CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 03.4 - Bouwhistorische opname

Raad 15 december 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Klooster Sint Agnetenberg (Meekels) (105)10.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2

projectgegevens Code

BD392

Type onderzoek

Bouwhistorische opname

Onderwerp

Klooster Agnetenberg Plakstraat 24 Sittard

Status

rijksmonument objectnummer: 33715

Opdrachtgever

MVJ Ontwikkelingen BV Echt

Uitgave

april 2020 Buro4 | Monument en Ruimte Postbus 229 6040 AE Roermond T : +31 (06) 55 18 37 04 F : +31 084 756 2006 E : info@buro4.nl W: www.buro4.nl

Veldwerk en fotografie Tekst Redactie

drs. B. Dukers en ing. H. Van der Borgh drs. B. Dukers en ing. H. Van der Borgh drs. B. Dukers

3

inhoudsopgave Inleiding

5

Redengevende omschrijving rijksmonument

5

Historische achtergrond - De voogdij - De Dobbelsteynporte - De dominicanessen van H. Agnes - Bouw van het dominicanessenklooster van Agnetenberg - Opheffing van het klooster - Tijdelijke bewoning 1802-1857 - De Liefdezusters van het Kostbaar Bloed

7 7 7 9 9 11 11

Ruimtelijke ontwikkeling 1857 - 1998 - 1857-1884 - 1884 - 1885 - 1891 - 1897 - 1899 - 1915 - 1922 - 1948-1950 - 1965 - Verbouwingen na 1965 - Ontwikkeling van het straatbeeld

12 12 12 13 13 13 14 14 15 17 17 19

Beschrijving - Hoofdopzet - De kloosterkerk - De zuidwestelijke kloostervleugel - De noordwestelijke kloostervleugel - De noordelijke kloostervleugel - De noordoostelijke kloostervleugel - De sacristie - Voormalige kloostermuur

21 21 29 33 35 39 41 43

Waardestelling

44

Waardenkaarten Beeldverantwoording

49

Bronnen

49

Disclaimer

50

4

inleiding Het Agnetenbergklooster te Sittard bevindt zich in de zuidoosthoek van de historische, omwalde binnenstad van Sittard. Bebouwing op deze plek gaat terug tot in de middeleeuwen, het huidige klooster kwam tussen 1662 en 1728 tot stand. Daarna vonden nog vele bij- en verbouwingen plaats. Het huidige complex wordt gedomineerd door een grootschalige verbouwing uit 1965, maar onderdelen van het oude Agnetenklooster zijn nog wel degelijk aanwezig. In de aanloop naar een herbestemming en transformatie van het complex, is Buro4 gevraagd de bouwgeschiedenis en ruimtelijke ontwikkeling van het complex te onderzoeken en de monumentale waarden in kaart te brengen. Er heeft archiefonderzoek plaats gevonden en het complex is bezocht. Als gevolg van de corona-uitbraak in het voorjaar van 2020 kon het huisarchief van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed helaas niet tijdig geraadpleegd worden. Relevante gegevens hieruit kunnen later alsnog toegevoegd worden aan het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek 2009.

redengevende omschrijving rijksmonument Het Agnetenbergklooster is sinds 1967 beschermd als rijksmonument, onder objectnummer 33715. De redengevende omschrijving luidt: “Voormalig Agnietenklooster. Kapel 1699-1702; vier vleugels om de pandhof, 1662 e.v. en twee vrijstaande bijgebouwen 1728 en 1749. Hoogaltaar, 1780; twee zij-altaren 1776, communiebank, midden XVIII, Lodewijk XV-preekstoel, betimmering, XVIII. Klokkenstoel met klok van F.A. Gaulard, 1838, diam. 47,5 cm.” N.B.: deze omschrijving was in feite achterhaald op het moment van de aanwijzing tot rijksmonument. De schuur uit 1749 en het jonkvrouwenhuis uit 1728 waren namelijk reeds gesloopt. Het is aan de RCE om de nieuwe contouren van het rijksmonument vast te stellen, de waardenstelling kan hiervoor als onderlegger dienen.

1 huidige situatie met daarop in kleur aangegeven de hoofdvolumes: 1 = kapel (1700), 2 = zuidoostvleugel, (ca.1700), 3 = zuidwestvleugel (1662), 4 = noordwestvleugel (ca.1707 en 1965), 5 = noordvleugel (ca.1706 en 1965), 6 = sacristie (1965), 7 = nieuwbouw 1965 en later.

5

2 uitsnede uit de kadastrale minuutkaart uit 1842 met daarop de globale positie van de verdwenen Dobbelsteijns porte en de voogdij, geprojecteerd op het latere Agnetenbergklooster.

3 de pandhof van het klooster in 1961, gezien richting het zuiden.

6

historische achtergrond de voogdij Het terrein waarop het latere klooster Agnetenberg verrees, ligt in de zuidoosthoek van de middeleeuwse versterking van de stad Sittard. Uit historische bronnen is bekend dat hier tot het midden van de zeventiende eeuw de zogenaamde ‘voogdij’ lag : de woning van de voogd van Sittard, die optrad namens de hertog van Gulik. Het goed werd omschreven als ‘huys ende stallinghe, met een middel-maetighen moeshof’. Ook was er sprake van een grote vijver.1 Na het overlijden van voogd Bado van Huckelhoven in 1641, verzocht de ambtman van Born en Millen, Philip Hendrik van Bentinck, de Gulikse graaf om het gebouw over te mogen nemen. Hij kocht het in 1642 aan en schonk het aan de Ursulinen, omdat zijn dochter Petronella bij deze orde was ingetreden. De gebouwen werden geschikt gemaakt voor bewoning door zusters, zij vertrokken echter niet lang daarna naar Roermond, vanwege de onrust tijdens de laatste jaren van de Dertigjarige oorlog. De Dominicanen kochten de gebouwen toen voor 2000 patacons en een jaarrente aan, voor het stichten van een zusterklooster. de Dobbelsteyns porte Naast de voogdij lag in 1648 een lege plaats, waar voorheen het voorname huis de ‘Dobbelsteyns porte’ (Poort van Dobbelstein) had gestaan.

Met de term ‘poort’ wordt een huis met een hofachtige aanleg bedoeld, bestaande uit een afsluitende muur met poort aan de straatzijde, daarachter een binnenplaats en daaromheen één of meerdere gebouwen. Dergelijke complexen werden bewoond door voorname families en komen in Maastricht veelvuldig voor, maar in Sittard is alleen dit voorbeeld bekend. De familie Dobbelstein was een oude, adellijke familie uit het land van Valkenburg. In 1481 was Arnt Dobbelstein van Doenrade stadhouder van de graaf van Meurs en hij werd in 1484 eigenaar van de Ophovener molen.2 De molen bleef in het bezit van zijn nageslacht tot 1627. Omstreeks diezelfde periode was de poort niet meer in gebruik door de familie Dobbelstein. Van 1626 tot 1632 woonden en werkten de paters Dominicanen in het pand, maar daarna raakte het in verval. Aan het einde van de Dertigjarige oorlog werd het sterk vernield door zowel soldaten als plunderende burgers. In 1648 was er slechts nog een leeg perceel. Bij de bouw van het bejaardenhuis Caritas in 1949 werd een mergelstenen fundering aangetroffen, die mogelijk tot (gebouwen van) de Dobbelsteyns porte behoord heeft. Bij de muur aangetroffen aardewerk dateerde uit ca.1450. Een meer compleet beeld van het gebouw was echter door latere grondverstoringen (en mogelijk de beperkte omvang van de graafwerkzaamheden) niet te verkrijgen.3 de dominicanessen van H.

Agnes In 1626 vestigden zich de Dominicanen in Sittard. Het gezelschap bestond in eerste instantie uit drie paters van het Maastrichtse klooster, die de voormalige Dobbelsteyns porte in de Plakstraat betrokken. In dat gebouw begonnen ze met het geven van onderwijs. In 1632 verhuisden zij naar de Oude Markt, waar ze in 1652 begonnen met de bouw van een nieuw klooster.4 Op 25 februari 1648 kwamen de eerste twee Dominicanessen aan te Sittard, beide waren afkomstig uit het klooster van Brugge. Weldra werden zij aangevuld met een lekenzuster uit Waalwijk. Voor de nieuwe stichting werd de H. Agnes van Monte Pulciano als beschermheilige uitgekozen. Ze vestigden zich in de oude voogdijgebouwen aan de Plakstraat. De kloostergemeenschap breidde uit en had al snel meer ruimte nodig. Na enige jaren kocht men de lege plaats aan van de voormalige Dobbelsteyns

1

Sassen 1913, 176-177. Stichting Jacob Kritzraedt Sittard 1998, 3-5 3 Van Doorn 2004, 219-220. 4 Kreukels 1993, 332. 2

7

4 de zuidwestelijke kloostervleugel in 1961 met buitentoegang tot de kelders.

6 de zuidoostelijke kloostervleugel in 1961.

8

5 de noordelijke straatvleugel aan de pandhofzijde in 1961. De tweede verdieping is in 1965 gesloopt.

porte, die inmiddels tot een ruïne was vergaan.5 Ook werd later een ‘..behuysinghe aende straete..’ aangekocht voor het maken van een verblijf voor de schoolkinderen en hun leraressen ‘binnen de clausuur’ en een onderkomen voor de biechtvader, buitenzusters en dienstboden ‘buiten de clausuur’.6 Het terrein werd ommuurd met een bakstenen muur: zowel aan de zijde van de wal als langs het Rosmolenstraatje. Op het terrein was sprake van een vijver, waar ook buren van het klooster gebruik van maakten. De Dominicanessen lieten nog twee extra waterputten aanleggen: één bij de poort en één aan de zijde van het Rosmolenstraatje. bouw van het Dominicanessenklooster van Agnetenberg De oude voogdijgebouwen bleken weldra niet meer te voldoen voor de groeiende kloostergemeenschap. Deze had echter geen geld om nieuwbouw te plegen, maar wist de Gulikse hertog Philips Willem over te halen een penning in te stellen, ten bate van de bouw, met als voorwaarde dat de eerste steen in zijn naam werd gelegd. Dit, in combinatie met andere giften, leverde voldoende budget op om aan een nieuw kloostercomplex te beginnen. De eerste steenlegging van de eerste kloostervleugel vond eind april 1661 plaats. Helaas sloeg in februari van het volgende jaar het noodlot toe en werd het dak ervan afgeblazen tijdens een storm, waarbij ook de eerste verdieping instortte.

Met een nieuwe bedelronde werden gelden verzameld voor de herbouw, waarna het gebouw op 21 december 1663 in gebruik werd genomen. In dit gebouw was een provisorische kapel opgenomen, kennelijk met het doel om op korte termijn ook de bestaande kapel te vernieuwen. Volgens het Memorieboek van het klooster was de oude kapel (die sinds 1648 in gebruik was), gelegen ter plekke van de huidige en was daar omheen ook sprake van een kerkhof. In augustus 1677 werd het klooster geplunderd door de Franse troepen, maar behalve schade aan deuren en ramen en de inboedel, had dit geen groot effect op de gebouwen. De kloostergemeenschap kreeg echter meer te verduren: een grote overstroming in april 1677 en een dysenterie-uitbraak.7 Pas twintig jaar later was de kloostergemeenschap er dermate bovenop gekomen dat aan de vernieuwing van de kloosterkerk begonnen kon worden. In 1699 werd de eerste steen gelegd en vingen de werkzaamheden onder leiding van meestermetselaar Adriaan van Kalkar aan.8 Men bouwde zowel de kerk, naar eigen zeggen met boven- en onderkoor en een torentje, en een sacristie als de aangrenzende pandvleugel: de huidige zuidoostvleugel. Beide waren in 1700 klaar en van een dak voorzien.

Twee jaar later werden de bakstenen gewelven aangebracht.9 In 1706 begon men aan de derde pandvleugel – we vermoeden dat dit de noordwestvleugel is – waarin ook de spreekkamers en vertrekken voor de paters waren opgenomen.10 In 1707 werd de pandhof gesloten met de bouw van de vierde vleugel, waarschijnlijk de noordvleugel. De inrichting van de kerk kwam in fasen tot stand. B.A. Pothast vermeldt in zijn Kroniek over Sittard dat de zusters in 1776 twee nieuwe, kleinere altaren kregen en in 1780 een nieuw hoogaltaar.11 opheffing van het klooster Nadat eind achttiende eeuw het Hertogdom Gulik in Franse handen was gekomen, volgde in 1802 het decreet waarmee de kloosters in dit gebied werden opgeheven.12 De kloostergemeenschap van Agnetenberg telde op dat moment 16 leden, die het klooster moesten verlaten en een staatsuitkering 5

Sassen 1913, 179. Idem, 180. 7 Idem, 188. 8 Idem, 189. 9 Idem, 189-190. 10 Idem, 196. 11 Pothast 1891, 129 12 Van Bergen 1993, 397. 6

9

7 het Jonckvrouwenhuis uit 1728 aan de Plakstraat.

8 de zijgevel van het Jonckvrouwenhuis met jaarankers.

10 de speelplaats achter de zuidwestelijke kloostervleugel. Op de achtergrond links de schuur uit 1749 en de school uit 1899.

9 de achterzijde van het Jonckvrouwenhuis en de westelijke punt van de zuidwestelijke kloostervleugel rond 1920. 11 het interieur van de kerk, eerste kwart 20e eeuw.

10

ontvingen. Het complex bestond uit het klooster met tuin, de kerk, een schuur voor de bescheiden oogst van de eigen gronden en tenslotte een kleine brouwerij. Ook was er een gebouw voor de kostschoolmeisjes, met op de begane grond de school en daarboven op elke verdieping zeven kamers.13 Een inboedellijst die na inventarisatie van de gebouwen werd opgesteld, is nog bewaard gebleven.14 Het interieur van het klooster was sober, in de kerk telde het ‘onderchoor’ 67 schilderijen en was er sprake van een orgel. Dit orgel werd na de opheffing van het klooster naar Limbricht gebracht en is nu (in gerestaureerde vorm) aanwezig in het Salviuskerkje.15 tijdelijke bewoning 1802 – 1857 Het klooster werd op de veiling door het Bureau der Domeinen gekocht door het ‘Bureau de Bienfaisance’, ofwel het Burgerlijk Armenbestuur. In de gebouwen werden armlastige families gehuisvest. Zij gingen naar de mis in de voormalige kloosterkerk. In 1830 verhuisde de stadsschool van het voormalige Dominicanenklooster naar het voormalige Dominicanessenklooster en trok ook de onderwijzer Pothast met zijn familie in.16 de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed Na de opheffing van de kloosters begin negentiende eeuw, ontstond er in de decennia erna een dringende behoefte aan armen- en ziekenzorg in Sittard.

Van de deken en het bisdom kwam in de jaren vijftig van de negentiende eeuw het initiatief om een nieuw zusterklooster op te richten, dat deze zorg op zich kon nemen. Hiervoor werden de liefdezusters van de H. Carolus Borromeus uit Maastricht (de Zusters onder de Bogen) benaderd. Vanuit dit klooster kwamen zes zusters naar Sittard, onder leiding van overste zusters Seraphine, die een nieuwe kloostergemeenschap stichtten. In 1862 scheidden zij zich van het Maastrichtse klooster af in een nieuwe congregatie, genaamd: de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed. Het klooster werd gewijd aan de H. Jozef. De congregatie breidde zich in de opvolgende jaren uit en er ontstonden nevenkloosters. Het moederklooster werd in 1876 verplaatst naar Koningsbosch. De congregatie richtte zich op twee taken: ziekenzorg en onderwijs. De ziekenzorg betrof vooral de zorg voor bejaarden. Het onderwijs omvatte in eerste instantie een armenbewaarschool (kleuterschool), maar al gauw mochten ook gewone burgerkinderen naar deze school komen. Ook werd er een basisschool opgericht, waarvoor aan de Plakstraat een nieuw schoolgebouw werd neergezet met zes klassen. Verder richtten de zusters in de loop der tijd vervolgopleidingen op: een huishoudschool, een ulo en een kweekschool.

Deze instituten waren soms (tijdelijk) in het klooster ondergebracht, maar later vaak naar andere (meer geschikte) locaties verplaatst.17 Vanaf het midden van de twintigste eeuw vond aan de Plakstraat vooral bejaardenzorg plaats.

13

Idem, 403, noot 22. Zie hiervoor: Van Bergen 1993, 402. 15 Pothast 1891, 129. https://www.kerkgebouwen-in-limburg.nl/kerken/limbricht/salvius-oude-kerk 16 Schulpen 2017, 16. 17 Geilen 2017, 24-26 14

11

ruimtelijke ontwikkeling 1857 – 1998 1857-1884 Toen de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed het klooster betrokken, vonden er in eerste instantie geen grote wijzigingen plaats aan de bestaande gebouwen, maar vanaf 1884 volgden de verbouwingen elkaar in hoog tempo op.

12 kadastrale hulpkaart uit 1884.

13 de sacristie en vleugel uit 1884.

1884 De eerste veranderingen die te traceren zijn, zijn zichtbaar op de kadastrale hulpkaart van 1884. Daarop is te zien dat de kloostervleugel aan de straatzijde uitgebouwd is en dat er een nieuwe sacristie aan de kapel is aangebouwd. Deze gebouwen zijn ook te zien op foto’s uit het begin van de twintigste eeuw en hieruit blijkt dat ze waren opgetrokken in een eclectische stijl met elementen van neogotiek (spitsboogvormige hoofdentree) en de neorenaissance (trapgevels). Ze zijn in 1965 afgebroken.

14 kadastrale hulpkaart uit 1885.

15 de school uit 1885, later opgehoogd.

1885 De hulpkaart uit 1885 toont dat in het voorgaande jaar er tegen de wal een school (nr.1148) gebouwd is en dat de waskeuken (nr. 1146) vergroot is. Het schoolgebouw werd waarschijnlijk gebruikt voor de bewaarschool die de zusters runden. Later was dit gebouw de strijkinrichting.

12

16 kadastrale hulpkaart uit 1891.

17 de uitbreiding van de waskeuken.

1891 In 1890 werd de waskeuken (nr.1182) vergroot met een stal/schuur. De voormalige schuur (nr.1183) werd aan de zuidzijde vergroot met een stalruimte.

18 kadastrale hulpkaart uit 1898

19 de kopse gevel van de school die aan de schuur werd gebouwd.

1897 In 1897 werd de voormalige schuur naar achteren (zuiden) uitgebreid met een schoolgebouw. Ook waren er privaten (voor de schoolkinderen) in het gebouw opgenomen.

20 kadastrale hulpkaart uit 1901

21 de school uit 1899 (later opgehoogd).

1899 In 1899 werd een nieuw schoolgebouw parallel aan het Rosmolenstraatje gebouwd, zoals te zien is op de kadastrale hulpkaart uit 1901.

13

22 kadastrale hulpkaart uit 1915 (1)

23 kadastrale hulpkaart uit 1915 (2)

1915 In 1914 werd de school uit 1899 uitgebreid met een aanbouw met toiletten en later werd een verbinding naar de straat afgebroken. 24 detail uit de verbouwingstekening van de school langs de wal: situatie vóór de verbouwing van 1922 met één bouwlaag en zadeldak.

25 de school (later strijkinrichting) langs de wal ná de verbouwing van 1922, waarbij een verdieping met plat dak werd toegevoegd.

1922 In 1922 werd het schoolgebouw langs de wal, dat dienst was gaan doen als strijkinrichting, opgehoogd met een verdieping en voorzien van een plat dak.

14

26 kadastrale hulpkaart uit 1952 met daarop de contouren van één van de twee vleugels van Huize Caritas in rood (waarschijnlijk was de tweede vleugel nog niet gerealiseerd). De zwarte lijnen geven de contouren van de gesloopte schuur met aanbouwen weer.

27 huize Caritas uit 1949-1950.

1948 - 1950 In 1948 werd de schoolvleugel uit 1899 van een extra verdieping voorzien ten behoeve van een internaat (zie afb.20). Kort daarna, in 1949-1950, werd er een nieuw bejaardentehuis gebouwd, Huize Caritas, waarvoor de oude schuur en de latere aanbouwen daaraan gesloopt werden. Dit gebouw had een opvallende, Y-vormige plattegrond en herbergde reeksen woon-slaapkamers voor de bejaarden en enkele gemeenschappelijke ruimten op de begane grond.

15

28 ontwerptekening uit 1965 van H. Palmen met in zwart alle nieuw gebouwde onderdelen op begane grond niveau.

29 luchtfoto van het complex uit 1986, met Huize Caritas uit 1949 (links, Y-vorm) en de vleugels uit 1965 (rechts, L-vorm).

16

1965 De oude kloostergebouwen voldeden in de jaren zestig van de twintigste eeuw niet meer aan de eisen die de gezondheidszorg stelde en er was meer capaciteit nodig voor de toegenomen taken in de ouderen- en ziekenzorg. In 1964 werd door architect H. Palmen een plan getekend voor een grote vernieuwing van het complex, waarvoor een groot deel van de oude gebouwen gesloopt moest worden, waaronder het Jonkvrouwenhuis uit 1728, de strijkinrichting langs de wal, de school uit 1891 aan de Plakstraat (later Huize Emmäus geheten), de school uit 1899 en de oude wasserij. In 1967, toen de plannen dus al gereed waren, werden de oudste gebouwen aangewezen als Rijksmonument, ook al was de schuur uit 1749 reeds in 1949 gesloopt. De rijksbescherming kon ook de sloop van het Jonkvrouwenhuis, niet voorkomen of was daar zelfs te laat voor. Voor de kapel en de vier kloostervleugels rondom de pandhof werd een ‘restauratieplan’ opgesteld, maar dit hield ook grondige vernieuwing van de noordelijke en de noordwestelijke vleugel in. De (noordelijke) straatvleugel, die in 1884 al sterk verbouwd was, werd met een verdieping verlaagd en de gehele uitbouw uit 1884 werd herbouwd, met een voorgevel in Wederopbouwstijl. Aansluitend, aan de westzijde, verrees een lange, ondiepe vleugel met daarin woon- en slaapvertrekken voor de zusters. Deze vleugel kreeg gevels in een sobere architectuur.

Ter plekke van Huize Emmäus werd een nieuwe sacristie gebouwd, in een historiserende stijl. verbouwingen na 1965 1967 – In 1967 werd de zustervleugel uit 1965, die parallel aan de Rosmolenstraat lag, met een verdieping verhoogd. 1968 – In 1968 werd de zolderverdieping van de zuidoostelijke vleugel van Huize Caritas ingericht tot therapieruimte, waarvoor enkele interne wijzingen nodig waren. 1981 – In 1981 werden enkele éénpersoonskamers in Huize Caritas verbouwd tot driepersoonskamers. 1998 - 2002 – In 1998 werd Huize Caritas gesloopt en werd er een bouwplan getekend om de aansluiting op het klooster aan te helen met een apart bouwvolume met plat dak, dat momenteel nog aanwezig is aan de zuidwestzijde van het klooster. Daarna werd op de plek van Huize Caritas een nieuw appartementencomplex gebouwd, genaamd de Dobbelsteynporte. Dit is momenteel nog aanwezig.

17

30 projectie van de kadastrale minuutkaart over de huidige situatie. De percelen en gebouwen zijn naar functie ingekleurd. In groen de tuinen/weilanden. In rood de gebouwen. De kerk als religieus gebouw is oranje weergegeven. (kaart: AEZELproject Sittard).

31 luchtfoto uit 1924 met het uitgebreide kloostercomplex van de Zusters van het Kostbaar Bloed.

18

32 luchtfoto van het complex rond 1950: na de bouw van huize Caritas. De historische bebouwing aan de noordzijde van de Plakstraat is nog aanwezig, al zijn de open terreinen vrijwel opgevuld met bebouwing.

ontwikkeling van het straatbeeld Hoewel het zuidelijke deel van de Plakstraat tot de historische binnenstad van Sittard hoort, waarvan de vorm en het stratenpatroon in de middeleeuwen tot stand kwamen en de straat al in de vijftiende eeuw in archivalische bronnen voorkomt, is de bebouwing aan weerszijden tot halverwege de twintigste eeuw nooit volledig aaneengesloten geweest. Op de kadastrale minuutkaart uit ca. 1842 zijn aan de noordzijde van dit straatdeel veel lege percelen aan te treffen, aangeduid als tuin en er lag een ros-oliemolen ter hoogte van de schuur van het klooster. Ook op een luchtfoto uit de jaren twintig van de twintigste eeuw is te zien dat er aan de noordzijde van de straat nog veel open terrein was, waar bomen groeiden. Foto’s van de zuidelijke straatwand tonen dat ook na de laatnegentiendeeeuwse verbouwingen door de Liefdezusters er geen aaneengesloten bebouwing aan de zuidzijde bevond, maar een combinatie van gebouwen (klooster en v.m. Jonkvrouwenhuis) en afsluitende muren met poortdoorgangen, die de clausuur gesloten hielden. Vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw trad er een kentering op: door de nieuwbouw van het zorgcentrum uit 1965 ontstond aan de zuidzijde een doorlopende gevelwand, die zeker ter plekke van de nieuwbouw ter plekke van het Jonkvrouwenhuis een sterk repeterend karakter had.

Aan de noordzijde werd de oude stadsboerderij Beaujean, op de hoek van de Nieuwstraat, Markt en Plakstraat, in 1966 gesloopt voor de bouw van het V&D-warenhuis. Ook enkele laatnegentiende-eeuwse buurpanden van de boerderij, die aan de Plakstraat lagen, werden gesloopt. Het open en groene terrein aan de noordzijde van de straat werd grotendeels bebouwd met de monoliet van het warenhuis. Aansluitend, richting de bocht naar het noordelijke deel van de Plakstraat, verrees iets vooruit springend in de rooilijn een reeks dwarshuizen, met aaneengesloten voorgevels. Van gevarieerde gevelwanden met open plekken, veranderde het straatbeeld in aaneengesloten gevelwanden, met ter plekke van de V&D en de zorgvleugel uit 1965 een vrij ongedifferentieerde, repeterende architectonische vormentaal. Een andere belangrijke stedenbouwkundige verandering is de verlegging van de Rosmolenstraat, die eerst ten westen van het kloosterterrein liep, naar de huidige positie in 1926. Het oude Rosmolenstraatje raakte buiten gebruik en is bij de herbouw van de panden Plakstraat 28-30 geheel verdwenen.

33 de Plakstraat begin jaren ’60.

34 de Plakstraat rond 2019.

19

35 de zuidoostelijke gevel van de kerk.

36 de toegang in de zuidoostelijke gevel.

20

37 het koor met aftekening van gesloopte sacristie uit 1898.

beschrijving hoofdopzet Het voormalige Agnetenbergklooster bestaat uit een kloosterkerk, vier vleugels rondom een pandhof en een sacristie ten noordoosten van de kerk. In dit onderzoek staan de gebouwen centraal die geheel of gedeeltelijk bij de opzet van vóór 1800 behoren. De L-vormige vleugel uit 1965 aan de Plakstraat is daarom niet meegenomen. De sacristie is, als functioneel onderdeel behorende bij de kerk, wel meegenomen. de kloosterkerk exterieur De kerk is opgetrokken in baksteen in kruisverband. Het schip is zeven traveeën diep en aan de noordoostzijde is een drie-achtste koorsluiting. Aan de zuidoostzijde en bij het koor worden de traveeën gescheiden door gemetselde steunberen. In de zuidoostelijke zijgevel hebben de rechter vijf traveeën hoge rondboogvensters, voorzien van mergelstenen bloklijsten. De linker twee traveeën, die zich bevinden ter hoogte van de orgeltribune, hebben lagere vensters op twee niveaus. Van het onderste venster van de linker travee is de blokomlijsting van de linker dagkant verloren gegaan. Alle vensters hebben glas-in-loodramen met geometrische motieven, die meest waarschijnlijk uit (het midden van) de negentiende eeuw dateren. Ze zijn gevat in forse ijzeren roeden, die mogelijk wel oorspronkelijk (uit ca.1700) zijn.

In de derde travee van links is op de begane grond een toegang met een geblokte, hardstenen omlijsting met een rechte lijstbeëindiging. Deze bevat een negentiendeeeuwse dubbele houten deur met bovenlicht, die voorzien is van rijk gedecoreerd smeedwerk. Boven de omlijsting is een mergelstenen korfboog die verbonden is met de vensteromlijsting erboven. De twee vensters van de buitenste traveeën van de koorsluiting zijn in de twintigste eeuw dichtgemetseld: op foto’s uit ca.1900 zijn hier nog glas-in-loodramen te zien. De buitengevels hebben een geprofileerde mergelstenen gootlijst onder de dakrand. Het zadeldak heeft boven het koor een driezijdige sluiting en is gedekt met leien. Ook de dakruiter boven de tweede travee vanaf het zuidwesten is bekleed met leien en heeft een overhoeks ingesnoerde, zeszijdige torenspits. 38 het kerkdak en de dakruiter.

21

Interieurelement Tochtportaal

datering 1722

Zijaltaren (twee stuks)

1776

Preekstoel

ca.1776

Biechtstoelen (twee stuks)

ca. 1776

Lambrisering

ca.1776

Hoofdaltaar

1780

Communiebank Grafsteen

XVIIId Onbekend

39 het interieur van de kerk, richting koor.

22

kenmerken Houten tochtportaal met dubbele deur en gesneden pilasters en kroonlijst met jaartal 1722. Zijpanelen later toegevoegd. Houten altaar met sierzuilen en beeldnis, met snijwerk in Barokke Lodewijk XV-stijl. Antependium vernieuwd XXa. Houten, ‘hangende’ preekstoel met baldakijn en trap. Snijwerk in Lodewijk XV-stijl. Houten biechtstoel met snijwerk in Barokke Lodewijk XV-stijl. Lambrisering in het koor en de noordelijke vijf traveeën van het schip, snijwerk in Lodewijk XVstijl. Houten altaar met sierzuilen en tabernakel met snijwerk in Barokke Lodewijk XV-stijl, antependium vernieuwd XXa. Houten bank met balusters en siersnijwerk Hardstenen grafsteen: nader te onderzoeken na verwijderen altaarverhoging, onder de steen bevindt zich vermoedelijke de toegang naar een grafkelder.

40 het interieur van de kerk, richting orgeltribune.

interieur begane grond – De kerk bestaat uit één kerkruimte met een koor aan de noordoostzijde en een orgeltribune aan de zuidwestzijde. De vloer is belegd met moderne hardstenen tegels, maar eronder gaat (in ieder geval plaatselijk) nog een oudere vloer met kleinere hardstenen tegels schuil. De kerk heeft nog een groot deel van haar achttiende-eeuwse uitdossing bewaard. Deze interieurelementen zijn verwerkt in het bijgeleverde schema. Voor zover te achterhalen vormt het houten tochtportaal bij de buitendeur het oudste element, af te lezen aan het jaartal ‘1722’ in het snijwerk boven de deur. De ombouw heeft twee hoekpilasters met kapitelen, een architraaf met daarin het jaartal en twee deuren met gekorniste panelen. Het lijkt alsof de zijpanelen later zijn aangebracht; zij sluiten meer aan bij het snijwerk van de lambrisering. Uit de kroniek van Pothast weten we dat de zijaltaren in 1776 werden geleverd en het hoofdaltaar in 1780.18 Het snijwerk van de lambrisering, preekstoel en biechtstoelen is sterk aan elkaar verwant en aan dat van de zijaltaren, gelet op de uitvoering van de kleine verticale guirlandes, de rozetten en de acanthusbladvormige krullen. Het lijkt erop dat deze elementen op het zelfde moment, dan wel niet lang na elkaar vervaardigd zijn.

Het hoofdaltaar heeft dezelfde stijl, maar wijkt lichtjes af in details en is mogelijk door een andere houtsnijder vervaardigd. Ook de communiebank is in het laatste kwart van de achttiende eeuw te dateren. Onder de communiebank is een verweerde grafsteen in de vloer verwerkt: deze leidde ooit naar een grafkelder onder het koor. Deze is in 1965 heropend: het is onduidelijk of de kelder nog steeds toegankelijk is.19 De kruisribgewelven zijn gestuct en voorzien van hoekprofielen. Ze rusten op de wandpijlers van de zijgevels. De orgeltribune is begin twintigste eeuw gemoderniseerd: de trap naar de verdieping en de balustrade met gedraaide balusters zijn toen vernieuwd. Achterin de kerk is op de begane grond een biechtstoel die in 1965 is herplaatst en waarschijnlijk uit de jaren vijftig stamt. De huidige kerkbanken dateren uit het midden van de twintigste eeuw. Tussen de kerk en de oostelijke kloostergang is een dubbele deur, die aan de zijde van de kloostergang voorzien is van een houten omlijsting met hoekpilasters en een gebroken fronton. De deuren zijn voorzien van panelen. De omlijsting en deuren dateren uit de negentiende eeuw.

41 het hoofdaltaar

18 19

42 detail van het tabernakel

Dunckel, Pothast 1891, 129. Simonis 1971, 229-130

23

43 het linker zijaltaar

44 de preekstoel

45 één van de twee biechtstoelen

46 het tochtportaal uit 1722

24

47 detail van het stucwerk boven het hoofdaltaar

48 19e-eeuws glas-in-loodraam van de kerk

49 de grafsteen onder het altaar, die zou leiden naar een grafcrypte onder het koor.

50 de oude hardstenen vloer ligt onder de huidige vloer, ter plekke van het noordelijke zijaltaar.

25

51 de kapconstructie van de kerk, gezien naar de koorsluiting.

52 detail van een kapspant met daarachter de draagconstructie van de dakruiter.

26

kapruimte – De zolder omvat één ruimte, met daarin de kapconstructie. De constructie bestaat uit zeven spanten. Op het meest noordelijke spant sluiten vijf halve spanten aan boven het koor. De hoofdspanten bestaan uit twee gestapelde jukken. Het onderste juk bestaat uit schuin geplaatste spantbenen die een dekbalk dragen, verstevigd met korbelen en voetschoren. Het bovenste juk is zowel juk als nokgebint: de schuin geplaatste spantbenen lopen door tot aan de nok en ondersteunen deze. Tussen de spantbenen is een tussenbalk aangebracht, verstevigd met korbelen en hoog aansluitende voetschoren. Tussen de dekbalk en de ondersteuning van de nok zijn nog twee ondersteunende stijltjes aangebracht. De gordingen zijn niet op de dekbalken gelegd, maar in de spantbenen ingepend. In het noordwestelijke dakvlak zijn nog oorspronkelijke eiken daksporen aanwezig (deels herplaatst) en is het beschot vernieuwd in naaldhout. De oorspronkelijke eiken daksporen van het zuidoostelijke dakvlak zijn verwijderd bij een dakrenovatie in 1926 en toen zijn er extra gordingen toegevoegd en een nieuw, naaldhouten dakbeschot. De kapconstructie is voorzien van gekapte, rechts gebroken telmerken oplopend van ‘I’ tot VII’ vanaf het koor naar de zuidwestzijde. De halve spanten van het koor hebben telmerken I t/m IIII (het vijfde telmerk is niet teruggevonden).

In de voorlaatste travee van het schip is een houten klokkenstoel van de dakruiter, in opzet horend bij de bouw rond 1700. In de zuidwestelijke topgevel is een oorspronkelijke doorgang naar de zolder van de zuidwestelijke kloostervleugel. Deze heeft een gemetselde segmentboog aan de bovenzijde.

53 detail van de halve jukken in de koorsluiting.

54 detail van een gekapt telmerk ‘VI’ (6) op een spant.

27

55 de zuidwestelijke gevel van de zuidwestelijke vleugel.

56 de pandhofgevel van de zuidwestelijke vleugel uit 1662.

57 de zuidoostelijke kopgevel met erker

28

58 detail van een balkanker

de zuidwestelijke kloostervleugel exterieur hoofdopzet – De zuidwestelijke kloostervleugel was tot 1965 onderkelderd, maar de toegang hiervan is dichtgemaakt en waarschijnlijk zijn de kelders dichtgestort. Daarboven is de vleugel twee bouwlagen hoog met een aan de zuidoostzijde afgewolfd zadeldak. zuidwestgevel – De zuidwestgevel is opgetrokken in baksteen in kruisverband. De gevel hoort bij de opzet uit 1662. Op de begane grond zijn acht vensters met een (oorspronkelijke) gemetselde korfboog aan de bovenzijde. In de vierde travee van rechts is een deuropening met een brede korfboog, die later is aangebracht, mogelijk op de plek van een venster. Op de verdieping zijn nog de licht gebogen ontlastingsbogen van de oorspronkelijke, smalle vensters te zien, twaalf in totaal. Deze zijn in 1965 dichtgemetseld en er zijn tien rechthoekige vensters voor in de plaats gekomen, met een rechte rollaag aan de bovenzijde. Hiervoor is ook een groot deel van het oorspronkelijke buitenmetselwerk aangeheeld in een donkerrode machinale baksteen. Alle ramen en de deur zijn aangebracht bij de renovatie in 1965. Zowel boven de begane grond als boven de verdieping zijn reeksen gesmede balkankers aangebracht, waarbij die op de verdieping iets rijker zijn uitgevoerd. gevel pandhof – De gevel aan de pandhofzijde is twee bouwlagen hoog en opgetrokken in baksteen. Het muurwerk is later wit geschilderd.

Op de begane grond zijn vier vensters en een centrale deuropening, alle voorzien van een gemetselde korfboog. De vensters zijn voorzien van glas-in-lood met doorzichtig vensterglas gevat in forse, gesmede roeden. De toegangsdeur is in de twintigste eeuw vernieuwd. Op de eerste verdieping zijn zes kloostervensters met twee raamopeningen boven elkaar, gescheiden door een hardstenen latei. De vierruitsraampjes dateren uit de (vroege) negentiende eeuw. Aan de asymmetrische plaatsing van het rechter venster – dicht tegen de westelijke vleugel aan – is af te lezen die vleugel er later tegenaan geplaatst moet zijn. Boven beide bouwlagen zijn gesmede ankers aangebracht met gebogen beëindigingen en op de verdieping is er ook het jaartal ‘1662’ in ankers aangebracht. De positie van de ankers is veranderd in 1965, toen de bijbehorende balklaag vervangen werd. Oorspronkelijk stond het jaartal niet symmetrisch op de gevel maar meer naar rechts; een aanwijzing dat de zuidwestelijke vleugel later is aangebouwd. Onder de goot is een gemetselde sierlijst met een dubbele tandlijst. zuidoostgevel – De zuidoostelijke gevel sluit aan op de zijgevel van de kapel.

De gevel is van oorsprong zeventiende-eeuws, maar uit een vergelijking met een foto van de Rijksdienst uit 1961 blijkt dat alle gevelopeningen in 1965 gewijzigd zijn, waarbij ook drie oorspronkelijke korfboogvensters op de verdieping verdwenen zijn. De huidige openingen hebben een rechte beëindiging en op de verdieping is een ondiepe erkeruitbouw, waarvan de borstwering bestaat uit een houten frame met bakstenen sierinvulling onder de ramen. Onder de goot is een oorspronkelijke, gemetselde sierlijst met een dubbele tandlijst. dak – Het dak is gedekt met leien. In het zuidwestelijke dakvlak zijn vijf negentiende-eeuwse dakkapellen met een overstekje en een versierde houten windveer. Ze bevatten vensters met een rondboogvormig raam met dubbele raamvleugel en een gebogen roedenverdeling in het bovenlicht. In het zuidoostelijke dakschild zijn twee dakkapellen met zadeldak uit 1965 en aan de zijde van de binnenplaats zijn er nog twee.

29

59 de kloostergang op de begane grond, richting kerk

60 de gang op de verdieping, richting noordwesten

61 de onderste spantbenen van de kapspanten

62 detail van een telmerk ‘V’ op een van de spanten

30

interieur indeling – Op de begane grond is in het verlengde van de kapel een grote kamer. Ook op de verdieping is die er geweest, maar is later opgedeeld in kleinere kamers. Parallel aan de pandhof ligt in beide bouwlagen een kloostergang, met aan de zuidwestzijde daarvan een aantal kamers. De structuur van de gang is zeventiende-eeuws, de kamerindeling is sterk veranderd in 1965. De kapruimte is opgedeeld in een zolderetage – met kamerindeling uit 1965 - en een vliering voor opslag. constructie – De balklagen boven de begane grond en eerste verdieping zijn in 1965 vervangen door een broodjesliggervloer. De kapconstructie bestaat uit vijf eikenhouten spanten, opgebouwd uit twee jukken en een nokstijlgebint. De spantbenen van de jukken zijn licht gebogen en verstevigd met korbelen. Het nokstijlgebint omvat een nokstijl en twee schoren. De spanten zijn voorzien van gekapte merken, die geen oplopende nummerreeks vormen, maar per spant een plaatsingsrichting aanduiden. Er zijn zowel ‘eitjes’ als ‘maantjes’ als gekapte nummers (V en XI) aangebracht. De gordingen zijn vernieuwd in naaldhout. Opvallend is dat pengaten van langsverbindingen, zoals windschoren ontbreken. Mogelijk waren de windschoren met spijkers op de spantbenen bevestigd. In 1965 zijn er nieuwe daksporen en een nieuw dakbeschot aangebracht.

Bij het zuidoostelijke dakschild zijn er 1965 enkele aanvullende steunbalken aangebracht om het dakschild te ondersteunen. Ook de aansluiting naar de kerk is niet meer oorspronkelijk qua dakconstructie. afwerkingen – De inrichting van de zuidwestelijke vleugel is in 1965 grondig gerenoveerd. Tijdens het veldwerk werden er nauwelijks oudere afwerkingen aangetroffen. Mogelijk dat bij stripwerkzaamheden nog sporen van plafonds of oudere vloeren in het zicht komen. De enige oudere afwerking die vastgesteld werd, zijn de oudere hardstenen tegels van de kloostergang, maar deze zijn opnieuw gelegd. Alle binnendeuren, verlaagde plafonds en overige vloerafwerkingen dateren uit 1965 en later.

63 de kapconstructie op vlieringniveau met de bovenste jukken en het nokstijlgebint.

31

64 de nieuw aangelegde kelder uit 1965

65 de kloostergang op de begane grond met vernieuwde vloertegels

66 de gang op de verdieping, richting het noordoosten

67 trappenhuis op zolderniveau

32

de noordwestelijke kloostervleugel exterieur hoofdopzet – De zuidwestelijke kloostervleugel is onderkelderd en daarboven twee bouwlagen hoog onder een zadeldak en een afgeplat schilddak. noordwestgevel – De noordwestgevel is geheel vernieuwd in 1965. Het betreft een gevel in sober metselwerk van gele baksteen. Op de begane grond is een toegangsportaal onder een plat dak en een uitgebouwde serregang. Op de twee verdiepingen zijn reeksen rechthoekige vensters. gevel pandhofzijde – De gevel aan de pandhofzijde dateert nog uit de vroege achttiende eeuw en is opgetrokken in baksteen en later wit geschilderd. Op de begane grond zijn zes vensters met een gemetselde korfboog. Ze zijn voorzien van glas-in-lood met doorzichtig vensterglas gevat in forse, gesmede roeden. Op de eerste verdieping zijn vijf ‘kloostervensters’ met twee openingen boven elkaar: oorspronkelijk een venster en een luchtluik, maar nu beide voorzien van vierruits raampjes uit ca.1965. Boven de begane grond zijn nog vier gesmede muurankers aanwezig, die van de zoldervloer zijn verwijderd. Onder de goot is een hoge gemetselde sierlijst met een dubbele muizentandlijst en een bloklijst. dak – Het dak is gedekt met gesmoorde, opnieuw verbeterde Hollandse pannen. Aan de zijde van de pandhof zijn vier dakkapellen met een zadeldakje en houten ramen, daterend uit 1965.

Aan de noordwestzijde is één brede dakkapel met plat dak en een reeks vierkante houten ramen. Het dakvlak wordt aan de noordzijde doorbroken door de bakstenen opbouw van de liftschacht, die plat is afgedekt. interieur indeling – Bij de renovatie in 1965 is de vleugel grondig gewijzigd. De enige oude indeling die overgebleven is, is de structuur van de kloostergang. Volgens de bouwtekeningen is daarbij ook de binnenste gangmuur op de begane grond gehandhaafd. De overige binnenmuren van de kelder, begane grond, verdieping en zolder zijn vernieuwd. constructie – De kelderverdieping heeft in 1965 een nieuw betondek gekregen en ook de verdieping en zolder hebben een betonvloer. Alleen de zijmuur van de gang parallel aan de pandhof is gehandhaafd. De kapconstructie is in 1965 geheel vervangen. De nieuwe houten spanten zijn nu grotendeels afgetimmerd achter plafond- en wandafwerkingen. afwerkingen – Het interieur is in 1965 geheel gemoderniseerd. De hardstenen tegels in de kloostergang zijn toen ook vernieuwd.

33

68 de straatgevel van de noordelijke vleugel uit 1965

69 de gevel aan de pandhof, in 1965 verlaagd met één verdieping

34

de noordelijke kloostervleugel exterieur hoofdopzet – De noordelijke kloostervleugel grenst aan de pandhof en de Plakstraat. De vleugel is onderkelderd en daarboven twee bouwlagen hoog onder een zadeldak. straatgevel – De straatgevel aan de Plakstraat werd in 1965 geheel nieuw gebouwd. De gevel is opgetrokken in een lichtrode baksteen in Vlaams verband. De gevel is negen traveeën breed. In de vierde travee van rechts bevindt zich de hoofdentree, die rijk is vormgegeven met een trap, hardstenen omlijsting en een terugliggende dubbele houten deur met sierpanelen. Boven de deur is een ovaal bovenlicht met hardstenen omlijsting en decoratief glas-in-lood. In de linker gevelas is een zijtoegang met een sobere houten deur met hardstenen bovenlatei. Erboven zijn twee vierkante vensters met glas-in-lood, behorend bij het trappenhuis. In de overige gevelassen is op het niveau van het souterrain een vierkant venster en op de begane grond en eerste verdieping een hoog venster met een houten raam met gedeeld bovenlicht en gedeelde raamvleugels uit 1965. De vensters hebben een lage hardstenen onderdorpel en een hogere hardstenen bovenlatei. Onder de goot is een gemetselde sierlijst met een dubbele muizentand. gevel aan de pandhof – De gevel aan de pandhof is momenteel twee bouwlagen hoog en opgetrokken in baksteen. Het muurwerk is later wit geschilderd.

Tot 1965 was de gevel nog één etage hoger, maar deze is daarna verwijderd en er is een nieuwe tandlijst gemetseld onder de goot. Op de begane grond zijn vijf hoge vensters met gemetselde korfbogen. Ze zijn voorzien van glas-in-lood met doorzichtig vensterglas, gevat in forse, gesmede roeden. Op de verdieping zijn vijf kloostervensters met gemetselde segmentbogen boven de openingen. De vierruits houten ramen dateren uit de vroege twintigste eeuw. In de gevel zijn boven de begane grond en verdieping reeksen gesmede balkankers aangebracht, maar uit vergelijking met de foto’s uit 1961 blijkt dat deze niet oorspronkelijk in deze gevel gezeten hebben: de oude waren meer sober van opzet. Ook zijn ze op de kop geplaatst. De tandlijst onder de goot is in 1965 aangebracht en heeft niet dezelfde detaillering als de oude.

35

70 de kloostergang op de begane grond

71 het toegangsportaal

72 19e-eeuws venster naar de kerk

73 de trap uit 1965

36

interieur indeling – In de noordvleugel is de gangstructuur van de pandhof bewaard gebleven, al is de binnenmuur daarbij vernieuwd. Aan de oostzijde is een trappenhuis. De kamerindeling aan de gang is in 1965 tot stand gekomen. Ter hoogte van de hoofdentree is er een kleine hal met een trap naar de hoger liggende gang. Ook de indeling van de kelder, de verdieping en de zolder stamt uit 1965. Op de verdieping is hier ook een gang aan de pandhofzijde aangehouden, met kamers ten noorden daarvan. De zolder is een open opslagruimte. constructie – De vleugel is grondig herbouwd in 1965, waarbij alleen de gevel aan de pandhofzijde gehandhaafd bleef. De vloeren en balklagen zijn vernieuwd in beton. De kapconstructie is vervangen door een naaldhouten constructie met een reeks eenvoudige A-spanten met gebroken spantbenen. Hierop steunen de gordingen, waarop het dakbeschot gelegd is. afwerkingen – Het interieur is geheel gemoderniseerd in 1965. In de kloostergang zijn oude hardstenen tegels herplaatst, waarschijnlijk afkomstig van de oude gangvloer. Het trappenhuis in de oosthoek heeft een sobere bordestrap met een smeedijzeren leuning met houten handlijst. De treden zijn van zwart marmer. In de muur tussen het trappenhuis en de kapel is een houten pui uit de negentiende eeuw, met beneden dichte briefpanelen en daarboven raampjes met glas-in-lood, die ooit opengeslagen konden worden.

Waarschijnlijk diende dit venster om zieke of bedlegerige personen deel te kunnen laten nemen aan de mis. Door de herinrichting in 1965 is het aan een trappenhuis i.p.v. een kamer komen te liggen.

74 de kapconstructie van de noordelijke vleugel uit 1965, gezien richting de kerk.

37

75 de zuidoostelijke kloostervleugel tegen de kerk, gevel aan de pandhof

76 de kloostergang op de begane grond

38

77 de eiken balklaag op de verdieping

de zuidoostelijke kloostervleugel exterieur hoofdopzet – De zuidoostelijke kloostervleugel ligt tegen de kloosterkerk aan. De vleugel is twee bouwlagen hoog en heeft een lessenaardak richting de kerk. Gevel pandhofzijde – De gevel aan de pandhof is twee bouwlagen hoog en opgetrokken in baksteen. Het muurwerk is later wit geschilderd. Op de begane grond zijn vijf hoge vensters met gemetselde korfbogen. Ze zijn voorzien van glas-in-lood met doorzichtig vensterglas, gevat in forse, gesmede roeden. Op de verdieping zijn vijf kloostervensters met gemetselde segmentbogen boven de openingen. De vierruits houten ramen dateren uit de (vroege) negentiende eeuw. In de gevel zijn boven de begane grond en verdieping reeksen gesmede balkankers aangebracht, met gespleten, gebogen uiteinden. Onder de goot is een gemetselde sierlijst met een muizentandlijst en een bloklijst. Dak – Het dak is gedekt met leien en loopt door in het noordwestelijke dakvlak van de kerk. interieur indeling – De vleugel is vrij ondiep en herbergt op de begane grond alleen de kloostergang. Op de verdieping is één grote ruimte, met aan de zuidwestzijde een later afgescheiden toiletruimte erin. constructie – De balklaag boven de begane grond is in 1965 vervangen door een betonnen broodjesvloer. De balklaag boven de eerste verdieping is nog oorspronkelijk en in het zicht: het betreffen vier eiken moerbalken.

De kinderbinten zijn vernieuwd. Op zolder is de oorspronkelijke (eikenhouten) kapconstructie nog grotendeels aanwezig. Deze bestaat uit vier halve kapspanten, met schuin geplaatste spantbenen, die een dekbalk dragen, verstevigd met korbelen. De dekbalken zijn in de zijgevel van de kerk opgelegd. Op de dekbalken zijn schuine schoren geplaatst die eveneens in de zijgevel zijn bevestigd en voorzien zijn van een rechte voetschoor. Het bouwhout is over het algemeen van mindere kwaliteit en sommige onderdelen zijn hergebruikt. Plaatselijk zijn de oude, in de spantbenen gepende, eiken gordingen nog aanwezig, maar er zijn nieuwe, gezaagde naaldhouten gordingen aan toegevoegd en ook het dakbeschot en de daksporen zijn in naaldhout vernieuwd. afwerkingen – Op de begane grond zijn in de kloostergang de oude hardstenen tegels herplaatst. Ook bevindt zich hier de rijke, negentiende-eeuwse omlijsting van de kerkdeur. Op de verdiepingen zijn geen waardevolle interieurafwerkingen aangetroffen: de stoffering dateert van 1965 of later.

78 de kapconstructie met halve eiken spanten

79 toegangsdeur naar de kerk

39

80 de sacristie aan de Plakstraat

81 de zuidwestelijke gevel

82 de zuidoostelijke gevels en keldertoegang

40

de sacristie exterieur hoofdopzet – De sacristie ligt aan de noordoostzijde van de kapel en heeft een gevel aan de (bocht van de) Plakstraat. Het gebouw heeft een L-vormige plattegrond, is boven het souterrain één bouwlaag hoog en heeft twee zadeldaken. Buitengevels – De buitengevels zijn opgetrokken in een donkerrode baksteen in Vlaams verband. Aan de straatzijde zijn ter decoratie hardstenen banden aangebracht. De gevels aan de achterzijde hebben hardstenen bovenlateien en onderdorpels bij de vensters. De gevel aan de straat is vrij gesloten en heeft links een garagedeur en in het midden een drietal rechthoekige vensters. De gevels aan de achterzijde hebben een functioneel karakter met dezelfde, rechthoekige vensters en aan de zuidwestzijde een deur met buitentrap naar de tuin. In het verlengde van de straatgevel is ook hier een garagedeur met links daarvan een buitentrap naar het souterrain. Dak – Het dak is gedekt met leien en er is een bakstenen schoorsteen op het zuidelijke dakschild. In beide dakvlakken zijn twee dakvensters aangebracht. interieur indeling – De sacristie heeft een asymmetrische indeling met in de straatvleugel een grote kamer en boven de garage een ‘opkamer’ met een moderne badkamer. In de haakse vleugel is een gang naar de kerk, een toiletruimte en een kleinere kamer. De zolderverdieping van de straatvleugel is ingericht als slaapzolder.

constructie – De buitengevels zijn gemetseld als spouwmuren in baksteen. De fundering en begane grondvloer zijn van stampbeton. De zolderbalklaag en de kapconstructie zijn van naaldhout. afwerkingen – Het interieur is gemoderniseerd tot woning en bevat geen waardevolle interieurafwerkingen.

83 het kapspant van het hoofdvolume van de sacristie

41

84 de voormalige kloostermuur aan de zuidzijde, bij de aansluiting met de wal (links)

85 het lage muurdeel is het restant van de voormalige kloostermuur, opgetrokken in handgevormde steen

42

Voormalige kloostermuur Op het achterterrein van huizen aan de in 1926 aangelegde Rosmolenstraat, zijn grote aaneengesloten delen van een tuinmuur aanwezig. Het betreft de voormalige kloostermuur van het Dominicanessenklooster, die volgens de kroniek van de Dominicanessen gebouwd is in de periode 1649-1660. De stenen voor de muur zouden ter plekke in een steenoven gebakken.20 De muur volgt de oostelijke contour van het oude Rosmolenstraatje, dat doodliep tegen de wal. De muurresten zijn nog aanwezig tot een hoogte van 1 à 1,5m meter en zijn gebruikt als erfafscheiding voor de percelen van de panden aan de Rosmolenstraat uit 1926. Hiervoor is de muur over bijna de hele lengte opgehoogd met verschillend ander metselwerk, wisselend per aangrenzend perceel en eigendom. Plaatselijk is een brede doorgang gemaakt naar het binnenterrein van het in 2002 gebouwde appartementencomplex De Dobbelsteynporte. Aan De muur is opgetrokken in handgevormde baksteen, in een grof kruisverband, gevoegd met kalkmortel. Plaatselijk zijn rollagen aanwezig en ook zijn er steunberen op plekken waar de muur dreigde door te buigen.

86 de tuinmuur doet dienst als achterste erfafscheiding van de panden aan de oostzijde van de Rosmolenstraat. Op de foto de muur vanaf de doorgang naar de Dobbelsteynporte naar het noorden gezien.

20

87 het oude muurwerk van handgevormde steen is opgehoogd met modern muurwerk van machinale baksteen

Sassen 1913, 180. Simonis 1971, 233.

43

waardenstelling contextuele waarden Het complex van het klooster Agnetenberg is van hoge cultuurhistorische waarde vanwege de belangrijke rol die het huidige gebouw en haar voorgangers hebben gespeeld in de geschiedenis van Sittard. Al in de middeleeuwen waren hier twee belangrijke gebouwen gevestigd: de grafelijke voogdij en het refugiehuis van de familie Dobbelstein. Vanaf 1648 tot 1802 kwam hier het Agnetenbergklooster voor in de plaats, waarvan de zusters enerzijds zich wijdden aan contemplatie en anderzijds aan het onderwijs voor meisjes. In 1857 werd het klooster overgenomen door de Liefdezusters van het Kostbaar bloed, die zowel zorg- als onderwijstaken hadden. Ook zij hebben een belangrijke rol in de Sittardse gemeenschap vervuld. Het complex is van hoge stedenbouwkundige waarde als onderdeel van het historische weefsel van de stad: de kapel en het klooster zijn onderdeel van de historische stadsbebouwing van vóór 1800 en zijn al vele eeuwen in de stad ingebed. De twintigste-eeuwse bebouwing is door zijn schaal minder passend in de oude structuur en heeft weinig stedenbouwkundige waarde. De vernieuwde straatgevels van de noordvleugel vervullen een beeldondersteunende rol in het straatbeeld, waarbij er architectonisch gezien wel een verschil in kwaliteit is (zie hieronder).

Het terrein kan aangemerkt worden als een gebied met een hoge archeologische waarde: hoewel de bodem ongetwijfeld op sommige plaatsen diep verstoord is bij de aanleg van de twintigste-eeuwse gebouwen, blijft het onderdeel van de middeleeuwse stad Sittard en zijn er mogelijk nog resten van de oudste voorgangers, de voogdij en de Dobbelsteyns porte in de bodem aanwezig, evenals sporen uit de kloostertijd. Dergelijke sporen werden in 2001 aangetroffen bij de bouw van het appartementengebouw ‘Dobbelsteynporte’. De architectuurhistorische waarde van het complex verschilt per gebouw. De kerk heeft een sober exterieur, dat wel kenmerkend is voor de late zeventiende eeuw en relatief gaaf is. Het (achttiendeeeuwse) interieur is daarentegen weer rijk uitgevoerd en kent een hoge kwaliteit. De pandhofgevels van de kloostervleugels hebben nog een herkenbare laatzeventiende-eeuwse en vroegachttiendeeeuwse vormgeving met rondboogvensters, muurankers en tandlijsten. Deze zijn daarom van hoge waarde. Ook de (waarschijnlijk negentiende-eeuwse) glas-in-loodramen spelen een belangrijke rol in dit gevelbeeld. De nog zeventiende-eeuwse zuidelijke buitengevel van de zuidwestvleugel is gewijzigd in 1965, maar aan de bouwsporen in de gevel is de oorspronkelijke indeling nog afleesbaar.

De vernieuwde straatgevel van de noordvleugel uit 1965 is kenmerkend voor de latere Wederopbouwperiode en vrij sober van aard, met een verbijzondering rondom de entree. Zowel deze gevel, als de aansluitende gevel met verticale ramen is een licht positieve waarde toe te kennen als representant van de fase 1965 en als kwaliteit in het straatbeeld. De aangrenzende, lange gevel aan de Plakstraat is te sober en weinig bijzonder van aard om een monumentale waarde te geven. Hetzelfde geldt voor de overige buitengevels aan de noordwestzijde. De sacristie uit 1965 is in een niet-vernieuwende, historiserende stijl uitgevoerd, met op zich een lage zeldzaamheid, maar het gebouw is wel passend in het historische ensemble. Ook hier is een positieve waarde aan toe te kennen, vooral vanwege de kwaliteit van het gebouw in het straatbeeld. De bouwhistorische waarde verschilt eveneens per gebouw. De hoogste waarden zijn te vinden in de kapel, die qua casco, gewelven en kapconstructie nog vrij gaaf bewaard is. Ook de zuidoostelijke vleugel langs de kapel en de zuidwestelijke vleugel hebben nog oude buitenmuren, balklagen en kapconstructies, die van hoge waarde zijn. De noordwestelijke en noordelijke kloostervleugels zijn op de pandhofgevels na geheel vernieuwd in 1965 en bezitten daardoor maar beperkte bouwhistorische waarden.

44

interne waarden Exterieur kapel Het exterieur van de kapel is van hoge monumentale waarde vanwege zijn gaafheid, ouderdom en esthetische kwaliteit (mergelstenen blokomlijstingen). De glas-in-loodramen aan de oostzijde dateren uit de negentiende eeuw, met mogelijk oudere ijzeren roeden en zijn eveneens hoog te waarderen vanwege ouderdom, gaafheid en esthetische kwaliteit. Interieur kapel Indeling – De indeling van de kapel is oorspronkelijk en passend bij de functie. De huidige orgeltribune is in de eerste helft van de twintigste eeuw vernieuwd, maar ook in de achttiende-eeuwse situatie was er waarschijnlijk al sprake van een orgeltribune. Het orgel wordt immers in de inventaris uit 1802 genoemd en bevindt zich nu in het Salviuskerkje te Limbricht. Constructie – Zowel de gewelven als de kapconstructie van de kerk zijn oorspronkelijk en grotendeels gaaf bewaard. De gewelven en oorspronkelijke eiken kapspanten, gordingen en daksporen zijn van hoge monumentale waarde. De oostelijke helft van de kapconstructie heeft in 1926 wijzigingen ondergaan, waarbij de oorspronkelijke daksporen en het beschot vernieuwd zijn en extra gordingen zijn geplaatst. Deze onderdelen hebben een indifferente waarde. Afwerkingen – De kapel bevat een ensemble van rijke, achttiende-eeuwse interieurafwerkingen en kerkelijke inrichting.

Het gaat om het hoofdaltaar, de twee zijaltaren, de twee biechtstoelen, de preekstoel, de lambrisering en de ombouw van het tochtportaal van de zijdeur. Deze zijn van hoge monumentale waarde: zowel individueel als ensemble. De beide zijaltaren zijn in de late negentiende eeuw van een nieuwe onderbouw voorzien, die relatief sober is uitgevoerd. Deze onderdelen zijn positief te waarderen. De kerkbanken dateren uit de twintigste eeuw en hebben geen bijzondere monumentale waarde. De biechtstoelen in de achterwand van de kapel en de trap (beide uit de periode 1930-1950) zijn relatief sober uitgevoerd en hebben geen bijzondere monumentale waarde. De vloerafwerking van hardstenen tegels is eveneens relatief jong en heeft geen monumentale waarde. Echter: onder de huidige vloer is plaatselijk een oudere hardstenen vloer met kleinere tegels waargenomen, die mogelijk nog in de gehele kapel aanwezig is en wel van monumentale waarde is. Ook de oude grafsteen, en de waarschijnlijk nog aanwezige crypte daaronder, zijn van hoge waarde, als herinnering aan de eerste priorin(nen) van het klooster. De stucafwerking van de gewelven dateert uit de vroege achttiende eeuw en is van hoge waarde. Exterieur zuidoostvleugel De zuidoostelijke kloostervleugel is tegen de kapel aangebouwd en heeft een laatzeventiende-eeuwse gevel aan de pandhofzijde.

Deze gevel is van hoge waarde vanwege de voor de bouwtijd karakteristieke architectuur met rondboogvensters, kloostervensters, muurankers en tandlijsten en de relatieve gaafheid van het gevelbeeld. Ook de negentiende-eeuwse glas-in-loodramen zijn van hoge waarde. Interieur zuidoostvleugel Indeling – Op de begane grond is een doorlopende kloostergang, waarvan de structuur van hoge waarde is als onderdeel van de pandhof met kloostergang, die bij de opzet van het klooster uit ca.1700 hoort. Op de verdieping is er één lange kamer (vroeger bibliotheek), die verder geen bijzondere indeling heeft. Constructie – De zuidoostelijke vleugel heeft nog de historische eiken balklaag ter hoogte van de zoldervloer en een eiken kapconstructie (bestaande uit halve jukken). Deze onderdelen zijn van hoge

45

monumentale waarde vanwege hun ouderdom en bouwhistorische waarde. De rond 1926 vernieuwde naaldhouten daksporen en het dakbeschot hebben geen monumentale waarde, evenals de vernieuwde kinderbinten van de zoldervloerbalklaag. De vernieuwde vloer van de eerste verdieping heeft geen monumentale waarde Afwerkingen – De hardstenen tegels van de kloostergang zijn herplaatst en als vloer niet meer oorspronkelijk. Vanwege de relatie met de kloostergang en de ouderdom van het materiaal is de vloer positief gewaardeerd. Op de verdieping zijn geen bijzondere interieurafwerkingen aanwezig. Exterieur zuidwestvleugel De pandhofgevel van de zuidwestelijke kloostervleugel is van hoge waarde vanwege de voor de bouwtijd karakteristieke architectuur met rondboogvensters, kloostervensters en tandlijsten en de relatieve gaafheid. Ook de gesmede muur- en jaarankers zijn onderdeel van de hoge waarde, evenals de negentiende-eeuwse glas-in-loodramen. De gevel aan de zuidwestzijde is gewijzigd in 1965 maar de bouwsporen in het metselwerk tonen de oorspronkelijke opzet. De vernieuwde ramen en deuren hebben geen monumentale waarde, evenals de (vergrote) vensteropeningen op de verdieping. De kopse gevel aan de zuidoostzijde is bij de verbouwing van 1965 ook gewijzigd, waardoor er weinig historisch metselwerk meer aanwezig is: alleen de structuur is nog oud.

Deze gevel is daarom positief gewaardeerd, inclusief de enigszins decoratieve erker die in 1965 is toegevoegd. Interieur zuidwestvleugel Indeling – Door vergelijking van de opmetingstekeningen van de situatie vóór 1965 en de verbouwingstekeningen van architect H. Palmen, is duidelijk dat zowel op de begane grond als op de verdieping van de zuidwestvleugel alleen de hoofdindeling nog oorspronkelijk is: namelijk die van de kloostergang langs de pandhof en de grote ruimte achter de kapel. Deze structuur is hoog te waarderen. De secundaire wanden zijn gewijzigd in 1965 en van indifferente waarde. Op de tweede verdieping is de gehele indeling niet ouder dan 1965 en indifferent gewaardeerd. Constructie – De balklagen boven de begane grond en eerste verdieping zijn in 1965 vernieuwd, er is geen sprake meer van monumentale waarde. Van de historische kapconstructie resteren nog de spanten met kromstijljukken met nokstijlgebinten, vijf in totaal. Deze zijn van hoge waarde vanwege hun samenhang en ouderdom. De rond 1965 vernieuwde gordingen, daksporen en het dakbeschot zijn van indifferente waarde. Afwerkingen – Door de rigoureuze verbouwing in 1965 zijn er weinig historische interieurafwerkingen meer aanwezig in de vleugel. Mogelijk dat er bij stripwerkzaamheden nog sporen van plafond- of vloerafwerkingen in het zicht komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=3abcfaf8-e92c-4cf1-bf5b-dc09a397b17d