen niet gewijzigd naar een gevoeliger gebruik. Op basis van de onderzoeksresultaten worden uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht bij het doorzetten van het huidig gebruik.
4.11 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is.
Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plas-
Hoofdstuk 4
52
sen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater, ecosysteem en afvalwater. Binnen het onderzoeksgebied is een licht hoogteverschil aanwezig. Het zuidoostelijke gedeelte ligt op ca 77,0 m +NAP en is aflopend naar het noordwestelijk deel tot ca. 56 m +NAP. Infiltratie is in de lemige bodem niet toepasbaar geacht. Dit zal indien verplicht in de diepere ondergrond plaats dienen te vinden. Om instroom van hemelwater tegen te gaan, wordt geadviseerd om een vloerpeil van 10 – 20 cm boven de kruin van de weg/bestaand maaiveld aan te houden. De bestaande bebouwing is/was aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Bij nieuwbouw dient minimaal een gescheiden stelsel aangelegd te worden vooruitlopend op een toekomstige scheiding van het stelsel.
Afhankelijk van de uiteindelijke nieuwbouw en capaciteit van het gemeentelijk rioolstelsel dient bij nieuw op eigen terrein waterberging ingepast te worden zodat geen toekomstige wateroverlast (benedenstrooms) optreedt. Het Waterschap Limburg vereist bij (nieuw)bouw projecten dat een bui van 80 mm verwerkt moet worden binnen het plangebied. Afhankelijk van de capaciteit van het gemeentelijk rioolstelsel is bij nieuwbouw dus mogelijk aanvullende hemelwaterberging op eigen terrein benodigd. Bij concrete bouwplannen dient dit nader met de gemeente afgestemd te worden. Bij gebrek aan oppervlaktewater en infiltratiemogelijkheden (tenzij heel diep) zal de eventuele hemelwatervoorziening dan vertraagd afvoeren naar het gemeentelijk rioolstelsel. Het afkoppelen van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieu hygiënische maatregelen worden getroffen. Binnen het plangebied loopt van west naar oost een overkluisde beek. Deze is gesitueerd ten noorden van het sportcomplex van Glanerbrook en loopt nu deels onder de parkeerplaats door. De Keutelbeek is een zijbeek van de Geleenbeek. De beek ontspringt in Kelmond, in de Nederlandse gemeente Beek en stroomt over een lengte van ongeveer zeven kilometer naar de Geleenbeek bij Oud-Geleen.
In het verleden heeft men de beek overkluisd vanaf het punt dat deze de bebouwing van Beek binnenloopt tot aan de monding in de Geleenbeek. Het overkluisde deel is daarbij tegelijkertijd onderdeel geworden van de gemeentelijke riolen van de gemeenten Beek en Sittard-Geleen. De afvoeren van het beekwater en de riolering is aangesloten op de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het Waterschap Roer en Overmaas wil de beek weer herstellen en de overkluizingen weghalen om zo de natuurlijke afvoer van beekwater en rivierwater te herstellen.
Hoofdstuk 4
53
In het voorlopig ontwerp zijn ook een infiltratieplan en bergingsanalyse opgenomen.
Infiltratieplan (Poelmans Reesink, 2022)
Bergingsanalyse (Poelmans Reesink, 2022)
Hoofdstuk 4
54
Op basis van dit infiltratie- en bergingsplan wordt hemelwater zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Schoon water kan in het park worden ervaren door de bezoekers en door ontwerp en gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt. Het plan is daarmee in lijn met een doelmatig en duurzame omgang van hemelwater zoals in het beleid van de Gemeente Sittard-Geleen wordt nagestreefd. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt een kader gecreëerd waarbinnen het toekomstig bouwplan dient te worden gerealiseerd. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de in de toekomst aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen.
4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2022 of begin 2023 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden. Artikel 9.1 (overgangsrecht omgevingswet) van de Erfgoedwet zegt: Voormalig artikel 38a: De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: archeologische resten) Voormalig artikel 41: De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (o.a.
gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan) kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.
Hoofdstuk 4
55
In 2012 heeft de gemeente Sittard-Geleen de “beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen” vastgesteld15. Onderdeel van deze beleidsnota is een archeologische beleidskaart, die gebaseerd is op een aantal archeologische verwachtingskaarten16. De archeologische verwachtingskaarten geven inzicht in de (verwachte) aanwezigheid van archeologische resten. De verwachtingskaarten zijn vervolgens omgezet naar één beleidskaart. Op de archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 7 archeologische beleidscategorieën ontstaan (zie onderstaande tabel). Beleidscategorie
Verwachting/waarde
1
AMK-terrein; terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd AMK-terrein; terrein van zeer hoge en hoge archeologische waarde AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, kern Sittard AMK-terrein; terrein van archeologische waarde Zone rondom ARCHIS-waarneming/vondstmelding/vindplaats AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, historische kernen Hoge verwachting voor droge landschapen Hoge verwachting voor droge landschapen, provinciaal aandachtsgebied Middelhoge verwachting voor droge landschappen Middelhoge verwachting voor droge landschappen, provinciaal aandachtsgebied Hoge verwachting voor natte landschappen Hoge verwachting voor natte landschappen, Maasafzettingen Middelhoge verwachting voor natte landschappen Onbekende verwachting voor droge en natte landschappen Lage verwachting voor droge landschappen, provinciaal aandachtsgebied Lage verwachting voor droge en natte landschappen Lage verwachting voor ontgronde gebieden Lage verwachting voor vrijgegeven onderzoeksgebieden
2
3 4
5 6 7
Uit de archeologische kaarten blijkt dat het plangebied in een archeologisch interessant gebied ligt. In het plangebied zelf zijn twee archeologische vindplaatsen bekend. Het gaat om de vondst van een
15 16
Gemeente Sittard-Geleen, 2012. Beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen. Verhoeven, M.P.F. & G.R. Ellenkamp, 2010. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Sittard-Geleen. RAAP-rapport 2144. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.
Hoofdstuk 4
56
vroegmiddeleeuwse tuitpot (Archis zaakid. 2901399100) en resten uit de volle middeleeuwen die tijdens een archeologische begeleiding in 2016 zijn aangetroffen (Archis zaakid. 3985155100). Daarnaast zijn binnen een straal van 500 m rondom het plangebied verscheidene vindplaatsen van de Lineaire Bandkeramiek (neolithicum) en de late middeleeuwen tot nieuwe tijd bekend. De bekende archeologische vindplaatsen binnen het bestemmingsplangebied kennen een grote mate van bescherming en zijn volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente ingedeeld in beleidscategorie 2 (zie uitsnede beleidskaart, in oranje). Concreet betekent dit dat voor deze gebieden een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm -Mv én de omvang van het gebied groter is dan 50 m². Op basis van deze archeologische gegevens, in combinatie met landschappelijke en historische gegevens, geldt voor het overige deel van het bestemmingsplangebied grotendeels een (middel) hoge verwachting. In het gebied moet met name rekening worden gehouden met de aanwezigheid van nederzettingsterreinen met bijbehorende grafvelden (‘droge archeologie’). Ter hoogte van de Keutelbeek worden archeologische resten verwacht die gerelateerd zijn aan natte landschappen (zoals afvaldumps, rituele deposities, voorden).
Het gebied is ingedeeld in beleidscategorie 4 (zie uitsnede beleidskaart, in groen). Concreet betekent dit dat voor deze gebieden een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm -Mv én de omvang van het gebied groter is dan 500 m².
Hoofdstuk 4
57
Uitsnede uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Sittard-Geleen (2012)
4.12.2 Onderzoek en conclusies Naar aanleiding van de herinrichting van het sportpark Glanerbrook, heeft in het bestemmingsplangebied reeds archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het betreft een bureau- en verkennend booronderzoek.17 Uit het betreffende onderzoeksrapport blijkt dat het gebied nog niet volledig is vrijgegeven. De oorspronkelijke beleidscategorieën blijven hier dan ook gehandhaafd, met dien verstande dat de vrijstellingsdiepte op basis van het booronderzoek ten noord(west)en van de geërodeerde zone op 50 cm – mv kan gelegd worden. Ten zuid(oost)en van de geërodeerde zone blijft de diepte van de vrijstellingsgrens op 30 cm – mv. Een uitzondering vormen de reeds verstoorde, opgegraven en geërodeerde zones (zie resultaten verkennend booronderzoek, grijze en gele vlakken). Voor deze gebieden kan de dubbelbestemming Waarde-Archeologie komen te vervallen.
17
Stiekema, M., 2022. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Sportpark Glanerbrook te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, Econsultancy rapport 17383.001, Swalmen.
Hoofdstuk 4
58
)
Resultaten verkennend booronderzoek (Stiekema, 2022)
Hoofdstuk 4
59
Tot slot dient te worden aangetekend, dat los van de verplichting om in bepaalde gevallen archeologisch onderzoek uit te voeren, bij een verstoringsdiepte groter dan respectievelijk 30 en 50 cm te allen tijde een meldingsplicht geldt voor de aanvang van de werkzaamheden. 1. De aanvang van de werkzaamheden dient twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (marion.aarts@sittard-geleen.nl) 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Monumentenwet van 1988, artikel 53 & 54) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, bent u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog Mw. M. Aarts (046-4777456) en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project. PM: PvE & proefsleuvenonderzoek
4.13 Cultuurhistorie Binnen het plangebied is een cultuurhistorisch waardevol gebouw aangemerkt zijnde het voormalige ‘kassahuisje’ gelegen in het Burgemeester Damenpark tegenover de Irenelaan 16 op sectie F nummer 4327. Dit object is op 27 oktober 2008 door het college aangewezen 18 als gemeentelijk monument en het exterieur van het object geniet een beschermde status. In het plangebied en de directe omgeving zijn er verder geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is het plan niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol of van betekenis. Er vindt momenteel een cultuurhistorische inventarisatie plaats en deze zal ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan als onderzoek worden toegevoegd aan de stukken.
4.14 Toetsing vormvrije m.e.r.-beoordeling Ingevolge de Wet milieubeheer, artikel 7.2 lid 1, is een m.e.r. (beoordelings) plicht ten aanzien van plannen en besluiten verplicht indien: a. deze belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. het bevoegd gezag ten aanzien daarvan moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
18
Gemeente Sittard-Geleen, Aanwijzingsbesluit gemeentelijk monument – object kassahuisje, d.d. 27 oktober 2008.
Hoofdstuk 4
60
Het Besluit milieueffectrapportage geeft aan in welke gevallen er een verplichting (onder a.), dan wel een beoordeling (onder b.) geldt. Activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a: activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage is omschreven, met uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt. Toets De voorgenomen activiteiten, plannen of besluiten ten aanzien van het Burgemeester Damenpark worden niet vermeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het maken van een milieueffectrapport is dus niet verplicht. Activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b: activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage is omschreven, alsmede activiteiten die in onderdeel C van de bijlage zijn omschreven en die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.
Met een ruime interpretatie van activiteit D 11.2: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” zou deze activiteit op de herontwikkeling van toepassing kunnen zijn. Echter, er wordt niet voldaan aan het gestelde in kolom 2 van deze lijst (tenminste 100 ha, of een bvo van tenminste 200.000 m 2). Maar bovenal is hier geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, er vindt geen functiewijziging plaats en het karakter van de omgeving wijzigt niet. Toets De voorgenomen activiteiten, plannen of besluiten ten aanzien van het Burgemeester Damenpark worden niet vermeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet verplicht.
Hoofdstuk 4
61