CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting Bp Driehoek Rijksweg Zuid Middenweg.pdf

Raad 27 januari 2022, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Driehoek Rijksweg Zuid - Middenweg' (Sittard) (Meekels) 411.453 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Driehoek Rijksweg Zuid - Middenweg Gemeente Sittard-Geleen Vastgesteld

Bestemmingsplan Driehoek Rijksweg Zuid - Middenweg Gemeente Sittard-Geleen Vastgesteld

Rapportnummer:

P04255

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1883.BpViaTimmersEO-VA01

Datum:

18 november 2021

Contactpersoon opdrachtgever:

Gemeente Sittard-Geleen

Projectteam BRO:

SSh (projectleider)

Concept:

mei 2021

Voorontwerp: Ontwerp:

5 juli 2021

Vaststelling:

november 2021

Bron foto kaft:

BRO

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave 1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Ligging en grens van het plangebied 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Leeswijzer

3 3 3 4 6

2.PLANBESCHRIJVING 2.1Huidige situatie 2.2Toekomstige situatie

7 7 7

3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid

8 8

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid

8 9 10 10 11

3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie 3.3Regionaal beleid

11 12 12 13

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg 3.4Gemeentelijk beleid

13 13

3.4.1 3.4.2

Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen

13 14

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1Verkeer en parkeren 4.2Geluid 4.3Luchtkwaliteit

18 18 18 18

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Conclusie 4.4Bedrijven en milieuzonering

18 19 19

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Conclusie 4.5Geur agrarisch

19 20 20

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Conclusie 4.6 Leidingen en infrastructuur 4.7 Externe veiligheid

20 20 20 21

4.7.1

Inhoudsopgave

Toetsingskader

21

1

4.7.2 Toetsing externe veiligheid 4.7.3 Conclusie 4.8Ecologie

23 26 26

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Toetsing 4.8.3 Conclusie 4.9Bodem 4.10Water 4.11Archeologie en cultuurhistorie

26 27 28 28 28 29

4.11.1 Archeologie 4.11.2 Cultuurhistorie 4.11.3 Conclusie 4.12Vormvrije m.e.r.-beoordeling

29 31 32 32

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Inleiding 5.2Plansystematiek 5.3Bestemmingen

33 33 33 35

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

38 38 38

6.2.1 6.2.2

Inhoudsopgave

Vooroverleg Procedure

38 39

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Op 26 juni 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de beheersverordening ‘Voormalig Slachthuis en omgeving’ vastgesteld. De huidige situatie is, ten opzichte van de situatie ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening, ingrijpend gewijzigd. Het sportcomplex is deels verkleind en de Via Timmers is reeds gereconstrueerd. Om de nieuwe, bestaande situatie juridisch-planologisch vast te leggen is een nieuw, geactualiseerd bestemmingsplan gewenst.

Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rood omcirkeld)

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied is gelegen in het zuiden van Sittard. Aan de noord- en westzijde van het plangebied ligt de Rijksweg Zuid. Aan de oostzijde van het plangebied de spoorlijn Sittard-Heerlen met daarachter de woonwijk Ophoven en aan de zuidzijde Middenweg N276.

Hoofdstuk 1

3

Figuur 1.2: Uitsnede luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt beheersverordening ‘ Voormalig Slachthuis en omgeving’, zoals vastgesteld op 26 juni 2013 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen. Op het plangebied zijn verschillende bestemmingen gelegen, namelijk: Agrarisch, ‘Bedrijf’, ‘Detailhandel’, ‘Groen’, ‘Maatschappelijk’, ‘Recreatie’, ‘Sport’, ‘Verkeer’, ‘Verkeer-Parkeren’ en ‘Verkeer-Spoor’. Daarnaast ligt op het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie’ en ‘Waarde-Archeologische verwachting -1’.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.3: Uitsnede beheersverordening 'Voormalig Slachthuis en omgeving'

Tot slot liggen binnen het plangebied twee locaties die vallen binnen ‘Beheersverordening Veegplan’, vastgesteld op 9 mei 2019. Op beide locaties ligt de bestemming ‘Bedrijf’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 1’. In figuur 1.4 zijn de locaties op de verbeelding weergegeven. Op deelgebied 3, gelegen net ten zuiden van de Via Timmers, ligt tevens de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘specifieke vorm van bedrijf –ABC’. Op deelgebied 4, gelegen ter hoogte van Rijksweg Zuid 216, ligt de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel-keukenzaak’.

Hoofdstuk 1

5

Figuur 1.4: Uitsnede beheersverordening Veegplan met locaties binnen onderhavig plangebied

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Binnen onderhavig plangebied zijn een aantal verschillende functies aanwezig. In het zuiden van het plangebied is de parkeerplaats van Zuyderland Medisch Centrum gelegen. Langs de Rijksweg Zuid zijn verschillende bedrijven gevestigd, waaronder een keukenzaak, mobiliteitswinkel (scootmobielen en dergelijken) en een kringloopwinkel. Tussen deze bedrijven en de spoorlijn zijn sportlocaties gevestigd, waaronder banen voor de uitoefening van verschillende racketsporten en een bowlingcentrum. Daarnaast zijn in het zuidoosten van het plangebied agrarische velden aanwezig. Het gebied ten noorden van de Via Timmers betreft een groen grasveld met bomen.

Figuur 2.1: Luchtfoto plangebied en omgeving

2.2 Toekomstige situatie De situatie wijzigt in de toekomst niet. Onderhavig plan voorziet in het juridisch en planologisch verankeren van de bestaande situatie. Het betreft een geconsolideerd plan waarin de reeds vergunde situatie ter plaatse middels een nieuw bestemmingsplan wordt verankerd.

Hoofdstuk 2

7

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Hoofdstuk 3

8

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.

Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Conclusie Onderhavig planvoornemen voorziet in het vastleggen van de bestaande vergunde situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn er geen nationale belangen in het geding. Vanuit de NOVI bestaan er derhalve geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Conclusie In het Barro zijn geen regels opgenomen die van belang zijn voor het plangebied. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Het bestemmingsplan heeft betrekking op de bestaande bedrijven en voorzieningen op de planlocatie. Vanuit het Barro bestaan er derhalve geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

9

3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNNgebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Conclusie Er worden in onderhavig bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn in de Rarro geen regels opgenomen die van belang zijn voor het plangebied. Vanuit de Rarro bestaan er derhalve geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. 1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie Onderhavig planvoornemen ziet op het vastleggen van de bestaande en vergunde situatie. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

10

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied in de zone ‘Buitengebied’, ‘Overig bebouwd gebied’ en ‘Bedrijventerrein’. De zone ‘Buitengebied’ omvat alle gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De zone ‘Overig bebouwd gebied’ zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De zone ‘Bedrijventerrein’ zijn specifiek ingerichte gebieden voor grote bedrijvigheid.

Figuur 3.1: Uitsnede kaart POL 2014 met ligging plangebied (rood omlijnd)

Conclusie Onderhavig bestemmingsplan ziet op het vastleggen van de bestaande vergunde situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Onderhavig planvoornemen is daarmee niet in strijd met het POL2014.

Hoofdstuk 3

11

3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermingsgebied. Conclusie Aangezien onderhavig bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen, maar enkel de bestaande vergunde situatie vastlegt, bestaan er vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen belemmeringen ten aanzien van het plan. 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen.

De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt.

In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:

Hoofdstuk 3

12

 

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Conclusie Onderhavig bestemmingsplan ziet op het vastleggen van de bestaande vergunde situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Onderhavig planvoornemen is daarmee in overeenstemming met het POVI.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg In deze structuurvisie (SVREZL) wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van de beleidsvelden detailhandel, kantoren en bedrijventerreinen in de achttien gemeenten in de regio Zuid-Limburg (Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal) vastgelegd. De SVREZL geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van detailhandel, kantoren en bedrijventerreinen. De SVREZL is belangrijk voor het behoud van de leefbaarheid en het versterken van het vestigingsklimaat in Zuid-Limburg. Diverse ontwikkelingen hebben de winkel-, kantoren- en bedrijventerreinmarkt in de afgelopen jaren veranderd. Daarom zijn in de SVREZL afspraken over nieuwe ontwikkelingen gemaakt en is een hoofdstructuur vastgelegd, met aangewezen winkel-, kantoren- en bedrijventerreinlocaties. Buiten deze hoofdstructuur worden in principe geen vierkante meters toegevoegd. Gemeenten kunnen bij langdurige leegstand van drie jaar winkels en kantoren herbestemmen. Deze structuurvisie is door de gemeente Sittard - Geleen op 12 december 2017 vastgesteld.

Conclusie Onderhavig bestemmingsplan legt juridisch-planologisch de reeds bestaande vergunde situatie vast. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De ‘Structuurvisie Ruimtelijke Economie ZuidLimburg’ is derhalve niet op onderhavig bestemmingsplan van toepassing.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 Op 15 december 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen 2010. In de omgevingsvisie komen alle aspecten aan bod die te maken hebben met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van en binnen de gemeente. Van wonen en werken tot recreatie en mobiliteit. Van economische en technologische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Het geheel wordt verduidelijkt aan de hand van kaarten die een goed beeld geven van de toekomst van Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren. In de uitwerking is nadrukkelijk gekozen voor

Hoofdstuk 3

13

de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’, een uitnodiging aan alle partners om samen met de gemeente doorlopend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is.

Figuur 3.2: Uitsnede structuurkaart Wonen en voorzieningen met ligging plangebied (blauw omlijnd)

Conclusie Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkeling mogelijk, maar legt de bestaande situatie vast. De ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ is derhalve niet op onderhavig bestemmingsplan van toepassing. 3.4.2 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen Het beleid van de gemeente Sittard-Geleen op het gebied van externe veiligheid is beschreven in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten:  Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site / Westelijke Mijnstreek (eindrapport van 31 maart 2010, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2011), Ruimte voor nieuwe generaties met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau;  Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen (13 september 2012), Veiligheid als element van stedelijke planning;  Beleidsregels planologisch afwijkend gebruik fitnesscentra (vastgesteld 3 september 2013) met regels over externe veiligheid;  Beleidsregels kleine binnenspeeltuinen (vastgesteld 12 november 2013) met regels over externe veiligheid.

Hoofdstuk 3

14

Figuur 3.3: Tabel uit Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen

Het beleid is in twee zelfstandige beleidsdocumenten uitgewerkt voor twee deelgebieden binnen de gemeente, namelijk de omgeving van Chemelot en de spoorwegen (de spoorzone). Het beleid heeft de volgende doelen: De gewenste ruimtelijke ontwikkelingen (Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016; Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek, 2020; Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen, 2021), moeten mogelijk zijn met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau voor de leefomgeving. De verantwoording van het groepsrisico in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen staat daarbij centraal. Onder dit ‘hoofddoel’ vallen de volgende doelen:  De risicobenadering: mensen die in Sittard-Geleen werken, wonen of anderszins verblijven, mogen zo weinig mogelijk risico lopen en dit risico moet maatschappelijk verantwoord zijn.  Een goede balans tussen ruimtelijke/economische ontwikkelingen en externe veiligheid.  Het voorkomen dat rampen en ongevallen plaatsvinden.  De gevolgen van een eventuele calamiteit beheersbaar maken om de volksgezondheid en het milieu zoveel mogelijk te beschermen in het geval onverhoopt een ramp of ongeval plaatsvindt.  Een verantwoorde ruimtelijke en economische ontwikkeling in de spoorzone, met een veilige en robuuste spoorinfrastructuur waarbij Sittard-Geleen optimaal bereikbaar blijft via het spoor.

Het afwegings-/uitvoeringskader dat de gemeente bij het beleid externe veiligheid hanteert, bestaat uit afwegingskaders voor:  Brongericht beleid op basis van Beste Beschikbare Technieken (BBT)  Omgevingsgericht beleid, overdrachtsmaatregelen en effectmaatregelen  Rampenbestrijding  De wettelijke grenswaarde van het plaatsgebonden risico (basisbeschermingsniveau);  Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, onder meer artikel 12 en 13 en omgevingsvergunningen milieu (bijvoorbeeld emplacementen) waarbij de gemeente het bevoegde gezag is);  De Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (VROM, november 2007);  Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, onder meer Basisnet spoor);

Hoofdstuk 3

15

 

Het Toetsingskader Externe Veiligheid Spoorzone Dordrecht / Zwijndrecht, TNO (R2004/105) voor bron- en effectmaatregelen (gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, bestrijdbaarheid); De rapportage van Oranjewoud/Save van 24 maart 2005 (in opdracht van Gemeenschappelijk Brandweerbureau Westelijke Mijnstreek). Voor de spoorzone zijn de volgende maatgevende scenario’s beschreven voor het benoemen van effectmaatregelen: o Warme (en koude) Bleve van LPG o Toxische wolk

Voor Chemelot en haar omgeving hanteert de gemeente de volgende gebiedsgerichte instrumenten en procedures. Om het groepsrisico te beheersen, zijn op basis van een risicomatrix drie typen gebieden (a, b, c) te onderscheiden binnen het invloedgebied van Chemelot vanaf de terreingrens naar buiten: a) Stand-still voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wel vervangende nieuwbouw mogelijk; geen overall toename van personendichtheden. b) Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk onder voorwaarde van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. c) Geen belemmeringen voor ruimtelijke ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico blijft wettelijk vereist, maar veiligheid is afdoende te waarborgen op basis van een checklist met algemene aandachtspunten. Opmerking: a en b worden in de beleidsvisie aangeduid als het groepsrisico-relevante gebied van Chemelot. Hier geldt dat de beleidsruimte bij het verantwoorden van het groepsrisico wordt ingevuld, met als randvoorwaarde dat de bestaande beperkte overschrijding van de oriëntatiewaarde niet toeneemt. Dit betekent een stand-still bijdrage van de wijken Lindenheuvel en Krawinkel aan het groepsrisico (geen toename van het aantal personen, bedrijven of woningen saneren, verplaatsen of uitplaatsen wanneer mogelijk). Dit stand-still beginsel is in de bestemmingsplannen voor Lindenheuvel en Krawinkel verankerd.

Samen met stakeholders wordt het instellen van een veiligheidscontour (op grond van artikel 14 uit het Bevi) onderzocht en overwogen. De gemeente Sittard-Geleen vertolkt een adviesrol bij omgevingsvergunning milieu Chemelot site B.V. Het uitgangspunt bij Chemelot site is inwaartse zonering (ontwikkelingen met de hoogste veiligheidsrisico’s centraal op de site en ontwikkelingen met de laagste veiligheidsrisico’s aan de rand). Voor de Spoorzone hanteert de gemeente de volgende instrumenten en procedures:  Een indeling van het spoor in de volgende risicobronnen: o Emplacementen:  Emplacement Sittard (Sittard-Geleen streeft naar onderschrijding van de oriëntatiewaarde)  Emplacement Born  Bedrijfsemplacement Chemelot (valt binnen de Veiligheidsvisie Chemelot) o Baanvakken  Een zone-indeling van de omgeving van het spoor ten behoeve van een gebiedsgerichte benadering: o De PR-contour (plaatsgebonden risico 10-6/jaar) voor zover aanwezig langs de lijn Eindhoven – Maastricht: wettelijke beperkingen voor de omgeving en voorkomen van latente saneringssituaties

Hoofdstuk 3

16

o

o

o

 

De 50 meter zone (50 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de PR-contour én binnen de 50 meter zone wordt gestreefd naar een bebouwingsvrije ruimte bij nieuwe ontwikkelingen (waaronder ook herstructureringsplannen worden verstaan) De 200 meter zone (200 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de 50 meter zone én binnen de 200 meter zone gelden de volgende regels:  Binnen deze zone wordt gestreefd naar minder grote aantallen mensen  Nieuwe kwetsbare bestemmingen voor groepen van mensen met geen dan wel een beperkte mate van zelfredzaamheid worden voorkomen  De gemeente streeft op basis van vrijwilligheid naar een verplaatsing tot buiten de 200 meter van kwetsbare bestemmingen met mensen die niet of beperkt zelfredzaam zijn  Overige nieuwe kwetsbare bestemmingen worden zover als mogelijk van het spoor geprojecteerd en dienen te worden voorzien van adequate bouwkundige, effect beperkende maatregelen  Bij nieuwe beperkt kwetsbare bestemmingen worden bouwkundige, effect beperkende voorzieningen geïmplementeerd Het invloedgebied (omvat alle voorgaande zones en strekt zich uit tot 1% letaliteit):  Generiek basisvoorzieningenniveau dat in samenspraak met de brandweer is bepaald:  Plangebied tweezijdig ontsloten  Geen doodlopende straten langer dan 40 meter  Doodlopende straten tot 40 meter voorzien van een keerlus  Eisen over

primaire bluswatervoorziening  De gemeente houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met infrastructurele maatregelen in de openbare ruimte (waaronder vluchtwegen, opstelplaatsen, blusvoorzieningen)  De gemeente draagt zorg voor een goede voorlichting op het gebied van rampbestrijding De gemeente Sittard-Geleen heeft een proces (inzake interne communicatie, beoordeling, registratie, externe communicatie) ingericht voor het behandelen van nieuwe initiatieven met effect op de veiligheid in de spoorzone. De gemeente Sittard-Geleen in de rol van vergunningverlener bij de omgevingsvergunningen milieu van de emplacementen Sittard en Born (directe invloed op bronmaatregelen). Basisnet spoor: toepassen van risicoplafonds, voorschriften veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden.

De toetsing van het aspect externe veiligheid, inclusief een toets aan het gemeentelijke beleid, is opgenomen in paragraaf 4.7 Externe veiligheid.

Hoofdstuk 3

17

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied is aan de Rijksweg-Zuid. Binnen het plangebied is een grote parkeerplaats gelegen. Deze is bestemd voor het nabijgelegen Zuyderland Medisch Centrum. Er is geen sprake van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen derhalve nemen de verkeersstromen en parkeerbehoefte niet toe ten opzichte van de huidige bestaande en vergunde situatie. De aspecten ‘verkeer’ en ‘parkeren’ vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.2 Geluid Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat alle spoorwegen en wegen een geluidzone hebben, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Een woning is volgens de Wet geluidhinder een geluidgevoelig object. Conclusie Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het aspect geluidhinder vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

Hoofdstuk 4

18

 

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de of 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. Indien een project boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een project in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. Behoort een project tot een niet in de Regeling NIBM genoemde categorie dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond of het project NIBM is.

Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de reeds bestaande situatie juridisch en planologisch verankerd. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en derhalve zal dit geen consequenties hebben voor de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit in het plangebied Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM bedraagt in 2020 de concentratie PM10 ter plaatse < 18 μg/m³ en de concentratie PM2,5 ligt < 10 μg/m³. De concentratie NO2 ligt ter plaatse tussen de 15 en 20 μg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. De luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende en worden geen normen overschreden. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan. 4.3.2 Conclusie De voorliggende ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de

Hoofdstuk 4

19

kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Afgezien van geluidsoverlast kunnen bedrijven ook hinder veroorzaken door stank, explosiegevaar en stof. Aangezien er binnen het plangebied geen nieuwe gevoelige functies komen, is het niet te verwachten dat bedrijvigheid in het plangebied een belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. Bovendien mogen nieuwe bedrijven die zich vestigen op het bedrijventerrein, geen nieuwe hinder veroorzaken voor gevoelige functies in de omgeving van dat bedrijf. Dat houdt in dat nieuwe bedrijven moeten voldoen aan de ter plaatse toegestane milieucategorie, wat betekent dat zij geen onevenredige hinder veroorzaken. Hiertoe wordt in de regels gewerkt met de Staat van Bedrijfsactiviteiten. 4.4.2 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan, aangezien onderhavig bestemmingsplan slechts consoliderend van aard is. De bestaande en vergunde situatie wordt middels onderhavig bestemmingsplan juridisch-planologisch verankerd. Andersom vormt het bestemmingsplan ook geen belemmering voor eventueel omliggende bedrijven.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente Sittard-Geleen heeft geen dergelijk beleid opgesteld. 4.5.2 Conclusie In de omgeving zijn geen veehouderijen gelegen. Tevens wordt middels dit bestemmingsplan geen veehouderij mogelijk gemaakt. Het aspect geur vormt hierdoor geen belemmering voor het plangebied.

4.6 Leidingen en infrastructuur Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen. Op een afstand van circa 350 tot 400 meter van de zuidelijke plangrens liggen vijf hogedrukgastransportleidingen en een waterleiding. De aardgastransportleidingen van de Gasunie zijn:  A-520  A-521

Hoofdstuk 4

20

 A-578  A-630  A-665 De laatst aangelegde aardgastransportleiding is A-665 Hommelhof-Schinnen en heeft een beschermingszone van 5 meter uit het hart van de leiding. De waterleiding betreft een hoofdwatertransportleiding van WML. Door Gasunie is een kwantitatieve risicotoetsing voor het tracé Odiliapeel-Schinnen uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat het groepsrisico als gevolg van de aanleg van de leiding ruim onder de oriëntatiewaarde blijft. De plaatsgebonden risicocontour ligt op de leiding, dus op dat vlak wordt voldaan aan de regelgeving zoals vastgelegd in het Bevb. De toetsing van de overige leidingen aan het externe veiligheidsbeleid vindt plaats in paragraaf 4.7. Aanvliegroute MAA Binnen de juridische regeling van onderhavig bestemmingsplan zijn geen zodanige bebouwingshoogtes toegestaan dat hierdoor beperkingen voor de luchtvaart kunnen ontstaan. In dit kader is derhalve geen afzonderlijke regeling in de planregels opgenomen. Veiligheidszone spoor In de artikelen 19 t/m 23 van de Spoorwegenwet is bepaald dat binnen een bepaalde afstand van de spoorlijn niet mag worden gebouwd of andere werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die in strijd zijn met de Spoorwegenwet. Onderhavig plan ziet op het vastleggen van de huidige situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Veiligheidszone weg De Middenweg is een weg in provinciaal beheer.

Voor provinciale wegen geldt de Omgevingsverordening Limburg. Hieruit blijkt dat langs de Middenweg een reserveringsstrook ligt. De breedte van een reserveringszone wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep en bedraagt 15 meter aan weerszijden. Het bestemmingsplan ligt op 15 meter afstand van de Middenweg. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Hoofdstuk 4

21

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

22

4.7.2

Toetsing externe veiligheid

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart

LPG tankstation Op circa 175 meter van het plangebied is een LPG tankstation is gelegen. Het invloedsgebied van het groepsrisico van deze Bevi inrichting bedraagt 150 meter. Het plangebied is gelegen buiten deze veiligheidszone. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt 45 meter en reikt daarmee niet tot het plangebied. Een nadere beoordeling kan derhalve achterwege blijven. Transport gevaarlijke stoffen De dichtstbijzijnde weg waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt betreft de A2. De afstand tot aan deze weg is voor het plangebied dusdanig groot dat er geen sprake zal zijn van een relevante bijdrage aan het groepsrisico. De afstand tot spoortraject Maastricht-Eindhoven is ca. 500 meter. Gezien de afstand van het plangebied tot aan dit traject zal de bijdrage aan dit groepsrisico zeer beperkt zijn. De hoogte van het groepsrisico zal bovendien niet toenemen, aangezien dit bestemmingsplan ziet op het juridisch en planologisch verankeren van de bestaande situatie. Het plangebied grenst aan het spoortraject Heerlen-Sittard. Voor dit traject geldt verder dat het groepsrisico minder is dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde. Gezien de korte afstand tot de spoorlijn, kan

Hoofdstuk 4

23

een relevante bijdrage aan het groepsrisico niet worden uitgesloten. De hoogte van het groepsrisico neemt echter niet toe. Onderhavig bestemmingsplan legt slechts de bestaande en vergunde situatie vast. Op grond van de Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen geldt in beginsel een bebouwingsvrije zone van 50 meter, ook voor herstructureringsplannen. Doordat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, vormt deze bebouwingsvrijezone geen belemmering. Ten zuiden van het plangebied ligt de Middenweg (N276). Voor deze weg geldt een risicocontour van 0 meter. Het groepsrisico voor deze weg is minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gelet op de afstand en het feit dat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, vormt de Middenweg geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Het plangebied is op circa 300 meter afstand van diverse hogedrukgasleidingen gelegen. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die voorzien in een substantiële toename van het groepsrisico. Als gevolg van het vaststellen van het plan verandert de bevolkingsdichtheid dan wel de kans op een calamiteit niet substantieel ten opzichte van de situatie van voor dit plan. Daarnaast kent het groepsrisico geen wettelijke norm waaraan getoetst dient te worden bij het vaststellen van het bestemmingsplan.

In het plangebied zijn binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour geen kwetsbare objecten gelegen. Het bestemmingsplan richt zich op het vastleggen en beheren van de bestaande planologische situatie. Hoogspanningslijnen Op een afstand van circa 1,5 kilometer van het plangebied zijn hoogspanningslijnen aanwezig. Gezien de afstand tot het plangebied levert dit echter geen beperkingen op voor het aspect externe veiligheid. Risicovolle bedrijven Bedrijventerrein Chemelot Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (1%-letaliteitsgrens), maar ruim buiten het 10-8 plaatsgebonden risicocontour van het bedrijventerrein. De bijdrage van het plangebied van het groepsrisico zal derhalve marginaal zijn, zoals ook aangegeven in de Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot Site/Westelijke Mijnstreek. Spoorwegemplacement Sittard Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied maar buiten de 1-8 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting. Ten gevolge van de inrichting is sprake van een overschrijding van het groepsrisico. Het plangebied zal echter geen relevante bijdrage leveren aan het groepsrisico van deze inrichting. Advies brandweer Voor de vaststelling van beheersverordening ‘Voormalige Slachthuis en omgeving’ is advies ingewonnen van de brandweer. In de bestaande situatie die met onderhavig bestemmingsplan worden juridischplanologisch worden verankerd.

De bestaande situatie is ingrijpend gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening. Deze nieuwe ontwikkelingen zijn reeds vergund. Ten opzichte van de bestaande situatie wijzigt onderhavig bestemmingsplan niets. Een nieuw advies is derhalve niet noodzakelijk. Zelfredzaamheidsmaatregelen Het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoor. Verder ligt op 175 meter een LPG-tankstation. Voor deze risicobronnen gelden de scenario’s: BLEVE en toxische wolk.

Hoofdstuk 4

24

BLEVE  Mogelijkheden tot snel en juist waarschuwen bij (aanstaande) BLEVE tot en met 330 meter van het spoor en 230 meter van het LPG-tankstation;  Effecten en gewonden beperken: drukbestendige gevel (met name beperken glasoppervlak) tot 250 meter van het spoor en 180 meter vanaf het LPG-tankstation;  Brandoverslag naar object voorkomen: brandwerende materialen en gevel tot en met 330 meter van het spoor en 230 meter vanaf het LPG-tankstation. Toxische wolk  Risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten;  Mogelijkheden tot snel en juist waarschuwen en instrueren bij vrijkomen toxische dampen in het gehele gebied;  Mogelijkheden tot snel schuilen bij vrijkomen toxische dampen door eenvoudig/centraal uitschakelen van ventilatie in objecten in het gehele gebied;  Bedrijfsnoodplan en BHV inrichten en oefenen met toxisch scenario. Chemieconcern Chemelot Het plangebied ligt in het invloedsgebied van chemieconcern Chemelot. Het betreft hier scenario toxische wolk. Toxische wolk  Risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten;  Mogelijkheden tot snel en juist waarschuwen en instrueren bij vrijkomen toxische dampen in het gehele gebied;  Mogelijkheden tot snel schuilen bij vrijkomen toxische dampen door eenvoudig/centraal uitschakelen van ventilatie in objecten in het gehele gebied;  Bedrijfsnoodplan en BHV inrichten en oefenen met toxisch scenario.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Om als brandweer bij incidenten te kunnen optreden dient de bereikbaarheid en bluswatervoorziening geborgd te zijn, zowel van risicobronnen als van de gebieden. Voor de bluswatervoorziening en bereikbaarheid van nieuwe ontwikkelingen geldt dat ze moet voldoen aan eisen van de brandweer. Dit is bij voorliggend plan niet het geval. Geadviseerd wordt de volgende knelpunt in het plangebied aan te pakken: Bestemmingsplan (referentie locatie) Driehoek Rijksweg-Middenwegspoorlijn

Knelpunt capaciteit

Knelpunt dekking

Debiet > 60 m3/uur

Enkele dekkingsgraad

Knelpunten qua capaciteit en dekking per bestemmingsplan

Restrisico Ondanks dat er maatregelen getroffen kunnen worden, kan een incident niet uitgesloten worden. Het daadwerkelijk optreden van een incident beschreven in het scenario, kan leiden tot grote aantallen gewonden en doden, welke tevens buiten de plangebiedkaders van het voorliggende bestemmingsplan vallen. Dit soort incidenten zijn voor de hulpdiensten (brandweer, politie en ambulance) per definitie moeilijk te bestrijden.

Hoofdstuk 4

25

4.7.3 Conclusie De externe veiligheidsrisico’s worden in het kader van de verantwoording van het groepsrisico aanvaardbaar geoordeeld.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Hoofdstuk 4

26

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Geleenbeekdal”, bevindt zich op circa 3,6 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Onderhavig bestemmingsplan ziet op het juridisch en planologisch vastleggen van de huidige situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een toename van stikstofdepositie is derhalve ook uitgesloten. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Wel grenst het plangebied in het zuiden aan de bronsgroene landschapszone. Aangezien het bestemmingsplan ziet op het verankeren van de bestaande situatie, zullen de omgevingscondities van de bronsgroene landschapszone gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast.

Hoofdstuk 4

27

Soortenbescherming In onderhavig planvoornemen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar voorkomende flora en fauna is derhalve niet noodzakelijk. 4.8.3 Conclusie Vanuit ‘ecologie’ bestaan er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.9 Bodem Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het Bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. Toetsing Met onderhavig bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen voorzien. Voor zover ten behoeve van een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen een bodemonderzoek noodzakelijk is, kan dat worden uitgevoerd in het kader van de procedure voor de omgevingsvergunning.

Conclusie Het aspect ‘Bodem’ vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Hoofdstuk 4

28

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

Huidige situatie Binnen het plangebied liggen geen primaire watergangen of ander oppervlaktewater. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van beschermingsgebieden ten behoeve van water. Toekomstige situatie Middels onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De omgang met hemelwater voor uitbreiding van bestaande bebouwing en verharding verandert niet. Er hoeft daarom geen extra bergingsvoorziening worden gerealiseerd. Wanneer er sprake is van nieuwe ontwikkelingen en daarmee toename van bebouwing en het verhard oppervlak moet waterberging en waterinfiltratie mogelijk gemaakt worden. Overleg Waterschap Limburg Volgens de Keur van Waterschap Limburg dienen plannen waarin het verhard oppervlak toeneemt, voor worden gelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de verharding in onderhavig plan niet toeneemt, is het niet noodzakelijk onderhavig bestemmingsplan voor te leggen aan het watertoetsloket.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=0fc29572-347b-4d46-8744-62145e3ed2fb