CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Nota van zienswijzen

Raad 15 december 2022, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Doelen fysieke leefomgeving en onderzoeksopzet Omgevingsvisie (Geilen/Houtakkers) (87)12.906 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1

NRD omgevingsvisie Sittard-Geleen

Nota van zienswijzen

Versie 4 oktober 2022; concept

2

Inhoudsopgave Inleiding en leeswijzer ..................................................................................................3 1 Indieners ...................................................................................................................3 2 Ingekomen inspraakreacties en wijze van afhandeling.............................................4 2.1 IVN Munstergeleen............................................................................................4 2.2 Federatie Historie SGB ......................................................................................7 2.3 Individuele indiener .........................................................................................9 2.4 L’Ortye .............................................................................................................13 2.5 Advies Commissie m.e.r.

.................................................................................14 2.6 Participatie ......................................................................................................21 2.7 Adviespartijen .................................................................................................21 2.8 Ambtelijke opmerkingen ................................................................................21 3 Wijzigingen in NRD op basis van de zienswijzen en ambtelijke wijzigingen...........23 3.1 Aanpassingen op basis van zienswijze IVN Munstergeleen...........................23 3.2 Aanpassingen op basis van zienswijze Federatie Historie SGB .....................23 3.3 Aanpassingen op basis van zienswijze individuele indiener ........................24 3.4 Aanpassingen op basis van adviezen Commissie m.e.r..................................24 3.5 Aanpassingen op basis van ambtelijke opmerkingen ...................................24

3

Inleiding en leeswijzer Van 20 mei t/m 30 juni 2022 heeft de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), behorende bij de Omgevingseffectrapportage (OER) voor de Omgevingsvisie SittardGeleen, ter inzage gelegen met de mogelijkheid om zienswijzen in te brengen. Er zijn vier formele reacties ontvangen. In deze nota zijn de ingebrachte zienswijzen verkort weergegeven. In de afweging van de zienswijze is echter steeds de volledige tekst van de indiener betrokken. Direct achter de inspraakreacties is de reactie van de gemeente verwoord. Daarbij is vermeld of de reactie geleid heeft tot aanpassing van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Daarnaast heeft de Commissie m.e.r. een advies uitgebracht, zijn de participatieresultaten meegenomen alsmede de reactie van andere overheden en ambtelijke wijzigingen toegevoegd. Dit is op een vergelijkbare manier als de zienswijzen weergegeven. Leeswijzer Hoofdstuk 1 bevat een overzicht van de indieners van de zienswijzen. In hoofdstuk 2 zijn de formele zienswijzen verkort weergegeven en is de reactie van de gemeente verwoord. In hoofdstuk 3 worden alle voorstellen tot aanpassing van de NRD op basis van de zienswijzen respectievelijk de ambtelijke wijzigingen weergegeven.

1 Indieners Nr 1 2 3 4

Indiener IVN Munstergeleen Federatie Historie SGB Individuele indiener L’Ortye

4

2 Ingekomen inspraakreacties en wijze van afhandeling 2.1 IVN Munstergeleen Punt 1: Indiener stelt dat er op basis van budgettaire keuzes geen metingen plaatsvinden van de biodiversiteit en de wet Natuurbescherming in de gemeente Sittard-Geleen. Ook geeft de indiener aan dat er geen beheer plaats volgens het FSC-Keurmerk. Indiener verzoekt de metingen en het beheer wel uit te voeren en dit op te nemen in de Omgevingsvisie. Standpunt college van B&W: Het klopt dat de gemeente niet beschikt over een gedetailleerde nulmeting van de biodiversiteit. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna. Daarnaast wordt er gewerkt volgens de gedragscode van de VHG voor het beheer en onderhoud van openbare ruimte en het beheer van de gemeentelijke bosen natuurgebieden. Deze vorm van beheer is vastgelegd in de beheervisie 20202029, wat los staat van budgettaire keuzes rondom nulmetingen. Er worden vooralsnog geen aanvullende metingen uitgevoerd en niet beheerd volgens FSCkeurmerk. Het doel van de NRD is bovendien niet om de basis te leggen voor een direct monitoringssysteem, maar om de basis te leggen voor de status van de fysieke leefomgeving en zo sturing te geven aan beleidskeuzes in de omgevingsvisie.

Tijdens het opstellen van de omgevingsvisie, moet de afweging worden gemaakt welke indicatoren actief gemonitord gaan worden (met bijbehorend onderzoek, eventueel in programma’s) en welke minder actief worden bijgewerkt. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 2: Indiener verzoekt om het areaal aan de natuurgebieden zowel binnen als ook buiten de bebouwde kom te monitoren. Standpunt college van B&W: Het advies om ook het areaal natuurgebied te onderscheiden als indicator is een goed voorstel, en wordt toegevoegd aan de NRD. Daarbij wordt uitgegaan van beschermde natuurgebieden conform de provinciale verordening. Deze zienswijze zorgt voor een aanpassing van de NRD. Punt 3: Indiener stelt dat het aantal indicatoren te gering is voor de opgave ‘het versterken van de groene en natuurwaarden in het buitengebied en het robuuster maken en verbinden van natuurgebieden’ die valt onder de ambitie ‘een grote biodiversiteit (soortenrijkdom) en ruimtelijke kwaliteit’ en verzoekt enkele ‘planet’ indicatoren toe te voegen. Standpunt college van B&W: In de Foto van de Leefomgeving1 wordt het onderdeel ‘Planet’ breed onderzocht. Dan kan zeker zorgen voor een verbreding van het (concept) beoordelingskader.

De gemeente staat open voor aanvullende onderzoeken en samenwerking die door het IVN aangedragen kunnen worden om aan een stevige onderbouwing van de indicatoren bij te dragen.

1 Zie pagina 21 en 22 van de NRD voor een toelichting op de Foto van de leefomgeving.

5 Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 4: Indiener vraagt op welke manier de status van het NOVI-gebied wordt meegenomen in de omgevingsvisie? Standpunt college van B&W: Op pagina 8 (paragraaf. 2.1.1.5) wordt toegelicht dat het NOVI-gebied samen met de Toekomstvisie 2030 de basis zijn voor de Omgevingsvisie. Vertaling van de NOVI en de ambities uit het NOVI-gebied naar de Omgevingsvisie vindt plaats waar relevant. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 5: Indiener vraagt op welke manier de status van het Nationaal Landschap Zuid Limburg wordt meegenomen in de Omgevingsvisie en wil deze graag terug zien in de basis van de Omgevingsvisie. Standpunt college van B&W: Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg is in onder andere de provinciale omgevingsverordening aangewezen als beschermingsgebied. Hier gelden specifieke kwaliteiten, ambities en opgaven. Dit is onder andere verder uitgewerkt in het programma Nationaal Landschap Zuid-Limburg en het Handvat kernkwaliteiten nationaal landschap Zuid-Limburg. Dit wordt integraal meegenomen in het uitwerken van de verschillende toekomstbeelden, en daarmee in het opstellen van de Omgevingsvisie. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

Punt 6: Indiener geeft aan dat het doel (met bijbehorende indicatoren) ‘verbetering van de kwaliteit van bodem, lucht en water’ dient te worden beschreven in de Omgevingsvisie. Standpunt college van B&W: Milieufactoren (waaronder de kwaliteit van bodem, lucht en water) zijn belangrijke aspecten binnen de Omgevingsvisie. Om die reden heeft de gemeente er ook voor gekozen om het proces van de Omgevingsvisie en OER parallel op te laten lopen en zo goed mogelijk de kansen en gevolgen in beeld te kunnen brengen. De milieudoelen en aandachtspunten worden dan ook zo gebiedsgericht als mogelijk beschreven in de omgevingsvisie. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 7: Indiener stelt dat de wijze van prioritering van diverse thema’s ontbreekt in de Omgevingsvisie. Daaropvolgend vraagt de indiener ‘geeft de gemeente SittardGeleen altijd de hoogste prioritering in afwegingsvraagstukken aan het behoud en herstel van natuurwaarden en de vergroting van het draagvermogen van de ecologie?’. Standpunt college van B&W: De genoemde thema’s en daarbij horende indicatoren zijn bedoeld als een algemene richting voor de hele gemeente. Maar binnen de gemeente zijn er grote verschillen. Daarom wordt er in de Omgevingsvisie per gebied aangegeven wat er belangrijk is. Dit zorgt ervoor dat we kunnen aansluiten bij de kansen en uitdagingen die zich

6 voordoen in een bepaald gebied, en dus daar een eigen prioritering te hanteren. Dit wordt in de Omgevingsvisie uitgewerkt. Daarnaast is het doel van een OER om de effecten in beeld te brengen, en niet een prioritering aan te geven. Dit wordt gedaan tijdens het omgevingsvisieproces samen met de samenleving, gemeentebestuur en partners. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 8: Indiener mist een actie waarin bewustwording van de natuurwaarden in de gemeente wordt verbeterd doormiddel van natuureducatie op scholen en het vergroten van appreciatie voor natuurwaarden. Standpunt college van B&W: De acties die volgen uit de doelen worden uitgewerkt in de omgevingsvisie. Dat betekent dat er ook een uitvoeringsparagraaf komt met concrete acties, waar mogelijk gekoppeld aan samenwerking met partners (zoals het IVN). Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

7

2.2 Federatie Historie SGB Punt 1: Indiener stelt aan de hand van een aantal opmerkingen dat het belang cultureel erfgoed en cultuurhistorie onvoldoende worden gerepresenteerd en uitgewerkt in de NRD. Indiener pleit aan de hand van onderstaande opmerkingen voor een meer prominente rol in de NRD en het beoordelingskader. - Indiener stelt dat de gedetailleerde verwijzing naar voorzieningen in de thema’s onderwijs en sport een significant verschil laten zien tegenover de geringe constatering over het cultureel erfgoed ‘’de inwoners trots zijn op al die cultuurhistorische pracht en praal en vinden dat deze ook meer mag worden uitgedragen" (pag.13). Indiener geeft aan deze constatering uiteraard te onderschrijven maar stelt wel dat het cultureel erfgoed een prominentere plek had gekregen in de NRD wanneer de indiener uitgebreider had kunnen participeren. - Indiener geeft aan dat de onjuiste insteek en geringe inbreng uit de culturele erfgoedsector ook zichtbaar is bij de Ontwikkelpaden (pag.15). Hierin wordt ‘’de cultuurhistorisch waarden in stand blijven’’ als laatste punt van belang geacht door de ondernemers van Sittard-Geleen terwijl ‘’het beschermen en versterken van het cultureel erfgoed als kernwaarde’’ de ambitie van en voor iedereen moet zijn volgens de indiener.

- Indiener vindt dat de geformuleerde ambitie van het ontwikkelpad SittardCentrum de cultuurhistorie slechts als element benoemd terwijl het volgende indiener de dragende kracht is waarvan toerisme, ontmoeting, wonen, werken en winkelen profiteren. - Indiener stelt dat onder Sociale veerkracht (pag.16) de zinsnede "het benutten van het historisch karakter van de leefomgeving met aandacht voor landschap, archeologie en monumenten" een passieve benadering is in tegenstelling tot de tekst uit de Omgevingsvisie 2016. - Indiener vindt dat de notitie bij het onderdeel Economische veerkracht (pag. 17) niet verder komt dan cultuurhistorie als versterking van toeristische aantrekkingskracht. - Indiener stelt dat de omschrijving van Cultureel erfgoed en archeologie (tabel 1 pag. 25) niet correct en adequaat is. Indiener concludeert dat cultureel erfgoed een prominenter beoordelingskader verdient en dat de ambitie en toekomstbeelden2te mager en/of onvoldoende uitgewerkt zijn in de NRD. Daarnaast dient cultureel erfgoed veel meer tot uitdrukking te komen als een te beschermen kernwaarde. Standpunt college van B&W: Zowel de tekstvoorstellen als toekomstige inbreng van de Federatie en haar leden worden meegenomen bij het opstellen van het OER. Een NRD is een plan van aanpak met een zo beknopt mogelijke beschrijving van de te onderzoeken doelen.

In de Omgevingsvisie en het OER wordt dit verder aangescherpt. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

2 In de eerste versie van de NRD werd gesproken over ‘(toekomst)perspectieven’. De reacties

van de indieners gebruikten deze term in hun zienswijzen. De term is aangepast naar ‘toekomstbeelden’. Om verwarring te voorkomen is in de samenvatting van alle zienswijzen ‘toekomstperspectief’ ook aangepast naar ‘toekomstbeeld’.

8 Punt 2: Indiener stelt dat in de NRD ten onrechte eenzijdig de focus wordt gericht op het historisch stadscentrum van Sittard terwijl er veel meer historisch relevante items in de stad Sittard-Geleen de aandacht verdienen. Standpunt college van B&W: Opmerking van de indiener is terecht en er komt extra aandacht voor de bredere historische kwaliteiten van de gemeente. Deze zienswijze zorgt voor een aanpassing van de NRD. Punt 3: Indiener vindt dat de manier van onderzoek (literatuuronderzoek en interviews met beleidsmedewerkers van de gemeente Sittard-Geleen) ontoereikend is omdat er geen externe partijen zijn betrokken. Standpunt college van B&W: Het onderzoek dat is uitgevoerd in deze fase van de NRD is een uitvoerige interne bureaustudie van autonome ontwikkelingen, trends en bestaande onderzoeken. Dit vormt de basis aan de start van het proces. De door de indiener genoemde belangrijke kennis van partners en externe partijen is essentieel voor een goed product en wordt daarom via een doorlopend proces na de NRD opgehaald en besproken met de partners. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 4: Indiener geeft aan niet betrokken te zijn geweest bij participatie Toekomstvisie én niet te zijn uitgenodigd voor de meedenksessies NRD. Standpunt college van B&W: De voorzitter van de Federatie is via e-mail uitgenodigd voor de genoemde NRDsessie.

Het was expliciet de bedoeling dat de Federatie (als spreekbuis van de historische verenigingen) uitgenodigd werd. Het is spijtig dat deze uitnodiging niet is aangekomen en we hopen op de aanwezigheid van de Federatie bij toekomstige overleggen. Met betrekking tot de Toekomstvisie. De Toekomstvisie is geïnitieerd door de gemeente en opgesteld met maatschappelijke vertegenwoordigers. Toen dit proces is gaan groeien en gesprekken werden gevoerd in de gemeente, hebben andere partijen zich hierbij aangesloten. Het proces stond altijd open voor partijen, net zoals dat ook het doel is van de omgevingsvisie. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

9

2.3 Individuele indiener Punt 1: Indiener geeft aan dat de demografische ontwikkelingen (“krimp”), de effecten daarvan en de manier waarop de gemeente deze effecten wil aanpakken zwaar onderbelicht zijn in de uitgangspuntennotitie en in de NRD en volgens indiener dus te weinig gewicht in de omgevingsvisie terwijl juist (de aanpak van) de demografische ontwikkeling een sturende factor is (zou moeten zijn) in (de visie op) het gebruik van de ruimte in Sittard-Geleen. Indiener concludeert dat bevolkingskrimp als een gegeven wordt beschouwd en de NRD en plaatst hierbij een aantal kanttekeningen. - Ondanks bevolkingskrimp is het aantal wooneenheden niet evenredig gekrompen. - Als krimp niet wordt aangepakt, wordt het een zichzelf versterkend systeem waarbij leefbaarheid en aantrekkelijkheid afneemt. - Accepteren van krimp beperkt het halen van economische veerkrachtdoelen door het afnemen van een (jonge) beroepsbevolking. - Krimp wordt gekoppeld aan leegstand, wat zich volgens indiener niet voordoet in de gemeente. Standpunt college van B&W: Het klopt dat de afname van de bevolking zich niet een op een vertaalt naar leegstaande woningen. Dit komt omdat het aantal huishoudens vooralsnog toeneemt vanwege huishoudensverdunning (onder andere meer mensen die langer op zichzelf wonen).

In de huidige voorspellingen neemt het aantal huishoudens vanaf 2025 ook langzaam af, waardoor het risico op leegstand toeneemt. Dit betekent niet dat het idee van krimp gebruikt kan worden om geen nieuwe ontwikkelingen toe te staan. Want nieuwbouw voor doorstroming is ook nodig om een oude voorraad aan te kunnen pakken. Zie ook het antwoord op punt 3. In 2020 stond 3% van de woningen in de gemeente leeg en 4% in 2021 (Leegstandmonitor CBS). 970 woningen stonden langdurig leeg (leegstand in 2020 en 2021). De reden voor leegstand zal verschillend zijn per woning (redenen en aantallen onbekend). Er is dus ook nu in bepaalde mate sprake van leegstand in de gemeente. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 2: Indiener ontvangt graag een antwoord op de volgende vragen: -

-

Accepteert de gemeente krimp als een uitgangspunt, een gegeven? Indien ja, waarom en hoe denkt de gemeente dan een toekomstbestendige omgeving te kunnen bereiken? En wat zijn de effecten van het accepteren van krimp als een gegeven voor de doelen van sociaal en economisch veerkrachtige gemeente? Indien neen, welke maatregelen wil de gemeente dan nemen om de krimp en de effecten daarvan de verminderen en hoe krijgen deze een plaats in de Omgevingsvisie?

Standpunt college van B&W: Een demografische verandering is tot op zekere hoogte onvermijdelijk door de autonome bevolkingsontwikkeling. Daarbij geldt dat de Progneff-cijfers in de NRD

10 ondertussen verouderd zijn en aangepast moeten worden. Dat zal de algemene conclusies niet veranderen. Er zijn een aantal knoppen waar de gemeente aan kan draaien: zorgen dat jongeren in de gemeente willen en kunnen blijven, aantrekkelijk zijn voor werkgevers en ruimte bieden aan mensen van buiten de gemeente (regionale verhuisbeweging, nieuwe werknemers bij de grote werkgevers en migratie). Ondanks dat we zien dat de migratiestroom richting Zuid-Limburg de afgelopen vijf jaar stevig is toegenomen, verwachten we niet dat dit de demografische ontwikkeling volledig zal veranderen. Het veranderen van demografische ontwikkelingen gaat dus veel verder dan woningbouw. In het OER wordt inderdaad ingegaan op de effecten van krimp (en andere demografische ontwikkelingen) op de sociale en economische veerkracht. Op dit moment wordt in het kader van het actualiseren van het woonbeleid en formuleren van woningbouwprestatieafspraken tussen de provincie Limburg en het Rijk opnieuw kritisch gekeken naar de verwachte bevolkingsontwikkeling (autonoom en migratie), hoe groepen met een evidente behoefte (sociaal, starters en senioren) zo goed mogelijk gefaciliteerd kunnen worden en hoe de gemeente aantrekkelijk kan zijn voor andere groepen. In de omgevingsvisie zullen we afspraken uit dit traject faciliteren en waar mogelijk meer gebieds- en doelgroepgericht woningbouw programmeren.

Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. In het OER zal wel gerekend worden met de meest recente demografische onderzoeken. Punt 3: Indiener stelt verschillende kanttekeningen bij het beoordelingscriterium ‘de mate waarin beleidsvoornemens bijdragen aan aansluiting van woningaanbod op de vraag’. - Indiener stelt dat de beleidsvoornemens onduidelijk zijn en geen invulling geven aan de noodzakelijke groei (om krimp te beperken) om een toekomstbestendige gemeente te zijn. Indiener adviseert om keuzes te maken in de omgang met de effecten van demografische ontwikkelingen. - Indiener stelt dat het beleid om niet fors uit te breiden niet strookt met de moeite die jeugd heeft in het vinden van een woning. - Indiener stelt dat de indicator ‘aansluiten van woningaanbod op de vraag’ een te passieve aanpak is en adviseert een indicator toe te voegen die in beeld brengt wat de effecten zijn van het actief toevoegen van woningen. Standpunt college van B&W: Zie punt 1 en 2 voor een reactie over de aanpak van krimp. Voor wat betreft het aanbod voor jeugd zit, naast de uitleg bij punt 1 en 2 ook een uitdaging bij de stevige prijsstijging van de afgelopen jaren.

Dit is deels het effect door het landelijke tekort met een opdrijvende werking op verkoopprijzen, maar ook de toegenomen kosten bij nieuwbouw en transformatie (materiaal-, energie- en personeelskosten) en tot voor kort de verhuurdersheffing bij de corporaties. Dat maakt het lastiger om betaalbare starterswoningen te realiseren. Mede daarom zetten we als gemeente in op het realiseren van nieuwe sociale huur en levensloopbestendige middenhuur en betaalbare koop om zo doorstroming op gang te brengen waardoor woningen voor starters vrijkomen. Dit wordt ook verder uitgewerkt in woningbouwprestatieafspraken tussen de provincie het Rijk en vervolgens opgenomen in de omgevingsvisie. De indicator ‘aansluiten van woningaanbod op de vraag’ heeft inderdaad geen kwantitatieve indicator. Deze zal worden uitgebreid op basis van een nieuw (nog op

11 te stellen) gemeentelijke behoefteonderzoek en de woningbouwafspraken met de provincie en het Rijk bij het uitwerken van het OER. Deze gegevens zijn nu nog niet beschikbaar. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 4: Indiener verzoekt dat de omgevingsvisie voldoende ruimte biedt voor de “klassieke industrie van de BV Nederland” om bij te kunnen dragen aan de verschillende transities. Indiener richt zich hier op de bestaande grote bedrijfssectoren in de gemeente en de behoefte aan primaire grondstoffen en de noodzaak van delfstoffenwinning. Standpunt college van B&W: Het economisch belang van grote en kleine bedrijven wordt meegenomen in de omgevingsvisie. Op basis van de toekomstbeelden (economisch, ecologisch en sociaal) worden keuzes gemaakt in de omgevingsvisie. Dit geldt ook voor de winning van delfstoffen. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 5: Indiener geeft aan dat de transitie van het buitengebied onvermijdelijk is, maar vindt het onwenselijk dat gebieden die deel uitmaken / tot voor kort deel uitmaakte van de bebouwde omgeving, getransformeerd worden naar natuur. Hier wordt het voorbeeld van het Euregionaal Sport- en Congrescentrum genoemd. Standpunt college van B&W: Het genoemde voorbeeld ligt in de omgevingsvisie 2016 in de ‘Stad- landzone’.

Het eventueel onttrekken van de locatie aan het bebouwd gebied is dus geen nieuw voornemen. Het efficiënt omgaan met de beschikbare ruimte voor stedelijke ontwikkelingen is een terecht punt. Daarom vindt er een integrale afweging plaats op basis van drie toekomstbeelden. Deze zienswijze zorgt niet voor aanpassingen van de NRD. Punt 6: Indiener geeft aan dat het beoordelingskader op onderdelen ongelukkig is gekozen. Indiener geeft hier voorbeelden voor waterveiligheid, grondwater, bodem, ondergronds ruimtegebruik en geluidsoverlast. Indiener stelt voor de criteria beter af te stemmen op de feitelijke situatie, op criteria gehanteerd door andere partijen en criteria waar de gemeente zelf op kan sturen. Standpunt college van B&W: De gekozen uitwerkingsindicator voor bodemkwaliteit (areaal humane en ecologische spoedlocaties) en ondergronds ruimtegebruik zijn opnieuw bekeken en zijn inderdaad geen geschikte indicatoren. Ze worden verwijderd. Dit beoordelingskader is een eerste voorzet om een beeld te geven van het detailniveau. De aanscherping hiervan vindt plaats gedurende het uitvoeren van het OER, waarbij ook passende indicatoren toegevoegd moeten worden. Deze zienswijze zorgt niet voor aanpassingen van de NRD, maar beoordelingskader wordt tijdens het uitvoeren van het OER aangescherpt.

het

12 Punt 7: Indiener vraagt of er een prioritering aangebracht kan worden in de indicatoren waarvan de effecten in beeld worden gebracht (bijvoorbeeld vanuit de Toekomstvisie of uitgangspuntennotitie). Standpunt college van B&W: De genoemde thema’s en daarbij horende indicatoren zijn bedoeld als een algemene richting voor de hele gemeente. Maar binnen de gemeente zijn er grote verschillen. Daarom word er in de Omgevingsvisie keuzes gemaakt per gebied. Dit zorgt ervoor dat we kunnen aansluiten bij de kansen en uitdagingen in een bepaald gebied, en dus daar een eigen prioritering gebruiken. Deze zienswijze zorgt niet voor aanpassingen van de NRD. Punt 8: Indiener vraagt of het zinvol is om indicatoren op te noemen waarin de gemeente geen of marginale invloed op heeft. Indiener stelt voor om deze deels te schrappen uit het beoordelingskader en beter te prioriteren. Standpunt college van B&W: Het is wel zinvol om indicatoren op te nemen die de gemeente niet direct kan beïnvloeden, maar waar andere partijen wel invloed op hebben. Het beoordelingskader krijgt namelijk ook een doorvertaling in eventuele programma’s en het omgevingsplan. Het omgevingsplan is het juridisch kader voor alle initiatieven en op basis van programma’s worden afspraken gemaakt met partners.

Met die indicatoren dagen we dus andere partijen uit (waar mogelijk) om een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de leefomgeving. Het prioriteren, en dan vooral bepalen welke indicator zwaarder weegt dan andere, wordt in de omgevingsvisie gebiedsgericht uitgewerkt. Een algemene prioritering doet geen recht aan de diversiteit in opgaven tussen de verschillende delen van de gemeente. Dit zal dus uitgewerkt worden in de omgevingsvisie in een gebiedsgerichte invulling van het beoordelingskader. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. Punt 9: Indiener geeft aan dat het gebied dat in paragraaf 2.1.1.6 van de NRD wordt aangeduid als Grensmaasgebied, beter omschreven kan worden als Rivierpark Maasvallei omdat de grensmaas deel uitmaakt van dat grensoverschrijdende gebied. Standpunt college van B&W: De reactie is correct en de term ‘Grensmaasgebied’ wordt aangepast. Deze zienswijze zorgt voor een aanpassing van de NRD.

13

2.4 L’Ortye Punt 1: Initiatiefnemer verzoekt om de genoemde mogelijke ontwikkeling binnen het Graetheideplateau mee te nemen in de NRD. Het doel hiervan is om de potentie en milieugevolgen van dit potentiële project mee te nemen in het OER. Standpunt college van B&W: Delfstofwinning wordt meegenomen in het toekomstbeeld voor economische veerkracht. Daarmee worden de kansen en uitdagingen van ontgronding in de in gemeente meegenomen. Omdat het door de indiener genoemde initiatief nog geen uitgewerkte kaders heeft zal het niet op het verzochte detailniveau worden meegenomen, maar de kern van het idee wordt dus wel onderzocht. Zie ook punt 4 van zienswijze 2.3. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

14

2.5 Advies Commissie m.e.r. De Commissie voor de Milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) heeft een advies uitgebracht voor de NRD. De samenvatting is puntsgewijs opgebouwd en verwijst naar de betreffende paragraaf in het advies. 2.1. Staat van de leefomgeving: breng niet alleen de kansen en opgaven in beeld bij het uitwerken van de deelgebieden, maar ook de knelpunten, keuzemogelijkheden en het handelingsperspectief van de gemeente. Standpunt college van B&W: Deze zaken worden, volgend uit de Foto van de leefomgeving, allemaal in beeld gebracht tijdens het uitwerken van de drie toekomstbeelden. Hierbij wordt het handelingsperspectief niet als beperking meegenomen. Dit omdat de Omgevingsvisie ook een uitnodiging is richting de samenleving, waarbinnen andere partijen mogelijk wel invloed hebben op ontwikkelingen die de gemeente niet kan sturen. Hiertoe moet in de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie passende gesprekken en afspraken worden gemaakt met de relevante partijen. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 2.1. Staat van de leefomgeving: Maak gebruik van de kennis en gebiedsspecifieke data van lokale kennishouders en geef aan hoe die data gebruikt wordt in het Rad van de leefomgeving. Standpunt college van B&W: Wij onderschrijven het belang van praktische en ervaringskennis van de gebiedspartners, van inwoner tot overheid.

Daarom worden deze partijen betrokken bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Daar waar mogelijk worden partijen ook uitgedaagd om zelf informatie en data aan te leveren die gebruikt kan worden bij de monitoring, die de gemeente zelf niet heeft. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 2.1. Bestaand beleid: put uit de NRD van het NOVI-Gebied Zuid-Limburg en geef in het OER aan welke randvoorwaarden voortkomen uit relevante wet- en regelgeving en beleidsstukken. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van relevant beleid. Standpunt college van B&W: De doelen worden allereerst uitgewerkt in drie toekomstbeelden, die elk een andere richting van de doelen verkennen. Na een beoordeling van deze toekomstbeelden worden deze met elkaar ‘gebotst’ op basis waarvan een afgewogen keuze gemaakt kan worden tussen doelen in de verdere uitwerking van de omgevingsvisie. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 3.1.1. Aanscherpen ambities door botsproeven: gebruik de resultaten uit de Foto van de leefomgeving voor het ‘botsen’ van de ambities die zijn geformuleerd in de NRD, om zodoende het inzicht in de opgaven, ambities en ruimtebehoefte te vergroten. Maak hier bovendien gebruik van kaartmateriaal.

Standpunt college van B&W: De kaders uit de genoemde stukken (en meer) worden mede gebruikt bij het uitwerken van de drie toekomstbeelden naar de uiteindelijke omgevingsvisie.

15

Het belang van kaartmateriaal wordt volledig erkend. Om die reden werkt de gemeente parallel aan het inrichten van een uitgebreide GIS-viewer met alle beschikbare ruimtelijke informatie en worden de toekomstbeelden ook ruimtelijk uitgewerkt. Op die manier worden ruimteclaims in beeld gebracht en via de toekomstbeelden worden conflicterende claims inzichtelijk gemaakt. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 3.2. Toekomstbeelden: laat de toekomstbeelden volgen uit de botsproeven voor de concretisering van de doelen, en formuleer deze dus niet op voorhand. Zorg bovendien voor onderscheidende en ruimtelijk concrete toekomstbeelden. Beschrijf ook hoe de gestelde doelen en participatie de keuze en de afbakening van de toekomstbeelden hebben bepaald. Standpunt college van B&W: De doelen die de basis vormen voor de toekomstbeelden komen voort uit bestaand beleid en gesprekken met de samenleving, bestuurders en ambtenaren. Het uitvoeren van botsproeven gebeurt deels in die gesprekken, maar vormt voornamelijk een onderdeel van de totstandkoming van elk toekomstbeeld. Nadat de toekomstbeelden af zijn worden deze nogmaals ‘gebotst’ met elkaar. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.

Beoordelingskader OER: stel een beoordelingskader op dat gebruikt kan worden voor: - het ordenen van de staat van de leefomgeving en de duiding van de uitkomsten ervan - het vaststellen van de mate van doelbereik en effecten van de Toekomstbeelden en van de uiteindelijke Omgevingsvisie - het structureren van informatie uit monitoring en op basis van uitkomsten zo nodig bijstellen van beleid. Standpunt college van B&W: Dit advies sluit aan bij de beoogde werkwijze van de gemeente voor het opstellen van het OER en het bijbehorend beoordelingskader. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4. Beoordelingskader OER: Gebruik zoveel mogelijk lokaal toegesneden beoordelingscriteria en benoem welke bronnen gebruikt zijn bij ‘expert judgement’. Standpunt college van B&W: Het belang van lokale expertise wordt volledig erkend. Om die reden worden de doelen en kaders meermaals getoetst met inwoners en partijen, en waar mogelijk verrijkt met lokale informatie. Dat zal gedurende het proces vorm en invulling krijgen. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.1. Natuur en biodiversiteit – Natura 2000: de commissie adviseert om de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden in Nederland en het nabije buitenland op te nemen en daarbij de knelpunten per habitattype en soort te benoemen.

16

Standpunt college van B&W: De natuurgebieden in de gemeente en buitenlandse aangrenzende gebieden worden in een kwalitatieve risicobeoordeling meegenomen in de passende beoordeling. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.1. Natuur en biodiversiteit – Natura 2000: In het geval de omgevingsvisie zou leiden tot een grotere stikstofdepositie, moet de omvang aan de hand van een globale risicobeoordeling inzichtelijk worden gemaakt. Een indicatieve stikstofberekening of AERIUS-berekening is daarbij een hulpmiddel. Het doorlopen van een ADC-toets kan als uit een Passende beoordeling blijkt dat nadelige effecten niet ingeperkt kunnen worden. De Commissie adviseert om – indien nodig- de Passende beoordeling herkenbaar op te nemen in het OER. Standpunt college van B&W: AERIUS-berekeningen zijn gestoeld op kwalitatief hoogwaardige en kwantitatieve informatie. Die is er niet voor ontwikkelingen die nog een grote verscheidenheid aan eindproducten kunnen krijgen op basis van de omgevingsvisie. Als uit de passende beoordeling blijkt dat ontwikkelingen niet mogelijk zijn, zal onderzocht moeten worden wat de logische vervolgstappen zijn. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.1. Natuur en biodiversiteit – Beschermde gebieden: Beschrijf in het OER de kenmerken en waarden van beschermde gebieden en geef aan hoe voornemens deze kwaliteiten beïnvloeden.

Indien compensatie noodzakelijk is, geef dan ook globaal aan hoe dit vormgegeven kan worden. Standpunt college van B&W: De kwaliteiten van de beschermde natuurgebieden zijn onder andere vastgelegd in provinciaal en gemeentelijk beleid. Dit wordt samengebracht in een nieuwe gebiedsbiografie voor de gemeente. De kwaliteit die hierin worden beschreven, vormen de basis voor de indicator ‘landschap en ruimtelijke kwaliteit’. De inzet van de gebiedsbiografie wordt echter nog niet genoemd in de NRD omdat deze nog niet klaar is. Dit zal tijdens het opstellen van het OER verwerkt worden. Het advies over compensatie wordt onderschreven. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.1. Natuur en biodiversiteit – Beschermde soorten: Beschrijf of de omgevingsvisie gevolgen heeft voor beschermde soorten en of zich strijdigheid met de Wet natuurbescherming kan voordoen. Beschrijf in dat geval mitigerende en / of compenserende maatregelen. Standpunt college van B&W: De omgevingsvisie biedt, ondanks het doel om zo concreet mogelijk te worden, vaak niet voldoende aanknopingspunten om op voorhand te bepalen hoe ontwikkelingen die volgen uit doelen invloed hebben op specifieke soorten. Het bepalen van mitigerende maatregelen zijn wel onderdeel van de Passende Beoordeling. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

17

4.2. Landschap: beschrijf de kenmerken en kwaliteiten van de verschillende landschapstypes en de gemeentelijke ambities voor deze landschappen in de Foto van de leefomgeving. Hanteer hierbij de lagenbenadering. Geef voor de toekomstbeelden een beeld van een mogelijke strijdigheid van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen met de ambities voor het landschap. Geef in dat geval aan, waar en met welke maatregelen negatieve effecten kunnen worden beperkt, en wat dit betekent in termen van randvoorwaarden of aandachtspunten voor uitwerking in vervolgtrajecten. Standpunt college van B&W: De kwaliteiten worden onderzocht in de Foto van de Leefomgeving. Dit gebeurt in de volgende stap van het omgevingsvisieproces. Dit gebeurt parallel aan het opstellen van een gebiedsbiografie. Die kennis wordt gebruikt bij het uitwerken van de omgevingsvisie. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.3. Klimaatadaptatie en water – hittestress: Beschrijf aan de hand van de kwetsbaarheden van het plangebied voor elk van de toekomstbeelden, de mogelijkheden om hittestress te voorkomen. Kijk daarbij specifiek naar kwetsbaren (zoals ouderen, zieken/hulpbehoevenden en wijken met een lagere sociaaleconomische status). Gebruik hiervoor indien mogelijk GIS.

Standpunt college van B&W: De gemeente is voornemens om een hittestressinventarisatie uit te voeren, met specifieke aandacht voor gezondheid. De resultaten hiervan zullen, indien tijdig beschikbaar, mee worden genomen in het OER. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.3. Klimaatadaptatie en water – water: Geef aan in hoeverre maatregelen in de toekomstbeelden bijdragen aan de Kaderrichtlijn Water. Voer ook een stresstest klimaatadaptie uit aan de hand van de KNMI’14 en ’21 scenario’s. Standpunt college van B&W: De criteria die nu in de NRD staan passen bij het detailniveau van een beoordeling van een omgevingsvisie. In de Foto van de Leefomgeving wordt een analyse opgenomen van de gevoeligheid voor hittestress en wateroverlast die gedetailleerder gaat zijn. De gemeente heeft al uitgebreid onderzoek gedaan naar de gevoeligheid voor wateroverlast in de gemeente. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.4. Sociale cohesie en leefbaarheid: Het is nog niet duidelijk hoe sociale ongelijkheid en ongelijke kansen in het OER onderzocht gaan worden. Verkennen met de samenleving wat de randvoorwaarden zijn voor het behouden van leefbaarheid en sociale cohesie en vul dit in met lokale data van die partners (indien beschikbaar). Standpunt college van B&W:

18 In het participatieve proces richting de omgevingsvisie verdiepen we de doelen die voortkomen uit de Toekomstvisie. In de Foto van de Leefomgeving worden deze thema’s, aan de hand van de Leefbarometer reeds uitgewerkt. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD 4.5. Wonen: kijk in aanvulling op de indicator ‘aansluiting woningaanbod op de vraag’ ook naar de kwaliteit van de bestaande woningen. Standpunt college van B&W: Het meten van de verbetering van energielabels is een passende manier om de duurzaamheidsverbetering te meten. Aan het beleidsveld wonen wordt de indicator ‘duurzame voorraad’ toegevoegd. De uitwerking van de indicator is het gemiddelde energielabel. Deze zienswijze zorgt voor een aanpassing van de NRD. 4.6. Gezondheid: Gezondheid gaat niet alleen over beweegvriendelijkheid. Vraag tijdens de participatie naar specifieke lokale indicatoren. Heb daarnaast ook voldoende aandacht voor de ervaren gezondheid. Standpunt college van B&W: In de Foto van de Leefomgeving worden wijjkgerichte gezondsheidsfactoren onderzocht en een rangorde opgesteld voor de ‘slecht scorende’ wijken op basis van RIVM-data. In het uitvoeren van de Foto wordt het advies van de Commissie meegenomen. Daarnaast zal ook advies worden gewonnen bij de GGD over toepasselijke indicatoren voor het beoordelingskader. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.7.

Externe en openbare veiligheid: neem de bezorgdheid van inwoners over de veiligheid op Chemelot mee in de beoordeling en wat de invloed van de toekomstbeelden hierop is. Geef ook aan welke mogelijkheden er zijn om de openbare veiligheid te vergroten. Standpunt college van B&W: Op dit moment wordt (ervaren) veiligheid door de gemeente gemonitord via onder andere de Inwonerspeiling. Er wordt niet specifiek gevraagd naar de ervaren veiligheid rondom Chemelot. Uit onderzochte bronnen blijkt dat de veiligheidsbeleving rondom Chemelot niet negatief is. 84% van de inwoners rondom Chemelot voelt zich niet onveilig. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.8 Luchtkwaliteit: de Commissie onderschrijft de aanpak en geeft aan dat de Foto van de Leefomgeving gebruik moet maken van de meest recente informatie, inclusief (minimaal) de kwaliteit van de landelijke database (NSL-monitoring/Atlas Leefomgeving). De Commissie adviseert daarnaast, vanwege de aanwezigheid van Chemelot, om de emissie van en blootstelling aan Zeer Zorgwekkende Stoffen en geur mee te nemen. Breng ook in beeld met welke beleidsaanpassingen deze blootstellingen verminderd kunnen worden.

19 Standpunt college van B&W: De door de Commissie genoemde bronnen worden gebruikt in het onderzoek. Het in beeld brengen van welke beleidsaanpassingen de blootstelling kan verminderen, wordt gedaan via het toetsen van de drie toekomstbeelden. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.9: geluidsoverlast: De commissie kan zich vinden in de voorgestelde aanpak en adviseert in aanvulling om gebruik te maken van de gezondheidskundige advieswaarden van de GGD voor cumulatief geluid en eventueel de WHOadvieswaarden voor de beoordeling van geluidsbelasting door specifieke bronnen. Breng ook in beeld met welke beleidsaanpassingen deze blootstellingen verminderd kunnen worden. Standpunt college van B&W: Om het overzicht te bewaken wordt ervoor gekozen gebruik te maken van een van de genoemde normen. In de Foto van de Leefomgeving zal gebruikt gemaakt worden van de WHO-normen. Het in beeld brengen van welke beleidsaanpassingen de blootstelling kan verminderen, wordt gedaan via het toetsen van de drie toekomstbeelden. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

4.10 lichthinder: de Commissie adviseert lichthinder alleen te beschouwen indien uit de Foto van de leefomgeving blijkt dat licht een grote belastende factor is voor mens of milieu Standpunt college van B&W: Uit het vooronderzoek van de Foto van de Leefomgeving blijkt dat licht geen grote belastende factor is. Dit onderwerp wordt daarom verwijderd uit de NRD. Deze zienswijze zorgt voor een aanpassing van de NRD. 4.11 Circulariteit: Bepaal op basis van de Foto en de geformuleerde ambities welke indicatoren relevant zijn onder het thema Circulariteit. Breng daarbij eerst de rol van de gemeente in beeld en formuleer vervolgens de indicatoren. De indicator ‘faciliteren circulaire economie’ is daarbij relevant en kan verder uitgesplitst worden. Maak deze indicatoren concreet, specifiek en meetbaar op basis van de Foto en de geformuleerde visie en zorg voor het juiste abstractieniveau. Geef aan welke maatregelen, regels en/of acties worden ondernomen om te komen tot de ambities, en/of daarmee de ambities wordt gehaald. Ga daarbij in op het gebruik van grondstoffen, energie, materialen en afvalstoffen en hoe het gebruik kan worden voorkomen, welke mogelijkheden er zijn voor hergebruik, recycling of het terugwinnen. Geef in het OER aan hoe de voortgang van circulariteitsopgave wordt gemonitord.

Beschrijf hoe de monitoring zich verhoudt tot circulariteitsopgaven en monitoring in andere relevante gebiedsvisies (provinciaal niveau, strategische gebiedsvisie Chemelot). De indicatoren ‘duurzaam inkopen’ en ‘afval’ horen niet thuis in een OER dat zich richt op de effecten op de leefomgeving. De onderwerpen kunnen wel van belang zijn in de visie, maar het abstractieniveau van de indicatoren is te laag.

20

Standpunt college van B&W: De Commissie geeft nuttige adviezen over het beschrijven van het handelingsperspectief van de gemeente voor verschillende aspecten van circulariteit (industrie, bouwen, landbouw) en voor concrete indicatoren (aantal bedrijven dat volgens een circulair principe werkt). Er wordt onderzocht of deze informatie voorhanden is en verwerkt kan worden tijdens het uitvoeren van het OER. Deze zienswijze zorgt niet voor aanpassingen van de NRD, maar beoordelingskader wordt tijdens het uitvoeren van het OER aangescherpt.

het

4.12 Klimaatmitigatie: de Commissie adviseert om in het OER aan te geven in hoeverre de uitwerking van de plannen uit de Omgevingsvisie in lijn is met de eigen ambitie en de Nederlandse ambities voor CO2-reductie en welke bijdrage SittardGeleen levert aan de ambities van de RES 1.0. Laat zien waar zoekgebieden voor wind en zon zoals vastgesteld in RES 1.0 liggen in de gemeente, en welke mogelijke omgevingseffecten dit heeft en welke knelpunten er kunnen ontstaan voor het bereiken van de doelen. Ga ook in op de mogelijke toekomstige plannen voor de hoogspanningsleiding die door de gemeente heengaat. Standpunt college van B&W: Dit advies wordt meegenomen bij de uitwerking van het OER. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 4.13 Mobiliteit: De Commissie adviseert om het OER te gebruiken om te onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om de mobiliteit te verduurzamen, zoals hoogwaardig openbaar vervoer, doorgaande fietsroutes of het clusteren van bepaalde bestemmingen. Kijk daarbij of de toekomstbeelden invloed hebben op de ‘modal split’ en bijdragen aan een verandering van de ‘modal shift’. Dit geeft ook inzicht op veranderingen in de CO2-uitstoot. Kijk voor de effectbeoordeling op het fietsen niet alleen naar kwaliteit maar ook naar de mate waarin gefietst wordt (bijvoorbeeld modal split bij kortere ritten).

Voor het openbaar vervoer is niet alleen de afstand tot een bushalte van belang, maar ook de frequentie van het busvervoer. Standpunt college van B&W: De model split voor korte, middellange en lange afstanden zal beschreven worden in de Foto van de Leefomgeving. Het advies voor het toetsen tijdens het OER zal worden meegenomen tijdens het uitwerken van het OER. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD. 5 Monitoring: De Commissie adviseert om het beoordelingskader van het OER als basis te gebruiken voor de monitoring. Houd hierbij rekening met de ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving. Deze kunnen aanleiding zijn tot het hanteren van andere beoordelingscriteria dan op dit moment zijn voorzien. Maakt hierbij gebruik van reeds bestaande sectorale monitoringsprogramma’s en lokale kennishouders. Standpunt college van B&W:

21 In het OER nemen we een aanzet voor een monitoringsprogramma op, waarbinnen de belangrijkste ontwikkelingen of omgevingsaspecten binnen de gemeente een plek krijgen. Het advies zal gebruikt worden bij de uitwerking van het programma. Deze zienswijze zorgt niet voor een aanpassing van de NRD.

2.6 Participatie Tijdens de meedenksessies op 7 en 15 juni 2022 zijn bedrijven, bewoners en stakeholders samengekomen om te participeren over de drie veerkrachten (ecologie, economie en sociaal) die samen de basis vormen voor de doelen van de gemeente. Voor alle in de NRD en omgevingsvisie relevante onderwerpen zijn passende partners en organisaties uit de gemeente en bredere regio uitgenodigd. Uit deze sessies zijn een aantal onderwerpen naar voren gekomen die meermaals zijn benoemd door de deelnemers. Dit zijn onderwerpen zoals positieve gezondheid, sociaal draagvlak, inclusieve samenleving, natuur, ecologische zones, energie (transitie), leefbaarheid en bereikbaarheid. Deze zijn gebruikt om de doelen voor de fysieke leefomgeving aan te scherpen. De exacte inbreng kan teruggelezen worden in de openbare gespreksverslagen. Zie hiervoor: www.metsittardgeleen.nl/omgevingsvisie

2.7 Adviespartijen Parallel aan de inspraak heeft de gemeente Sittard-Geleen medeoverheden gevraagd voor inhoudelijk advies op de NRD. Allereerst worden de instanties bedankt voor medewerking en reacties tijdens het proces van het opstellen van de Omgevingsvisie en daarmee ook het opstellen van de NRD. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Gemeente Stein en Waterschap Limburg hebben gereageerd en onderschrijven de aanpak, zonder aanvullende opmerkingen. De Provincie Limburg gaf in haar reactie aan geen inhoudelijke opmerkingen te hebben. Wel geeft de Provincie aan dat paragraaf 3.6 geüpdatet kan worden omdat de Strategische Gebiedsvisie Omgeving Chemelot is vastgesteld. In het vervolgproces blijft de gemeente Sittard-Geleen alle bovengenoemde organisaties betrekken op de juiste momenten tijdens het opstellen van de Omgevingsvisie en bedankt de gemeente Sittard-Geleen de instanties voor hun betrokkenheid in dit proces.

2.8 Ambtelijke opmerkingen Aanpassing proces Sinds het opstarten van het NRD en OER is het proces van de omgevingsvisie aangepast op basis van participatie en voortschrijdend inzicht. Daartoe dienen paragraaf ‘2.1.1.6 Proces’, paragraaf ‘2.1.1.7 De planning’ en paragraaf ‘3.1 Samenhang tussen OER en omgevingsvisie’ aangepast te worden. Aanpassing NOVI-gebied OP rijksniveau zijn de NOVI-gebieden aangepast Dusdoende moet de term aangepast worden in de NRD.

naar

NOVEX-gebieden.

22 Aanpassing opgaven De ambities en opgaven in de NRD zijn aangescherpt op basis van interne en externe gespreken. Om eenvoud te krijgen in de tekst, worden termen die door elkaar gebruikt worden (zoals ambities en opgaven) versimpeld tot ‘doelen’. Tekstuele correcties Op verschillende plekken in het stuk zijn kleine tekstuele aanpassingen doorgevoerd, zoals het aanpassingen van spelling- en syntaxfouten, foute verwijzingen en aanpassingen die samenhangen met de aanpassingen in de planning.

23

3 Wijzigingen in NRD op basis van de zienswijzen en ambtelijke wijzigingen Hieronder worden per indiener de inhoudelijke wijzigingen als gevolg van de inspraak, en de ambtelijke wijzigingen weergegeven. Daarnaast zijn nog enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd; deze worden niet nader benoemd.

3.1 Aanpassingen op basis van zienswijze IVN Munstergeleen Aanpassing behorende bij punt 2: op pagina 26 (tabel 1) wordt onder open groen bij ‘planet’ een extra indicator toegevoegd. Beleidsveld Indicator Uitwerking Beoordelingscriterium indicator toekomstbeelden leefomgeving Openbaar groen Natuur Oppervlakte Effect van beschermde beleidsvoornemens natuurgebieden op kwaliteit (conform beschermde provinciale natuurgebieden verordening)

3.2 Aanpassingen op basis van zienswijze Federatie Historie SGB Aanpassing behorende bij punt 2: In paragraaf 2.2.1.4. (pagina 12 en verder) wordt de derde alinea (“Naast onderwijs kent ….. hun hart ophalen”) integraal aangepast van: Gezien de lange geschiedenis spreekt het voor zich dat er veel cultuurhistorische gebouwen, monumenten en evenementen in Sittard-Geleen te ontdekken zijn. Met de historische binnenstad van Sittard, de kastelen, monumenten, kerken, kloosters en de tradities, bezit Sittard-Geleen een brede waaier aan materieel en immaterieel erfgoed. Uit de brede bevraging is ook gebleken dat de inwoners trots zijn op al die cultuurhistorische pracht en praal en vinden ze dat deze ook meer mag worden uitgedragen. De kunst- en cultuurliefhebber (De Domijnen, het Oktoberfeest Sittard en de veelheid aan lokale culturele activiteiten), de fijnproever (talloze restaurants) en de ontspanner (wellness en hotels) kunnen in Sittard-Geleen ook volop hun hart ophalen. Naar: Gezien de lange geschiedenis spreekt het voor zich dat er veel cultuurhistorische gebouwen, monumenten en evenementen in Sittard-Geleen te ontdekken zijn.

Met de historische binnenstad van Sittard, de historische dorpslinten, de stadswal, de kastelen, watermolens, boerenhoeven, kerken, kloosters en de tradities, bezit SittardGeleen een brede waaier aan materieel en immaterieel erfgoed in het stedelijk en landelijk gebied. In Sittard-Geleen zijn 199 Rijksmonumenten en ongeveer 230 gemeentelijke monumenten aangewezen. Deze monumenten variëren van historische panden en kerken tot landhuizen en kastelen. Daarbij zijn er in de gemeente ook diverse beschermde gezichten. Het historische centrum van Sittard

24 wordt door het Rijk beschermd. Sanderbout, Leyenbroek, Sjpaorkolonie en OudGeleen zijn gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Uit de brede bevraging is ook gebleken dat de inwoners trots zijn op al die cultuurhistorische kwaliteiten en vinden ze dat deze ook meer mag worden uitgedragen. De kunst- en cultuurliefhebber, de fijnproever en de ontspanner kunnen in Sittard-Geleen ook volop hun hart ophalen.

3.3 Aanpassingen op basis van zienswijze individuele indiener Aanpassing behorende bij punt 9: In paragraaf 2.1.1.6. wordt de naam Grensmaasgebied vervangen door Rivierpark Maasvallei.

3.4 Aanpassingen op basis van adviezen Commissie m.e.r. Aanpassing behorende bij punt 4.5: op pagina 25 (tabel 1) wordt onder ‘Wonen’ bij ‘People’ een extra indicator toegevoegd. Beleidsveld

Indicator

Wonen

Duurzame voorraad

Uitwerking indicator leefomgeving Gemiddelde energielabel

Beoordelingscriterium toekomstbeelden Verduurzaming van de bestaande voorraad

Aanpassing behorende bij punt 4.10: Op pagina 25 (tabel 1) wordt het beleidsveld ‘lichthinder’ verwijderd.

3.5 Aanpassingen op basis van ambtelijke opmerkingen Aanpassing term toekomstperspectief De term ‘toekomstperspectief’ wordt overal aangepast naar ‘toekomstbeeld’, evenals de variaties op toekomstperspectief zoals ‘toekomstperspectieven’ en ‘perspectief’. Aanpassing term NOVI De term NOVI en NOVI-gebied wordt aangepast naar NOVEX en NOVEX-gebied. Aanpassing behorend bij ‘aanpassing proces’ De volgende alinea in paragraaf ‘2.1.1.6 Proces’ wordt integraal aangepast van: “Het gesprek met de samenleving voeren we op de volgende wijzen: • Informatiedeling op de website: metsittardgeleen.nl (vanaf tweede helft mei 2022 beschikbaar). • Met deze aanpak gebruiken we het interne bestaande communicatiemiddel waarop binnenkort ook de informatie van de Toekomstvisie 2030 is te vinden. We informeren hier in elk geval over het doel, de ontwikkelingen en het proces richting omgevingsvisie. In deze fase doen we dit met een publieksversie van de NRD. Ateliers (start juni 2022). Via de zogenaamde ateliers (bijeenkomsten) gaan we het gesprek aan met de samenleving. Het

25 vrijgeven van de NRD is het startpunt hiervoor. Het participatietraject gecombineerd met een formele tervisielegging die in mei / juni 2022 is voorzien en heeft voor het formele traject een doorlooptijd van 6 weken. Na afronding van deze participatieronde geven we uitvoer aan de vervolgstappen die meer specifiek ingaan op de effecten van bepaalde keuzes en de belangen die hierbij spelen. In totaal organiseren we een drietal overlegmomenten met diverse partijen uit de samenleving. Tijdens deze gespreksmomenten gaan we in op de aanpak (via NRD), het effect (via OER en MBA) en de belangenafweging (en ontwerp omgevingsvisie). De intentie is om met de brede participatieve aanpak niet alleen te komen tot een breed gedragen visie, maar ook de realisatie van de ambities voor de fysieke leefomgeving voor zover de gemeente hier over gaat te borgen. Het college en de raad zijn vroegtijdig en structureel betrokken in het hele traject. Naast het creëren van externe betrokkenheid, zal er ook veel aandacht zijn om de interne organisatie te betrekken bij de visievorming. Zowel voor de inhoudelijke invulling van de visie, als ook om in een vroeg stadium de koppeling te kunnen maken tussen omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan.” Naar: “Het gesprek met de samenleving voeren we op de volgende wijzen: • Informatiedeling op de website: metsittardgeleen.nl (online sinds mei 2022).

Met deze aanpak gebruiken we het interne bestaande communicatiemiddel waarop binnenkort ook de informatie van de Toekomstvisie 2030 is te vinden. We informeren hier in elk geval over het doel, de ontwikkelingen en het proces richting omgevingsvisie. In deze fase doen we dit met een publieksversie van de NRD. • Externe participatiesessies en begeleidingsgroep (start oktober 2022). Via participatiesessies gaan we het gesprek aan met de samenleving. Het vrijgeven van de NRD is hiervoor het startpunt geweest. Na afronding van deze participatieronde geven we uitvoering aan de vervolgstappen die meer specifiek ingaan op de effecten van bepaalde keuzes en de belangen die hierbij spelen. In totaal organiseren we een drietal overlegmomenten met diverse partijen uit de samenleving. Tijdens deze gespreksmomenten gaan we in op de aanpak (via NRD), het effect (via OER en MBA) en de belangenafweging (condept omgevingsvisie). De intentie is om met de brede participatieve aanpak niet alleen te komen tot een breed gedragen visie, maar ook de realisatie van de doelen voor de fysieke leefomgeving voor zover de gemeente hier over gaat te borgen. Het college en de raad zijn vroegtijdig en structureel betrokken in het hele traject. Naast het creëren van externe betrokkenheid, zal er ook veel aandacht zijn om de interne organisatie te betrekken bij de visievorming.

Zowel voor de inhoudelijke invulling van de visie, als ook om in een vroeg stadium de koppeling te kunnen maken tussen omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan. De volgende alinea in paragraaf ‘2.1.1.7 Planning wordt integraal aangepast van: “Een eerste tussenproduct in het traject van de omgevingsvisie is de voorliggende notitie Reikwijdte en Detailniveau. Tijdens de inspraakperiode van 20 mei 2022 tot en met 30 juni vindt participatie plaats over de voorgestelde aanpak in de NRD en de gebiedsgerichte invulling van de toekomstbeelden. Na de advisering van de commissie Mer in juli starten we met de beoordeling van de toekomstbeelden via de Omgevingseffectrapportage en de Maatschappelijke Baten Analyse. Op basis van de eerste resultaten vinden in de loop van het najaar botsproeven plaats en gaan we via

26 participatiesessies het gesprek aan over de dilemma’s en keuzes om verder focus te brengen in de omgevingsvisie. In de winterperiode bouwen we de concept omgevingsvisie verder op. Vervolgens start de formele ter visie legging om in najaar / winter 2022/2023 te komen tot vaststelling van de definitieve omgevingsvisie in de Raad.” Naar: “Een eerste tussenproduct in het traject van de omgevingsvisie is de voorliggende notitie Reikwijdte en Detailniveau. Tijdens de inspraakperiode van 20 mei 2022 tot en met 30 juni vindt participatie plaats over de voorgestelde aanpak in de NRD en de gebiedsgerichte invulling van de toekomstbeelden. Na het verwerken van de participatie, inspraakreacties en advies van de Commissie mer, beginnen we met het opstellen van drie toekomstbeelden (economisch, ecologisch, sociaal), in samenspraak met externe en interne partners. De toekomstbeelden worden vervolgens getoetst via het Omgevingseffectrapport en de Maatschappelijke Baten Analyse. Dit vormt, samen met participatiestappen, de basis voor het uitwerken van de omgevingsvisie. De planning is om ontwerpvisie eind 2022 ter inzage te leggen en begin 2023 door de gemeenteraad vast te laten stellen.” De volgende alinea in paragraaf ‘3.1.

Samenhang tussen OER en Omgevingsvisie wordt integraal aangepast van: Het OER wordt door de gemeente ingezet om de afwegingen die gemaakt worden in het kader van haar ontwerp omgevingsvisie te verdiepen en te voorzien van feitelijke beslisinformatie. De stappen en a die worden gezet voor het opstellen van het OER zijn daarom afgestemd op de stappen en benodigde informatie binnen het Omgevingsvisiespoor. In Figuur 1 staat deze samenhang schematisch weergegeven. Het proces om te komen tot het OER bestaat uit vier fasen, welke in Figuur 1 zijn aangeduid. Deze worden na de figuur toegelicht. Ondersteunend aan het OER wordt ook een maatschappelijke batenanalyse opgesteld. Dit is een economische studie, passend bij het abstractieniveau van de omgevingsvisie, die als doel heeft om inzicht te geven in de maatschappelijke baten die optreden ten gevolge van beleid in de omgevingsvisie. In Figuur 1 zijn de stappen voor de maatschappelijke batenanalyse in een apart spoor weergegeven. De werkwijze, uitgangspunten en resultaten van de maatschappelijke batenanalyse worden in het Omgevingseffectrapport opgenomen. Er is gekozen om geen separaat rapport op te stellen omdat OER en maatschappelijke batenanalyse nauw met elkaar vervlochten zijn, en omdat de resultaten van de maatschappelijke batenanalyse als verdiepend element in de beoordeling van de toekomstperspectieven opgenomen gaan worden.

In paragraaf 3.2 is een toelichting op de voorgenomen aanpak van de maatschappelijke batenanalyse opgenomen.

27

Figuur 1; de samenhang tussen het omgevingsvisie- en het OERspoor

1. Ambities en opgaven In deze fase is een eerste inventarisatie van de beschikbare informatie en de belangrijkste ontwikkelingen, kansen en opgaven binnen de gemeente uitgevoerd op basis van interviews met specialisten van de gemeente voor de verschillende beleidsvelden. Ook is in deze fase van het project de scope en aanpak van de omgevingsvisie verder uitgedacht. 2. Foto van de Leefomgeving, NRD en perspectieven Tijdens de tweede fase van het project is voorliggende NRD opgesteld. De belangrijkste activiteiten zijn daarnaast het opstellen van de Foto van de Leefomgeving, waarover meer in paragraaf 3.4. Deze heeft als doel om de huidige situatie en autonome ontwikkelingen te beschrijven voor ieder in het OER beoordeelde beleidsveld, en daarnaast geeft de Foto van de Leefomgeving aan waar knelpunten en kansen liggen. Dit vormt de input voor de opgaven- en kansenkaart die binnen het omgevingsvisiespoor opgesteld wordt. 3. Effectbeoordeling In de derde fase staan het toetsen van de perspectieven op doelbereik en milieueffecten centraal. Op basis van de perspectieven, die in het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=f3d6cfe9-3c79-42ba-b3cb-299a09e8e189