CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Keerweg 26

Raad 15 december 2022, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan woning Keerweg 26, Buchten (Geilen) (85)16.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan “Woning Keerweg 26 te Buchten” Gemeente Sittard-Geleen Vastgesteld

Bestemmingsplan “Woning Keerweg 26 te Buchten” Gemeente Sittard-Geleen Vastgesteld

Identificatienummer:

NL.IMRO.1883.BPKeerweg26-VA01

Rapportnummer BRO:

P01585

Datum:

16 juni 2022

Contactpersonen opdrachtgever:

Dhr. A.L.

Projectteam BRO:

ROs; SDr; JvG

Ontwerp:

April 2022

Vaststelling:

Juni 2022

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, nieuwbouw, woning, Keerweg, Buchten, gemeente Sittard-Geleen

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Toelichting ten behoeve van het bestemmingsplan voor de realisatie van één nieuwbouwwoning aan de Keerweg 26 in Buchten.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 4 4 6

2. PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

7 7 8 9

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

10 10

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid

10 11 12 12

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp omgevingsverordening Limburg 3.2.4 Rapportage 'Beweging op de woningmarkt' 3.3 Regionaal beleid

12 14 15 16 17

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid

17 19

3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 3.4.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit 3.4.4 Vigerend beleid cultuurhistorie en archeologie 3.4.5 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 3.4.6 Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek 3.4.7 Bodembeheerplan 2016-2020 gemeente Sittard-Geleen

19 21 22 25 25 26 27

4. ONDERZOEK 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten

29 29 29

4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder

Inhoudsopgave

29 30

1

4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Waterhuishouding 4.8 M.e.r.-beoordeling

31 31 35 35 38 38 40 41 42

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

44 44 44 44

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

44 45 46 47

6. PROCEDURE 6.1 Procedure 6.2 Vooroverleg en inspraak 6.3 Zienswijzen

48 48 48 49

SEPARATE BIJLAGEN  N.O.O.D. Milieu bv, Verkennend bodemonderzoek Keerweg 24 te Buchten, projectnummer Sit06002, 7 april 2006  Gemeente Sittard-Geleen, Beoordeling bodemonderzoek t.b.v. omgevingsvergunning, kenmerk SP17.0153, 19 december 2017  Geonius, Verkennend bodemonderzoek Keerweg 26 te Buchten in de gemeente Sittard-Geleen, rapportnummer MA180451.R01, 25 september 2018  Adviesbureau Jos Reubsaet Heerlen, Bouwplan van een woonhuis aan de Keerweg 26, Buchten. Akoestisch onderzoek. Rapportnummer 3592, 26 februari 2018  Geonius, Archeologisch onderzoek Keerweg 26 te Buchten, opdrachtnummer MA170006.048, 12 december 2017  BRO, AERIUS-berekening Keerweg te Buchten, projectnummer P01585, 29 november 2021

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om aan de Keerweg in Buchten, tussen de huisnummers 24 en 28, één nieuwbouwwoning te realiseren. De locatie is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan ‘Born – Buchten – Holtum’, dat op 13 januari 2014 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen is vastgesteld. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan weliswaar de bestemming ‘Wonen’, maar nieuwbouw van hoofdgebouwen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn vervangende nieuwbouw en nieuwbouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding nieuwbouw’. Omdat deze aanduiding voor het plangebied ontbreekt en vervangende nieuwbouw niet aan de orde is, is de beoogde ontwikkeling binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Daarnaast is er binnen het plangebied geen bouwvlak opgenomen, waarbinnen het hoofdgebouw mag worden gerealiseerd.

Topografische kaart met aanduiding ligging plangebied (rode pijl)

De gemeente Sittard-Geleen heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan het initiatief. Hiertoe is een herziening van het juridisch-planologisch kader noodzakelijk. In voorliggend be-

Hoofdstuk 1

3

stemmingsplan wordt de nieuwe bestemmingen voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied ligt aan de Keerweg in Buchten, tussen de huisnummers 24 en 28, in het noordelijk deel van de kern Buchten in de gemeente Sittard-Geleen. Het plangebied betreft het perceel, kadastraal bekend als Born, sectie H, nummer 1521.

Begrenzing plangebied geprojecteerd op een kadastrale ondergrond

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan ‘Born – Buchten – Holtum’, dat op 13 januari 2014 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen is vastgesteld. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan grotendeels de bestemming ‘Wonen’. Nieuwbouw van hoofdgebouwen (woningen) is binnen deze bestemming echter niet toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn vervangende nieuwbouw en nieuwbouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - nieuwbouw’.

Hoofdstuk 1

4

Omdat deze aanduiding voor het plangebied ontbreekt en vervangende nieuwbouw niet aan de orde is, is de beoogde ontwikkeling binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Daarnaast is er binnen het plangebied geen bouwvlak opgenomen, waarbinnen het hoofdgebouw mag worden gerealiseerd. Op het oostelijk deel van het perceel, aan de straatzijde, liggen daarnaast de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Verkeer’. Ter plaatse van deze bestemmingen zijn geen ontwikkelingen voorzien. In het voorliggende bestemmingsplan zijn deze bestemmingen daarom overgenomen conform dit vigerende bestemmingsplan.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Born – Buchten – Holtum’ met ligging plangebied (rood omlijnd)

Het grootste deel van het plangebied heeft daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Een klein hoekje in het meest westelijke deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Het meest oostelijke deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De gronden ter plaatse van deze archeologische dubbelbestemmingen zijn mede bestemd voor doeleinden ter bescherming van de archeologische waarden. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing.

Hoofdstuk 1

5

Daarnaast zijn bouwwerken die zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kunnen worden geplaatst toegestaan en gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2. Van deze regels kan worden afgeweken indien op basis van een archeologisch onderzoek wordt aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel deze waarden niet onevenredig worden geschaad. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zijn gelijkluidende regels van toepassing, met dien verstande dat de oppervlakte-ondergrens ter plaatse van deze dubbelbestemming op bouwwerken met een oppervlakte tot ten hoogste 50 m 2 ligt. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij werken en bouwwerken met een diepte van meer dan 30 cm en een oppervlakte van meer dan 500 m 2. Binnen deze dubbelbestemming zijn echter geen ontwikkelingen voorzien. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie. Tot slot ligt de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ over het hele plangebied. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming c.q. instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van het industrieterrein Holtum Noord.

Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen nieuwe woningen en andere in de zin van de Wet geluidhinder gevoelige gebouwen worden gebouwd. Aangezien de voorliggende ontwikkeling de bouw van één woning betreft, is deze ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk binnen de aanduiding ‘geluidzone – industrie’. Het bestemmingsplan bevat ook geen afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden waardoor de woning wel mogelijk gemaakt kan worden. In paragraaf 4.2.2 wordt nader op het aspect industrielawaai ingegaan.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van de bestaande situatie en de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 vindt tot slot een beschrijving van de procedure plaats.

Hoofdstuk 1

6

2.

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de Keerweg in Buchten, tussen de huisnummers 24 en 28, in het noordelijk deel van de kern Buchten. Er is sprake van een woongebied met in de omgeving voornamelijk vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen. Het plangebied zelf is deels braakliggend en deels bebouwd met een loods. Deze loods is deels op het voorliggende perceel en deels op het naastgelegen perceel gesitueerd. Ter hoogte van de erfgrens is in de loods een wand aanwezig, waardoor de sloop van het deel van de loods in het plangebied geen invloed heeft op het deel van de loods op het naastgelegen perceel. Het plangebied betreft het perceel, kadastraal bekend als Born, sectie H, nummer 1521.

Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving

Hoofdstuk 2

7

Het plangebied wordt aan de noord- en zuidzijde begrensd door burgerwoningen met tuinen. Direct ten westen van het plangebied ligt een begraafplaats, behorende bij de ten zuidwesten van het plangebied gelegen kerk. De Keerweg vormt de oostgrens van het plangebied. Aan de overzijde van deze weg zijn voornamelijk burgerwoningen met tuinen gelegen.

2.2 Toekomstige ontwikkeling Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het deel van de bestaande loods dat in het plangebied ligt gesloopt en wordt één vrijstaande nieuwbouwwoning mogelijk gemaakt. Qua ligging en maatvoering van de woning is aangesloten bij de naastgelegen woningen. De woning dient te worden gebouwd in de voorgevelrooilijn. Deze sluit aan op de voorgevelrooilijn van de naastgelegen woning aan de Keerweg 24. De goothoogte van de woning mag maximaal 6 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 9 meter.

Verbeelding

Hoofdstuk 2

8

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het realiseren van één nieuwbouwwoning op een open plek in een woonwijk. In de directe omgeving zijn voornamelijk vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen gelegen. Functioneel gezien past de nieuwe vrijstaande woning hiermee goed in zijn omgeving. De woning past ook vanuit stedenbouwkundig oogpunt goed bij de omliggende woningen, die vrijwel allemaal bestaan uit twee bouwlagen met een schuin dak. In de omgeving komen verschillende kapvormen en -richtingen voor. De voorgevelrooilijn van de nieuwe woning sluit bovendien aan bij die van de naastgelegen woning aan de Keerweg 24. De bestaande loods wordt deels afgebroken. De nieuwbouwwoning die hiervoor in de plaats komt, past gezien het bovenstaande beter in de omgeving, waardoor het stedenbouwkundig beeld ter plaatse verbetert. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is er kortom geen sprake van negatieve ruimtelijke en/of stedenbouwkundige effecten. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt wordt de ontwikkeling goed inpasbaar geacht.

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen:

Hoofdstuk 3

10

1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17.

Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en integrale besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Nieuwe (ruimtelijke) projecten dienen daarom in lijn te zijn met het beleid zoals dat is opgesteld in de NOVI. Het voorliggende planvoornemen (één vrijstaande woning in de kern Buchten) betreft een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling, dat er geen belangen uit de NOVI worden geschaad. Bovendien zijn de uitgangspunten van deze ontwikkeling conform de visie zoals geschetst in de NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het

Hoofdstuk 3

11

Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de ontwikkeling in het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Het tweede lid van art. 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” In het voorliggende geval is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat in lijn met de uitspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2013, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Het initiatief hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. 1

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 18-12-2013, Zaaknummer 201302867/1/R.

Hoofdstuk 3

12

De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerp-omgevingsverordening wordt besproken in paragraaf 3.2.3. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen.

Hoofdstuk 3

13

Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning binnen bebouwd gebied. Deze woningbouwontwikkeling past binnen de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap of binnen (milieu)beschermingsgebieden. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk (niveau II). Het is in het gebied Roerdalslenk verboden een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter in zone II tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Gezien het feit dat er geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt het initiatief geen belemmering voor de boringsvrije zone Roerdalslenk II. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw.

Artikel 2.4.2 stelt het volgende: “Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.” Deze regel is niet van toepassing indien: a. Er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en b. Het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

Hoofdstuk 3

14

De toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, dient een verantwoording te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De nieuw te realiseren woning is echter reeds opgenomen in de programmering, derhalve bestaan er vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen belemmeringen voor het beoogde initiatief. Deze toelichting bevat nochtans een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Sittard-Geleen heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de ‘Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’. In paragraaf 3.3.1 wordt hier nader op ingegaan. 3.2.3

Ontwerp omgevingsverordening Limburg

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerp-omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en wordt naar verwachting in december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2022 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Landelijke kernen’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen.

Conform artikel 12.1 van de ontwerp-omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;

Hoofdstuk 3

15

d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Met onderhavig planvoornemen is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de ontwerp-omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit paragraaf 3.2.1 past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. In paragraaf 3.3 volgt een uitgebreide onderbouwing met betrekking tot de behoefte en de regionale afspraken en met de bouw van de woning wordt spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarnaast wordt het plan opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg. De onderhavige ontwikkeling is dan ook in lijn met de ontwerp-omgevingsverordening Limburg. 3.2.4

Rapportage 'Beweging op de woningmarkt'

Op 3 november 2017 hebben Provinciale Staten van Limburg de motie ‘Beweging op de woningmarkt’ aangenomen. PS roepen hierin Gedeputeerde Staten op om met de woningmarktregio’s om tafel te gaan om te inventariseren welke knelpunten vanwege de veranderde woningmarkt binnen de regio’s worden gesignaleerd en in kaart te brengen welke mogelijke maatregelen deze knelpunten kunnen opheffen. Op 30 januari 2018 hebben Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten de rapportage 'Beweging op de woningmarkt' aangeboden. Daarin wordt aangegeven dat de gemeenten de huidige samenwerking (provincie – regio’s – gemeenten) met betrekking het woonbeleid willen voortzetten en op een aantal punten willen verbeteren. Het adagium ‘bouwen naar behoefte’ mag gelden als een breed gedragen uitgangspunt dat ook in de nationale wetgeving is verankerd. Volgens GS levert de vertaling hiervan in het POL en de regionale structuurvisies als praktijkervaring op, dat naast gewenste effecten ook knelpunten optreden, in de zin dat in een aantal gevallen niet voldoende kan worden voldaan aan de behoefte. GS willen het bouwen naar behoefte beter faciliteren en stellen daarom voor om in de praktijk een aantal praktische oplossingen te hanteren, die kunnen gelden als uitwerkingen van het bestaande woonbeleid.

De regio’s worden opgeroepen om deze oplossingen te bezien en in de regionale structuurvisie of de uitwerking daarvan een plek te geven. Onder andere wordt aangegeven dat er woningbouwlocaties zijn die gebaat zijn bij het loslaten van de directe koppeling tussen de reductie van plannen en nieuwe initiatieven met een urgent karakter, waarbij de vraag niet valt te matchen met het reguliere aanbod. Het is verstandig om bij dergelijke initiatieven in eerste instantie te kijken naar locaties, waar een impuls voor de ruimtelijke kwaliteit juist zeer gewenst is (bijv. centrumontwikkelingen, omzetten winkels in aanloopstraten naar woningen). Voorliggend initiatief betreft een gewenste ontwikkeling, omdat sprake is van een inbreidingslocatie. De bouw van een woning is een logische invulling van het perceel, gezien de ligging in een woonwijk.

Hoofdstuk 3

16

3.3 Regionaal beleid 3.3.1

Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van de woonsfeer ‘suburbaan’. Om een aantrekkelijke woonregio te zijn én te blijven is er een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, méér kwaliteit en méér vraaggerichtheid.

Toevoegen van woningen kan daarom alleen als het niet ‘meer van hetzelfde’ is en als het past binnen de kwantitatieve kaders. Zuid-Limburgse gemeenten hebben een driedelige opgave:  Verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot;  Terugdringen van (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;  Toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de visie. Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten en diverse beleidsafspraken gemaakt. Voor de suburbane woonsfeer is de verdunning de grootste opgave. De plancapaciteit wordt met onderhavig plan teruggebracht. Daarnaast is de invulling van de reguliere woningen flexibel. Zo kan worden aangesloten op de behoefte op de markt. Beleidsafspraak VI Om invulling te geven aan de opgaven is een aantal beleidsafspraken gemaakt, waaronder beleidsafspraak VI uit de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Hieruit blijkt dat om kwalitatief goede initiatieven toe te voegen aan de programmering er compensatie dient plaats te vinden door middel van direct gekoppelde sloop of onttrekking. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is geldt net navolgende in afnemende volgorde: 1.

Elke nieuw toe te voegen woning (per locatie 5 of minder woningen) wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitgewerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een subregionaal op te zetten sloopfonds vloeien; 2. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarin dit besluit is genomen;

Hoofdstuk 3

17

3. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering. Deze moet minimaal in de verhouding van 1:4 (toe te voegen woning : te schrappen harde plannen) ingezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. Woningbouwinitiatieven, die leiden tot functieverandering van leegstaand detailhandels-, kantoor-, horeca- of ander bedrijfsvastgoed in aangewezen straten in stads(deel)centra of centra van kernen, kunnen worden gecompenseerd met minimaal 2 woningen uit de harde plancapaciteit. Recentelijke ontwikkelingen Door Provinciale Staten is bij besluit van 5 oktober 2020 de Omgevingsverordening Limburg 2014 gewijzigd vastgesteld, waarmee artikel 2.4.2, lid 6 is komen te vervallen. Door het vervallen verklaren van dit artikellid is er voor de Limburgse gemeenten geen plicht meer om compenserende maatregelen nader te motiveren in het ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op woningbouwplannen die leiden tot een woningtoename. In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeente is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd in het rapport ‘Evaluatie Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’ dat opgesteld door Stec Groep. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van de huidige SVWZL te actualiseren.

In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse Zuid-Limburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer toe te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. Vanwege het te doorlopen proces hieromtrent, zullen de Zuid-Limburgse gemeenteraden niet eerder dan het 1e kwartaal 2021 een besluit over een gezamenlijke geactualiseerde structuurvisie wonen kunnen nemen. Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen Op 28 januari 2021 is de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’ in werking getreden. Ten aanzien van de derde opgave uit de SVWZL – het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL – is op 21 maart 2019 de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen ZuidLimburg’ vastgesteld om die opgave te vereenvoudigen. Deze tijdelijke versoepeling trad in werking voor maximaal twee jaar in afwachting van de evaluatie van de (dertien beleidsafspraken uit de) SVWZL. Inmiddels is deze evaluatie, inclusief de evaluatie van de tijdelijke versoepeling, afgerond. Een van de aanbevelingen is om een aantal beleidsafspraken te herzien op basis van actuele inzichten, en de werking adaptiever te maken.

De beleidsregel ‘Ruim baan voor goede plannen Sittard-Geleen’ vervangt de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’, om zo op korte termijn invulling te geven aan de gedane aanbevelingen uit de evaluatie, in lijn met de notitie ‘Bouwen naar behoefte’ van de drie subregiovoorzitters over nieuwe plannen. Om op basis van de beleidsregel in aanmerking te komen voor vrijstelling van compensatie, moet er sprake zijn van een kwalitatief goed plan. Er is sprake van een kwalitatief goed plan indien wordt voldaan de volgende criteria: 1. Een woningbouwinitiatief moet maatschappelijke meerwaarde hebben; a. Uitgangspunt hierbij is dat inbreiding voor uitbreiding gaat.

Hoofdstuk 3

18

b. Bovendien moeten de plannen bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, door middel van herstructurering en vervangingsbouw, hergebruik van winkels en ander waardevol vastgoed met passende woningbouw of wel een bijdrage leveren aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. 2. Het plan is voor de gemeente planologisch aanvaardbaar en moet op grond hiervan voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder van duurzame verstedelijking’, zoals vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor elk nieuwbouwplan geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief moet worden onderbouwd. 3. Tot slot moeten de nieuwe woningbouwinitiatieven sub-regionaal worden afgestemd en worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering. De voorliggende ontwikkeling leidt tot een toename van de bestaande voorraad met slechts één woning met de mogelijkheid dit in de toekomst levensloopbestendig te maken. Het beoogde planvoornemen moet voldoen aan de criteria uit de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen’. Het planvoornemen voldoet ten eerste aan maatschappelijke meerwaarde. De nieuwe woning zal bijdragen aan de huidige en toekomstige behoefte aan levensloopbestendig wonen.

Daarnaast wordt de woning gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en is het thans een opvulling van het reeds bestaande bebouwingslint waarmee het vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig perspectief een wenselijke ontwikkeling is. Ten tweede is de woning planologisch aanvaardbaar. De nieuwe woning zal voldoen aan de kwalitatieve behoefte aan levensloopbestendige woningen in de kern Buchten binnen het segment ‘vrije sector huur en koop’. Ten derde is het plan sub-regionaal afgestemd. Derhalve is de woning reeds toegevoegd aan de woningmarktprogrammering. Op basis van het bovenstaande is compensatie dan ook niet aan de orde. Het planvoornemen is op basis van het bovenstaande in lijn met de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1

Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016

Op 15 december 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen 2010. In de omgevingsvisie komen alle aspecten aan bod die te maken hebben met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van en binnen de gemeente. Van wonen en werken tot recreatie en mobiliteit. Van economische en technologische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Het geheel wordt verduidelijkt aan de hand van kaarten die een goed beeld geven van de toekomst van Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren. In de uitwerking is nadrukkelijk gekozen voor de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’, een uitnodiging aan alle partners om samen met de gemeente doorlopend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is.

Hoofdstuk 3

19

Op basis van de visiekaart ligt het plangebied binnen het ‘groene hart’ en binnen een kern waar gestreefd wordt naar het versterken van de samenhang tussen de dorpen. Voor het ‘groene hart’ geldt dat de gemeente bij voorkeur geen bebouwing toelaat, om de kwaliteiten van het open coulissenlandschap afgewisseld met kleine dorpen en buurtschappen te behouden. In het voorliggende geval is echter sprake van de ligging in de dorpskern, in een woonstraat waaraan reeds woningen zijn gelegen. Het toevoegen van één woning op deze locatie tast de kwaliteit van het coulissenlandschap niet aan. Voor de dorpen in het ‘groene hart’ bestaat de belangrijkste opgave uit het behouden en versterken van de onderlinge samenhang. Alleen zodoende blijft het draagvlak voor voorzieningen behouden. Dit gebied wordt in de omgevingsvisie nadrukkelijker als eenheid benaderd en geprofileerd.

Uitsnede visiekaart 'Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 met ligging plangebied (rode pijl)

Hoofdstuk 3

20

Ten aanzien van het thema ‘wonen’ wordt in de omgevingsvisie aangegeven dat in Sittard-Geleen sprake is van een aantal woningbouwplannen (harde plancapaciteit) die passen binnen de bestaande bestemmingsplannen, of waar al een omgevingsvergunning is, maar die al langere tijd niet tot uitvoering komen, omdat ze niet voldoen aan de vraag van de markt. Voor deze plannen laten de gemeente een heroriëntatie plaatsvinden. Discussie vindt hierbij plaats over de vorm van het plan c.q. überhaupt nog de wenselijkheid van realiseren. De nog te bouwen aantallen worden op basis hiervan aangepast. Voor een aantal plannen komt dit erop neer dat ze helemaal niet meer gerealiseerd worden, omdat zij ook voor de komende periode geen bijdrage leveren aan de toevoeging van de gewenste woonkwaliteit voor Sittard-Geleen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de woningbouwplannen waarvoor heroriëntatie plaatsvindt. Alleen de projecten die een plek hebben op de regionale woningmarktprogrammering kunnen gerealiseerd worden. Uitgangspunt hierbij vormen de spelregels zoals opgenomen in de ‘Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’. Voor de plannen die een plek hebben op de regionale woningmarktprogrammering acht de gemeente twee jaar een reële overgangstermijn om tot realisatie te komen. Het voorliggende initiatief is opgenomen in de subregionale woningmarktprogrammering.

Zoals in paragraaf 3.3.1 is toegelicht, voldoet het planvoornemen aan de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen’. Als onderdeel hiervan is de nieuwe woning toegevoegd aan de subregionale woningmarktprogrammering. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid zoals is vastgelegd in de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’. 3.4.2

Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020

De ‘Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020, Goed wonen in Sittard-Geleen’ beschrijft de ambities en prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren. Deze zijn gebaseerd op de ontwikkelingen op de woningmarkt en de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en bovenliggende beleidskaders (met name Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg). De gemeente krijgt als gevolg van onder andere demografische ontwikkelingen te maken met een overaanbod aan woningen en een kwalitatieve vraagverandering. Dit resulteert in een kwalitatieve en kwantitatieve transformatieopgave voor de bestaande woningvoorraad, vooral in de suburbane woonmilieus. De gemeente zet de komende jaren in op vermindering van de harde planvoorraad, het stimuleren van kwalitatieve verbetering/aanpassing van de bestaande woningvoorraad en de versterking van de diversiteit van met name de suburbane woonmilieus. Voor het plangebied zijn met name de volgende prioriteiten en ambities van belang:  Zorgen voor voldoende woningen passend bij de (toekomstige) omvang van de bevolking en doelgroepen. Dit dient onder meer te worden bereikt door het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave door het maximaal reduceren van de plancapaciteit.

 Versterking van de kwaliteit van het woningaanbod: comfort, duurzaamheid, levensloopbestendig en deels aangepast aan de zorgvraag, met daarbij een sterke focus op de verduurzaming van de

Hoofdstuk 3

21

woningvoorraad. De klimaatverandering en de eisen om te voldoen aan een gezonde leefomgeving hebben consequenties voor het wonen. De ambitie is om dit te doen door ruimtelijke adaptatie (het aanpassen van de ruimtelijke inrichting van de bebouwde omgeving aan de gevolgen van het veranderende klimaat) en maatregelen voor het realiseren van comfortabele, energiezuinige, veilige en toegankelijke woningen met een gezond woon/leefklimaat. Het in stand houden van kwalitatief hoogwaardige landelijke woonmilieus met behoud van de eigen identiteit en landschappelijke kwaliteit.

In de kleinere kernen is de consolidatie van de historische linten van belang. De woonfunctie kan worden gekoppeld aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de linten (verwijderen ‘rotte kiezen’, herontwikkeling leegstaande panden). In de kleinere kernen wordt niet meer gebouwd dan nodig is om de eigen bevolkingsgroei op te vangen. De gemeente zet in op het behoud van de leefbaarheid in de kleinere kernen. In het voorliggende geval wordt één kwalitatief goede woning gerealiseerd op een open plek in een woonstraat. Functioneel gezien past de beoogde vrijstaande woning goed in zijn omgeving, aangezien in de directe omgeving voornamelijk vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen zijn gelegen. Deze woning komt in plaats van een deel van een loods. De ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en het straatbeeld worden hierdoor verbeterd. Tevens sluit de woning aan bij de behoefte aan vrijstaande woningen in de prijsklasse boven de € 180.000,-. Daarnaast draagt de woning bij aan de huidige en toekomstige behoefte aan levensloopbestendig wonen, aangezien de mogelijkheid bestaat om de woning levensloopbestendig te bouwen, dan wel in een later stadium levensloopbestendig te maken. Tot slot wordt bij de planuitwerking rekening gehouden met de actuele duurzaamheidsvereisten.

Het initiatief is hierdoor passend binnen de bovenstaande uitgangspunten uit de Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020. 3.4.3

Nota Ruimtelijke Kwaliteit

In juli 2015 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ vastgesteld. Deze nota beschrijft de kwaliteitscriteria waaraan elk ruimtelijk initiatief in de gemeente Sittard-Geleen moet voldoen. Opdat alle investeringen in de gebouwen en de openbare ruimte helpen om de kwaliteit en diversiteit van de gemeente te behouden én te versterken. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit vervangt de Welstandsnota 2004, maar richt zich op meer dan alleen welstand. Ruimtelijke kwaliteit gaat niet alleen over gebouwen. Daarom is in de Nota uitgebreid aandacht besteed aan het landschap, groen en erfgoed en is ook het (tijdelijke) reclame-, terrassen- en uitstallingenbeleid als bijlage aan de Nota gekoppeld. Initiatieven worden door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) getoetst aan enkele vaste criteria die altijd gelden.

Hoofdstuk 3

22

Vaste criteria Ruimtelijke inpassing  Een initiatief respecteert de stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur.  Een initiatief sluit qua maat en schaal aan bij de omliggende bebouwing en bij de klein- of grootschaligheid van het dorp, de stad of het landschap als geheel. ‘Contrasteren met’ vraagt daarbij om een uitgebreidere argumentatie dan ‘zich voegen naar’. Voor het landschap geldt dat beplantingen moeten passen bij het bestaande beplantingsbeeld van het betreffende gebied.  Een initiatief levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het omgevingsbeeld in de stad, de dorpen of het landschap. Hoe groter de openbare betekenis van een gebouw of plek (dus hoe meer het door mensen wordt gebruikt en/of gezien) hoe hoger de eisen op dit gebied.  Een initiatief houdt rekening met de samenhang tussen de inrichting van de straat en de gebouwen (gevels), aangezien dit wordt ervaren als één geheel.

Verschijningsvorm Hoofdvorm  Nieuwbouw heeft een bij de omliggende bebouwing passende hoofdvorm.  Uitgangspunt is de samenhang binnen een ontwerp. Ruimtes, volumes en vlakken zijn in evenwichtige maatverhoudingen ontworpen.  Bijgebouwen en opbouwen zijn herkenbaar als op zichzelf staande volumes en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Gevelopbouw  Het gevelontwerp is consequent, goed van verhouding en qua indeling, dieptewerking en plasticiteit afgestemd op de omliggende bebouwing.  Ingrepen aan de gevel, waaronder nieuwe balkons en luifels of winkelpuien, passen binnen de structuur, maat en schaal van het hoofdgebouw en refereren bij monumenten aan de oorspronkelijke, historische situatie.  Technische installaties moeten geïntegreerd zijn in de architectuur en aansluiten bij de vormgeving van een gebouw en zijn omgeving. Zij mogen geen afbreuk doen aan de architectonische uitstraling van een gebouw. Bij nieuwbouw dan wel verbouwingsplannen moeten installaties integraal worden opgenomen in het ontwerp. Overgangen privé-openbaar  Entreegebieden van gebouwen, inclusief luifels en reclame-uitingen, zijn uitnodigend en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven.  Beganegrondgevels aan de openbare ruimte hebben een bij de situatie passende openheid. In woon-, winkel-, en werkgebieden zijn dichte gevels (bergingen) aan de straat ongewenst.

 Integrale toegankelijkheid Openbare gebouwen moeten toegankelijk zijn voor alle bezoekers, waaronder ook mensen met een beperking en/of hulpmiddel. In het bouwbesluit en de NEN 1814 (bouwvoorschriften) wordt de integrale toegankelijkheid van gebouwen geregeld. De toegankelijkheid van het gebouw ‘via’ de openbare ruimte of het omliggend gebouwterrein maakt onderdeel uit van de planvorming. Bij een

Hoofdstuk 3

23

ontwerp van een (semi)-openbaar gebouw wordt een terreininrichtingsplan gevraagd waaruit moet blijken dat het gebouw via de openbare ruimte integraal toegankelijk is voor alle bezoekers, ook voor mensen met een beperking en/of hulpmiddel. De eisen van de toegankelijkheid moeten voldoen aan het Handboek Toegankelijkheid (voorheen Geboden Toegang). Materiaal, kleur en detaillering  Kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omliggende bebouwing. Er wordt aangesloten bij het regionaal gebruik van kleuren en materialen.  Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen de verschijningsvorm op samenhangende wijze.  Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk.  Materialen zijn zo duurzaam mogelijk, bijvoorbeeld door het toepassen van hergebruikte materialen. Gebiedseigen karakteristieken Daarnaast zijn er voor een aantal gebieden gebiedseigen karakteristieken beschreven, waarmee bij een initiatief in het betreffend gebied, rekening dient te worden gehouden. Voor het plangebied geldt dat het is gelegen binnen een woongebied. Voor initiatieven in woongebieden dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten: Ruimtelijke inpassing  Een hechte samenhang tussen openbare ruimte, groen en bebouwing, die met name in de naoorlogse wijken zichtbaar is.

Verschijningsvorm  De pandsgewijze opbouw, de individuele uitstraling, de zorgvuldige architectuur en traditionele materialisering van gebouwen aan de historische routes in de steden en dorpen. De panden zijn goed te onderscheiden. De oudste bebouwing was wit met een donkere plint, opgebouwd uit mergel, Naamse hardsteen en later baksteen. Ondanks het individuele karakter kent het bebouwingsbeeld een zeer sterke samenhang;  Langs de historische bebouwingslinten het behoud en versterken van het traditionele beeld van boerderijgebouwen met hun toegangspoorten. Met de introductie van nieuwe poorten zal terughoudend moeten worden omgegaan;  De meer eenvoudige, projectmatige architectuur in de vroege naoorlogse uitbreidingswijken (jaren vijftig en zestig), in karakter dorps door het gebruik van baksteen en pannendaken. Doordat deze woningen in serie werden gebouwd kent de straatwand een grote mate van repetitie, maar door de bescheiden schaal en maat van de gebouwen doen ze nog ‘dorps’ aan, zelfs in de steden;  De diversiteit en kleinschaligheid in het straatbeeld van de latere uitbreidingswijken vanaf de jaren zeventig. Deze diversiteit is gezocht door individuele woningen, en het geven van een eigen architectuur per bebouwingscluster.

De randen van deze wijken bestaan vaak uit individuele (villa)woningen met een geheel eigen uitstraling;  Het individuele karakter en de afwijkende vormgeving van kloosters, kerken, scholen en andere op zichzelf staande bebouwing;

Hoofdstuk 3

24

Het reclame, terrassen en uitstallingenbeleid.

Bij de uitwerking van een concreet bouwplan voor de woning zal rekening worden gehouden met de bovengenoemde uitgangspunten. Bij de omgevingsvergunningaanvraag moet het bouwplan met een overzicht van kleuren, materialen en vormbepalende details ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) worden voorgelegd voor advies. 3.4.4

Vigerend beleid cultuurhistorie en archeologie

Sittard-Geleen streeft naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem als bron van kennis en cultuurbeleving. Cultuurhistorische relicten worden behouden en geaccentueerd. In samenhang met ruimtelijke inrichting, geeft de dynamiek van het verleden mede richting aan heden en toekomst. In het najaar van 2012 is de beleidsnota archeologie en monumenten vastgesteld, met bijbehorende archeologische beleidskaart. De beleidsnota archeologie en monumenten geeft aan welk beleid de gemeente komende jaren zal voeren ten aanzien van archeologie en monumenten. Ook is eind 2012 de nieuwe Erfgoedverordening Sittard-Geleen 2012 vastgesteld, evenals de verordening Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, ligt het plangebied grotendeels binnen een als ‘categorie 3’ aangeduid gebied. De meest westelijke hoek van het plangebied ligt binnen een als ‘categorie 2’ aangeduid gebied. In paragraaf 4.3 wordt hier nader op ingegaan. 3.4.5

Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015

Op 12 november 2014 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen het ‘Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de volgende missie geformuleerd: “De zorg voor de afvalwaterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. De kosten worden zo laag mogelijk gehouden en er wordt samengewerkt. Iedere partij in de afvalwaterketen – ook de burger – heeft een gedeelde verantwoordelijkheid in de goede zorg voor de afvalwaterketen.” In de visie staat dat er een duurzame afvalwaterketen komt. Afvalwater wordt ingezet om in schone grondstoffen, energie en schoon water te voorzien. Terugwinnen en sluiten van de keten staan centraal. Hemelwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Zo wordt gezien dat het water schoon is en wordt hemelwater mede door gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt. Grondwater wordt op een natuurlijke manier behandeld, waar mogelijk wordt gekozen voor een niet-technische oplossing. Waar het nodig en haalbaar is helpt de gemeente door daden, of door advies te geven over de aanpak van grondwaterproblemen. De missie en visie geven een lange termijn perspectief.

Om dit perspectief te bereiken zijn voor de drie afvalwatersoorten (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater) en de beoogde inzet op meer samenwerking, de onderstaande doelstellingen en strategieën geformuleerd:

Hoofdstuk 3

25

Samenwerking Doel Kosten besparen, kwaliteit verhogen, kwetsbaarheid verlagen. Strategie Belang van (afval) waterketen staat voorop. Al het handelen dient in het belang te zijn van de gehele afvalwaterketen. Doelmatige aansturing van de afvalwaterketen wordt gezamenlijk gedaan. Stedelijk afvalwater Doel Adequaat en efficiënt beheren van ons stelsel. Strategie Beheer en onderhoud als ware het één gezamenlijk areaal. Samen zoeken naar doelmatige en duurzame verbeteringen. Hemelwater Doel Doelmatige en duurzame omgang met hemelwater. Strategie Samen met inwoners inspelen op klimaatverandering. Meer acceptatie van waterhinder. Bij nieuwbouw hemelwater verwerken op eigen terrein. Grondwater Doel Een doelmatige en duurzame omgang met grondwater. Strategie Meer aandacht voor mogelijke grondwateroverlast bij nieuwbouw. Regisseursrol nemen op locaties waar overlast wordt ervaren. Samen met inwoners zoeken naar oplossingen. Voor meer informatie over de wijze waarop binnen het plangebied met water wordt omgegaan, wordt verwezen naar paragraaf 4.8 ‘Waterhuishouding’. 3.4.6

Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek

Aangezien behoefte is aan een eenduidige en eenvoudige systematiek voor parkeervoorzieningen bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen, heeft de gemeente Sittard-Geleen haar parkeernormenbeleid in 2012 geactualiseerd in de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’.

Hoofdstuk 3

26

Het doel van de nota luidt als volgt: “Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen.” In de nota wordt overeenkomstig de CROW-publicatie2 “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, onderscheid gemaakt naar een drietal stedelijke zones, te weten ‘centrum’, ‘schil / overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast wordt voor wat betreft de toe te passen parkeernormering rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van een gebied. Het plangebied is voor zowel de stedelijke zone als de stedelijkheidsgraad gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom’. De van toepassing zijnde parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de nota, zijn ook voor het plangebied van toepassing. De parkeereis voor de woning is berekend aan de hand van deze parkeernormen. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van parkeervoorzieningen. 3.4.7

Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen

Op 17 november 2020 hebben burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het besluit genomen tot vaststelling van de Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeente Sittard-Geleen 2021-2025 met bijbehorende Nota bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer geven aan hoe het binnen het gebied van Sittard-Geleen gesteld is met de diffuse bodemkwaliteit en hoe de gemeente, voor zover het haar bevoegdheden betreft, invulling geeft aan de toetsing van bodemaspecten op beleidsterreinen waar dat aspect een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Bij al deze werkvelden worden dezelfde eisen gesteld aan de bodemkwaliteit. Deze benadering staat bekend onder de benaming meersporenbeleid en ligt aan de basis van een duurzame en efficiënte aanpak van de in de gemeente aanwezige diffuse bodemverontreiniging. In het bodembeheerplan is aangegeven hoe binnen de gemeente omgegaan wordt met de diffuse bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen/hergebruik van grond. Verder is omschreven hoe de gemeente, binnen de diverse van toepassing zijnde kaders, invulling geeft aan de beleidsvrijheid die deze wettelijke kaders bieden. Waar nodig worden de gemaakte keuzes onderbouwd en toegelicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=f168c071-0ffa-4c10-acd2-2a13ed5ce7ef