Bijlage 3 - Toelichting Bp Driehoek Rijksweg Zuid Middenweg.pdf
Tekst van het document
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen.
Hoofdstuk 4
29
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Toetsing De gemeente Sittard-Geleen heeft een archeologische verwachtings- en beleidskaart op gesteld. Het doel van het opstellen van deze kaart is om ten behoeve van toekomstige planvorming en planuitvoering inzicht te verschaffen in de aanwezigheid en karakter van de archeologische en historische resten in de gemeente. Uit de archeologische kaarten blijkt dat het plangebied in een archeologisch interessant gebied ligt. In het gebied zelf zijn drie archeologische vindplaatsen bekend (ARCHIS-waarnemingsnummers 42720 en 42721 en vindplaats amateurmelding 514). Op deze locaties zijn onder andere nederzettingsresten (kuilen, paalsporen) aangetroffen uit het vroeg Neolithicum (Lineaire Bandkeramische Cultuur; LBK). In de directe omgeving van het plangebied (straal 300 meter) zijn – naast archeologische resten van de LBK-cultuur – ook archeologische resten aangetroffen uit de Steentijd (onbepaald), het Neolithicum, de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen.
Hieruit kan worden opgemaakt dat de omgeving van het plangebied zowel in het Neolithicum als ook in de andere perioden een aantrekkelijke vestigingslocatie was. De drie bekende LBK-vindplaatsen binnen het plangebied kennen een grote mate van bescherming en behoren tot beleidscategorie 2. Op basis van landschappelijke en historische gegevens, in combinatie met de vele archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, geldt voor het overige deel van het plangebied een hoge verwachting. In het gebied moet vooral rekening worden gehouden met de aanwezigheid van nederzettingsterreinen met bijbehorende grafvelden (‘droge archeologie’). Er worden met name resten uit het Vroeg Neolithicum (LBK) verwacht. Daarnaast kunnen archeologische resten uit de overige perioden voorkomen. Het gebied is ingedeeld in beleidscategorie 4. Uitzondering vormen de zuidoostelijke en zuidwestelijke hoeken van het plangebied. Aan de zuidoostelijke hoek is een lage verwachting toegekend. Het gebied is ingedeeld in beleidscategorie 6. De zuidwestelijke hoek is in het verleden reeds tot op grote diepte ontgrond (maximaal 6 meter –Mv). Gezien de aard van de ontgronding wordt verwacht dat archeologische resten op deze locatie volledig verstoord/vernietigd zijn. Dit gebied valt in beleidscategorie 7. Aan de beleidscategorieën 2 en 4 dienen in het bestemmingsplan planregels te worden gekoppeld.
Beleidscategorieën 6 en 7 kennen geen archeologische beperking en hoeven dan ook niet in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Voor beleidscategorie 2 geldt dat er bij bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm -Mv archeologisch vooronderzoek nodig is (waarde archeologie 1).
Hoofdstuk 4
30
Voor beleidscategorie 4 geldt dat er bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm – Mv archeologisch vooronderzoek nodig is (waarde archeologie).
Figuur 4.2: Uitsnede Archeologische beleidskaart
4.11.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn in het plangebied enkele waardevolle lijnelementen aanwezig in de vorm van ‘weg ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwse verkaveling’, ‘onverharde weg ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwse verkaveling’ en ‘andere weg uit periode voor 1810’. Dit betreft Eggelspoelderweg en de onverharde wegen die hier aan grenzen. Daarnaast ligt op het plangebied een cultuurhistorisch lijnelement in de vorm van ‘oude grens en oude grens herkenbaar in terrein na 1866’. Deze grens loopt onder de keukenzaak. Tot slot ligt in het zuiden van het plangebied een cultuurhistorisch vlakelement in de vorm van ‘sedert 1830 weinig of matig veranderd verkavelingspatroon’.
Hoofdstuk 4
31
Onderhavig bestemmingsplan verankerd de reeds bestaande situatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Aan de cultuurhistorische elementen wordt derhalve niets gewijzigd. 4.11.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Toets m.e.r.-plicht In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In onderhavig bestemmingsplan wordt de huidige situatie planologisch en juridisch verankerd. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.
Hoofdstuk 4
32
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het onderliggende beheersverordening ‘Voormalig Slachthuis en omgeving’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Sittard-Geleen nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 5
33
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan.
Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: Algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels.
Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.
Hoofdstuk 5
34
algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. overige regels: hierin zijn de voorrangsregels opgenomen.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen.
‘Agrarisch’ ‘Bedrijf’ ‘Groen’ ‘Recreatie’ ‘Sport’ ‘Verkeer’ ‘Verkeer – Parkeren’ ‘Verkeer – Spoor’ ‘Waarde – Archeologie 1’ ‘Waarde – Archeologie’
Agrarisch Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen. Ook zijn extensieve (dag)recreatie en watergangen ten behoeve van de waterhuishouding toegestaan. Met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. Gebouwen zijn niet toegestaan. Bedrijf Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven voor zover deze voorkomen in categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en bedrijven ter plaatse van de aanduidingen: 1. ‘zend-/ zendontvangstinstallatie uitsluiten een zend-/ontvangstinstallatie; 2. ‘nutsvoorziening’ uitsluitend een nutsvoorziening; 3. ‘specifieke vorm van detailhandel – kringloopwinkel’ een kringloopwinkel; 4. ‘specifieke vorm van bedrijf – keukenzaak’ een detailhandelsbedrijf in de keukenbranche met een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 500 m²; 5. 'specifieke vorm van bedrijf - ABC' een bedrijf dat zich toelegt op de verkoop van auto’s, motoren, scooters, bromfietsen, boten, caravans en tenten;
Hoofdstuk 5
35
met bijbehorende erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en overige bijbehorende voorzieningen en (on)bebouwde gronden. Gebouwen en bedrijfsinstallaties mogen alleen binnen de bouwvlakken gebouwd worden. De maximale goot- en bouwhoogte zijn weergegeven op de verbeelding. De maximale bouwhoogte van de bedrijfsinstallaties mag 8 meter bedragen. Groen Deze gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenstroken en overige aanplanten, wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen, water(lopen) en uitritten, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, voorzieningen, (ondergrondse) voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en (on)bebouwde gronden en bijbehorende nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en overige bijbehorende voorzieningen en (on)bebouwde gronden. Er zijn geen gebouwen toegestaan. Recreatie Deze gronden zijn bestemd voor recreatieve activiteiten ter plaatse van het aanduiding ‘volkstuin’ uitsluitend voor een volkstuin. Gebouwen mogen alleen binnen de bouwvlakken gebouwd worden. De maximale goot- en bouwhoogtes zijn op de verbeelding aangegeven.
Sport Deze gronden zijn bestemd voor de binnensportbeoefening, zoals voetbal, tennis of vergelijkbare (veld)sporten met bijbehorende bebouwing en daaraan ondergeschikte horeca, met uitzondering van (een) bedrijfswoning(en). Een bowlingbaan met daaraan ondergeschikte horeca, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bowlingbaan’ en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Met bijbehorende erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en overige bijbehorende voorzieningen en (on)bebouwde gronden. Er mogen geen gebouwen gebouwd worden. Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en wandel- en fietspaden ten behoeve van doorgaand en overig verkeer met bijbehorende kunstuitingen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en overige bijbehorende voorzieningen en (on)bebouwde gronden. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Verkeer- Parkeren Deze gronden zijn bestemd voor parkeervoorzieningen met bijbehorende wegen en wandel- en fietspaden met bijbehorende kunstuitingen, nutsvoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en overige bijbehorende voorzieningen en (on)bebouwde gronden. Er zijn geen gebouwen toegestaan.
Hoofdstuk 5
36
Verkeer-Spoor Deze gronden zijn bestemd voor spoorwegen met bijbehorende kunstuitingen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en overige bijbehorende voorzieningen en (on)bebouwde gronden. Er zijn geen gebouwen toegestaan. Waarde – Archeologie 1 De binnen het besluitvlak ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. Waarde – Archeologie De binnen het besluitvlak ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Binnen deze bestemming mag alleen worden gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
Hoofdstuk 5
37
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Er worden geen perceelsoverstijgende nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, die kunnen worden gekwalificeerd als bouwplannen in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. De ontwikkeling van dit bestemmingsplan brengt hierdoor voor de gemeente alleen plankosten met zich mee. Eventuele toekomstige particuliere plannen komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer.
De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht voldoende te zijn aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Eigenaren die zijn gevestigd binnen het plangebied zullen op de hoogte worden gesteld van het vast te stellen bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
38
6.2.2
Procedure
De wettelijke procedure volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.
Hoofdstuk 6
39
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl