CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting wijzigingsplan

Raad 27 maart 2025, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan voor het perceel Tudderenderweg 25 Sittard (Geilen) (15)12.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Molenbeekhof te Sittard 14 januari 2025 Status: Vastgesteld

M-tech Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: 0475-420191 E-mail: info@mtechgroup.nl KvK: 13036743 IBAN: NL53RABO0303441194

Molenbeekhof

Inhoud Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 Hoofdstuk 5

Inleiding

1

Aanleiding Plangebied Omgevingsplan Opzet van de ruimtelijke motivering

1 1 2 2

Planbeschrijving Inleiding Ontwikkelingen Welstand Relevant ruimtelijk beleid Inleiding Rijksbeleid Ladder voor duurzame verstedelijking Conclusie Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Fysieke leefomgeving Inleiding Bodem en asbest Verkeer en parkeren Activiteiten en milieuzonering Geluid Luchtkwaliteit Watertoets Soorten en gebiedsbescherming Archeologie en cultuurhistorie Omgevingsveiligheid Gezonde fysieke leefomgeving

3 3 3 4 5 5 5 6 7 8 9 10 12 12 12 13 14 15 17 18 20 22 24 25

Milieueffectrapportage

27

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Beoordelingskader Toetsing Kenmerken van het plan Kenmerken van de effecten Conclusie

27 27 28 28 29

Hoofdstuk 6

Toelichting op de regels

30

Inleiding Opzet regels Nadere toelichting op de regels

30 30 32

6.1 6.2 6.3 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 Hoofdstuk 8

Financieel-economische uitvoerbaarheid Inleiding Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bijlagen

33 33 33 33 33 34

Molenbeekhof

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer Molenbeekhof B.V. heeft het plan opgepakt om het perceel kadastraal bekend Sittard, sectie B, nummer 3516, totaal groot 5.087 m², plaatselijk bekend Tudderenderweg 25 Sittard te herontwikkelen. Op het perceel zijn een aantal vervallen gebouwen aanwezig, deze worden vervangen door 10 levensloopbestendige woningen en drie betaalbare woningen. Het plan past niet in het Omgevingsplan. Het college van B&W van Sittard-Geleen heeft besloten onder voorwaarden in principe in te kunnen stemmen met de ontwikkeling en aangegeven bereid te zijn om de gemeenteraad voor te stellen het Omgevingsplan te wijzigen. door middel van een tijdelijke alternatieve maatregel Omgevingsplan (TAMIMRO). In deze toelichting op het plan wordt ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel behorende tot de Tudderenderweg 25 Sittard. Het perceel, kadastraal bekend Sittard, sectie B, nummer 3516, heeft een totale omvang van 5.087 m².

Figuur 1: plangebied

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 1

14 januari 2025

Molenbeekhof

1.3 Omgevingsplan Het geldend planologisch regime is vastgelegd in het Omgevingsplan van de gemeente Sittard-Geleen met identificatienummer /akn/nl/act/gm1883/2020/omgevingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan het bestemmingsplan ‘Sittard Oost’, zoals vastgesteld op 26 juni 2013 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen en van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Sittard-Geleen. Op deze locatie gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’ aan de Tudderenderweg zijn twee bouwvlakken gelegen. Binnen deze bouwvlakken kunnen twee woningen gerealiseerd worden met een maximum bouwhoogte van 10 meter en een maximum goothoogte van 6 meter. Onderstaande afbeelding geeft het geldende bestemmingsplan weer.

Figuur 2: Uitsnede plankaart tijdelijk deel Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen (plangebied omlijnd)

Tevens gelden ter plaatse van het plangebied de facetbestemmingsplannen ‘Parkeren’ en ‘Begripsbepalingen’. De regels uit de facetbestemmingsplannen zijn reeds onderdeel van het Omgevingsplan en blijven op basis van artikel 1 van de regels ook na vaststelling van deze wijziging onderdeel van het Omgevingsplan. 1.4 Opzet van de ruimtelijke motivering Het tweede hoofdstuk van deze ruimtelijke motivering geven achtereenvolgens een beschrijving van de bestaande en beoogde situatie. In het vierde en vijfde hoofdstuk wordt het project getoetst aan respectievelijk het relevante ruimtelijke beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk zes bevat een toelichting op de regels. In hoofdstuk zeven en acht komen de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 2

14 januari 2025

Molenbeekhof

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven en wordt beschreven op welke punten de ontwikkelingen afwijken van het omgevingsplan. 2.2 Ontwikkelingen De bestaande bebouwing, een woonhuis met een overdekt privé zwembad en wat bijgebouwen, binnen het plangebied zullen worden gesloopt. Op het perceel worden vervolgens in totaal 13 grondgebonden woningen en een ontsluitingsweg gerealiseerd. Aan de Tudderenderweg, waar op grond van het vigerende bestemmingsplan twee woningen zijn toegestaan, worden drie aaneengebouwde, betaalbare woningen gerealiseerd. Achter deze woningen, aan de nieuw te realiseren ontsluitingsweg, worden 10 levensloopbestendige woningen gerealiseerd. De levensloopbestendige woningen worden ontsloten via de aan te leggen ontsluitingsweg. Deze weg sluit in het oosten aan op de Jan van Stevensweertstraat en in het noorden op de Tudderenderweg. De weg wordt semi-openbaar en blijft eigendom van de bewoners in het plangebied. Het plangebied kan met de auto worden bereikt vanaf de Jan van Stevensweertstraat en het plangebied wordt verlaten via de Tudderenderweg. Langs de weg worden parkeerplaatsen in halfverhardingen en groen gerealiseerd.

Figuur 3. Inrichtingsschets

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 3

14 januari 2025

Molenbeekhof

Hieronder wordt met impressies een beeld gegeven van de voorgenomen ontwikkeling.

Figuur 4. Enkele afbeeldingen impressies voorgenomen ontwikkeling.

2.3 Welstand Op grond van artikel 22.7 van het Omgevingsplan geldt er een repressieve welstandtoets nu voor de bouw van de woningen geen omgevingsvergunning is vereist. Om zeker te zijn dat voldaan wordt aan de eisen van welstand is het plan voorgelegd aan de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Op 9 september 2024 heeft de commissie ingestemd met het plan onder de voorwaarde dat de voordeur van de linker woning aan de Tudderenderweg .aan de zijkant wordt gesitueerd.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 4

14 januari 2025

Molenbeekhof

Hoofdstuk 3

Relevant ruimtelijk beleid

3.1 Inleiding Het wijzigingsbesluit zoals dit voorligt is vormgegeven aan de hand van de gestelde beleidsdoelen in en vanuit de Omgevingswet. Dit hoofdstuk beschrijft het relevante omgevingsbeleid van Rijk, provincie en gemeente en een toetsing van het wijzigingsbesluit aan die kaders. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit ruimtelijke plan geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in deze ruimtelijke motivering afgewogen. 3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Omgevingswet De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit voor inwoners; b. Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. 3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Deze komen voort uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo’n instructieregel geeft het Rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels: 1.

Regels die in acht moeten worden genomen; 2. Regels waar rekening mee moet worden gehouden; 3. Regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Hoofdstuk 5 van het Bal bevat onder meer regels ten aanzien van onderzoeksinspanningen die voor specifieke voorgenomen activiteiten verricht dienen te worden. De betreffende onderzoeken worden in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering aangehaald. 3.2.3 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI wordt beoogd een perspectief te bieden om grote opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit, een combinatie van ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit, het kernbegrip. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Centraal bij de afweging van diverse belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond, zogenaamd ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3.

Afwentelen van gevolgen wordt voorkomen. Het streven naar integraliteit, een belangrijk onderdeel in de NOVI, komt samen in vier verschillende prioriteiten, te weten: Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 5

14 januari 2025

Molenbeekhof

• • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de werkwijze zoals opgenomen in de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor het voorliggende planvoornemen zijn: • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; • Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; • Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan de eigen rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda wordt, indien nodig, jaarlijks geactualiseerd. 3.2.4 Conclusie Het planvoornemen ziet toe op de herontwikkeling van het perceel in de kern Sittard. Met de herontwikkeling van het terrein wordt invulling gegeven aan de woningbouwopgave op een wenselijke wijze (stedelijke inbreiding).

Hiermee wordt aangesloten op het principe van duurzame ruimtelijke ontwikkeling en het zorgdragen voor een goede leefomgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling speelt daarmee in op de geformuleerde belangen uit de NOVI. Verder zijn er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding als gevolg van deze ontwikkeling, met name gezien de kleinschaligheid en aard van het plan. 3.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.3.1 Wettelijk kader Artikel 5.129g van het Bkl schrijft voor dat, voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met: a) De behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling; b) Als de voorgenomen stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van een stedelijk gebied, aangetoond is dat er geen mogelijkheden zijn voor realisatie van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling binnen dat stedelijk gebied of stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van dat stedelijk gebied. In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd:

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 6

14 januari 2025

Molenbeekhof

•

Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woning-bouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

In de bijlage van het Bkl is stedelijk gebied als volgt omschreven. Stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten. 3.3.2 Uitwerking Nieuwe stedelijke ontwikkeling Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Artikel 5.129g uit het Bkl geeft weliswaar aan dat er sprake dient te zijn van een ontwikkeling die voldoende substantieel is, maar geeft hierbij geen grens. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Op grond van jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) kan worden geconcludeerd dat voor woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf een toevoeging van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 13 woningen.

Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dient getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals vastgelegd in artikel 5.129g uit het Bkl. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Uit het woningbehoefte onderzoek van de Stec Groep (oktober 2023), zie bijlage 6, blijkt dat er in de kern van Sittard extra behoefte is aan betaalbare grondgebonden woningen en nultredenwoningen. Het plan voorziet hierin met de 11 levensloopbestendige woningen. De drie woningen aan de Tudderenderweg betreft slechts de planologische toevoeging van 1 woning. Het plan sluit dus aan op de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte zoals blijkt uit het woononderzoek. Ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied? Naast een inschatting van de behoefte aan de te realiseren nieuwe stedelijke ontwikkeling, dient ook nagegaan te worden of er sprake is van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. De locatie ligt tegen de stadskern van Sittard aan en is daarmee binnen bestaand stedelijk gebied. Er is derhalve geen verdere motivering benodigd voor de locatiekeuze. 3.3.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 5.129g uit het Bkl.

3.4 Conclusie Rijksbeleid Onderhavige ontwikkeling raakt geen rijksbelangen en is niet in strijd met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief niet in strijd is met het relevante rijksbeleid.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 7

14 januari 2025

Molenbeekhof

3.5 Provinciaal beleid De provinciale omgevingsvisie (POVI) richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook het aspect gezondheid en een gezonde leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie meegenomen. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. De provincie beschouwt daarom alle woningbouwontwikkelingen als een provinciaal belang. Het belang is een woningaanbod/ planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Derhalve voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek op het juiste moment beschikbaar. Zoals hiervoor aangegeven past het woningbouwprogramma in deze doelstelling.

3.5.1 Omgevingsverordening Limburg 2021 (Ovl 2021) Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe (provinciale) omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Daartoe hebben Provinciale Staten van Limburg in december 2021 de Omgevingsverordening Limburg 2021 (OvL2021) vastgesteld. In hoofdzaak is de nieuwe OvL2021 een beleidsneutrale omzetting van de OvL2014. Weliswaar is sprake van een aantal gewijzigde onderwerpen. Dit betreft instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Hoewel het onderwerp wonen ter sprake komt heeft deze instructieregel geen invloed op onderhavige planontwikkeling. De planontwikkeling is binnenstedelijk en voldoet aan het behoefteonderzoek. 3.5.2 Boringsvrije zone Roerdalslenk II Het plangebied is gelegen in het beschermingsgebied 'Boringsvrije zone Roerdalslenk II'. Binnen dit beschermingsgebied is het verboden: • een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; • werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.

Bij onderhavig plan is geen sprake van bodemingrepen van deze diepten, waardoor het milieubeschermingsgebied 'Roerdalslenk II' geen belemmering vormt voor onderhavig voornemen. 3.5.3 Provinciaal woonbeleid In de Omgevingsverordening Limburg 2021 wordt ingegaan op woningbouwplannen. Ten aanzien van nieuwe woningen geldt op provinciaal niveau het volgende: De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 8

14 januari 2025

Molenbeekhof

• • •

• •

rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan. De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft het provinciaal beleid doorgevoerd in de regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vastgesteld op 19 november 2016. Onderhavig plan voldoet aan het bepaalde in die structuurvisie. In paragraaf 3.6.1 van voorliggende toelichting wordt daarop ingegaan.

Op 18 januari 2023 is dit plan bestuurlijk binnen de regio afgestemd. 3.5.4 Conclusie provinciaal beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, is gemotiveerd dat initiatief binnen het provinciale beleid past. 3.6 Regionaal beleid 3.6.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Ook erkennen gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, dat onderlinge concurrentie, zeker met de huidige bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennisregio heeft, leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio. Een overschot aan woningen is niet in het gezamenlijke belang, want dat kan negatieve gevolgen hebben voor de bestaande woningvoorraad, met alle gevolgen van dien voor leefbaarheid, doorstroming en betaalbaarheid. Doel van deze visie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid-Limburg hoog in het vaandel heeft staan.

De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk: • het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; • het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave; • het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL. 3.6.2 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' Het actuele woningbouwbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL), aangevuld met de op 11 februari 2021 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen vastgestelde- en op 26 februari 2021 in werking getreden – beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. Op grond van deze beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 9

14 januari 2025

Molenbeekhof

Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde

Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: • Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; • Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; • Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; • Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat

Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: • Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte • Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte

Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd

Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd.

Ad 1. Maatschappelijke meerwaarde Het voornemen van initiatiefnemer is het herontwikkelen van een vervallen ‘binnentuin’ met opstallen. Op het terrein worden 10 levensloopbestendige woningen gebouwd. Deze woningen sluiten aan op de behoefte.

Ad 2. Planologische aanvaardbaarheid Het plan voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en past binnen het woonbehoefte onderzoek. De woningen voldoen aan die behoefte omdat het voorziet in de toevoeging van 10 levensloopbestendige woningen en 3 betaalbare woningen.

Ad 3. (Sub)regionale afstemming Het plan is door de gemeente afgestemd met de regio en de regio heeft ingestemd met de ontwikkeling. 3.7 Gemeentelijk beleid 3.7.1 Toekomstvisie 2030 In de 'Toekomstvisie 2030' benoemt de gemeente expliciet dat ze wil doorontwikkelen tot een attractieve complementaire woon- en werkstad waar steeds meer behoefte is aan nieuwe woonvormen en concepten, circulair bouwen en wonen (inclusief duurzaam gedrag), vaak gemixt met werk-, ontmoetings-, zorg- en andere functies. De ambitie is om als gemeente aantrekkelijker te worden jongeren, en dat heeft ook gevolgen voor het aanbod aan woningen en woonformules voor bijvoorbeeld ondernemers, jonge mensen, studenten en jongeren die op zichzelf gaan wonen. Onderhavig plan voorziet in een inbreidingslocatie waarbij een verloederd gebied een kwalitatieve invulling krijgt met 10 levensloopbestendige woningen. Daarnaast wordt de

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 10

14 januari 2025

Molenbeekhof

bebouwingsstructuur aan de Tudderenderweg hersteld door de bouw van de drie woningen. Het plan past derhalve binnen de omgevingsvisie van de gemeente. 3.7.2 Omgevingsvisie 2016 Volgens de 'Omgevingsvisie 2016' is onderhavig plangebied gelegen in het stedelijk gebied van Sittard, nabij het stedelijk centrum van de stad. Voor dit gebied geldt dat sprake is van transformeren en verduurzamen. Behoud van vastgoedwaarde is een belangrijk belang. De kwalitatieve invulling van de vervallen binnentuin past in dit beleid. 3.7.3 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met het gemeentelijke beleid. Bovendien worden er met name levensloopbestendige woningen op een korte afstand van de binnenstad toegevoegd.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 11

14 januari 2025

Molenbeekhof

Hoofdstuk 4

Fysieke leefomgeving

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd. 4.2 Bodem en asbest 4.2.1 Beoordelingskader Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. 4.2.2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van dit onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. De volledige rapportage is als Bijlage 4 bij de toelichting opgenomen.

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Asbest Op het maaiveld zijn geen asbest verdachte (plaat-)materialen aangetroffen. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn eveneens geen asbestverdachte (plaat-)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. De analyse van de analysemonsters met puinbijmengingen toont aan dat er geen sprake is van een asbestverontreiniging. De hypothese ‘asbestverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie verworpen. De bodem binnen de onderzoekslocatie kan als onverdacht worden beschouwd. Grond In de boven- en ondergrond zijn analytisch lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK en PCB aangetoond. Volgens de Regeling bodemkwaliteit wordt indicatief voldaan aan de klassen Achtergrondwaarde, Wonen en Industrie. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met xylenen. Er zijn geen bronnen binnen de onderzoekslocatie aanwezig die dit hebben veroorzaakt. De aangetoonde verontreiniging in het grondwater kunnen als regionaal aanwezig worden aangemerkt. Toetsing hypothese De hypothese ‘verdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie door de onderzoeksresultaten aanvaard. De lichte verontreinigingen vormen voor de nieuwbouwplannen op het perceel geen belemmeringen. 4.2.3 Conclusie bodem Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 12

14 januari 2025

Molenbeekhof

4.3 Verkeer en parkeren 4.3.1 Wegverkeer De levensloopbestendige woningen worden ontsloten via de aan te leggen ontsluitingsweg. Deze weg sluit in het oosten aan op de Jan van Stevensweertstraat en in het noorden op de Tudderenderweg. De weg wordt semi-openbaar en blijft eigendom van de bewoners in het plangebied. De weg wordt éénrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer. Het plangebied in via de Jan van Stevensweertstraat en uit via de Tudderenderweg.

Figuur 5. Inrichtingsschets eenrichtingsverkeer

Op de ontsluitingsweg worden 12 van de 13 woningen ontsloten. Alleen woning 1 zal rechtstreeks ontsluiten op de Tudderenderweg. Op basis van de CROW norm bedraagt de totale verkeersgeneratie voor het plan 53,3 bewegingen per dag. Deze aantallen leiden niet tot problemen op het omliggende wegennet. 4.3.2 Parkeren In het plangebied worden parkeervoorzieningen gerealiseerd voor de te realiseren woningen. Hiervoor wordt de parkeersystematiek van de Nota Parkeernormen SittardGeleen toegepast. Op grond van deze nota dient 1,7 parkeerplaats gerealiseerd te worden per te realiseren woningen. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie worden als gevolg van het initiatief 11 woningen toegevoegd. Twee woningen waren planologisch al toegestaan. In het kader van de berekening van de parkeernorm is rekening gehouden met 13 X 1,7 = 22,1 parkeerplaatsen.. In het plan worden minimaal 12 parkeerplaatsen in het ‘openbaar’ gebied gerealiseerd. Daarnaast worden op eigen terrein de volgende plaatsen gerealiseerd.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 13

14 januari 2025

Molenbeekhof

Parkeervoorziening

aantal

Woning met enkele oprit Woning met lange oprit

12 1

Waardeing conform nota 0.8 1.0

resultaat 9,6 1.0 10,6

In totaal betreft het 12+ 10,6 = 22,6 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de norm. 4.3.3 Conclusie verkeer en parkeren Het aspect ‘verkeer’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. 4.4 Activiteiten en milieuzonering 4.4.1 Beoordelingskader Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruik gemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd de discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. 4.4.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 13 woningen.

De beoogde woningen betreffen gevoelige functies in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven en inrichtingen in de omgeving. 4.4.3 Toetsing Met de beoogde toevoeging van woningen binnen het plangebied worden gevoelige objecten toegevoegd aan de omgeving. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen. Binnen een afstand van 100 meter is een tankstation zonder LPG gelegen. De richtafstanden voor een dergelijk bedrijf zijn: Tabel 1. Afstand tot bedrijven/inrichtingen Bedrijf en Geur Geluid omschrijving

Gevaar

Grootste afstand (rustige woonwijk)

Werkelijke afstand

Tinq Tankstation

10 m

30 m

Ca. 70 m

30 m

30 m

Verder is op de hoek Tuddweg/JvanS Straat een tandartspraktijk gelegen. Deze praktijk heeft geen invloed op de omliggende woningen. Er is derhalve geen hinder te verwachten van bedrijven en/of inrichtingen in de omgeving. Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 14

14 januari 2025

Molenbeekhof

4.4.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5 Geluid 4.5.1 Beoordelingskader De regelgeving met betrekking tot aanvaardbaar geluid door een weg of spoorweg op een geluidsgevoelig gebouw staan beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast kan er ook lokaal beleid van toepassing zijn. Voor de situatie aan Molenbeekhof zal daarom getoetst worden aan beide kaders. 4.5.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten in een geluidaandachtsgebied bevat het Bkl een afwegingssystematiek met een standaardwaarde en een grenswaarde (artikel 5.78 lid 2 en 3.18 lid 2 Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij meer geluid dan de standaardwaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw gelden extra eisen. Voor de beoogde situatie is de basisgeluidsemissie van lokale wegen van belang. Tabel 2: Standaard en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw Standaardwaarde Geluidbronsoort

(voorkeurswaarde) [in dB]

Waterschaps- en gemeentelijke wegen

53 Lden

Grenswaarde (maximale waarde) [in dB] 70 Lden

4.5.3 Eisen bij meer geluid dan de standaardwaarde Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging gelden een aantal eisen. In de beoogde situatie is geluid boven de grenswaarde niet toegestaan. 4.5.4

Geluid tot en met grenswaarde

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1.

Geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl).

2.

De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl).

3.

Bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 2 Bkl).

4. Het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl). 5.

Het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78ad Bkl).

6. Het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 15

14 januari 2025

Molenbeekhof

4.5.5 Beleid gemeente Sittard-Geleen De projectlocatie valt in het omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen. Hierbij betreft het een tijdelijk omgevingsplan, waarbij het bestemmingsplan van vóór 2024 is overgegaan in het tijdelijke omgevingsplan. Dit omgevingsplan bevat geen aangepast beleid voor (spoor)weggeluid. Daarnaast is er op het moment van de tervisielegging van onderhavig plan geen beleidsregel of verordening van kracht binnen de gemeente Sittard-Geleen met betrekking tot (spoor)weggeluid. Er zijn hierdoor geen aanvullende regels van toepassing bij de berekening en beoordeling van het (spoor)wegverkeerslawaai. 4.5.6 Beoordeling geluid wegverkeer M-tech Nederland heeft een onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting wegverkeer op de nieuw te realiseren woningen (zie Bijlage 1). Uit deze beoordeling blijken de onderstaande berekende geluidbelastingen (Lden) op de toetspunten ter plaatse van de woningen in het project. Tabel 3. Wegverkeerlawaai (Lden) Naam Omschrijving TP01a_B Toetspunt Woning 1 TP02a_B Toetspunt Woning 2 TP03a_B Toetspunt Woning 3 TP01a_A Toetspunt Woning 1 TP02a_A Toetspunt Woning 2 TP03a_A Toetspunt Woning 3 TP04a_B Toetspunt Woning 4 TP05a_B Toetspunt Woning 5 TP04a_A Toetspunt Woning 4 TP06a_B Toetspunt Woning 6 TP05a_A Toetspunt Woning 5 TP07a_B Toetspunt Woning 7 TP06a_A Toetspunt Woning 6 TP07a_A TP10a_B

Hoogte

Toetspunt Woning 7 Toetspunt Woning 10

Lden 4,5 4,5 4,5 1,5 1,5 1,5 4,5 4,5 1,5 4,5 1,5 4,5 1,5

63,2 63,2 63,2 62,8 62,8 62,8 52,4 51,0 50,7 49,6 49,3 49,1 48,5

1,5 4,5

48,0 47,1

De hoogste geluidsbelasting, bedraagt 63,2 Lden op de eerste verdieping van woningen 1, 2 en 3 (W01a_B, W02a_B en W03a_B). Uit de overige resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 53 Lden op 6 toetspunten wordt overschreden. De grenswaarde van 70 Lden wordt nergens overschreden. Hierdoor zal er ter plaatse van de woningen met een overschrijding van de standaardwaarden voldaan moeten worden aan aanvullende eisen. Aangezien zowel het toepassen van bronmaatregelen als geluidbeperkende maatregelen in het overdrachtsgebied in deze ontwikkeling als niet doelmatig c.q. niet haalbaar worden aangemerkt, zouden hogere waarden van de standaardwaarde, onder bepaalde voorwaarden, toegestaan kunnen worden. Voor 3 woningen dienen hogere waarden dan de standaardwaarde te worden aangevraagd. Een overzicht van de aan te vragen hogere waarden ten gevolge van de lokale wegen: • Woning 1: Westgevel : begane grond 62,8Lden • Woning 1: Westgevel : verdieping 63,2Lden • Woning 2: Westgevel : begane grond 62,8Lden • Woning 2: Westgevel : verdieping 63,2 Lden Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 16

14 januari 2025

Molenbeekhof

• •

Woning 3 Woning 3

Westgevel : begane grond Westgevel : verdieping

62,8Lden 63,2 Lden

Er wordt voldaan aan de aanvullende eisen (zie hoofdstuk 3.3 akoestisch onderzoek). Gecumuleerd geluid Omdat er op diverse locaties overschrijdingen van de standaardwaarde aanwezig zijn, is als onderdeel van de aanvullende eisen het gezamenlijk en gecumuleerde geluidsniveau bepaald en beoordeeld. Bij gecumuleerd geluid in de Omgevingswet gaat het om de beoordeling van aanvaardbaarheid. Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. De berekende waarden laten zien dat er ter plaatse van woningen 1 tot en met 3 op de eerste verdieping en de begane grond van de westelijke gevel een matige milieukwaliteit aanwezig is. De overige locaties hebben een milieukwaliteit van ten minste redelijk. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat uit oogpunt van geluid. Gezamenlijk geluid De waarde van het gezamenlijke geluid is nodig voor het bepalen van de vereiste geluidwering van geluidgevoelige gebouwen. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. De geluidswering van de gevels zal moeten voldoen aan de vereiste karakteristieke geluidswering (GA;k) conform artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Hierbij dient de karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner te zijn dan het verschil tussen het berekende gezamenlijke geluid en 33 dB, met een minimum van 20 dB. De hoogste gezamenlijke gevelbelasting is: 63,2 Lden ter plaatse van woning 1 t/m 3. Er is op deze locatie een karakteristieke geluidswering noodzakelijk van (63,2-33=) 30,2 dB. Hierdoor kan met een gangbare gevelindeling en de juiste geluidwerende materialen, voldaan worden aan de gewenste binnenwaarde. 4.5.7 Toetsing industrielawaai Zoals vastgesteld in paragraaf 4.4 zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geluidhinder ter plekke van de beoogde woningen kunnen zorgen. Derhalve is onderzoek naar effect van industrielawaai op de beoogde woningen niet noodzakelijk. Omgekeerd hebben de beoogde woningen geen effect op omliggende gevoelige functies. Op de hoek Swentiboldstraat / Broeksittarderweg is wel in de toekomst een brandweerkazerne geprojecteerd. Deze ontwikkeling is omgeven door woningen en vormt zodoende geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. 4.5.8 Conclusie geluid Het aspect 'geluid' vormt, inclusief de toepassing van de hogere waarden voor wegverkeerlawaai, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit 4.6.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 17

14 januari 2025

Molenbeekhof

Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt. In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds in “niet betekenende mate” bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.6.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 13 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.7 Watertoets Bij de vaststelling van een (deel) omgevingsplan moeten voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder worden betrokken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de instructieregels. 4.7.1 Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen met betrekking tot de waterhuishouding, gericht op een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).

Het betreft: • Nationaal: o Nationaal Waterplan; o Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); o Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); o Waterwet. • Provinciaal: o Provinciaal Waterprogramma Limburg 2022-2027.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 18

14 januari 2025

Molenbeekhof

De uitgangspunten van dit beleid zijn uitgewerkt in het waterbeheerplan dat het Waterschap Limburg op 8 december 2021 heeft vastgesteld. Het waterbeheerplan heeft een planhorizon van 2022-2027. Met dit Waterbeheerplan zet Waterschap Limburg de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg en hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, het herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. In de brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Deze trits wordt bepaald in de Waterschapsverordening. Bij de realisatie van verharde terreinen en gebouwen moet wateroverlast worden voorkomen.

Het principe van 'waterneutraal bouwen' is hierbij de leidraad. Dit houdt bij uitbreiding van het verhard oppervlak in: • Het terug in de bodem brengen van regenwater door dynamische bergings/infiltratievoorzieningen gerealiseerd door de initiatiefnemer. Deze voorzieningen dienen gedimensioneerd zodat een bui van 80 mm in 2 uur geborgen kan worden. • De maximale leegloop/herbeschikbaarheid van de voorziening bedraagt 24 uur. • Het water als gevolg van een bui groter dan 80 mm/2 uur mag worden afgevoerd naar het riool. Wel moet inzichtelijk gemaakt worden wat de gevolgen zijn van een bui van T=100 (45 mm in 30 minuten). Een dergelijke bui mag niet tot overlast leiden. 4.7.2 Hemelwater In het plangebied worden 13 woningen gebouwd. Tevens wordt een weg aangelegd met parkeerplaatsen. De totale oppervlakte van de woningen bedraagt ca 1340 m2 Voor de bestrating op de percelen wordt uitgegaan van ca 515 m2 In het ‘openbaar gebied’ wordt een weg met parkeergelegenheid aangelegd. In totaal wordt hiervoor ca. 1025 m2 verhard. Binnen de bestemming groen is dit maximaal 15% dichte verharding. Voor het overige worden de parkeervakken aangelegd met halfverharding. De totale oppervlakteverharding bedraagt hiermee ca. 2880 m2.

Uitgaande van een waterbergingsopgave van 80 mm is de benodigde berging dus 231 m3 Uitgaande van een infiltratiecapaciteit van de bodem die slecht tot matig is, zal een bergingsvoorziening worden gerealiseerd in het plangebied waarin 231 m3 kan worden geborgen. Tevens zullen maatregelen genomen worden om de infiltratiecapaciteit te verbeteren. De uitwerking zal in overleg met gemeente en waterschap worden bepaald. Bij een bui van T=100 is niet uit te sluiten dat water op de aan te leggen weg komt te staan. Deze weg loopt af richting Tudderenderweg. In zo’n geval zal dus het water over de weg afvloeien naar de Tudderenderweg. Met het peil van de woningen wordt hier

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 19

14 januari 2025

Molenbeekhof

rekening mee gehouden. Een bui van T=100 zal derhalve niet tot schade leiden, maar slechts tot een zeer kort ongemak. 4.7.3 Riolering De woningen die aan de niet aan te leggen weg worden gebouwd worden aangesloten op een riolering die in weg komt te liggen. Deze riolering wordt aangesloten op het hoofdriool in de Tudderenderweg. De woningen aan de Tudderenderweg krijgen elk een eigen aansluiting op het gemengde riool in de Tudderenderweg. 4.7.4 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8 Soorten en gebiedsbescherming 4.8.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • Er soorten aanwezig zijn; • Welke soorten dat zijn.

Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 20

14 januari 2025

Molenbeekhof

Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee. 4.8.2 Onderzoek flora & fauna Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door M-tech Nederland een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van deze quickscan zijn in deze paragraaf opgenomen. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 2. Tabel 4. Uitkomsten quickscan flora & fauna Beschermde soorten niet Flora aangetroffen Zoogdieren Fauna Plangebied niet geschikt als Vleermuizen leefgebied Overige zoogdieren

Vogels

Reptielen

Amfibieën

Geen sporen aangetroffen Er zijn geen nestlocaties gevonden op het plangebied maar soorten zoals de merel, heggenmus, winterkoning, roodborst en houtduif kunnen wel gebruik maken van de bomen als mogelijke nestlocaties. Niet waargenomen, geen geschikt habitat Niet waargenomen. Incidenteel kan een zwervend exemplaar van bijvoorbeeld een bruine kikker of gewone pad in het plangebied worden aangetroffen. Van een functioneel leefgebied is hier geen sprake

Vissen

Geen water aanwezig

Ongewervelden

Geen geschikt habitat

Geen effecten op beschermde soorten Geen effecten te verwachten Geen effecten te verwachten

Geen effecten als rekening gehouden wordt met het broedseizoen

Geen effecten te verwachten

Geen effecten te verwachten

Geen effecten te verwachten Geen effecten te verwachten

Aanvullend onderzoek voor beschermde soorten is niet noodzakelijk. In het plangebied worden drie bomen gekapt. Omdat dit binnen de bebouwde kom is, is een kapmelding bij de provincie Limburg voor beschermde houtopstanden niet aan de orde. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk.

4.8.3 Stikstofdepositie De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en – depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 21

14 januari 2025

Molenbeekhof

omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en –depositie vereist voor de realisatie- en gebruiksfase. Hiertoe heeft M-tech Nederland een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage.. De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 3. 4.8.4 AERIUS-berekening De realisatie- en gebruiksfase resulteren niet in een toename van boven de 0,00 mol N/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hiermee is een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning benodigd. 4.8.5 Conclusie Het aspect ‘soorten en gebiedsbescherming’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Beoordelingskader Algemeen De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Archeologie Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. Onderhavig plangebied is groter dan 100 m2. Op grond van het vigerende omgevingsplan is onderzoek vereist bij grondroeringen groter dan 500 m2 en 30 cm diep. Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed, dat voor bescherming in aanmerking komt, een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. 4.9.2

Archeologie

Door Aeres milieu is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. (zie Bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt dat Het plangebied op een daluitspoelingswaaier ligt. Deze is al dan niet bedekt door dekzand en/of löss. In de omgeving van het plangebied liggen twee droogdalen en het huidige beekdal van de Geleenbeek. De droogdalen waren tijdens het paleolithicum waarschijnlijk watervoerend. Voor het plangebied geldt een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het midden-paleolithicum tot en met het neolithicum. Binnen het plangebied worden radebrikgronden en/of ooivaaggronden verwacht. Eventueel aanwezige resten uit de periode midden-paleolithicum – neolithicum worden vanaf het maaiveld in de bovenste horizonten van deze bodemtypes verwacht en kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen,

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 22

14 januari 2025

Molenbeekhof

vuursteenstrooiingen. Het plangebied ligt relatief droog dichtbij het beekdal van de Geleenbeek. Nabij het plangebied zijn in het verleden een aantal crematiegraven aangetroffen uit de periode late bronstijd tot de ijzertijd. Er zijn meerdere vondsten van bewoning bekend uit de periode ijzertijd – vroege middeleeuwen. Er geldt om deze redenen een hoge archeologische verwachting voor de periode van het neolithicum tot de vroege middeleeuwen. Resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen, of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Tudderenderweg. Deze straat is een historische verbindingsweg tussen de stadskern van Sittard en de buitengebieden in noordoostelijke richting. Het plangebied is afgaande op de historische kaarten vanaf het begin van de 19e eeuw tot na 1960 in gebruik geweest als weiland en boomgaard. Daarna is het gebruikt voor wonen en is een woonhuis gerealiseerd met binnen- en buitenzwembad, tennisbaan en tuin. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: • door het gebruik als boomgaard kan de oorspronkelijke bodem verstoord zijn geraakt.

• Mogelijke vuursteenvindplaatsen zullen hierdoor niet meer intact zijn. • Vanwege de nabije ligging van een lösswand kan binnen het plangebied colluvium worden verwacht. Dit zal juist een afdekkende en beschermende werking hebben op de verwachte archeologische niveaus. Er geldt voor het gebied waarschijnlijk een lage grondwaterstand. Organische resten kunnen vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodem in het plangebied grotendeels intact is. Ook bij ondiepe graafwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische resten worden verstoord. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Omdat dit vervolgonderzoek nog niet is uitgevoerd, is de archeologische bescherming in het deelomgevingsplan in stand gelaten. 4.9.3 Cultuurhistorie De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen). Het plangebied kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden.

4.9.4 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Toelichting TAM-IMRO Molenbeekhof vastgesteld 23

14 januari 2025

Molenbeekhof

4.10 Omgevingsveiligheid 4.10.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.

Het betreffen de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Aandachtsgebieden Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. 4.10.2 Toetsing Op basis van onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland (atlas voor de leefomgeving) zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • Risicovolle inrichtingen; • Transport over weg, water en spoor; • Hogedruk aardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; • Bovengrondse hoogspanningslijnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=8b549c6e-915a-4973-8642-a94253a31079