04.3 Toelichting BP Mauritspark met markeringen
Tekst van het document
4
Grenspaal12, ‘Verkeersgeneratie- en parkeerberekening Bestemmingsplan Mauritspark Sittard-Geleen’, kenmerk: 20-0412-01, d.d. 9 april 2021.
Hoofdstuk 4
26
4.2.2 Industrielawaai Binnen het plangebied bevinden zich op dit moment nog 6 woningen. Deze woningen zijn door de gemeente Sittard-Geleen in eigendom verkregen en zijn per 1 november 2023 niet meer bewoond en worden op korte termijn gesloopt. Ook de bebouwing waarin de maatschappelijke functie is gehuisvest is inmiddels door de gemeente verworven en zal gesloopt worden. Het plangebied valt volledig binnen de 50 dB(A) geluidscontour van Chemelot. Realisatie van geluidsgevoelige bebouwing (zoals woningen en scholen) is binnen deze contour niet mogelijk, tenzij hogere grenswaarden worden vastgesteld. Het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Mauritspark’ voorziet niet in de bouw van geluidgevoelige bebouwing. Overeenkomstig de Wet geluidhinder is de 50 dB(A)-contour opgenomen in dit bestemmingsplan. Het hele plangebied is daarom voorzien van de aanduiding ‘geluidzone - industrielawaai’. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is hiermee niet noodzakelijk, mede omdat in alle gevallen wordt voldaan aan de aan te houden richtafstanden in het kader van bedrijven en milieuzonering (zie ook paragraaf 4.4). 4.2.3 Afweging Het aspect geluidhinder vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.
Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
Hoofdstuk 4
27
4.3.2 Conclusie In dat kader dient bezien te worden of de transformatie van het plangebied naar bedrijventerrein 'Niet In Betekende Mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit kan op met behulp van de NIBM-tool. Aan de hand van deze tool kan het effect van de toekomstige verkeersgeneratie inzichtelijk worden gemaakt. Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert de transformatie 396 verkeersbewegingen per weekdag. Er is daarbij rekening gehouden met 10% vrachtverkeer.
Uit de berekeningen blijkt dat maximale verkeersgeneratie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De maximale bijdrages van 0,64 en 0,09 ìg/m3 voor respectievelijk NO2 en PM10 voldoen ruim aan de NIBM grenswaarde van 1.2 ìg/m 3. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat een nader luchtkwaliteitsonderzoek voor dit plan niet noodzakelijk is. Daarnaast voldoet de huidige luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving blijkens de concentratiekaarten van het RIVM ruimschoots aan de daarvoor geldende normen. Er is dan ook geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Op basis van artikel 5.16 Wm lid 1, sub a en c, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering. De voorgenomen ontwikkeling is kortom niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de
Hoofdstuk 4
28
kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Conclusie Op grond van onderhavig bestemmingsplan worden binnen het plangebied bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.2, waarbij dient te worden opgemerkt dat een invulling met bedrijven uit milieucategorie 1 dan wel 2 het meest representatief wordt geacht. In het kader van een worst-casebenadering wordt in onderhavig toch uitgegaan van een invulling met bedrijven van milieucategorie 3.2. Alle geluidsgevoelige objecten in de omgeving van het besluitgebied bevinden zich, gelet op de aanwezigheid van verschillende milieubelastende functies in de directe nabijheid van deze geluidsgevoelige objecten, in gemengd gebied. Dit betekent dat voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 een richtafstand van 50 meter tot deze geluidsgevoelige objecten dient te worden aangehouden.
Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State komt naar voren hoe de aan te houden richtafstand gemeten dient te worden. Hierover zegt de Afdeling het volgende: “De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is 6”.
5 6
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009. Zie ABRvS 22 augustus 2012, 201113021/1/R1.
Hoofdstuk 4
29
In onderhavig geval is de grens van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ in alle gevallen gelegen op meer dan 50 meter van de grenzen van omliggende bestemmingen waarbinnen geluidsgevoelige objecten mogelijk zijn. Hiermee wordt in alle gevallen voldaan aan de aan te houden richtafstanden. Zoals eerder beschreven is ook binnen het plangebied een zestal woningen, zijnde geluidsgevoelige objecten, aanwezig. Deze woningen zijn per 1 november 2023 niet meer bewoond en zullen worden gesaneerd.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente Sittard-Geleen heeft geen dergelijk beleid opgesteld. 4.5.2 Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen gelegen. Er is geen sprake van noemenswaardige agrarische voor- of achtergrondbelasting.
Het aspect geur en veehouderijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6 Kabels en leidingen Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het besluitgebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
Hoofdstuk 4
30
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.
Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Stand still beginsel Uitgangspunt voor de herinrichting van het gebied is het verbeteren van de leefkwaliteit binnen het plangebied. De gevoelige bestemmingen, zoals wonen worden opgeheven. Daarvoor in de plaats wordt het terrein ingericht en bestemd voor bedrijvigheid passend in de omgeving. Het nieuwe bestemmingsplan staat geen toename van het aantal personen toe, het groepsrisico blijft gelijk (stand still). Toetsingskader Om de beoogde transformatie naar een bedrijventerrein vanuit externe veiligheid nader te verantwoorden is een notitie opgesteld door M-Tech.7 Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. De volledige notitie is opgenomen in de separate bijlagen bij onderhavige toelichting. Gemeente Sittard-Geleen heeft het plan opgevat om hun eigen dienst wijkbeheer, die nu verspreid over de hele gemeente gehuisvest zijn, te verhuizen naar het Mauritspark Geleen.
7
M-Tech, ‘Notitie inventarisatie kwetsbare objecten Mauritspark Geleen’, referentie: Mau.gel.20.EV NO 03, d.d. 26-10-2020.
Hoofdstuk 4
31
Het gaat hier grotendeels over opslagruimte en werkplaats, met daarnaast wat kantoren. Het aantal personen wat hiervoor gepland worden ligt tussen de 50 en 60 personen. Wat kan er gehuisvest worden in het Mauritspark Geleen De gemeente heeft bepaald dat alle bestaande woonfuncties komen te vervallen en worden omgezet naar een bedrijfsfunctie. Aangezien het groepsrisico ten aanzien van Chemelot niet mag stijgen, ontstaat de vraag hoeveel bedrijfsoppervlak er binnen het plangebied kan worden gerealiseerd. Om hier een inschatting van te kunnen maken, moet worden gekeken naar de zelfredzaamheid/kwetsbaarheid van de functies en de verblijftijd in deze functies. De functie wonen is een kwetsbare functie en de populatie telt zeker in de nacht zwaarder mee in het berekenen van het groepsrisico. Mauritspark Geleen Huidig gebruik
Wonen aantal BP-cap 31 75 dag nacht 38 75 totaal 113 voor GR
Optie 1 Wonen naar bedrijf
Optie 2 Maatschappelijk naar bedrijf
Bedrijf aantal BP-cap 2 94
2
Zak. Dienstverl. aantal BP-cap 1 13
94 407 501
1
501 11 512
1
13
Maatschappelijk aantal BP-cap 3 11
3
11
Totaal BP-cap 193
118 407 525
Verblijfs Kengetal duur bvo m2 (p.p m2) correctie
50 (*)
13
3,6
20350
20350 550 20900
525
Tabel: Omrekenen van functies
Uitleg tabel: Optie 1 Voor de GR-berekening wordt de aanwezigheid voor wonen overdag factor 0,5 en in de nacht factor 1. (zie tabel 16.4 handleiding GR). Voor Mauritspark Geleen betekent dit 38 personen overdag en 75 in de nacht, totaal 113 personen voor 168 uur per week. Voor de bedrijfsactiviteiten is een aanname gemaakt van gemiddeld 5 dagen per week voor 10 uur per dag (50 uur). Het omrekenen van wonen naar bedrijf geeft dus een verblijfsduurcorrectie 168/50 = 3,6. Vermenigvuldigen met de populatie wonen totaal (113) geeft 407 personen en dit geeft door gebruik te maken van het kengetal voor bedrijven (50) een bruto vloeroppervlak van zo’n 20.350 m 2. Dit oppervlak mag worden ingevuld door de functie bedrijven, naast de al bestaande functies bedrijven, zonder dat het groepsrisico van Chemelot zal stijgen. Optie 2: Voor optie 2 wordt ook de functie maatschappelijk omgezet naar de functie bedrijf. De bestemmingsplan-capaciteit voor deze functie is 11 personen en doordat de verblijftijd nagenoeg gelijk blijft en er hier ook geen nachtverblijf mogelijk is, blijft het personenaantal gelijk. Spoorzone In de ‘Veiligheidsvisie Spoorzone’ wordt ook bij herstructurering in beginsel gestreefd naar een bebouwingsvrije zone binnen de genoemde 50 m. Deze visie ziet tevens op mogelijke sanering van aanwezige (beperkt) kwetsbare bestemmingen.
Volledige toepassing van dit streven voor wat betreft de bebouwingsvrije zone is vanuit de planontwikkeling de financiële kaders is niet mogelijk. Wel komen in
Hoofdstuk 4
32
de nieuwe situatie geen (beperkt)kwetsbare objecten meer voor. Ook wordt een stand still beginsel toegepast. Daarmee wordt zoveel als mogelijk tegemoet gekomen aan de uitgangspunten uit deze visie. Voor wat betreft de 200 meter zone, na aanpassing van de SvB (schrappen van de sociale werkplaats) wordt aan de uitgangspunten voldaan, kwetsbare objecten zijn niet toegestaan.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
Hoofdstuk 4
33
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO8 een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, in de vorm van een quickscan flora en fauna. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
4.8.3 Quickscan flora en fauna Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Met betrekking tot de sloop van Mauritspark 1A, 3 en 9A zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. 8
BRO, Quickscan flora en fauna Mauritspark te Geleen, projectnummer P02996, d.d. 2 november 2020.
Hoofdstuk 4
34
Indien er bomen van de laanbeplanting aan de Maurits-park worden gerooid, zijn overtredingen met betrekking tot verblijfplaatsen van een vleermuissoort niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de laanbeplanting aan de Mauritspark te worden vermeden, zowel tijdens de werkzaamheden en de toekomstige situatie; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige AERIUS-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten behoeve van de goudgroene natuurzone en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. 4.8.4 Ecologisch vervolgonderzoek BRO heeft een ecologisch vervolgonderzoek uitgevoerd naar de huismus, de gierzwaluw en vleermuizen9. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste conclusies zijn opgenomen in de navolgende alinea’s. Huismussen De gevonden resultaten wijzen niet op een mogelijke aanwezigheid van nestlocaties van huismus binnen het plangebied. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Gierzwaluwen De gevonden resultaten wijzen niet op een mogelijke aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluwen binnen het plangebied. De aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van gierzwaluwen is redelijkerwijs uitgesloten. Vleermuizen Binnen de bebouwing aan de Mauritspark 1 en Mauritspark 2/3 zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Met de voorgenomen werkzaamhedengaan deze verblijfplaats mogelijk verloren.
Dit betekent dat er een overtreding is van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vleermuizen en er een ontheffing aangevraagd moet worden voor het verwijderen van de huidige verblijfplaatsen. Op 7 juli 2022 is een ontheffing aangevraagd soorten Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Limburg. Deze aanvraag is aangevuld op 8 juli 2022. In dit kader is tevens een activiteitenplan opgesteld. De maatregelen zoals opgenomen in dit activiteitenplan zijn uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.
9
BRO, ‘Resultaten vervolgonderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen – Mauritspark, Geleen’, projectnr. P02996, d.d. 31 januari 2022.
Hoofdstuk 4
35
4.8.5 Vervolgonderzoek: stikstof Ten behoeve van de ontwikkeling naar het bedrijventerrein heeft M-Tech met de wettelijk voorgeschreven AERIUS Calculator berekeningen gemaakt met betrekking tot de stikstofdepositie ten gevolge van de aanleg- en gebruiksfase van het plan10. De berekeningen en toelichtende rapportage zijn toegevoegd aan de bijlagen bij deze toelichting. Een samenvatting van de belangrijkste elementen uit het onderzoek is gegeven in de navolgende alinea. Voor elk jaar dat het project loopt is een berekening uitgevoerd met de AERIUS Calculator. De gemeente Sittard-Geleen heeft gegevens aangeleverd met betrekking tot de aanleg- en gebruiksfase. Op basis van de informatie van gemeente Sittard-Geleen en de bij M-Tech aanwezige kennis is een inschatting gemaakt van materiaalgebruik en verkeer aantallen. Uit de berekeningen volgt dat de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitatten en leefgebieden binnen Nederlandse, Belgische en Duitse Natura 2000-gebieden nergens meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jr. Er is daarom geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie tijdens de bouwfase en gebruiksfase.
4.8.6 Conclusie Gelezen het bovenstaande en de uitgevoerde vervolgonderzoeken, kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 24 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het Bodembeheerplan 2016-2020 vastgesteld. Dat is vervolgens op 1 januari 2016 in werking getreden. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het Bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. Het Bodembeheerplan is niet van toepassing bij de aanpak van zgn. puntverontreinigingen en ook niet bij de aanpak van verontreinigd grondwater. Voor de aanpak van puntverontreinigingen gelden de Wet bodembescherming en het provinciale bodemsaneringsbeleid.
(Diffuse) grondwaterverontreiniging kan worden aangepakt via het instrument van gebiedsgericht grondwaterbeheer, zodra de Wet bodembescherming daarin voorziet.
10
M-Tech, ‘Depositieberekeningen ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure voor Mauritspark te Geleen’, 30 mei 2023.
Hoofdstuk 4
36
4.9.2 Onderzoek Door Aeres Milieu is een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd voor het plangebied. 11 Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek weergegeven. Het volledig onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als ‘verdacht’ beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten van voorgaande bodemonderzoeken ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving kunnen verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK verwacht worden in de bovengrond. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan op basis van de aangetroffen puinresten op het maaiveld niet uitgesloten worden (verdacht). Bij een bestemmingswijziging naar een gevoeliger gebruik of voorafgaand aan nieuwbouw of grondroerende werkzaamheden wordt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (strategie VEDHE_NL conform de NEN5740) noodzakelijk acht. Om de aanwezigheid van asbest in de bodem (bovengrond) uit te sluiten, wordt geadviseerd om tevens een verkennend onderzoek asbest in de bodem conform de NEN5707 uit te voeren. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.
Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Verder wordt opgemerkt dat in Zuid-Limburg, specifiek in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein, kan sprake zijn van na-ijlende effecten van de steenkolenwinning. Door deze na-ijlende effecten van de kolenwinning bestaat er een kans dat de draagkracht van de ondergrond deels wegvalt en dat sprake is van differentiële bodembeweging. Daarom verdient het de aanbeveling om bij de wijze van funderen van de beoogde bebouwing rekening te houden met het voorkomen van: 1. eventuele drempels/drempelzones (risico op verzakkingen); 2. eventuele breuklijnen; 3. eventueel stijgend mijnwater. 4.9.3 Conclusie In onderhavig bestemmingsplan worden de bestemmingen niet gewijzigd naar een gevoeliger gebruik. Bij de uitvoering van nieuwbouw of grondwerkzaamheden zal er nader verkennend bodemonderzoek plaatsvinden.
4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.
11
Aeres Milieu, ‘Vooronderzoek NEN5727 Mauritspark te Geleen’, projectnr.: AM20157, d.d. 8 februari 2021.
Hoofdstuk 4
37
Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.
Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater, ecosysteem en afvalwater. Door Aeres Milieu is een waterparagraaf geschreven voor onderhavige ontwikkeling. 12 Onderstaand wordt de samenvatting uit het onderzoek beschreven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Binnen het onderzoeksgebied is een licht hoogteverschil aanwezig. Het westelijke gedeelte ligt op ca 70,0 m +NAP en is aflopend naar het oosten tot ca. 68,1 m +NAP. Het grondwaterpeil is op 18 m-mv te verwachten. Grondwateroverlast is derhalve niet aanwezig.
Infiltratie is in de lemige bodem niet toepasbaar geacht. Dit zal indien verplicht in de diepere ondergrond plaats dienen te vinden. Om instroom van hemelwater tegen te gaan, wordt geadviseerd om een vloerpeil van 10 – 20 cm boven de kruin van de weg/bestaand maaiveld aan te houden. De bestaande en reeds gesloopte bebouwing is/was aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Bij nieuwbouw dient minimaal een gescheiden stelsel aangelegd te worden vooruitlopend op een toekomstige scheiding van het stelsel. Afhankelijk van de uiteindelijke nieuwbouw en capaciteit
12
Aeres Milieu, ‘Beknopte waterparagraaf Mauritspark, Geleen’, projectnr.: AM20157, d.d. 8 februari 2021.
Hoofdstuk 4
38
van het gemeentelijk rioolstelsel dient bij nieuw op eigen terrein waterberging ingepast te worden zodat geen toekomstige wateroverlast (benedenstrooms) optreedt. Het Waterschap Limburg vereist bij (nieuw)bouwprojecten dat een bui van 80 mm verwerkt moet worden binnen het plangebied. Afhankelijk van de capaciteit van het gemeentelijk rioolstelsel is bij nieuwbouw dus mogelijk aanvullende hemelwaterberging op eigen terrein benodigd. Bij concrete bouwplannen dient dit nader met de gemeente afgestemd te worden. Hierbij dient tevens in acht te worden genomen dat het vanwege de naijlende effecten van de steenkolenwinning in bepaalde gevallen minder wenselijk of zelfs onwenselijk is om hemelwater te infiltreren in de bodem, omdat dit een eventuele instabiliteit van de bodem kan vergroten. Bij gebrek aan oppervlaktewater en infiltratiemogelijkheden (tenzij hele diep) zal de eventuele hemelwatervoorziening dan vertraagd afvoeren naar het gemeentelijk rioolstelsel. Het afkoppelen van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieu hygiënische maatregelen worden getroffen. Vooroverleg waterbeheerder In het kader van het vooroverleg is onderhavig plan ter beoordeling voorgelegd aan Waterschap Limburg. Het Waterschap is akkoord en geeft aan dat tijdens de realisatiefase voldaan moet worden aan een aantal toetsingspunten. Het betreffen de volgende punten: 1.
Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7.
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
Hoofdstuk 4
39
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Sittard-Geleen ligt het plangebied in een zone met hoge archeologische verwachting13. In het vigerende bestemmingsplan ontbreekt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Vanwege de hoge archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied is in onderhavig bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ voor het gehele plangebied opgenomen.
Ter plaatse van gronden met deze dubbelbestemming geldt in beginsel een archeologische onderzoeksplicht bij het bouwen van bouwwerken. Hierop gelden een aantal uitzonderingen. Eén van deze uitzonderingen is het bouwen van een bouwwerken waarvoor geen graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm benodigd zijn. De reden om deze uitzondering op te nemen is dat aannemelijk is dat betreffende gronden reeds grotendeels zijn geroerd tot een diepte van 50 cm. Dit heeft te maken met het gegeven dat op een groot deel van gronden reeds bebouwing heeft gestaan en/of kabels en leidingen zijn gelegd.
13
Zie https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/CVDR/CVDR229159/1/xml/i149072.pdf.
Hoofdstuk 4
40
Uit onderstaande luchtfoto’s volgt op welke plekken binnen het plangebied bebouwing aanwezig is geweest.
Luchtfoto plangebied (2012)
Hoofdstuk 4
41
Luchtfoto plangebied (2022)
Uit de hiervoor opgenomen luchtfoto’s volgt is op te maken dat in de periode 2012-2022 geen bebouwing aanwezig is geweest binnen een deel van de gronden in het zuidelijke deel van het plangebied geen bebouwing aanwezig is geweest. Het betreft hierbij de gronden tussen de woningen aan het Mauritspark 35-37 en de bedrijfsbebouwing aan het Mauritspark 42, gelegen in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied. Uit historische kaarten volgt echter dat ook hier in een verder verleden bebouwing aanwezig is geweest. Dit volgt bijvoorbeeld uit de kaarten voor de jaren 1967 en 1993.
Historische kaarten plangebied in 1967 (links) en 1993 (rechts)
Hoofdstuk 4
42
4.11.2 Conclusie Voor wat betreft Archeologie bestaan er voor het bestemmingsplan geen belemmeringen.
4.12 Cultuurhistorie In lijn met het gemeentelijke monumentenbeleid is door Cuijpers Advies wel een analyse opgesteld van de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied 14. Hieruit volgt dat binnen het plangebied een onderscheid kan worden gemakt tussen drie onderling verschillende cultuurhistorische gebieden: de centrale groene ruimte; de nog overgebleven historische bebouwing; de ondergrond van de afgebroken woningen en het bedrijfsgebouw. De centrale groene krijgt een eindwaardering ‘hoge cultuurhistorische waarde’. Voor de nog overgebleven historische bebouwing en de ondergrond van de afgebroken woningen en het bedrijfsgebouw is de eindbeoordeling respectievelijk ‘positieve cultuurhistorische waarde’ en ‘indifferent’. De centrale groene ruimte zal behouden blijven. Hiertoe is ook een bestemming ‘Groen’ opgenomen. Er zullen (mogelijk) wel ontwikkelingen plaatsvinden ter plaatse van de nog overgebleven historische bebouwing. Vanwege de aanwezigheid van deze cultuurhistorische waarden moet een evenredige afweging gemaakt kunnen worden tussen een verantwoorde erfgoedzorg enerzijds en een goede ruimtelijke ontwikkeling anderzijds. In onderhavig geval levert de aanwezigheid van cultuurhistorische monumenten geen belemmeringen op. Zoals aangegeven zal de aanwezigheid van deze waarden wel moeten worden betrokken in de besluitvorming omtrent onderhavig bestemmingsplan.
Hierbij kan worden meegenomen dat de cultuurhistorische waarde van de nog aanwezige historische bebouwing niet als hoog wordt beoordeeld.
4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van bedrijventerrein De beoogde ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein komt in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. De ontwikkeling van een woning zou in onderdeel D (11.3) van de bijlage van het Besluit m.e.r. kunnen vallen onder: “om de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de transformatie van een grotendeels braakliggend gebied naar een bedrijventerrein voor bedrijven met grotendeels een maximale milieucategorie 2, waarbij tevens een mogelijkheid wordt geboden tot vestiging van bedrijven tot en met milieucategorie 3.2. Gezien de
14
Cuijpers Advies, ‘BRO – Cultuurhistorisch rapport Mauritspark te Sittard-Geleen’, d.d. 27 juni 2022.
Hoofdstuk 4
43
kleinschaligheid van het project en het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 4), kan worden beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.8 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de kleinschaligheid van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.
Hoofdstuk 4
44
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast zoveel mogelijk afgestemd op het onderliggende bestemmingsplan ‘Lindenheuvel’. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Sittard-Geleen nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,
Hoofdstuk 5
45
hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Er zijn in onderhavig bestemmingsplan geen functieaanduidingen opgenomen. Wel is er een bouwvlak en een gebiedsaanduiding opgenomen en zijn ter plaatse van een bestaand en te behouden gebouw maatvoeringsaanduidingen opgenomen voor de goot- en bouwhoogte. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben.
Deze bestaan uit de volgende onderdelen: Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. Het gaat om de volgende aanduidingen: geluidzone. In een volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen per aanduiding nader beschreven.
Algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 5
46
Algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen zijn daarbij aangegeven. In dit artikel zit ook een specifieke wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemmingen ‘Groen’ met inachtneming van de voorwaarden uit dit artikel te wijzigen naar ‘Bedrijventerrein’. Algemene procedureregels: in de algemene procedureregels is opgenomen aan welke regels de gemeente zich dient te houden wanneer het gebruik maakt van de bevoegdheid het plan te wijzigen of nadere regels te stellen. Overige regels: hierin zijn de regels met betrekking tot de parkeernormen opgenomen, middels een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Artikel 3 Bedrijventerrein De op de verbeelding voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten die behoren tot categorie 1, 2 en 3 (inclusief opslagen en installaties), zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten en/of daarmee qua aard, omvang en omgevingseffecten gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten. Binnen deze bestemming zijn ondergeschikte kantoren toegestaan. Artikel 4 Groen De op de verbeelding voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor een park, plantsoenen, groenstroken en overige aanplanten. Binnen deze bestemmingen zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan. Leidingen Deze dubbelbestemming is gelegd ter plaatse van de gronden die op basis van bestemmingsplan ‘Lindenheuvel’ van de gemeente Sittard-Geleen zijn bestemd met de bestemming ‘Leidingen zone B’. Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor de veiligheid van personen en objecten bij calamiteiten, alsmede voor: overige bij ondergrondse leidingen voor gastransport en bovengrondse hoogspanningsleidingen behorende voorzieningen; en de bij ondergrondse leidingen voor gastransport en bovengrondse hoogspanningsleidingen behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 5 - Waarde – Archeologie 2 Deze dubbelbestemming is gelegd op de gronden voor doeleinden ter bescherming van archeologische waarden. De dubbelbestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden die op basis van onderhavig bestemmingsplan de bestemming ‘Groen’ hebben.
Hoofdstuk 5
47
Artikel 5 - Waarde – Archeologie 4 Deze dubbelbestemming is gelegd op de gronden voor doeleinden ter bescherming van archeologische waarden. De dubbelbestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden die op basis van onderhavig bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijventerrein’ hebben en waarvoor in bestemmingsplan ‘Lindenheuvel’ van de gemeente Sittard-Geleen geen bouwvlak is opgenomen. Artikel 5 - Waarde – Archeologie 5 Deze dubbelbestemming is gelegd op de gronden voor doeleinden ter bescherming van archeologische waarden. De dubbelbestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden die op basis van onderhavig bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijventerrein’ hebben en waarvoor in bestemmingsplan ‘Lindenheuvel’ van de gemeente Sittard-Geleen een bouwvlak is opgenomen.
5.4 Gebiedsaanduidingen In het voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen. Geluidzone – industrie Ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone - industrie’ zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming c.q. instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.
Hoofdstuk 5
48
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Onderzoek is ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan. Hierbij is inzicht verkregen in de opbrengsten en kosten die hiermee verband houden. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd, is er sprake van een dekkende exploitatie. De realisatie van de in dit bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk gemaakte ontwikkelingen is in handen van de gemeente. Het bestemmingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar binnen de planperiode van tien jaar. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.
Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in transformatie naar een bedrijventerrein met een maximale omvang van circa 2,7 hectare. Er is derhalve sprake van een bouwplan als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. Aangezien de gemeente zelf initiatiefnemer is, is geen exploitatieovereenkomst afgesloten. De economische uitvoerbaarheid is hiermee namelijk in voldoende mate aangetoond.
Hoofdstuk 6
49
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.
Bij voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft op basis van artikel 3.1.1 Bro overleg plaatsgevonden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Het bestemmingsplan heeft als voorontwerp ter inzage gelegen. Naar aanleiding hiervan is één inspraakreactie ingekomen. Deze geeft geen aanleiding om het plan te wijzigen. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Met de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan is de formele procedure voor de vaststelling van start gegaan.
Als onderdeel van deze procedure heeft het
Hoofdstuk 6
50
ontwerp van dit bestemmingsplan vanaf juni 2023, gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor het inbrengen van zienswijzen. Gelijktijdig met de plaatsing van de kennisgeving is het ontwerpbestemmingsplan langs elektronische weg toegezonden aan de reeds betrokken gemeenten, provincie, waterschappen en uitvoeringsdiensten van het Rijk. In deze periode zijn twee zienswijzen kenbaar gemaakt. Op basis van de ingekomen zienswijzen zijn de onderstaande aanpassingen doorgevoerd: Verbeelding a. Archeologische waarden voor het hele plangebied worden aangeduid als categorie 4. Regels a. Artikel 6 wordt gewijzigd in ‘Waarde – Archeologie 4’ met de daarbij behorende regels. b. Artikel 7 en Artikel 8 vervallen, waardoor het plan na artikel 6 opnieuw genummerd wordt. c. Artikel 12.1.2 (oud) vervalt. d. Staat van Bedrijfsactiviteiten: Sociale werkvoorziening (nr. 3663.1) vervalt. Toelichting a. Hoofdstuk 4.2.2 ‘Industrielawaai’ wordt aangepast aan de feitelijke situatie waarin geen geluidgevoelige bestemmingen meer aanwezig zijn. De geluidzone van het industrieterrein Chemelot wordt hieraan toegevoegd. b. Hoofdstuk 4.4 ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt aangepast aan de feitelijke situatie waarin geen geluidgevoelige bestemmingen meer aanwezig zijn. c. Hoofdstuk 4.7 ‘Externe veiligheid’ wordt aangevuld met een conclusie ten aanzien van het gemeentelijk beleid met betrekking tot de Spoorzone.