04.3 Toelichting BP Mauritspark met markeringen
Tekst van het document
Bestemmingsplan Mauritspark Gemeente Sittard-Geleen Ontwerp
Bestemmingsplan Mauritspark Gemeente Sittard-Geleen Ontwerp
Rapportnummer:
P02996
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1883.BpMauritspark-ON01
Datum:
oktober 2023
Contactpersoon opdrachtgever:
Gemeente Sittard-Geleen
Projectteam BRO:
Ros (projectleider), JEn
Concept:
december 2020
Voorontwerp:
april 2021
Ontwerp:
oktober 2023
Vaststelling:
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van een nieuw bedrijventerrein in Sittard-Geleen.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 6 8
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
8 9 9
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
11 12 12 18
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
18 19 19 20
3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 3.4.2 Parkeerbeleid Sittard-Geleen 3.4.3 Bodembeheerplan 2016-2020 gemeente Sittard-Geleen 3.4.4 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 3.4.5 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen
20 21 21 22 23
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid
26 26 26
4.2.1 Wegverkeer 4.2.2 Industrielawaai 4.2.3 Afweging 4.3 Luchtkwaliteit
26 27 27 27
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
27 28 28
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Conclusie 4.5 Geur agrarisch
28 29 30
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen
30 30 30
Inhoudsopgave
1
4.7 Externe veiligheid
30
4.7.1 Toetsingskader 4.8 Ecologie
30 33
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Quickscan flora en fauna 4.8.4 Ecologisch vervolgonderzoek 4.8.5 Vervolgonderzoek: stikstof 4.8.6 Conclusie 4.9 Bodem
33 34 34 35 36 36 36
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water 4.11 Archeologie
36 37 37 37 40
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie 4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling
40 43 43 43
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen 5.4 Gebiedsaanduidingen
45 45 45 47 48
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
49 49
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49 49 50
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure
50 50 50
Separate bijlagen Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Behoefte bedrijventerreinen en kantoren Bijlage 3: Verkeersgeneratie- en parkeerberekening Bijlage 4: Externe Veiligheid Bijlage 5: Stikstofberekening Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Rapport vervolgonderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Bijlage 8: Bodemonderzoek Bijlage 9: Waterparagraaf
Inhoudsopgave
2
Bijlage 10: Cultuurhistorisch onderzoek Bijlage 11: Nota van zienswijzen
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het inwoneraantal in de gemeente Sittard-Geleen neemt af. Op termijn is daardoor minder behoefte aan woningen. Tegelijkertijd is er een veranderende woonvraag door onder andere vergrijzing, waardoor juist behoefte is aan nieuwe woningen die voorzien in deze veranderende woonvraag. Dezelfde demografische ontwikkelingen hebben ook tot gevolg dat Sittard-Geleen veel vrijkomend maatschappelijk vastgoed heeft, dat vaak, wanneer het wordt gesloopt, een lege plek in de kern, wijk of buurt achterlaat. Die ruimte biedt kansen voor de transformatie. Zo zijn ook de woningen in het Mauritspark Geleen van oudsher gebouwd door DSM voor de opzichters van de mijnen, maar dit is niet meer actueel. Op dit moment zijn de eigendommen in het Mauritspark door de gemeente verworven en conform afspraken met de provincie gedeeltelijk gesloopt om hier een nieuw bedrijventerrein te realiseren.
Uitsnede topografische kaart met ligging plangebied (indicatief blauw omlijnd)
De gemeente Sittard-Geleen is derhalve voornemens om het Mauritspark te herbestemmen naar Bedrijventerrein. Om de uitvoering van dit plan mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan voor de locatie noodzakelijk. De benodigde onderzoeken zijn inmiddels uitgevoerd en het voorliggende bestemmingsplan vormt de planologisch-juridische basis voor de verdere planuitvoering.
Hoofdstuk 1
4
Uitsnede luchtfoto plangebied
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan het Mauritspark te Geleen. Voorheen bestond het plangebied uit 30 (burger)woningen, 1 bedrijfswoning met praktijkruimte, een maatschappelijke functie, kantoorfuncties en bedrijfsfuncties. Inmiddels zijn alle woningen binnen het plangebied door de gemeente verworven in eigendom. Deze woningen worden bestemd tot ‘Bedrijventerrein’. Ook de bebouwing waarin de maatschappelijke functie is gehuisvest is inmiddels door de gemeente verworven. Daarom zijn zowel de nog aanwezige woningen als de maatschappelijke functie niet als zodanig positief bestemd in onderhavig bestemmingsplan. In de navolgende figuur is het plangebied op een kadastrale kaart weergegeven.
Hoofdstuk 1
5
Uitsnede kadastrale kaart plangebied en directe omgeving
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is volledig gelegen binnen plangebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Lindenheuvel’, vastgesteld door de gemeenteraad van Sittard-Geleen op 9 juli 2009.
Hoofdstuk 1
6
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Lindenheuvel'
Het plangebied kent op dit moment de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Bedrijven’, ‘Maatschappelijke voorzieningen’, ‘Zakelijke dienstverlening’, ‘Tuinen’, ‘Groen’ en ‘Verkeersgebied’. Binnen deze bestemmingen zijn bouwvlakken gelegen met verschillende maatvoeringen opgenomen op het perceel. Verder zijn er twee facetbestemmingsplannen van toepassing, te weten ‘Facetbestemmingsplan begripsbepaling’ (vastgesteld 7 juni 2018) en ‘Facetbestemmingsplan Parkeren’ (vastgesteld 13 september 2018). Hiermee worden enkele begripsbepalingen voor alle vigerende plannen aangepast en worden de beleidsmatige parkeernormen geborgd in alle bestemmingsplannen. De voorgenomen transformatie naar bedrijventerrein past niet in het bestemmingsplan, aangezien bedrijven slechts ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijven’ zijn toegestaan en deze bedrijfsbestemming op dit moment slechts geldt voor een beperkt deel van het plangebied. Bovendien zijn de bouwvlakken niet toereikend en is de toegestane maatvoering te beperkt.
Hoofdstuk 1
7
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 6, komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
8
2.
PLANBESCHRIJVING Het voorliggende bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, waarmee de bouw van een nieuw bedrijventerrein mogelijk wordt gemaakt.
2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied deels braakliggend en op enkele percelen nog in gebruik als woningen. Van de voorheen aanwezige 30 burgerwoningen zijn er inmiddels 24 gesaneerd. De overige 6 woningen zijn inmiddels door de gemeente verworven in eigendom en worden sinds 1 november 2023 niet meer bewoond. Deze woningen zullen derhalve bestemd worden tot bedrijvigheid. De overige bebouwing binnen het plangebied is reeds grotendeels gesloopt.
Luchtfoto plangebied en directe omgeving
2.2 Toekomstige situatie Binnen het plangebied wordt middels onderhavig bestemmingsplan de komst van een nieuw bedrijventerrein mogelijk gemaakt. De bedrijvigheid op dit bedrijventerrein zal hoofdzakelijk bestaan uit kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.1 en 3.2. Daarmee is sprake van een gemengd bedrijventerrein dat wordt gekenmerkt door een variatie aan bedrijvigheid. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt een flexibel kader gecreëerd waarbinnen het mogelijk is voor toekomstige bedrijven om zich op het Mauritspark te vestigen. Vanuit een oogpunt van externe veiligheid is de totale oppervlakte aan bedrijven gemaximeerd op 29.700 m2 BVO. Dit is ook als zodanig vastgelegd in de planregels van onderhavig bestemmingsplan. Ten aanzien van de bouwhoogte geldt dat de nieuwe bedrijven maximaal 12 meter hoog mogen zijn. De nieuwbouw zal gasloos worden gerealiseerd en aansluiten op de BENG-normen die sinds 1 januari 2021 gelden.
Hoofdstuk 2
9
De interne ontsluitingsstructuur binnen het plangebied blijft met de transformatie naar bedrijventerrein gehandhaafd. De ontsluiting zal ook in de toekomstige situatie plaatsvinden via de Mijnweg. Het middenterrein binnen het toekomstige bedrijventerrein behoudt de bestemming ‘Groen’. Binnen deze groenbestemming zal parkeren mogelijk zijn. Een van de toekomstige functies binnen het bedrijventerrein is het team wijkbeheer van de gemeente Sittard- Geleen. Voor het verplaatsen van het wijkbeheer naar het bedrijventerrein Mauritspark is een locatieonderzoek verricht. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Omdat de bestaande gebouwen van het team wijkbeheer een lage boekwaarde hebben en technisch en economisch zijn afgeschreven zijn de kapitaallasten relatief laag, maar de exploitatiekosten hoog. Dit komt doordat er in de huidige situatie meer en verouderde, niet-energiezuinige vierkante meters aanwezig zijn. Tevens vindt de verdeling van de vierkante meters over meer locaties plaats dan de hedendaagse huisvestingsbehoefte. Op basis van de Multi Criteria Analyse is gebleken dat de locatie ‘Mauritspark’ nader onderzocht kan worden als voorkeurslocatie voor de invulling nieuwe huisvesting. Allereerst zijn de kapitaallasten en exploitatielasten van de huidige locatie in beeld gebracht.
Daar tegenover zijn de kosten in beeld gebracht van nieuwbouw op de locatie Mauritspark. Hierbij zijn de huidige boekwaarden bestaande onroerende zaken in een keer afgeschreven en meegenomen in de investeringskosten Mauritspark. Van de locaties Geleen en Sittard zijn ook direct de kosten geraamd en opgenomen in de investeringskostenramingen om de opstallen te slopen en asbest te verwijderen tot maaiveld. Hierdoor zijn de instandhoudingskosten zo laag mogelijk. Hierbij in ogenschouw nemende dat de locaties naar verwachting op korte termijn niet te vervreemden of verhuren zijn. Aanvullend is er een investeringskostenraming gemaakt van het inpassen van het programma in bestaande gebouwen op ‘Mauritspark’. Tenslotte is er een variant Quickscan Renovatie bestaande locaties in beeld gebracht. Op basis van het onderzoek valt te concluderen dat het niet aan te bevelen is om de huidige locaties te renoveren. De huisvesting voldoet ondanks volledige renovatie niet aan de doelstellingen van het primaire proces. Er wordt dan een ondoelmatig gebouw op een ondoelmatig terrein gerenoveerd, waar vervolgens een ondoelmatige organisatie moet worden ingericht. De kosten van de huidige huisvesting verschillen niet veel van de kosten van variant Nieuwbouw Mauritspark.
De reden hiervoor is dat er in de huidige situatie meer locaties, meer m² BVO en m² terrein aanwezig zijn en er veel achterstallig onderhoud is, het gebouw niet meer voldoet en ingrijpen direct noodzakelijk is. In de inpassingsstudie zijn de mogelijkheden van volledige nieuwbouw versus gebruik maken van deels bestaande bebouwing op het bedrijventerrein Mauritspark nader onderzocht. Er is uiteindelijk gekozen voor de optie van volledige nieuwbouw. Een belangrijke reden hiervoor is dat zo de mogelijkheid ontstaat om een toekomstige gemeentewerf en het team wijkbeheer samen in één nieuw gebouw te huisvesten. De bestaande woonfuncties en maatschappelijke functie die op dit moment binnen het plangebied aanwezig zijn, zoals eerder is aangegeven, door de gemeente in eigendom verkregen. Deze functies zullen niet worden gehandhaafd. Conform privaatrechtelijke afspraken kunnen de bewoners van woningen wel nog tot uiterlijk eind augustus 2023 in hun woningen blijven wonen.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering;
Hoofdstuk 3
11
11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op waarin een gradatie te herkennen is. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee'-bepaling. Conclusie Het plangebied heeft geen overlap of invloed op de in het Barro beschermde nationale belangen. Het plan is niet in strijd met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Het is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit
Hoofdstuk 3
12
de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Ladderonderbouwing BRO Het plan voorziet in een binnenstedelijke herontwikkeling, waarmee een nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd. Derhalve is er een ladderonderbouwing2 opgesteld door BRO. Onderstaand worden de conclusies uit dit rapport weergegeven. De volledige ladderonderbouwing is als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling De ontwikkeling van ca. 2,5 ha netto bedrijfsruimte op Mauritspark in de gemeente Sittard-Geleen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om ca. 2,5 ha netto bedrijfsruimte te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien er meer bedrijfsbebouwing mogelijk wordt gemaakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. 2. Het plangebied heeft in de vigerende gemeentelijk plan de enkelbestemmingen ‘Wonen’, ‘Maatschappelijke voorzieningen’, ‘Zakelijke dienstverlening’, ‘Bedrijven’ en ‘Groen’. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is de ontwikkeling van een bedrijventerrein grotendeels niet toegestaan en is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. 3. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling indien het plan voor bedrijfsruimte voorziet in de toevoeging van een gebouw, waarbij de ondergrens van de toevoeging ‘in beginsel’ 500 m² bvo is. Aangezien het om de toevoeging van ca. 2,5 ha netto nieuwe bedrijfsruimte gaat, kan het initiatief gekwantificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Passend binnen behoefte van het ruimtelijke verzorgingsgebied De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de bedrijventerreinontwikkeling.
Hierbij zijn de aard en omvang van de ontwikkeling leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijke verzorgingsgebied van Mauritspark bestaat in dit onderzoek uit de gemeenten Sittard-Geleen, Stein, Beek en de voormalige gemeente Schinnen (gemeente Beekdaelen). Voor reguliere modern-gemengde bedrijvigheid (de doelgroep van het beoogde bedrijventerrein) geldt dat het vaak een sterk lokaal georiënteerde marktregio heeft. Dit heeft onder meer te maken met de afzetmarkt van dergelijke bedrijven, de herkomst van werknemers en de persoonlijke binding van bedrijven met de regio. De verhuisbereidheid van bedrij-
1
2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). BRO, ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking Transformatie Mauritspark Geleen’, projectnr.: P02996, d.d. 4 december 2020.
Hoofdstuk 3
13
ven die tot de doelgroep Mauritspark, is maximaal ca. 10 à 15 kilometer. Dat het lokale MKB voornamelijk lokaal is georiënteerd, wordt bevestigd door de verhuisbewegingen. Van alle verplaatste MKB’ers binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied is ruim 76% binnen dit gebied verhuisd (periode 2014-2020). Het programma wordt passend geacht binnen de Ladder, omdat er wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied. Kwantitatieve behoefte De totale restcapaciteit op bedrijventerreinen in het ruimtelijk verzorgingsgebied bedraagt ca. 173,3 ha. Hoofdzakelijk concentreert de restcapaciteit zich op de bedrijventerreinen Chemelot (107,86 ha) en Business Aviation Valley (gemeente Beek, 39,44 ha). Van het totale planaanbod in het ruimtelijk verzorgingsgebied bestaat ca. 134,4 ha uit hard planaanbod en ca.38,9 ha uit zacht planaanbod. Ca. 50 ha van het harde planaanbod is in optie, waardoor het (naar verwachting) niet mogelijk is om hier te kunnen voorzien in het planinitiatief. Hierdoor resteert een hard planaanbod van ca. 84,4 ha aan vrije kavels. Het totale planaanbod (excl. Kavels in optie) bedraagt 123,3 ha. In de periode 2010-2019 is er in de regio Westelijke Mijnstreek ca. 180 ha aan bedrijfskavels op bedrijventerreinen uitgegeven. Dit komt neer op een gemiddelde jaarlijkse uitgifte van ca. 18 ha.
Indien de uitgiftetrend van de periode 2010-2019 zich voortzet, is er een kwantitatieve vraag van ca. 198 ha t/m 2030 in de regio Westelijke Mijnstreek. Hoewel deze vraagraming uiterst indicatief is en geen rekening houdt met welvaartscenario’s, economische ontwikkelingen en andere externe factoren (waaronder de coronamaatregelen), geeft het een beeld van de mogelijke kwantitatieve behoefte in 2030. Het planaanbod (excl. kavels die in optie zijn) van ca. 123,3 ha is onvoldoende om in de berekende indicatieve vraag van 198 ha t/m 2030 te voorzien. Een confrontatie tussen vraag en aanbod laat zien dat er in 2030 naar verwachting een kwantitatief tekort is. Indien het gemiddelde jaarlijkse uitgiftepatroon van de afgelopen 10 jaar zich voortzet, is het planaanbod tegen 20262027 volledig uitgegeven. Het totale terstond uitgeefbare aanbod (vrije kavels) en niet-terstond uitgeefbare aanbod op bedrijventerreinen in de categorie ‘stedelijke bedrijventerrein’ (beoogde ontwikkeling betreft een stedelijk bedrijventerrein) in het ruimtelijk verzorgingsgebied bedraagt ca. 14,5 ha. Het terstond uitgeefbare aanbod (vrije kavels) concentreert zich op hoofdzakelijk op de bedrijventerrein Bedrijven-stad Fortuna (3,13 ha3) en Business Park Geleen (5,06 ha). De jaarlijkse gemiddelde uitgifte (periode 2010-2019) op stedelijke bedrijventerreinen is 1,375 ha.
De jaarlijkse uitgifte varieert van minimaal 0,3 ha (2016) tot maximaal 3,22 ha (2012). Indien de jaarlijkse gemiddelde uitgifte wordt doorgetrokken naar 2030, is er in dat jaar een indicatieve vraag van ca. 15,1 ha. Het planaanbod is onvoldoende om in de berekende indicatieve vraag van 15,1 ha t/m 2030 te voorzien. Een confrontatie tussen vraag en aanbod laat zien dat er in 2030 naar verwachting een kwantitatief tekort van ca. 3,7 ha is. Indien het jaarlijkse gemiddelde uitgiftepatroon van de periode 2010-2019 zich voortzet, is het planaanbod in de 2027-2028 volledig uitgegeven. Kwalitatieve behoefte Het planinitiatief voorziet in de toevoeging van nieuwe voorraad bedrijventerrein. Hoewel in het POL2014 weliswaar wordt aangegeven dat in toenemende mate (kwantitatief) zelfs te veel bedrijventerreinen zijn in Limburg, zijn er ook nog grote kwalitatieve opgaven. Het POL2014 is vastgesteld in een periode dat de effecten van de economische crisis duidelijk zichtbaar waren in het uitgiftebeeld van bedrijventerreinen. Vanaf 2014 heeft er een forse groei in uitgifte plaatsgevonden.
Hoofdstuk 3
14
Dat er in toenemende mate behoefte is aan nieuw plan-aanbod voor bedrijfskavels, valt ook te herleiden uit de Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Er wordt aangegeven dat geschikte huisvesting en ruimte voor bedrijven een probleem kan zijn in de provincie Limburg. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Er is nog een behoorlijke voorraad beschikbaar op bedrijventerreinen (ruim 800 ha, 11%) van de totale omvang, maar is door o.a. het meerjarig gemiddelde uitgiftepatroon van de voorraad toereikend voor zo’n 7 tot 10 jaar. Vanuit financieel en economisch oogpunt kan het dus aantrekkelijk zijn om nieuwe gronden te ontwikkelen. De uitgifte aan bedrijfskavels heeft hoofdzakelijk plaatsgevonden op logistiek-/industriële bedrijventerreinen en stedelijke bedrijventerreinen. De categorie ‘stedelijke bedrijventerrein’ is het type bedrijventerrein waar het beoogde initiatief zou kunnen landen. Het uitgiftepatroon, transacties in de periode 2014-2020 en een Funda-analyse laten zien dat er relatief veel dynamiek op deze categorie is. Op basis van een Funda-analyse en een analyse van transacties in de periode 2014-2020 (Vastgoeddata) kan worden geconcludeerd dat de meeste dynamiek in de bedrijfsruimtemarkt zich concentreert in panden met een omvang van 100-2.000 m².
De meeste transacties vinden in deze bandbreedte plaats en het aanbod in deze bandbreedte is ook relatief groot. Een deel van de harde plancapaciteit op stedelijke bedrijventerreinen is niet geschikt voor het beoogde initiatief. Enerzijds is het uitgeefbare aanbod op sommige terreinen niet voldoende om te voorzien in de beoogde omvang. Anderzijds zijn er voor sommige kavels (op bedrijventerrein Bedrijvenstad Fortuna) specifieke functieaanduidingen (kantoorachtige bedrijvigheid), waar het beoogde initiatief niet zou kunnen landen. Daarnaast wordt er in het plangebied een werkbedrijf van de gemeente Sittard-Geleen beoogd. Het is niet realistisch dat deze organisatie in een andere gemeente gaat huisvesten.
Ruimtelijke effecten De beoogde ontwikkeling van bedrijventerrein Maurits-park voorziet in bedrijfskavels met milieucategorie 1 en 2, waarbij tevens een mogelijkheid wordt geboden voor de vestiging van bedrijven uit de milieucategorieën 3.1 en 3.2. Het voorziet in nieuwe mogelijkheden voor kwalitatief passende huisvesting voor (lokale) ondernemers. In het kader van de externe veiligheid zijn de ontwikkelingsmogelijkheden in het plangebied beperkt. Door de beoogde invulling van (lichte) bedrijvigheid, wordt een gebied dat binnen bestaand stedelijk gebied is gelegen, geoptimaliseerd. Op het Mauritspark wordt een clustering van verschillende locaties beoogd die onderdeel vormen van het Werkbedrijf van de gemeente Sittard-Geleen. De huidige locaties zijn reeds verouderd en inefficiënt in ruimte- en energieverbruik. Door het samenvoegen van de locaties wordt ingespeeld op een duurzame locatie waar een efficiëntere bedrijfsvoering mogelijk is. Op de huidige locaties worden de opstallen gesloopt tot op maaiveld. Hoewel er nog uitgeefbaar aanbod is op het nabijgelegen bedrijventerrein Business Park Geleen, laat de vraag-aanbodconfrontatie zien dat er onverminderd behoefte blijft aan bedrijfskavels op stedelijke bedrijventerreinen. Gelet op de indicatieve vraag in 2030 en het actuele aanbod, is toevoeging van nieuw bedrijventerrein wenselijk.
Het is daarom niet de verwachting dat er bedrijven verdwijnen als gevolg van de ontwikkeling op het Maurits-park. Negatieve effecten op het woon-, leef- en ondernemersklimaat worden niet verwacht.
Hoofdstuk 3
15
Ligging binnen bestaand stedelijk gebied Mauritspark ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Het vigerende bestemmingsplan staat stedelijke functies, zoals wonen, maatschappelijke voorzieningen, bedrijven en zakelijke dienstverlening, toe. Daarnaast is het gebied omringd door o.a. woonbestemmingen, zakelijke dienstverlening en bedrijven. Ook in de Geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 (2019) behoort het gebied tot ‘Bebouwd gebied’. Het vormt dus onderdeel van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, stedelijk groen en infrastructuur. Derhalve volstaat een behoeftetoets aan de voorgenomen ontwikkeling binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied. Ladderonderbouwing Ecorys Door Ecorys is een onderzoek3 uitgevoerd naar de behoefte aan werklocaties in de Westelijke Mijnstreek. Uit analyse van de behoefte in de periode 2021-2030 blijkt dat de ruimte op bedrijventerreinen in de Westelijke Mijnstreek schaars is, terwijl er op kantoorlocaties een overschot aan ruimte geconstateerd is. Daarnaast is voor een kwaliteitsslag gewenst en is er een algehele behoefte aan verduurzaming van werklocaties geconstateerd. Ruimtevraag en aanbod De prognose van de ruimtevraag bestaat uit een bandbreedte tussen scenario Laag en scenario Hoog en bedraagt 70 tot 106 hectare in de periode 2021 tot en met 2030.
Het grootste deel van de ruimtebehoefte is te verwachten vanuit het lokaal en regionaal mkb (klassiek-gemengde bedrijvigheid), logistiek en industrie. De vraag naar kantoren is met ca. 3 hectare beperkt. Daartegenover staat op peildatum 1 februari 2021 een aanbod van circa 44 hectare, waarvan 3 hectare plus 44.000m² voor kantoren. Het aanbod voor de andere drie werkmilieus bedraagt dus slechts 37 hectare. Naast de cijfermatige match tussen vraag en aanbod op de verschillende typen werklocaties, zijn tijdens de rondrit over de bedrijventerreinen en kantoorlocaties en gedurende de werksessies voor verschillende locaties ook kwalitatieve aandachtspunten geconstateerd. Ook die aandachtspunten zijn onderdeel van de match tussen vraag en aanbod. Conclusie: drie opgaven voor de Westelijke Mijnstreek De match van vraag en aanbod resulteert in drie opgaven waar gemeenten en ondernemers in de Westelijke Mijnstreek voor staan: Opgave 1 – Een algehele verduurzamingsslag op de werklocaties in de regio en een meer specifieke behoefte aan een verbetering van de kwaliteit op enkele locaties. Opgave 2 – Voldoende ruimte bieden aan het lokaal en regionaal mkb, waarbij in ieder geval de ruimtebehoefte in scenario Laag gefaciliteerd wordt. Onderzoek allereerst de mogelijkheden op bestaande bedrijventerreinen en breng vervolgens, indien nodig, potentiële uitbreidingslocaties in kaart.
Opgave 3 – Toewerken naar een betere balans op de kantorenmarkt. Dit heeft betrekking op kwaliteitsbehoud en -versterking van locaties met een goede bezetting, het terugdringen en opnieuw invullen van leegstand en invullen van beschikbare gronden met een bredere bedrijfsbestemming.
3
Ecorys, ‘Behoefte werklocaties Westelijke Mijnstreek’ d.d. 20 mei 2021.
Hoofdstuk 3
16
Voor ieder van de drie opgaven worden vier ingrepen voorgesteld. Dit varieert van kwaliteitsbehoud tot een kleinschalige revitalisering en van een grootschalige herstructurering tot transformatie naar een andere functie. De ingrepen komen tevens terug in het advies per locatie, waarmee dit rapport wordt afgesloten. Advies Uit de drie opgaven voor de regio komen de volgende adviezen voort: Zorg voor voldoende ruimte van goede kwaliteit, zodat lokale en regionale ondernemers zich kunnen vestigen en kunnen uitbreiden. Werk een regionaal uitvoeringsprogramma uit, waarin gezamenlijk prioriteiten worden gesteld en een gezamenlijke aanpak voor de drie opgaven wordt uitgewerkt. Heroverweeg de afbakening van de hoofdstructuur om te kunnen voorzien in voldoende ruimte op bedrijventerreinen en te zorgen voor een betere balans op de kantorenmarkt. Houd rekening met mogelijk ruimtebeslag van bovenregionale ruimtevragers, zoals de circulaire hub Chemelot, het logistieke cluster en Maastricht Aachen Airport, op de reguliere bedrijventerreinen. Betrek eigenaren en ondernemers bij de uitwerking en uitvoering van actieplannen. Het rapport wordt afgesloten met een advies per werklocatie.
Het is aan de drie gemeenten om samen met ondernemers prioritering aan te brengen in de voorgestelde ingrepen en vervolgens de uitvoering, werklocaties in de regio en een meer specifieke behoefte aan een verbetering van de kwaliteit op enkele locaties. Voor het plangebied wordt geadviseerd het gebied te transformeren naar bedrijventerrein. Daarmee wordt ruimte geboden aan een nieuwe locatie voor de gemeentewerf en ca. 1 hectare ruimte voor lokale bedrijven. Vergelijking ladderonderbouwing BRO en onderzoek Ecorys Er zitten verschillen tussen de vraag- en aanbodcijfers in de ladderonderbouwing van BRO en het onderzoek van Ecorys. Er is derhalve een vergelijking gemaakt tussen beide rapporten om het verschil te verklaren. Afbakening van het marktgebied Het ruimtelijk verzorgingsgebied bestaat in het onderzoek van BRO uit de gemeenten Sittard-Geleen, Beek en Stein en de voormalige gemeente Schinnen. Die laatste heeft zich nu bij Parkstad Limburg gevoegd, waardoor het verzorgingsgebied afwijkt van het marktgebied dat Ecorys in het rapport hanteren. Gezien het relatief klein aandeel van de voormalige gemeente Schinnen in de Westelijke Mijnstreek heeft dit een beperkt effect op de vraagraming. Kwantitatieve behoefte In de ladderonderbouwing van BRO wordt de gemiddelde jaarlijkse uitgifte van de afgelopen 10 jaar doorgetrokken naar 2030.
In het rapport wordt aangegeven dat dit slechts een indicatie betreft die geen rekening houdt met welvaartsscenario’s en economische ontwikkelingen. Het ‘omklappen’ van de uitgifte in de periode 2010-2019 leidt tot een gemiddelde ruimtevraag van 1,375 hectare per jaar en een totaal van 15,1 hectare voor de periode 2019-2030. Indien wel rekening gehouden wordt met welvaartsscenario en economische ontwikkelingen, dan kan dus meer vraag verwacht worden: gemiddeld 2,5 tot 3,5 ha per jaar tot en met 2030 voor het klassiek-gemengd werkmilieu.
Hoofdstuk 3
17
In de analyse van BRO wordt uitgegaan van een ander peilmoment, waardoor het terstond uitgeefbaar aanbod op bedrijventerreinen en in het bijzonder stedelijke bedrijventerreinen hoger ligt dan in het rapport van Ecorys. BSG en BSF zijn bij BRO samen goed voor ruim 8 hectare, terwijl Ecorys uitgaat van slechts 3,8 hectare. Los van de gehanteerde methode en het schaalniveau, alle bedrijventerreinen in Westelijke Mijnstreek of enkel de stedelijke bedrijventerreinen, strookt de conclusie van BRO, namelijk dat het aanbod op bedrijventerreinen in 2027/2018 volledig uitgegeven is, in grote lijnen met de bevindingen van Ecorys. Ecorys gaat ervan uit dat de schaarste inmiddels groter is en dat het tekort zelfs eerder - in 2024/2025 - optreedt. Conclusie Uit de ladderonderbouwing van BRO blijkt dat met het initiatief wordt voldaan aan de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Uit zowel de ladderonderbouwing als uit het onderzoek van Ecorys blijkt dat er schaarste bestaat aan bedrijventerreinen en dat er een tekort zal optreden. Onderhavig initiatief is in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een langetermijnvisie die is opgesteld met als doelstelling het geven van een invulling van hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, wat betekent dat er kansen zijn om het document te actualiseren. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 juli 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;
een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);
klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die in de gehele provincie Limburg van relevantie zijn, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie speelt hierbij een belangrijke rol. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.
Hoofdstuk 3
18
Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:
een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;
een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Afweging In de POVI wordt het plangebied aangemerkt als ‘Stedelijk gebied’ en ‘Woongebied’. In onderhavig geval wordt voorzien in een transformatie van dit ‘Woongebied’ naar een ‘Werklocatie’. Hiermee wordt ingezet op het creëren van voldoende ruimte voor de vestiging van bedrijvigheid. Zo wordt ook richting de toekomst voorzien in genoeg ontwikkellocaties en goede ontwikkelruimte voor bedrijven. De keuze voor herontwikkeling van een bestaande stedelijke locatie past binnen het principe van duurzaam ruimtegebruik. De beoogde ontwikkelingen passen hiermee binnen de kaders van de POVI. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Deze verordening vormt het provinciale toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Limburg. Sinds het moment van vaststelling hebben er een aantal wijzigingen plaatsgevonden. Met vaststelling van dit document zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document.
Na-ijlende effecten steenkolenwinning In artikel 2.16.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is bepaald dat wanneer middels een ruimtelijk plan het bouwen van een nieuw bouwwerk in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. In hoofdstuk 4 van voorliggende bestemmingsplantoelichting is, waar dit relevant is, beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met deze effecten. Afweging Voor de afweging omtrent de beleidslijnen uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt verwezen naar de ladderonderbouwing.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Algemeen In deze structuurvisie (SVREZL) wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van de beleidsvelden detailhandel, kantoren en bedrijventerreinen in de achttien gemeenten in de regio Zuid-Limburg (Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal) vastgelegd.
Hoofdstuk 3
19
De SVREZL geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van detailhandel, kantoren en bedrijventerreinen. De SVREZL is belangrijk voor het behoud van de leefbaarheid en het versterken van het vestigingsklimaat in Zuid-Limburg. Diverse ontwikkelingen hebben de winkel-, kantoren- en bedrijventerreinmarkt in de afgelopen jaren veranderd. Daarom zijn in de SVREZL afspraken over nieuwe ontwikkelingen gemaakt en is een hoofdstructuur vastgelegd, met aangewezen winkel-, kantoren- en bedrijventerreinlocaties. Buiten deze hoofdstructuur worden in principe geen vierkante meters toegevoegd. Gemeenten kunnen bij langdurige leegstand van drie jaar winkels en kantoren herbestemmen. Deze structuurvisie is door de gemeente Sittard - Geleen op 12 december 2017 vastgesteld. Afweging De afweging met betrekking tot de SVREZL is opgenomen in de ladderonderbouwing. Voor een toetsing aan de uitgangspunten uit de SVREZL wordt derhalve verwezen naar de ladderonderbouwing.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 Op 15 december 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de ‘Structuurvisie Sittard-Geleen 2010’. In de omgevingsvisie komen alle aspecten aan bod die te maken hebben met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van en binnen de gemeente. Van wonen en werken tot recreatie en mobiliteit. Van economische en technologische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Het geheel wordt verduidelijkt aan de hand van kaarten die een goed beeld geven van de toekomst van Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren. In de uitwerking is nadrukkelijk gekozen voor de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’, een uitnodiging aan alle partners om samen met de gemeente doorlopend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is. De gemeente Sittard-Geleen stelt een aantal ambities: Een sterke economische structuur en werkgelegenheid gaat over inzet op de drie speerpunten automotive, logistiek en chemie & materialen. Hierbij wordt ook ingezet op de versterking van de innovatiekracht van het mkb. Naast de binding van de speerpuntsectoren ligt er ook een opgave van de speerpuntsectoren met andere sectoren, zoals het midden- en kleinbedrijf.
Diverse actieprogramma’s zetten in op de groei van deze sectoren. Als belangrijkste zijn te noemen de Integrale mkb-aanpak van Limburg Economic Development (LED) en de ontwikkeling van drie mkb-frontoffices in Zuid-Limburg, waarvan het SLIMhuis in Sittard-Geleen onderdeel uitmaakt. Het is noodzakelijk om voor een duurzame stedelijke economie om midden- en kleinbedrijf en in feite elke vorm van ondernemerschap te stimuleren en ruimte te bieden. Voor het mkb ontstaan kansen binnen het bestaand stedelijk gebied. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor de mkb vereist een omgeving die schoon, heel en veilig is. De gemeente Sittard-Geleen richt zich op een vijftal resultaatvelden. Eén van deze resultaatvelden is gericht op een sterk lokaal midden- en kleinbedrijf: De gemeente ondersteunt het mkb met op groei en ontwikkeling gericht beleid, door de infrastructuur gericht te verbeteren en door vragen, programma’s, initiatieven en collectieve ambities van ondernemers actief te beantwoorden. Daarnaast is het bevorderen van ketendichtheid een belangrijke opgave.
Hoofdstuk 3
20
Afweging In het voorliggende geval is sprake van de transformatie van een voormalig woongebied naar een bedrijventerrein. Gelet op de uitgangspunten uit de omgevingsvisie is de ontwikkeling passend binnen het uitgangspunt om midden- en kleinbedrijven ruimte te bieden zich te vestigen in het bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid zoals is vastgelegd in de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’. 3.4.2 Parkeerbeleid Sittard-Geleen Aangezien behoefte is aan een eenduidige en eenvoudige systematiek voor parkeervoorzieningen bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen, heeft de gemeente Sittard-Geleen haar parkeerbeleid in 2012 geactualiseerd in de ‘Beleidsregels nota parkeernormen’ en de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’. Het doel van de nota luidt als volgt: “Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen”. In de nota wordt overeenkomstig de CROW-publicatie “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, onderscheid gemaakt naar een drietal stedelijke zones, te weten ‘centrum’, ‘schil / overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’.
Daarnaast wordt voor wat betreft de toe te passen parkeernormering rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van een gebied. Het plangebied is voor zowel de stedelijke zone als de stedelijkheidsgraad gelegen in de zone ‘schil’. Verder geldt binnen de gemeente Sittard-Geleen het ‘Facetbestemmingsplan Parkeren’, vastgesteld op 13 september 2018. Middels dit bestemmingsplan zijn de gemeentelijke parkeernormen juridischplanologisch geborgd. In paragraaf ‘Verkeer en parkeren’ in het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van parkeervoorzieningen. 3.4.3 Bodembeheerplan 2016-2020 gemeente Sittard-Geleen Op 10 november 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders het ‘Bodembeheerplan 2016-2020 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. Het bodembeheerplan heeft als doel vast te leggen hoe, binnen het gebied waar de gemeente bevoegd gezag is voor het beoordelen van de bodemkwaliteit, invulling gegeven wordt aan de toetsing van bodemaspecten op de werkvelden waar dat een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling.
In het bodembeheerplan is onder meer aangegeven hoe binnen de gemeente op een duurzame en efficiënte wijze omgegaan wordt met de aanwezige diffuse bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen/hergebruik van grond. Verder is omschreven hoe de gemeente, binnen de diverse van toepassing zijnde wettelijke kaders, invulling geeft aan de beleidsvrijheid die deze kaders bieden. Ook geeft het bodembeheerplan 2016-2020 aan hoe de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart 2016 gebruikt kan worden als wettelijk bewijsmiddel.
Hoofdstuk 3
21
Het Bodembeheerplan 2016-2020 biedt hiermee een eenduidig, integraal kader voor iedereen die bij het uitvoeren van bodemtaken en bij het voorbereiden van projecten te maken heeft met de aanwezige bodemkwaliteit. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op bodemaspecten in relatie tot de beoogde ontwikkeling. 3.4.4 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 Op 12 november 2014 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen het ‘Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de volgende missie geformuleerd: “De zorg voor de afvalwaterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. De kosten worden zo laag mogelijk gehouden en er wordt samengewerkt. Iedere partij in de afvalwaterketen – ook de burger – heeft een gedeelde verantwoordelijkheid in de goede zorg voor de afvalwaterketen.” In de visie staat dat er een duurzame afvalwaterketen komt. Afvalwater wordt ingezet om in schone grondstoffen, energie en schoon water te voorzien. Terugwinnen en sluiten van de keten staan centraal. Hemelwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Zo wordt gezien dat het water schoon is en wordt hemelwater mede door gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt.
Grondwater wordt op een natuurlijke manier behandeld, waar mogelijk wordt gekozen voor een niet-technische oplossing. Waar het nodig en haalbaar is helpt de gemeente door daden, of door advies te geven over de aanpak van grondwaterproblemen. Om dit perspectief te bereiken zijn voor de drie afvalwatersoorten (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater) en de beoogde inzet op meer samenwerking, onderstaande doelen en strategieën geformuleerd: Samenwerking Doel Kosten besparen, kwaliteit verhogen, kwetsbaarheid verlagen. Strategie Belang van (afval) waterketen staat voorop. Al het handelen dient in het belang te zijn van de gehele afvalwaterketen. Doelmatige aansturing van de afvalwaterketen wordt gezamenlijk gedaan. Stedelijk afvalwater Doel Adequaat en efficiënt beheren van ons stelsel. Strategie Beheer en onderhoud als ware het één gezamenlijk areaal. Samen zoeken naar doelmatige en duurzame verbeteringen. Hemelwater Doel Doelmatige en duurzame omgang met hemelwater.
Hoofdstuk 3
22
Strategie Samen met inwoners inspelen op klimaatverandering. Meer acceptatie van waterhinder. Bij nieuwbouw hemelwater verwerken op eigen terrein. Grondwater Doel Een doelmatige en duurzame omgang met grondwater. Strategie Meer aandacht voor mogelijke grondwateroverlast bij nieuwbouw. Regisseursrol nemen op locaties waar overlast wordt ervaren. Samen met inwoners zoeken naar oplossingen. Voor meer informatie over de wijze waarop binnen het plangebied met water wordt omgegaan wordt verwezen naar paragraaf 4.10 ‘Water’. 3.4.5 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen Het beleid van de gemeente Sittard-Geleen op het gebied van externe veiligheid is beschreven in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten: Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site / Westelijke Mijnstreek (eindrapport van 31 maart 2010, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2011), Ruimte voor nieuwe generaties met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau; Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen (13 september 2012), Veiligheid als element van stedelijke planning; Beleidsregels planologisch afwijkend gebruik fitnesscentra (vastgesteld 3 september 2013) met regels over externe veiligheid; Beleidsregels kleine binnenspeeltuinen (vastgesteld 12 november 2013) met regels over externe veiligheid.
Het beleid is in twee zelfstandige beleidsdocumenten uitgewerkt voor twee deelgebieden binnen de gemeente, namelijk de omgeving van Chemelot en de spoorwegen (de spoorzone). Het beleid heeft de volgende doelen: De gewenste ruimtelijke ontwikkelingen (Woonmilieuvisie Regio Westelijke Mijnstreek “Ruimte voor nieuwe generaties”, 2009; Stadsvisie 2016; Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016), moeten mogelijk zijn met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau voor de leefomgeving. De verantwoording van het groepsrisico in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen staat daarbij centraal. Onder dit ‘hoofddoel’ vallen de volgende doelen: De risicobenadering: mensen die in Sittard-Geleen werken, wonen of anderszins verblijven, mogen zo weinig mogelijk risico lopen en dit risico moet maatschappelijk verantwoord zijn. Een goede balans tussen ruimtelijke/economische ontwikkelingen en externe veiligheid. Het voorkomen dat rampen en ongevallen plaatsvinden. De gevolgen van een eventuele calamiteit beheersbaar maken om de volksgezondheid en het milieu zoveel mogelijk te beschermen in het geval onverhoopt een ramp of ongeval plaatsvindt. Een verantwoorde ruimtelijke en economische ontwikkeling in de spoorzone, met een veilige en robuuste spoorinfrastructuur waarbij Sittard-Geleen optimaal bereikbaar blijft via het spoor.
Hoofdstuk 3
23
Het afwegings-/uitvoeringskader dat de gemeente bij het beleid externe veiligheid hanteert, bestaat uit afwegingskaders voor: Brongericht beleid op basis van Beste Beschikbare Technieken (BBT). Omgevingsgericht beleid, overdrachtsmaatregelen en effectmaatregelen. Rampenbestrijding. De wettelijke grenswaarde van het plaatsgebonden risico (basisbeschermingsniveau). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, onder meer artikel 12 en 13 en omgevingsvergunningen milieu (bijvoorbeeld emplacementen) waarbij de gemeente het bevoegde gezag is). De Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (VROM, november 2007). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, onder meer Basisnet spoor). Het Toetsingskader Externe Veiligheid Spoorzone Dordrecht / Zwijndrecht, TNO (R2004/105) voor bron- en effectmaatregelen (gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, bestrijdbaarheid). De rapportage van Oranjewoud/Save van 24 maart 2005 (in opdracht van Gemeenschappelijk Brandweerbureau Westelijke Mijnstreek). Voor de spoorzone zijn de volgende maatgevende scenario’s beschreven voor het benoemen van effectmaatregelen: o Warme (en koude) Bleve van LPG o Toxische wolk Voor Chemelot en haar omgeving hanteert de gemeente de volgende gebiedsgerichte instrumenten en procedures.
Om het groepsrisico te beheersen, zijn op basis van een risicomatrix drie typen gebieden (a, b, c) te onderscheiden binnen het invloedgebied van Chemelot vanaf de terreingrens naar buiten: a) Stand-still voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wel vervangende nieuwbouw mogelijk; geen overall toename van personendichtheden. b) Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk onder voorwaarde van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. c) Geen belemmeringen voor ruimtelijke ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico blijft wettelijk vereist, maar veiligheid is afdoende te waarborgen op basis van een checklist met algemene aandachtspunten. Opmerking: a en b worden in de beleidsvisie aangeduid als het groepsrisico-relevante gebied van Chemelot. Hier geldt dat de beleidsruimte bij het verantwoorden van het groepsrisico wordt ingevuld, met als randvoorwaarde dat de bestaande beperkte overschrijding van de oriëntatiewaarde niet toeneemt. Dit betekent een stand-still bijdrage van de wijken Lindenheuvel en Krawinkel aan het groepsrisico (geen toename van het aantal personen, bedrijven of woningen saneren, verplaatsen of uitplaatsen wanneer mogelijk). Dit stand-still beginsel is in de bestemmingsplannen voor Lindenheuvel en Krawinkel verankerd.
Samen met stakeholders wordt het instellen van een veiligheidscontour (op grond van artikel 14 uit het Bevi) onderzocht en overwogen De gemeente Sittard-Geleen vertolkt een adviesrol bij omgevingsvergunning milieu Chemelot site B.V. Het uitgangspunt bij Chemelot site is inwaartse zonering (ontwikkelingen met de hoogste veiligheidsrisico’s centraal op de site en ontwikkelingen met de laagste veiligheidsrisico’s aan de rand). Voor de Spoorzone hanteert de gemeente de volgende instrumenten en procedures: Een indeling van het spoor in de volgende risicobronnen: o Emplacementen: Emplacement Sittard (Sittard-Geleen streeft naar onderschrijding van de oriëntatiewaarde).
Hoofdstuk 3
24
Emplacement Born. Bedrijfsemplacement Chemelot (valt binnen de Veiligheidsvisie Chemelot). o Baanvakken Een zone-indeling van de omgeving van het spoor ten behoeve van een gebiedsgerichte benadering: o De PR-contour (plaatsgebonden risico 10-6/jaar) voor zover aanwezig langs de lijn Eindhoven – Maastricht: wettelijke beperkingen voor de omgeving en voorkomen van latente saneringssituaties. o De 50 meter zone (50 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de PR-contour én binnen de 50 meter zone wordt gestreefd naar een bebouwingsvrije ruimte bij nieuwe ontwikkelingen (waaronder ook herstructureringsplannen worden verstaan). o De 200 meter zone (200 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de 50 meter zone én binnen de 200 meter zone gelden de volgende regels: Binnen deze zone wordt gestreefd naar minder grote aantallen mensen. Nieuwe kwetsbare bestemmingen voor groepen van mensen met geen dan wel een beperkte mate van zelfredzaamheid worden voorkomen. De gemeente streeft op basis van vrijwilligheid naar een verplaatsing tot buiten de 200 meter van kwetsbare bestemmingen met mensen die niet of beperkt zelfredzaam zijn. Overige nieuwe kwetsbare bestemmingen worden zover als mogelijk van het spoor geprojecteerd en dienen te worden voorzien van adequate bouwkundige, effect beperkende maatregelen.
Bij nieuwe beperkt kwetsbare bestemmingen worden bouwkundige, effect beperkende voorzieningen geïmplementeerd. o Het invloedgebied (omvat alle voorgaande zones en strekt zich uit tot 1% letaliteit): Generiek basisvoorzieningenniveau dat in samenspraak met de brandweer is bepaald: - Plangebied tweezijdig ontsloten - Geen doodlopende straten langer dan 40 meter - Doodlopende straten tot 40 meter voorzien van een keerlus - Eisen over primaire bluswatervoorziening De gemeente houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met infrastructurele maatregelen in de openbare ruimte (waaronder vluchtwegen, opstelplaatsen, blusvoorzieningen). De gemeente draagt zorg voor een goede voorlichting op het gebied van rampbestrijding. De gemeente Sittard-Geleen heeft een proces (inzake interne communicatie, beoordeling, registratie, externe communicatie) ingericht voor het behandelen van nieuwe initiatieven met effect op de veiligheid in de spoorzone. De gemeente Sittard-Geleen in de rol van vergunningverlener bij de omgevingsvergunningen milieu van de emplacementen Sittard en Born (directe invloed op bronmaatregelen). Basisnet spoor: toepassen van risicoplafonds, voorschriften veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden.
De toetsing van het aspect externe veiligheid, inclusief een toets aan het gemeentelijke beleid, is opgenomen in paragraaf 4.7 Externe veiligheid.
Hoofdstuk 3
25
4.
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Om de beoogde transformatie naar bedrijventerrein vanuit het aspect ‘verkeer en parkeren’ te onderbouwen is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd inzake de parkeercapaciteit, verkeersgeneratie en verkeersdruk door Grenspaal124. Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Het volledig onderzoek is opgenomen als separate bijlage bij onderhavige toelichting. Op basis van de in het onderzoek geformuleerde resultaten kan geconcludeerd worden dat het aantal geprojecteerde parkeervakken binnen het plangebied in beide varianten voldoet conform de gemiddelde parkeercijfers binnen CROW publicatie 381. Met betrekking tot de parkeerdruk bij variant 1 moet worden opgemerkt dat deze in het worstcasescenario precies voldoet aan de richtlijn en dat het wordt aanbevolen zo mogelijk aanvullende parkeergelegenheid te creëren. Met betrekking tot de theoretische verkeersgeneratie mag geconcludeerd worden dat deze rondom het plangebied stijgt met maximaal 396 mvt/etmaal binnen variant 1 en met maximaal 384 mvt/etmaal binnen variant 2. Tot slotte worden er voor beide varianten geen problemen verwacht met betrekking tot de verkeersafwikkeling op de omliggende infrastructuur, aangezien de toekomstige verkeersintensiteiten ook in het worstcasescenario ruim onder de gestelde maximumcapaciteiten blijven.
4.2 Geluid 4.2.1 Wegverkeer Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat alle spoorwegen en wegen een geluidzone hebben, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Een woning is volgens de Wet geluidhinder een geluidgevoelig object. Aangezien geen sprake is van een geluidgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder, hoeft verder niet te worden bezien in hoeverre kan worden voldaan aan de normen ten aanzien van (spoor) wegverkeerslawaai.