05 Onderbouwing Koestraat 28f Obbicht
Tekst van het document
Het plan voegt structureel twee nultreden appartementen toe aan planvoorraad. De in de SWZL genoemde compensatieplicht is anno 2021 losgelaten op basis van de Beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’. Dit heeft invloed op de toepassing van de compensatieregeling zoals genoemd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Conclusie De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
21
3.4 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 (2016) Op 15 december 2016 is de Omgevingsvisie Sittard-Geleen door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie schetst een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Sittard-Geleen, de ambities en opgaven. De omgevingsvisie is vertaald in een kaartbeeld zoals opgenomen in figuur 10. Figuur 10: Uitsnede kaart Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 waarop de kern Obbicht staat aangegeven
Het plangebied ligt in het stedelijk gebied, waar voor de kern Obbicht het accent ligt op het versterken van de samenhang in het dorp. Op andere kaarten in de Omgevingsvisie is de kern Obbicht ook aangeduid als 'dorps wonen'. De daarbij horende opgave is tevens het zoveel mogelijk op peil houden van het voorzieningenniveau en daarmee van de leefbaarheid. Toetsing Het planvoornemen voorziet in de bouw van levensloopbestendige appartementen in het stedelijk gebied in het goedkopere huursegment. Daaraan is een tekort. Het planvoornemen biedt de mogelijkheid voor starters en senioren om eigen het eigen dorp te blijven wonen. Het plan maakt doorstroming op de lokale woningmarkt mogelijk en voorziet in een bijdrage aan behoud van de vitaliteit en leefbaarheid van een kleine dorpskern. Conclusie De gemeentelijke Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 (2016) De ‘Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020, Goed wonen in Sittard-Geleen’ beschrijft de gemeentelijke ambities en prioriteiten van het woonbeleid, met een toekomstperspectief voor wonen in 2040. De ambities en prioriteiten zijn gebaseerd op de ontwikkelingen op de woningmarkt en de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en bovenliggende beleidskaders (met name SWZL).
De ambities voor de periode 2016-2020 om te komen tot een prettig woon-en leefmilieu in een aantrekkelijke regio zijn: 1. Zorgen voor voldoende woningen passend bij de(toekomstige) omvang van de bevolking en doelgroepen. • Het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave door het maximaal reduceren van de plancapaciteit, behalve voor Zitterd Revisited; • Het samen met andere partijen onderzoeken en ontwikkelen van een aanpak voor de transformatieopgave (verdunningsopgave) van de particuliere voorraad. 2. Betaalbaarheid en beschikbaarheid van de woningvoorraad voor de sociale doelgroep.
22
3. Versterking van de kwaliteit van het woningaanbod: comfort, duurzaamheid, levensloopbestendig en deels aangepast aan de zorgvraag. • Een sterke focus op de verduurzaming van de woningvoorraad. De klimaatverandering en de eisen om te voldoen aan een gezonde leefomgeving hebben consequenties voor het wonen. De ambitie is om dit te doen door ruimtelijke adaptatie (het aanpassen van de ruimtelijke inrichting van de bebouwde omgeving aan de gevolgen van het veranderende klimaat) en maatregelen voor het realiseren van comfortabele, energiezuinige, veilige en toegankelijke woningen met een gezond woon/leefklimaat; • Een sterke focus op wonen en zorg 4. Een duidelijke ruimtelijke focus. • Versterking van het centrum stedelijke woonmilieu. Door in samenhang met andere functies te verdichten wordt een kwalitatief hoogwaardige centrum stedelijk woonmilieu met een divers woningaanbod gerealiseerd. Het centrum stedelijk wonen is vooral aantrekkelijk voor jongeren, alleenstaanden, samenwonenden zonder kinderen en ouderen. Het stimuleren van het centrum stedelijk wonen is in het bijzonder gericht op het centrum van Sittard. De plannen voor de stedelijke woonsfeer zijn onderdeel van de actualisatie Zitterd Revisited en de actualisatie centrumplan Geleen. • Het realiseren van onderscheidende suburbane woonmilieus en een divers woonaanbod door verdunning en vergroening.
Dit zal met name plaats vinden in de wijken en buurten rondom de kernen en de stedelijke centra. Met deze aanpak wordt de diversiteit tussen verschillende buurten en wijken versterkt, bijvoorbeeld door meer ruimte voor groen en water in de stad. • Het in stand houden van kwalitatief hoogwaardige landelijke woonmilieus met behoud van de eigen identiteit en landschappelijke kwaliteit. 5. Focus op de transformatie van leegstaand cultureel erfgoed en ruimte voor het faciliteren van pilot projecten en experimenten op het gebied van wonen wanneer dit niet direct leidt tot concurrentie met andere projecten en de bestaande voorraad. 6. Verbeteren van de doorstroming op de woningmarkt en inspelen op vraag naar huurwoningen en tijdelijk wonen. 7. Investeren in de (regionale) samenwerking met zowel publieke als private partijen. Ruimtelijk gezien is In de kleinere kernen de consolidatie van de historische linten van belang. De woonfunctie kan worden gekoppeld aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de linten (verwijderen ‘rotte kiezen’, herontwikkeling leegstaande panden). In de kleinere kernen wordt niet meer gebouwd dan nodig is om de eigen bevolkingsgroei op te vangen. De gemeente zet in op het behoud van de leefbaarheid in de kleinere kernen. Dit hangt nauw samen met het aanbod aan verenigingsleven en voorzieningen (zowel maatschappelijk als commercieel).
In de kleine kernen wordt niet meer gebouwd dan noodzakelijk om te voorzien in de eigen woningbehoefte. Toetsing Met name de ambities 1 tot en met 3 en 6 zijn van toepassing op het planvoornemen. Het planvoornemen zorgt voor de inbreng van twee permanente en twee tijdelijke appartementen. Dit zijn betaalbare levensloopbestendige nultreden woningen, in het goedkope huursegment (huurprijs liggend onder de maximale huursubsidiegrens), die geschikt zijn voor de doelgroep van (lokale) senioren en starters. Hieraan bestaat behoefte. De planontwikkeling draagt bij aan de doorstroming op de lokale woningmarkt en speelt in op de vraag naar huurwoningen en tijdelijk wonen. Daarnaast gaat het planvoornemen uit van herontwikkeling van leegstaande panden. Daarmee wordt langdurige leegstand en verloedering van bestaand vastgoed in een historisch dorpslint voorkomen, wat de leefbaarheid en behoud van de omgevingskwaliteit ook ten goede komt. Conclusie De Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
23
Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2021) In juli 2015 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ vastgesteld. Die is in 2021 geactualiseerd. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet vastgesteld en geactualiseerd met als doel de werkprocessen rondom de verlening van omgevingsvergunningen te kunnen stroomlijnen en versnellen. De Nota schrijft niet voor ‘hoe het moet’ maar wel waar initiatiefnemers op moeten letten als ze plannen willen maken. Hierdoor ontstaat meer vrijheid en keuze voor de initiatiefnemer. In deze Nota wordt meer aandacht gevraagd voor de beeldbepalende elementen in de gemeente: de stadscentra, het landschap, de hoofdwegen en entrees tot de gemeente, de stedelijke groengebieden, maar ook het erfgoed. In de woonwijken en de werkgebieden wordt ingezet op een basiskwaliteit. Voor kleine bouwinitiatieven en objecten kan de initiatiefnemer kiezen voor een standaardoplossing aan de hand van voorbeelden uit het Handboek. Met het raadplegen ervan kan worden volstaan. Komt het bouwwerk overeen met een van de voorbeelden dan voldoet het aan redelijke eisen van welstand en blijft de formele toets van de ARK (Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit) achterwege. De omgevingsvergunning wordt spoedig verleend, met tijdwinst voor de aanvrager.
Als een initiatief niet past binnen de regels van het Handboek, blijft maatwerk mogelijk: het initiatief gaat dan ter beoordeling naar de ARK. In de nota staan criteria benoemd die altijd van toepassing zijn en criteria die gelden vanuit een gebiedseigen karakteristiek. Vaste criteria Een initiatief wordt door de ARK getoetst op onderstaande vaste criteria. Dit zijn de criteria die altijd gelden. Ruimtelijke inpassing • Een initiatief respecteert de stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur. • Een initiatief sluit qua maat en schaal aan bij de omliggende bebouwing en bij de klein- of grootschaligheid van het dorp, de stad of het landschap als geheel. ‘Contrasteren met’ vraagt daarbij om een uitgebreidere argumentatie dan ‘zich voegen naar’. Voor het landschap geldt dat beplantingen moeten passen bij het bestaande beplantingsbeeld van het betreffende gebied. • Een initiatief levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het omgevingsbeeld in de stad, de dorpen of het landschap. Hoe groter de openbare betekenis van een gebouw of plek (dus hoe meer het door mensen wordt gebruikt en/of gezien) hoe hoger de eisen op dit gebied. • Een initiatief houdt rekening met de samenhang tussen de inrichting van de straat en de gebouwen (gevels), aangezien dit wordt ervaren als één geheel.
Verschijningsvorm Hoofdvorm • Nieuwbouw heeft een bij de omliggende bebouwing passende hoofdvorm. • Uitgangspunt is de samenhang binnen een ontwerp. Ruimtes, volumes en vlakken zijn in evenwichtige maatverhoudingen ontworpen. • Bijgebouwen en opbouwen zijn herkenbaar als op zichzelf staande volumes en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Gevelopbouw • Het gevelontwerp is consequent, goed van verhouding en qua indeling, dieptewerking en plasticiteit afgestemd op de omliggende bebouwing. • Ingrepen aan de gevel, waaronder nieuwe balkons en luifels of winkelpuien, passen binnen de structuur, maat en schaal van het hoofdgebouw en refereren bij monumenten aan de oorspronkelijke, historische situatie. • Technische installaties moeten geïntegreerd zijn in de architectuur en aansluiten bij de vormgeving van een gebouw en zijn omgeving. Zij mogen geen afbreuk doen aan de architectonische uit- straling van een gebouw. Bij nieuwbouw dan wel verbouwingsplannen moeten installaties integraal worden opgenomen in het ontwerp. 24
Overgangen privé-openbaar • Entreegebieden van gebouwen, inclusief luifels en reclame-uitingen, zijn uitnodigend en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven. • Begane grondgevels aan de openbare ruimte hebben een bij de situatie passende openheid. In woon, winkel-, en werkgebieden zijn dichte gevels (bergingen) aan de straat ongewenst. • Integrale toegankelijkheid. Openbare gebouwen moeten toegankelijk zijn voor alle bezoekers, waaronder ook mensen met een beperking en/of hulpmiddel. De toegankelijkheid van het gebouw via de openbare ruimte of het omliggend gebouwterrein maakt onderdeel uit van de planvorming. Bij een ontwerp van een (semi)-openbaar gebouw wordt een terreininrichtingsplan gevraagd. De eisen van de toegankelijkheid moeten voldoen aan het Handboek Toegankelijkheid. Materiaal, kleur en detaillering • Kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omliggende bebouwing. Er wordt aangesloten bij het regionaal gebruik van kleuren en materialen. • Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen de verschijningsvorm op samenhangende wijze. • Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. • Materialen zijn zo duurzaam mogelijk, bijvoorbeeld door het toepassen van hergebruikte materialen.
Gebiedseigen karakteristieken Het plangebied is gelegen in een 'Woongebied' en dient rekening te houden met onderstaande criteria. Ruimtelijke inpassing • Een hechte samenhang tussen openbare ruimte, groen en bebouwing, die met name in de naoorlogse wijken zichtbaar is. Verschijningsvorm • De pandsgewijze opbouw, de individuele uitstraling, de zorgvuldige architectuur en traditionele materialisering van gebouwen aan de historische routes in de steden en dorpen. De panden zijn goed te onderscheiden. De oudste bebouwing was wit met een donkere plint, opgebouwd uit mergel, Naamse hardsteen en later baksteen. Ondanks het individuele karakter kent het bebouwingsbeeld een zeer sterke samenhang. • Langs de historische bebouwingslinten het behoud en versterken van het traditionele beeld van boerderijgebouwen met hun toegangspoorten. Met de introductie van nieuwe poorten zal terughoudend moeten worden omgegaan. • De meer eenvoudige, projectmatige architectuur in de vroege naoorlogse uitbreidingswijken (jaren vijftig en zestig), in karakter dorps door het gebruik van baksteen en pannendaken. Doordat deze woningen in serie werden gebouwd kent de straatwand een grote mate van repetitie, maar door de bescheiden schaal en maat van de gebouwen doen ze nog ‘dorps’ aan, zelfs in de steden.
• De diversiteit en kleinschaligheid in het straatbeeld van de latere uitbreidingswijken vanaf de jaren zeventig. Deze diversiteit is gezocht door individuele woningen, en het geven van een eigen architectuur per bebouwingscluster. De randen van deze wijken bestaan vaak uit individuele (villa)woningen met een geheel eigen uitstraling. • Het individuele karakter en de afwijkende vormgeving van kloosters, kerken, scholen en andere op zichzelf staande bebouwing. • Het reclame-, terrassen- en uitstallingenbeleid. Toetsing Het planvoornemen betrfet een zogenoemd kruimelgeval. Het bouwplan behoeft zodoende geen toetsing aan redelijke eisen van welstand. Conclusie De Nota Ruimtelijke Kwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. 25
Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot Site/Westelijke Mijnstreek (2011) Sinds 2011 geldt de 'Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site/Westelijke Mijnstreek'. Deze beleidsvisie is een intergemeentelijk beleidskader voor externe veiligheid rond de Chemelot-site, waarmee belangen van ruimtelijke ordening enerzijds en (bedrijfs-) economische belangen anderzijds voor de lange termijn worden geborgd. Om de leefbaarheid van de Westelijke Mijnstreek te behouden en te verbeteren worden randvoorwaarden gesteld aan ontwikkelingen op de Chemelot-site. Hierdoor worden burgers in de omgeving van de site zo min mogelijk blootgesteld aan eventuele risico's die handelingen met gevaarlijke stoffen met zich meebrengen. In figuur 11 is de invloedszone rondom de Chemelot-site in beeld gebracht. Toetsing Uit figuur 11 volgt dat het plangebied niet is gelegen in de (blauwe) contour van het invloedsgebied van de Chemelot-site. Er gelden voor het planvoornemen geen belemmeringen vanuit deze beleidsvisie. Conclusie De Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot Site/Westelijke Mijnstreek vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Figuur 11: Overzichtskaart en groepsrisicomatrix voor verantwoorde ontwikkelingen rond de Chemelot-site
Nota Parkeernormensystematiek (2012) De de gemeente Sittard-Geleen heeft haar parkeernormenbeleid in 2012 geactualiseerd en vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’. De gemeente sluit daarbij aan bij de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering', waarbij een onderscheid is gemaakt tussen een drietal stedelijke zones: 'centrum’, ‘schil/overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Bij de toepassing van de parkeernormering is rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van de gemeente, die is klasse 3 'matig stedelijk'. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen de plannen aan de gemeentelijke parkeernormensystematiek te voldoen. Dit is ook vastgelegd in de facetbeheersverordening Parkeren (2018). Toetsing De Nota Parkeernormensystematiek is verwerkt in het planvoornemen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.5 'Verkeer'. Conclusie De Nota parkeernormensystematiek vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. 26
4.
TOETSING AAN MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk vindt de toetsing van het planvoornemen plaats aan diverse (milieu)aspecten en aan de (milieuhygiënische) inpasbaarheid in zijn omgeving. Beoordeeld wordt of en in hoeverre het planvoornemen leidt tot een onevenredig nadelige aantasting van de milieusituatie en/of van het bestaande woon- en leefklimaat. Kortom: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening?
4.1 Bodem Voor de planrealisatie is een verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd en een verkennend asbestonderzoek, zoals voorgeschreven in de Nederlandse normen NEN 5740 en NEN 57072. Toetsing Uit het onderzoek komt naar voren dat de bovengrond plaatselijk matig tot licht is verontreinigd. De ondergrond is vanaf 1,0 tot 2,0 meter niet verontreinigd. Er is geen sprake van asbestverontreiniging. Uit de resultaten van het PFAS-onderzoek blijkt, dat de aangetroffen overschrijdingen geen invloed op de bodemkwaliteit ter plekke hebben. Het uitvoeren van een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Vanuit bodemkwaliteit is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.2 Archeologie en cultuurhistorie Het planvoornemen gaat hoofdzakelijk uit van een interne verbouwing en herbestemming voor woondoeleinden. Er worden binnen het plangebied geen nieuwe bouwwerken opgericht. Ter plaatse van de te verwijderen bouwsels hebben in het verleden reeds grondroerende werkzaamheden plaatsgevonden. Er worden verder geen nieuwe grondroerende werkzaamheden uitgevoerd dieper dan 0,30 m onder maaiveld. Toetsing Voor realisatie van het planvoornemen vinden geen (nieuwe) werkzaamheden in de bodem plaats. Archeologische niet in het geding.
Cultuurhistorische waarden komen niet voor in (de nabijheid) van het plangebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Archeologische en cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Vanuit archeologie en cultuurhistorie is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.3 Waterhuishouding Het planvoornemen gaat hoofdzakelijk uit van een interne verbouwing en herbestemming voor woondoeleinden. Er worden binnen het plangebied geen nieuwe bouwwerken opgericht, wel worden overbodige bouwsel weggehaald. Toetsing Er vindt als gevolg van het planvoornemen geen uitbreiding plaats van bebouwd of verhard oppervlak. Per saldo ontstaat minder verhard oppervlak, waardoor vergroening optreedt van het plangebied. Er ontstaat daarmee geen nieuwe water(infiltratie)opgave. Conclusie De waterbelangen vormen geen belemmering voor dit planvoornemen. Er is vanuit het thema water sprake van een goede ruimtelijke ordening.
2
27
4.4 Natuur Het planvoornemen gaat uit van een interne verbouwing en herbestemming voor woondoeleinden. Er worden binnen het plangebied geen nieuwe bouwwerken opgericht. Toetsing Het plangebied ligt in de bebouwde kom van de kern Obbicht, niet in een beschermd natuurgebied. De inpandige verbouwingen en de toekomstige woonfunctie leiden niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden noch op beschermde flora- en faunasoorten. Het planvoornemen leidt bovendien tot een afname van de verkeersattractie (zie volgende paragraaf) en daarmee tot een afname van de hoeveelheid stikstofdepositie in Natura2000-gebieden. Omdat negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en beschermde flora- en faunasoorten zijn uit te sluiten, is een natuurvergunning niet aan de orde. Conclusie Natuurwaarden vormen geen belemmering voor de planrealisatie. Vanuit natuurbelangen is sprake van een goede ordening. 4.5 Verkeer De verkeerseffecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn hieronder in beeld gebracht. Daarbij gaat het om de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte die het planvoornemen teweegbrengt. Toetsing Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie (het aantal autoritten op een gemiddelde dag van en naar de locatie) wordt doorgaans gebruik gemaakt van de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'.
De gemeente Sittard-Geleen houdt een stedelijkheidsgraad aan die valt in klasse 3, dit is 'matig stedelijk'. Het plangebied ligt daarbij in de zone 'rest bebouwde kom'. De verkeersgeneratie in deze zone voor huurappartementen in het goedkope segment (incl. sociale huur) bedraagt minimaal 3,2 en maximaal 4,0 verkeersbewegingen per appartement per etmaal. Bij het planvoornemen gaat het om twee appartementen. Die leiden tot maximaal 8,0 verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Dit is substantieel minder dan in de huidige situatie, bij een horecabestemming. De horecafunctie (café/bar/cafetaria, circa 160 m2 bvo) levert een maximale verkeersgeneratie op van 22 bewegingen per dag3. De herbestemming leidt uiteindelijk tot aanzienlijk minder verkeer van en naar het plangebied, wat de verkeersveiligheid en leefbaarheid ten goede komt. Parkeerbehoefte De gemeente Sittard-Geleen heeft haar parkeernormenbeleid vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen SittardGeleen Parkeernormensystematiek’. Het plangebied ligt volgens deze systematiek binnen het gebied 'rest gemeente'. In dit gebied hanteert de gemeente een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning/appartement, waarvan het aandeel voor bezoekersparkeren 0,3 is. Voor de twee nieuwe appartementen komt dit neer op een benodigde parkeercapaciteit van vier parkeerplaatsen op eigen terrein. Het plan voorziet in deze parkeercapaciteit.
Ten opzichte van de horecafunctie zorgt het planvoornemen ook voor een afname van de parkeerdruk. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Verkeerskundig gezien is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
3 De verkeersgeneratie is afgeleid van de parkeerbehoefte (maximaal 7,0 parkeerplaats per 100 m2 bvo) en een turnover van twee (twee keer per dag wordt dezelfde parkeerplaats gebruikt door een andere auto).
28
4.6 Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Milieuzonering dient twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten. Dat is voor geur, stof, geluid en gevaar. Daarbij legt de VNG-publicatie niet vast wat wel en niet is toegestaan. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient dit dan op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden. Conform de VNG-publicatie ligt het plangebied in een 'gemengd gebied', Er is sprake van een gebied met een matige functiemenging, met een mix van bestemmingen zoals horeca, wonen en gemengd.
Vanwege de ligging in een gemengd gebied kunnen VNG-richtafstanden, die gelden voor milieuhinderlijke functies, met één afstandsstap worden verlaagd ten opzichte van een ligging in een rustige woonwijk. Toetsing De herbestemming naar uitsluitend wonen levert een verbetering op van het heersende woon- en leefklimaat. Wonen is géén hinderveroorzakende functie, dit in tegenstelling tot de huidige horecafunctie. De woonfunctie leidt ook niet tot beperkingen voor de uitoefening van de andere (horeca)functies in de nabijheid. Die liggen al ingesloten tussen de bestaande woonbebouwing in. Conclusie Vanuit de milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de realisatie van het planvoornemen. Vanuit milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.7 Geluid De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder stelt dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bebouwing niet de 48 dB mag overschrijden. Wanneer een bestemmingsplan(wijziging) nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing toestaat, stelt de Wet geluidhinder in beginsel de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen op een bepaalde afstand van die woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing.
Toetsing Het plangebied is niet gelegen nabij een auto(snel)weg, spoorlijn of industrie. Het plangebied ligt midden in de dorpskern Obbicht. Binnen de kern Obbicht geldt een maximale rijsnelheid van 30 kilometer/uur op alle wegen. Wegen met een 30 kilometer/uur-regime hebben vanuit de Wet geluidhinder geen onderzoekszone voor wegverkeerslawaai. Akoestisch onderzoek naar eventuele belemmeringen voortvloeiend uit wegverkeerslawaai, railverkeerlawaai of industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Vanuit de akoestiek is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
29
4.8 Luchtkwaliteit Lucht is van belang voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het doel van de Wet Luchtkwaliteit is om mensen te beschermen tegen de risico's van luchtverontreiniging. Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project daagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; • een project past binnen het NSL (nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’.
Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Na de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (1 augustus 2009) geldt dat projecten die minder bijdragen dan 3% van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) ‘niet in betekenende mate’ bijdragen. Deze 3%-norm komt overeen met 1,2 μg/m3 voor zowel NO2 als PM10. In de Regeling ‘niet in betekenende mate’ zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden achterwege kan blijven. De Regeling NIMB kent onder andere een categorie ‘kantoorlocaties en woningbouwlocaties’, waarvoor geen toetsing aan de grenswaarden hoeft plaats te vinden als het aantal woningen respectievelijk het brutovloeroppervlak aan kantoren onder een bepaalde drempel blijft. Hiervan is sprake bij realisatie van woningbouwlocatie tot 1.500 woningen, indien ontsloten door één ontsluitingsweg, en bij locaties tot 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Toetsing Door het planvoornemen ontstaan twee nieuwe wooneenheden.
Omdat dit aantal ruim onder de drempelwaarde valt van 1.500 woningen, hoeft op basis van de `Regeling NIMB' geen toetsing plaats te vinden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht. Omdat het plan ook minder verkeer genereert (zie paragraaf 4.5), levert de planontwikkeling daarenboven een positieve bijdrage aan de luchtkwaliteit. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Met betrekking tot luchtkwaliteit is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.9 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken Onderzocht is of het planvoornemen binnen de invloedsfeer ligt van het vervoer gevaarlijk stoffen over weg, water, rail of buisleidingen, dan wel in de nabijheid van Wm-inrichtingen alwaar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, verwerkt en/of overgeslagen.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om bij de beoordeling van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 30
Onder het plaatsgebonden risico wordt verstaan de kans per jaar dat één (fictief) persoon, die zich permanent en onbeschermd op dezelfde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico kan als een cirkel rond een Wm-inrichting of als een lijn langs een vervoersas worden weergegeven; dit zijn de zogenoemde risicocontouren. Voor het plaatsgebonden risico geldt een wettelijke norm. Voor kwetsbare objecten, bijvoorbeeld woningen, geldt een grenswaarde waarbij nieuwe objecten niet binnen een 10-6/jaar contour mogen liggen. Het bedrijfsgebouw met inbegrip van de tijdelijke nieuwe functies behoort niet tot de categorie van kwetsbare objecten. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kans per jaar, dat ten minste tien of meer personen komen te overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een Wm-inrichting of transportroute, bij een ongeval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Als ook binnen het plangebied wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen (productie, overslag, bewerking) kan ook de veiligheid van bedrijven en personen in de omgeving nadelig worden beïnvloed. Bij dit planvoornemen is hiervan geen sprake, zodat dit effect niet behoeft te worden onderzocht.
Ten aanzien van de verantwoordingsplicht wordt onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. • Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen te worden overwogen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR of maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. • Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART, paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een transportroute of buisleidingtracé ligt.
Een beperkte verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een plangebied zich wel bevindt binnen dit invloedsgebied. In de HART zijn daarover per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. Toetsing Plaatsgebonden risico Uit de landelijke risicokaart is op te maken welke risicobronnen te vinden zijn in de nabijheid van het plangebied en wat de bijbehorende PR-contouren rondom deze bronnen zijn. Het blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicobron aanwezig is. Alle bronnen van vervoer van gevaarlijke stoffen liggen op ruime afstand van het plangebied. • De dichtstbijzijnde bron is het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Julianakanaal, gelegen op ruim 600 meter afstand van het plangebied. De PR-contour is volgens de Regeling Basisnet Water gelijk aan 0 meter. Het plaatsgebonden risico vanuit de vaarweg heeft zodoende geen invloed op de ontwikkeling van het planvoornemen. • Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg is de A2 relevant. De A2 bevindt zich ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 1.900 meter. De PR-contour van de A2 ligt op 17 meter, daarmee op zeer ruime afstand van het plangebied. Gezien deze afstand is het plaatsgebonden risico van het vervoer over de weg niet relevant voor de ontwikkeling van het planvoornemen.
• Het vervoer van gevaarlijk stoffen over het spoor vindt plaats op een afstand van meer dan 5 kilometer, dit is over het traject Sittard-Roermond. De PR-contour rondom deze spoorlijn varieert, afhankelijk van de spoorvak, tussen de 1 en 10 meter. Gezien deze afstand heeft het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor geen invloed op het plaatsgebonden risico voor het plangebied. 31
•
Er zijn geen Wm-inrichtingen in de directe nabijheid aanwezig, wel ligt op enige afstand een ondergrondse buisleiding. Op een afstand van ruim 1 kilometer ligt ten oosten van het plangebied een PRB-buisleiding van Sabic Pipelines B.V. Deze buisleiding heeft een risicocontour van 12 meter. Het plangebied ligt buiten deze contour, waardoor ook de aanwezigheid van deze buisleiding geen invloed heeft op het plaatsgebonden risico.
Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico behoeft niet te worden gemaakt, omdat de afstand tussen de transportassen en het plangebied meer dan 200 meter bedraagt. Daarnaast geldt dat door het planvoornemen dat de personendichtheid afneemt in het plangebied, waardoor ook het groepsrisico afneemt. De woonfunctie zorgt per saldo voor minder aanwezige personen in het plangebied dan bij de huidige horecabestemming. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico in dit geval dan ook niet aan de orde. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Vanuit externe veiligheid is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
32
5.
UITVOERBAARHEID
5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De ruimtelijke motivering is opgesteld in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning, waarbij op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2o Wabo wordt afgeweken van het van toepassing zijnde bestemmingsplan, dit is 'Veegplan' van de gemeente Sittard-Geleen. Dit gebeurt op basis van de kruimelgevallenregeling, zoals opgenomen in bijlage II, artikel 4, lid 9 Bor voor de permanente bewoning van de twee appartementen op huisnummer 28 F. Procedure omgevingsvergunning Het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen is bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. Op de voorbereiding van een besluit tot het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 eerste lid onder a, onder 2° Wabo juncto artikel 4 lid 9 van Bijlage II bij het Bor is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing conform paragraaf 3.2 van de Wabo. In het kader van deze afwijkingsprocedure, onder de reguliere Wabo-procedure, hoeft formeel geen vooroverleg te worden gevoerd met mede-overheden. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is gedaan op 8 maart 2022. De procedure is geschorst, daarop is nog niet beslist. Deze ruimtelijke motivering is opgesteld ten behoeve van de aanvraag. De gemeente Sittard-Geleen heeft besloten om onderhavige planwijziging onderdeel te laten zijn van het nieuwe ‘Veegplan 2023’.
Dit nieuwe Veegplan is als ontwerp bestemmingsplan op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Voor 26 deelgebieden binnen de gemeente worden in dit kader kleine juridische-planologische wijzigingen doorgevoerd. De gemeente heeft ervoor gekozen om onderhavige planwijziging daarvan onderdeel te laten zijn (deelgebied 25). 5.2 Economische uitvoerbaarheid Alle investeringen worden bekostigd door de initiatiefnemer. De investeringen worden gedekt uit de exploitatie van het project. Gemeentelijke investeringen zijn hierbij niet in het geding. De kosten voor de ambtelijke ondersteuning bij de planwijziging moeten, op grond van de Grondexploitatiewet, worden verhaald via een anterieure overeenkomst. Deze overeenkomst dient te zijn gesloten voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning of bestemmingsplan. Voor de kosten van de van tegemoetkoming van eventuele optredende planschade, dient een afzonderlijke overeenkomst te zijn gesloten. Door de planontwikkeling zijn door of met medewerking van de gemeente geen activiteiten noodzakelijk voor het treffen van aanpassingen aan voorzieningen van openbaar nut. Er zijn bij dit plan dan ook geen andere kosten in het geding die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen dienen te worden. De economische uitvoerbaarheid voor de afwijking op het bestemmingsplan zijn op deze wijze gewaarborgd.
33
6.
INTEGRALE BELANGENAFWEGING Planvoornemen Het planvoornemen is een inpandige verbouwing en inpandige functiewijziging van een voormalig horecapand naar twee grondgebonden appartementen, in het goedkope huursegment (huurprijs liggend onder de maximale huursubsidiegrens). Die zijn geschikt voor de doelgroep van (lokale) senioren en starters. Hieraan bestaat een kwalitatief tekort in de kern Obbicht. Het plan speelt daarmee in op de lokale woningbehoefte. Vanwege het planvoornemen worden ook overbodige en vervallen bouwsels gesloopt die ten dienste stonden van de horecafunctie. Het aansluitend terrein wordt opnieuw ingericht, waarbij de elk appartement een eigen tuin en parkeervoorziening krijgt. Zodoende neemt het oppervlak aan bebouwing en verharding af en treedt vergroening van het plangebied op. Strijdig gebruik opheffen Om bewoning van deze appartementen mogelijk te maken, dient te worden afgeweken van de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Veegplan' van de gemeente Sittard-Geleen (2019). De afwijkingen kunnen door middel van de kruimelgevallenregeling planologisch mogelijk worden gemaakt. Dit is op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2o Wabo in combinatie met bijlage II, artikel 4, lid 9 Bor.
Voor het opheffen van het strijdig gebruik met het Veegplan 2019 is op 8 maart 2022 een aanvraag ingediend voor omgevingsvergunning voor de activiteit 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'. De lopende procedure is geschorst, daarop is nog niet beslist. Onderhavige ruimtelijke motivering maakt onderdeel uit van deze aanvraag. De gemeente Sittard-Geleen heeft besloten om de voorgenomen planwijziging onderdeel te laten zijn van het nieuwe Veegplan 2023. Het ‘Veegplan 2023’ is als ontwerp bestemmingsplan op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Voor 26 deelgebieden binnen de gemeente worden in dit kader kleine juridische-planologische wijzigingen doorgevoerd. De gemeente heeft ervoor gekozen om onderhavige planwijziging daarvan onderdeel te laten zijn (deelgebied 25). Belangenafweging Bij het verlenen van deze omgevingsvergunning en/of bestemmingsplanwijziging geldt als voorwaarde dat voor het planvoornemen moet zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Deze ruimtelijke motivering wijst namelijk uit dat de realisatie van het planvoornemen aanvaardbaar en haalbaar wordt geacht, omdat: • de vigerende beleidskaders van rijk, provincie en gemeente geen belemmering vormen; • er geen ruimtelijke, stedenbouwkundige of landschappelijke belemmeringen zijn; • er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn; • het woon- en leefklimaat in de omgeving niet nadelig wordt beïnvloed; • de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd. Eindconclusie De eindconclusie is dat het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
34