CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Keerweg 26

Raad 15 december 2022, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan woning Keerweg 26, Buchten (Geilen) (85)16.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook geeft deze Nota Bodembeheer 2021 aan hoe de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als wettelijk bewijsmiddel. De Nota Bodembeheer 2021 biedt hiermee een eenduidig, integraal kader voor iedereen die bij het uitvoeren van bodemtaken en bij het voorbereiden van projecten te maken heeft met de aanwezige bodemkwaliteit.

CROW (kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) publicatie 182 “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, 3e druk, 2008. 22

Hoofdstuk 3

27

In paragraaf 4.2.1 wordt nader ingegaan op bodemaspecten in relatie tot de realisatie van de nieuwbouwwoning aan de Keerweg 26.

Hoofdstuk 3

28

4.

ONDERZOEK

Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingrepen voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro). Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de ontwikkeling van één vrijstaande woning. Dit betreft een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro, waardoor kostenverhaal is vereist. Hiertoe wordt tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal wordt vastgelegd.

Daarnaast wordt er met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Hiermee is vastgelegd dat eventuele planschade voor derden, toegebracht door een planologische wijziging, door de gemeente verhaald kan worden op de initiator van het plan.

4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een wijziging naar een milieugevoeligere bestemming. De gronden zijn reeds bestemd en geschikt voor het gebruik ten behoeve van woondoeleinden. Daarnaast is in 2006 reeds een verkennend bodemonderzoek 3 uitgevoerd op de 3

N.O.O.D. Milieu bv, Verkennend bodemonderzoek Keerweg 24 te Buchten, projectnummer Sit06-002, 7 april 2006

Hoofdstuk 4

29

voorliggende locatie. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geen belemmeringen bestaan en er geen noodzaak bestaat tot het nemen van vervolgmaatregelen. De gemeente heeft deze rapportage beoordeeld4 en geconcludeerd dat er op grond van de gegevens van het onderzoek geen bezwaar bestaat ten aanzien van het initiatief. Vervolgens heeft in 2018 een aanvullend verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden in het plangebied5. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. De aangetroffen concentraties leveren geen milieuhygiënische risico's op voor de gebruikers of voor het milieu. Het plangebied is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik als woonperceel. Vanuit het aspect bodem bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Geluidhinder De beoogde woning is een geluidgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh).

Het plangebied ligt echter niet binnen de onderzoekszone van spoorwegen of binnen de onderzoekszone van wegen waarvoor een maximumsnelheid van 50 km per uur of meer geldt. De wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn allen 30 km/uur-wegen. Bovendien betreffen dit wegen met een beperkte verkeersbelasting. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeers- en railverkeerslawaai vanuit de omgeving wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Wel is de locatie gelegen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Holtum-Noord. Daarom is een akoestisch onderzoek naar het industrielawaai uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoekzijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport6. Indien de geluidruimte van het industrieterrein Holtum-Noord volledig benut wordt, bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van de woning 53 dB(A). De voorkeursgrenswaarde wordt hiermee overschreden. Op grond van artikel 59 van de Wet geluidhinder wordt een hogere grenswaarde aangevraagd van 53 dB(A). Maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen zijn niet mogelijk. Het binnenniveau van 35 dB(A) wordt zonder extra geluidwerende maatregelen aan de gevels gewaarborgd.

Voor wat betreft de indirecte hinder (geluidhinder op de gevels van omliggende geluidgevoelige gebouwen) als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, kan gesteld worden dat de ontwikkeling slechts in zeer geringe mate zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, en er dus

4

Gemeente Sittard-Geleen, Beoordeling bodemonderzoek t.b.v. omgevingsvergunning, kenmerk SP17.0153, 19 december 2017 Geonius, Verkennend bodemonderzoek Keerweg 26 te Buchten in de gemeente Sittard-Geleen, rapportnummer MA180451.R01, 25 september 2018 6 Adviesbureau Jos Reubsaet Heerlen, Bouwplan van een woonhuis aan de Keerweg 26, Buchten. Akoestisch onderzoek. Rapportnummer 3592, 26 februari 2018 5

Hoofdstuk 4

30

ook geen sprake zal zijn van een significante toename van de geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige functies. Het aspect geluidhinder vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van het industrieterrein Holtum-Noord wordt een hogere grenswaarde aangevraagd. 4.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Aangezien in het voorliggende geval sprake is van de realisatie van één woning, zal er slechts sprake zijn van een zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen.

Daarnaast voldoet de huidige luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving blijkens de concentratiekaarten van het planbureau voor de leefomgeving ruimschoots aan de daarvoor geldende normen. Er is dan ook geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. In het Besluit NIBM is verder vastgelegd dat ontwikkelingen tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Aangezien het aantal verkeersbewegingen nauwelijks toeneemt, kan dan ook worden geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op basis van artikel 5.16 Wm lid 1, sub a en c, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering. De voorgenomen ontwikkeling is kortom niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 4.2.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoofdstuk 4

31

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen. De beoogde woning is een kwetsbaar object. Toetsing Risicovolle inrichtingen Het plangebied ligt op basis van de risicokaart niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op circa 900 meter ten zuidoosten van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat het spoorwegemplacement Born ten westen van het plangebied is gelegen. Dit emplacement is echter niet opgenomen in het Basisnet en ter plaatse zijn ook geen risicovolle activiteiten vergund. Vanuit het aspect externe veiligheid is de ligging ten opzichte van het emplacement dan ook niet relevant. Buisleidingen Op circa 525 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van Gasunie. Gezien deze afstand ligt het plangebied echter niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Voor het overige zijn er in de omgeving geen buisleidingen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

32

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Op ruim 1.100 meter ten oosten van het plangebied ligt de A2, waarover risicovol transport plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 17 meter en er is een plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Beide reiken niet tot het plangebied. Daarnaast is er sprake van een zeer laag groepsrisico, dat kleiner is dan 0,1 * de oriëntatiewaarde. Gezien de afstand ligt het plangebied wel binnen het invloedsgebied van deze weg voor toxische vloeistoffen en gassen. Er is echter sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling op grote afstand van de A2, dat er geen invloed op het groepsrisico wordt uitgeoefend. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A2 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauwe pijl)

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ten westen en noordwesten van het plangebied zijn weliswaar spoorwegen gelegen, maar hierover vindt geen risicovol transport plaats. Op een afstand van circa 400 meter ten westen van het plangebied stroomt het Julianakanaal, waarover risicovol transport plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze waterweg reikt ter hoogte van het plangebied niet tot buiten de oeverlijn. Gezien de afstand tot het Julianakanaal ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze waterweg voor toxische vloeistoffen en gassen. Er is echter sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling op grote afstand van het Julianakanaal, dat er geen invloed op het groepsrisico wordt uitgeoefend. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van het kanaal een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

33

Op basis van artikel 7 van het Bevt dient in de toelichting van een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval te worden ingegaan op: a) De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b) Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Op basis van artikel 8 van het Bevt geldt verder dat kan worden volstaan met de verantwoording als bedoeld in artikel 7, aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de weg en de waterweg ligt. Bovendien wordt met de zeer kleinschalige ontwikkeling op grote afstand van de transportassen geen invloed uitgeoefend op het groepsrisico. Wat betreft de verantwoording als bedoeld onder artikel 7 onder a, bestaan er geen feitelijke mogelijkheden om middels het voorliggende plan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding en de beperking van de omvang van een ramp vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Wat betreft de verantwoording onder b zijn in dit geval uitsluitend calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario) relevant. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk biedt ‘schuilen’ in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van oude gebouwen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Dit geldt dus ook voor de nieuw te realiseren woning. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk.

Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Tevens is de Veiligheidsregio Zuid-Limburg om advies gevraagd. Het advies zal na ontvangst in deze toelichting worden verwerkt.

Hoofdstuk 4

34

Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Met betrekking tot de in het plangebied geprojecteerde woning kan worden opgemerkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven in milieucategorieën zwaarder dan categorie 1 of 2 aanwezig zijn, welke een negatieve invloed kunnen hebben op het leefklimaat ter plaatse, of wiens bedrijfsruimte als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zal worden beperkt. De nabijgelegen wijkvoorzieningen betreffen allen categorie 1 en 2 bedrijvigheid, welke in principe passend zijn binnen een woonomgeving.

Tevens zijn reeds andere woningen dichter bij de betreffende bedrijvigheid gesitueerd, waardoor deze als maatgevend kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de ten westen en noorden van het plangebied gelegen bedrijventerreinen wordt opgemerkt dat voor de hier toegestane milieucategorieën ruimschoots wordt voldaan aan de hiervoor geadviseerde richtafstanden ten opzichte van het plangebied. Bovendien blijkt uit het akoestisch onderzoek industrielawaai7 en paragraaf 4.2.2 dat het aspect industrielawaai van het bedrijventerrein Holtum-Noord geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de woning. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In het vigerende bestemmingsplan is voor het grootste deel van het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt dit deel van het plangebied binnen een als ‘categorie 3’ aangeduid gebied. De gebieden die in categorie 3 zijn opgenomen omvatten de AMK-terreinen van archeologische waarde, dan wel (zeer) hoge archeologische waarde. Voor deze gebieden wordt een ondergrens voor het verplicht uitvoeren van een archeologisch onderzoek gehanteerd van een verstoringsoppervlak van 100 7

Adviesbureau Jos Reubsaet Heerlen, Bouwplan van een woonhuis aan de Keerweg 26, Buchten. Akoestisch onderzoek. Rapportnummer 3592, 26 februari 2018

Hoofdstuk 4

35

m² en een verstoringsdiepte van 30 cm. Aangezien in het voorliggende geval sprake is van een verstoringsoppervlak van meer dan 100 m², is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Een klein hoekje in het meest westelijke deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt dit deel van het plangebied binnen een als ‘categorie 2’ aangeduid gebied. De gebieden die in categorie 2 zijn opgenomen omvatten de beschermde AMK-terreinen van zeer hoge archeologische waarde en de reeds bekende vindplaatsen. Voor deze gebieden wordt een ondergrens voor het verplicht uitvoeren van een archeologisch onderzoek gehanteerd van een verstoringsoppervlak van 50 m² en een verstoringsdiepte van 30 cm. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ter plaatse van het categorie 2-gebied geen ontwikkelingen zijn voorzien. Geonius heeft in december 2017 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. De belangrijkste resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport 8. Het rapport is inmiddels door de gemeente getoetst. De adviezen uit dit rapport worden door de gemeente onderschreven.

Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied op het Maasterras van Eisden-Lanklaar ligt, een laagterras bestaande uit grindige afzettingen, dat dateert uit het Saalien II en dat is afgedekt met eolische afzettingen, zandige löss daterend uit het Weichselien. Het plangebied is deels bebouwd (voormalige werkplaats) en deels braakliggend. Voor zover kon worden achterhaald is het plangebied in gebruik geweest als bouwland, weiland en boomgaard, tot omstreeks halverwege de jaren ‘50 van de vorige eeuw, toen er een taxibedrijf met werkplaats (met smeerput) en tankstation (met ondergrondse brandstoftanks) werd gevestigd. Het plangebied maakt deel uit van een AMK-terrein. Het betreft een terrein met bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Uit het plangebied zelf zijn geen archeologische gegevens bekend. Op grond van de verzamelde gegevens is voor het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum, een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen en een lage verwachting uit de Nieuwe tijd vastgesteld. Het verkennend booronderzoek heeft uitgewezen dat de bodemopbouw overeenkomt met de verwachting, namelijk een zandige lössbodem die het grindige maasterras afdekt.

Tevens bleek uit het booronderzoek dat in een groot deel van het plangebied de bodemopbouw tot een diepte variërend tussen 50 tot 120 cm onder het maaiveld is verstoord. Dit betekent dat mogelijke archeologische vindplaatsen verstoord zullen zijn. Met name ter plaatse van de voormalige ondergrondse brandstoftanks

8

Geonius, Archeologisch onderzoek Keerweg 26 te Buchten, opdrachtnummer MA170006.048, 12 december 2017

Hoofdstuk 4

36

en smeerput worden geen archeologische waarden meer verwacht. Westelijk van de werkplaats is de bodem minder sterk verstoord. Hier zouden nog archeologische waarden kunnen resteren. Op grond van de resultaten van het verkennend booronderzoek dient de archeologische verwachting te worden bijgesteld. Ter plaatse van de toekomstige locatie van de nieuwbouw kan deze worden bijgesteld van middelhoog naar laag tot middelhoog vanwege de geconstateerde bodemverstoring. In het gebied ten westen van de voormalige werkplaats is de bodem minder verstoord en bestaat er nog een kans op het voorkomen van redelijk intacte archeologische waarden. Voor dit deel van het plangebied kan de gespecificeerde verwachtingswaarde worden gehandhaafd. Aanbevolen wordt het plangebied vrij te geven voor verdere planontwikkeling. Voor het gebied westelijk van de voormalige werkplaats dienen de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ te worden gehandhaafd. Ter plaatse van dit gebied zijn geen ontwikkelingen voorzien. Gezien het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen woningbouw, aangezien ter plaatse van de beoogde woning geen archeologische waarden aanwezig zullen zijn vanwege de aangetroffen bodemverstoring.

Voor het meest westelijke deel van het plangebied zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Bij een verstoringsdiepte groter dan 30 cm geldt een meldingsplicht voor de aanvang van de werkzaamheden:  De aanvang van het bouwrijp maken van het perceel wordt twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog gemeld per email (marion.aarts@sittard-geleen.nl).  De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt niet uitgesloten. Er geldt een wettelijke verplichting (Erfgoedwet; paragraaf 5.4) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan vermoed wordt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is het verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. Vondsten kunnen gemeld worden bij de gemeentelijk archeoloog Mw. M. Aarts (046-4777456) en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van het project. Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend.

Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is de Keerweg ter hoogte van het plangebied aangemerkt als een ‘weg ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwse verkaveling’. Aangezien het voorlggende initiatief geen invloed uitoefent op deze weg, vormt de ligging ten opzichte van de weg geen belemmering. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

37

4.4 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal OmgevingsVisie 2021 (POVI2021).

De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd

Hoofdstuk 4

38

en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De resultaten van de stikstofdepositieberekening zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Resultaten Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden; ‘Grensmaas’, het Belgische ‘Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijver-broeken’ en ‘Abdij Lilbosch & Voormalig Klooster Mariahoop’, bevinden zich respectievelijk op circa 1,7 kilometer afstand ten noordwesten, 1,8 kilometer afstand ten noordwesten en circa 8,3 kilometer afstand ten noordoosten van het project-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe vrijstaande woning betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage9. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. De dichtstbijzijnde provinciaal beschermde natuurgebieden liggen op meer dan 1 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard van de ontwikkeling en deze afstanden, zijn negatieve effecten op (wettelijk en provinciaal) beschermde gebieden uitgesloten. Resultaten soortenbescherming Het plangebied is in de huidige situatie braakliggend. Het braakliggende terrein wordt regelmatig gemaaid en ontdaan van groene opstanden. Hierdoor wordt de aanwezigheid van beschermde soorten hier niet verwacht.

Het uitvoeren van een flora- en faunaonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

9

BRO, AERIUS-berekening Keerweg te Buchten, projectnummer P01585, 29 november 2021

Hoofdstuk 4

39

Zicht op het onbegroeide perceel

De realisatie van de nieuwe woning zal gezien het bovenstaande geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Er zullen naar verwachting dan ook geen negatieve effecten optreden ten aanzien van de flora en fauna. Wanneer tijdens de werkzaamheden individuen wordt aangetroffen, geldt hiervoor de algemene zorgplicht. Conclusie Gezien de aard en omvang van het initiatief en het huidige gebruik van het plangebied, is de kans op aanwezigheid van beschermde soorten zeer klein en zullen er geen negatieve effecten optreden op flora en fauna. Er bestaan hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect flora en fauna.

4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Keerweg. Als gevolg van de toevoeging van één woning, zal er sprake zijn van een zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen. Volgens de CROWrekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ zal het toevoegen van één vrijstaande woning leiden tot gemiddeld 8 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal. De omliggende wegen kunnen deze verwaarloosbare verkeerstoename goed verwerken. Parkeren Op basis van de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’ geldt voor een woning een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor het realiseren van deze parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Hoofdstuk 4

40

4.7 Waterhuishouding De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid Waterschap Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater, ecosysteem en afvalwater. Grondwater Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, zoals deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk zone II. In paragraaf 3.2.2 is hier reeds nader op ingegaan en is gebleken dat dit niet tot belemmeringen leidt. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater gelegen waarmee bij het initiatief rekening hoeft te worden gehouden. Wel is het plangebied gelegen binnen de Maasvallei. Volgens het Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg moeten ontwikkelingen in de Maasvallei rekening bijdragen aan een aantrekkelijk woon-, werk-, recreatie- en leefgebied, mét een toekomstbestendige bescherming tegen hoog water.

Gezien het huidige gebruik van het plangebied (braakliggend terrein dat deels is bebouwd met een deel van een loods) en de ligging binnen de bebouwde kom, heeft de realisatie van één woning geen invloed op het functioneren van de Maas.

Hoofdstuk 4

41

Ecosystemen In het plangebied en de directe omgeving liggen geen specifieke en/of waardevolle droge of natte ecosystemen, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Afvalwater De nieuwe woning zal worden aangesloten op het aanwezige rioolstelsel in de straat. De capaciteit van deze riolering is voldoende voor de afvoer vanuit deze woning. Hemelwater In de gemeente Sittard-Geleen geldt bij nieuwbouw of ingrijpende verbouwingen een verplichting om hemelwater te scheiden van afvalwater en op eigen terrein te verwerken. In het voorliggende geval zal het hemelwater overeenkomstig het gemeentelijk beleid op eigen terrein worden verwerkt. De hemelwatervoorzieningen zullen moeten voldoen aan de eisen van de gemeente Sittard-Geleen. Deze eisen zijn vastgelegd in het document Uitvoeringsnotitie ‘Verwerken hemelwater particulier terrein bij nieuwbouw’ Westelijke Mijnstreek uit 2015. Hieruit blijkt dat hemelwaterbergende voorzieningen gedimensioneerd dienen te worden op een bui van T=25 (35 mm in 45 minuten). Tevens dienen de gevolgen van bui van T=100 (45 mm in 30 minuten) inzichtelijk te worden gemaakt en mogen de watereffecten van een dergelijke bui niet tot overlast leiden. De maximale leegloop/ herbeschikbaarheid van de bergende en infiltrerende voorziening(en) bedraagt 24 uur.

Voor de nieuwe bebouwing binnen het plangebied zullen voorzieningen worden aangelegd teneinde een bui van 35 mm in het plangebied te kunnen bergen en infiltreren. Bij een concreet bouwplan zal nader worden uitgewerkt welke voorzieningen gerealiseerd worden en wordt berekend wat de capaciteit hiervan dient te zijn. Overleg waterbeheerder Er is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak groter dan 1.000 m2 en het plangebied is niet binnen een door het waterschap aangewezen aandachtsgebied gelegen. Het plan hoeft daarom niet te worden ingediend bij het Waterschap Limburg.

4.8 M.e.r.-beoordeling Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van één woning mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling van één woning komt in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. De ontwikkeling van een woning zou in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. kunnen vallen onder: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling

Hoofdstuk 4

42

ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van één woning ter plaatse van een loods in een bestaande woonwijk in de kern Buchten. Gezien de kleinschaligheid van het project en het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 4), kan worden beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk.

Uit paragraaf 4.6 ‘Flora en fauna’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van één woning betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de kleinschaligheid van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

Hoofdstuk 4

43

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Born – Buchten – Holtum’, zoals vastgesteld op 13 januari 2014.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.

5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

Hoofdstuk 5

44

Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.

De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Tuin De bestemming ‘Tuin’ is overeenkomstige het geldende bestemmingsplan opgenomen voor de gronden die zijn gelegen voor de voorgevel van de beoogde woning. Binnen deze bestemming zijn tuinen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan, met hierbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Hoofdstuk 5

45

Verkeer Voor de gronden die deel uitmaken van de Keerweg is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan de bestemming ‘Verkeer’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn wegen, voet- en fietspaden ten behoeve van doorgaand en overig verkeer toegestaan. Daarnaast zijn parkeervoorzieningen, openbare ruimte, groenvoorzieningen, kunstuitingen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en nutsvoorzieningen toegestaan, met hierbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor het overige deel van het plangebied, waar de woning met tuin is voorzien. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen. Wat betreft de ligging en omvang van het bouwvlak is aangesloten bij de bouwvlakken van de naastgelegen woningen. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, erven, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 9 meter. Voor het woonperceel is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – nieuwbouw’ opgenomen, op basis waarvan een nieuwe woning gebouwd mag worden. Waarde – Archeologie 1 De bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ is opgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan ‘Born – Buchten – Holtum’.

Voor dit deel van het plangebied is uit het archeologisch onderzoek namelijk geconcludeerd dat hier mogelijk nog archeologische waarden aanwezig zijn. Op basis van de dubbel bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ geldt een onderzoeksplicht bij bouwwerken of overige werken met een oppervlakte van meer dan 50 m 2 en een diepte van meer dan 30 cm. Waarde – Archeologie 2 De bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek opgenomen voor het westelijk deel van het plangebied. Voor dit deel van het plangebied is uit het archeologisch onderzoek namelijk geconcludeerd dat hier mogelijk nog archeologische waarden aanwezig zijn. De regels van deze bestemming zijn overgenomen van het vigerende bestemmingsplan ‘Born – Buchten – Holtum’. In de overige delen van het plangebied zijn geen archeologische waarden meer te verwachten in de bodem, waardoor hiervoor geen archeologische dubbelbestemming meer is opgenomen. Op basis van de dubbel bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ geldt een onderzoeksplicht bij bouwwerken of overige werken met een oppervlakte van meer dan 100 m 2 en een diepte van meer dan 30 cm. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings- en afwijkingsregels.

Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze

Hoofdstuk 5

46

bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn onder andere regels opgenomen ten aanzien van maatvoering en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Algemene aanduidingsregels In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’, die ziet op de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Holtum-Noord. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van enkele algemene, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 5

47

6.

PROCEDURE

6.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Vooroverleg met betrokken instanties en terinzagelegging van het voorontwerp bestemmingsplan gedurende 6 weken;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling inspraakreacties worden ingebracht;  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Vooroverleg en inspraak Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Tevens wordt in het kader van het voorliggende bestemmingsplan een inspraakprocedure doorlopen. Overeenkomstig de inspraakverordening van de gemeente Sittard-Geleen wordt het voorontwerp bestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zijn/haar inspraakreactie kenbaar maken.

Hoofdstuk 6

48

6.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in de Wro gedurende 6 weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid voor een ieder om een zienswijze op het plan in te dienen. Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn geen zienswijzen ontvangen.

Hoofdstuk 6

49

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 6

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=f168c071-0ffa-4c10-acd2-2a13ed5ce7ef