CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Motivering

Raad 5 maart 2026, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Wijziging van het omgevingsplan voor de locatie Bornerweg 33 te Obbicht (Geilen)16.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

34

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

5.5

Omgevingsveiligheid

5.5.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.

Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. 5.5.2 Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Daaruit blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied van risicovolle bronnen.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

35

Uitsnede Atlas Leefomgeving met aanduiding planlocatie

Onderliggend planlocatie bevindt zich op circa 165 meter afstand van het Julianakanaal. Over het kanaal vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied bevindt zich in het aandachtsgebied van het transport van toxische vloeistoffen en/of toxische gassen over het kanaal. Het transport van toxische stoffen kan leiden tot gifwolkscenario's. De planlocatie bevindt zich in het gifwolkaandachtsgebieden (GAG). Binnen een GAG gelden voor nieuwbouw generieke bouweisen ter bescherming tegen gifwolken, zoals het uit kunnen schakelen van een mechanische ventilatievoorziening en het kunnen kiezen van het meest geschikte ventilatiesysteem. Ten aanzien van een toxisch scenario wordt in het kader van zelfredzaamheid geadviseerd om naar binnen te gaan, te schuilen tot de lekkage is gestopt en metingen van de hulpdiensten uitwijzen dat de luchtwaardes veilig zijn. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de luchttoevoer van buitenaf volledig kan worden afgesloten en dat ramen en deuren gesloten blijven. Als hieraan voldaan wordt kan in een goed afgesloten gebouw de concentratie van giftige stoffen relatief laag worden gehouden. Vorenstaande aandachtspunten ten aanzien van het ventilatiesysteem dienen bij het verlenen van een concrete omgevingsvergunning voor de bouw van de acht woningen binnen de kaders van voorliggend plan als voorwaarden te worden gesteld.

Voor wat betreft de gedeeltelijke ligging van onderhavig plangebied binnen een explosieaandachtsgebied dient bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van onderhavige woningen rekening te worden gehouden met eventuele aanvullende bouwkundige maatregelen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld explosiewerend glas, kleinere (gevel)openingen en stevigere gevels. Voor de eventueel te treffen specifieke maatregelen dient bij vergunningverlening advies te worden ingewonnen van de Veiligheidsregio. Gelet op het feit dat het plangebied is gelegen op de buitenste grens van het explosieaandachtsgebied is geen sprake van onoverkomelijke belemmeringen. 5.5.3 Conclusie omgevingsveiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

36

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

5.6

Cultureel erfgoed

5.6.1 Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 5.6.2

Beoordeling

5.6.2.1 Archeologie Op grond van de facetsbeheerverordening archeologie Sittard-Geleen, zoals vastgesteld op 13 december 2023 door de gemeenteraad van gemeente Sittard-Geleen, geldt ter plekke van de planlocatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4'. De regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' schrijven archeologisch onderzoek voor bij bodemverstoring dieper dan 30 centimeter en met een oppervlak groter dan 50 m2 . Bij de dubbellbestemming 'Waarde Archeologie 4' wordt archeologisch onderzoek voorgeschreven bij bodemverstoring dieper dan 30 centimeter en met oppervlak van meer dan 500 m2 .

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

37

Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied

Doordat sprake is van het toevoegen van acht woningen waarvan het oppervlak groter is dan 50 m2 en graafwerkzaamheden uitgevoerd zullen worden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Op grond van het verrichte onderzoek is geconcludeerd dat de (middel)hoge archeologische verwachting voor het zuidelijke deel van het plangebied dient te worden behouden. Vooralsnog geldt dit ook voor het verharde/bebouwde deel van het plangebied. Voor het noordelijke deel van het plangebied kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag. Op basis van de bevindingen is geadviseerd om ingeval van uitgebreide bodemingrepen binnen het zuidelijke en centrale (bebouwde/verharde) deel van het plangebied aanvullend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. 5.6.2.2 Overig cultureel erfgoed Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig plangebied geen sprake. 5.6.3 Conclusie cultureel erfgoed Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan, mits uit aanvullend archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden in het geding zijn.

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

38

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

5.7.2

Beoordeling

5.7.2.1 Verkeersstructuur Ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied zal gebruik worden gemaakt van de bestaande ontsluiting op de openbare weg aan de Beelaertstraat. Als gevolg van voorliggend plan neemt het aantal verkeersbewegingen toe. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'. Wanneer voor een bepaald gebied bekend is hoeveel woningen er worden gebouwd, is op basis van vuistregels globaal de verkeersgeneratie per etmaal te berekenen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt met de stedelijkheidsgraad en naar ligging in de stedelijke zone. Onderhavig plangebied is gelegen in de 'rest bebouwde kom en in een 'niet stedelijk gebied'. Volgens de 'Parkeerkencijfers 2024' wordt voor een koopwoning, tussen/hoek, uitgegaan van minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen per etmaal. Onderliggend plan ziet op het realiseren van acht woningen waardoor sprake is van minimaal 56 en maximaal 62,4 verkeersbewegingen per etmaal. Het bestaande wegennet in de omgeving van het plangebied is zodanig dat het dit aantal verkeersbewegingen zonder problemen kan worden afgehandeld en niet zullen leiden tot problemen in de verkeersstroming, -afwikkeling en -veiligheid.

5.7.2.2 Parkeren Op grond van de gemeentelijke parkeernormen 'Nota Parkeernormen Sittard-Geleen Parkeernormensystematiek', zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Sittard-Geleen en geldend vanaf 9 mei 2012, dient er te worden voldaan aan het geldend parkeerbeleid van de gemeente Sittard-Geleen. Als gevolg van voorliggend plan dient er rekening te worden gehouden met de volgende parkeerbehoefte: deze is voor een woning in de rest bebouwde kom minimaal 1,7 exclusief het aandeel bezoekers van 0,3. Deze parkeerbehoefte dient op eigen terrein te worden opgevangen. De parkeerbehoefte als gevolg van onderliggend plan, voor acht woningen, bedraagt in totaal 16 stuks. Ter plekke van voorliggend plan zullen op een centrale plek aan de zijde van de Beelaertstraat 16 parkeerplekken gerealiseerd worden. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde parkeerbehoefte en heeft het plan geen gevolgen voor de openbare parkeerbalans.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

39

Situatietekening met opvang parkeerbehoefte 5.7.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.8

Water en watersystemen

5.8.1 Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering:

40

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. ProvinciaalWaterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid.

Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

41

worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. Overstromingskaarten regionaal watersysteem Door klimaatverandering zal de kans op extreme buien, regenwateroverlast en overstromingen toenemen. Het is belangrijk om vooruit te kijken en nu al rekening te houden met toekomstige klimaatontwikkelingen. Waterschap Limburg heeft daarom in opdracht van programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) overstromingskaarten opgesteld. Voor deze kaarten is vooruitgekeken naar het jaar 2100 en de risico's die we in dat jaar op basis van klimaatverandering verwachten. De kaarten geven inzicht op welke plekken overstromingen kunnen ontstaan door extreme neerslag (pluviale overstromingen) of piekafvoeren in de beken (fluviale overstromingen). Ze geven ook inzicht in de risico's op schade voor bebouwing en veiligheidsrisico's zoals gevaar voor voertuigen en mensen op staat of instortingsgevaar van gebouwen. Uitgangspunt is een situatie die in 2100 eens per 100 jaar kan voorkomen (jaarlijkse kans is 1%). In het huidige klimaat is de kans op zulke overstromingen kleiner en komt dit gemiddeld eens per circa 500 jaar voor. Dit beeld is ongeveer vergelijkbaar met wat in juli 2021 in Valkenburg is gebeurd.

Met betrekking tot de projectlocatie zijn de volgende beschikbare overstromingskaarten geraadpleegd: Waterdiepte bij fluviale overstroming; Waterdiepte bij pluviale overstroming; Waterveiligheid bij fluviale overstroming; Waterveiligheid bij pluviale overstroming. 5.8.2 Beoordeling Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet. Overstromingsrisico regionaal watersysteem Uit raadpleging van de kaarten blijkt dat ter plaatse van onderhavig plangebied een beperkt risico (tussen de 1 en 50 centimeter) bestaat met betrekking tot waterdiepte bij pluviale overstromingen, voornamelijk ter plekke van het zuidelijke deel van het plangebied. De gevaarzetting is minimaal.

42

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Uitsnede overstromingskaart 'waterdiepte bij pluviale overstroming'

Uitsnede overstromingskaart 'waterveiligheid bij pluviale overstroming'

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

43

Door bij het te kiezen bouwpeil van de nieuwe woningen rekening te houden met de informatie uit de overstromingsrisicokaarten, kunnen negatieve gevolgen bij pluviale overstromingen worden voorkomen. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting van de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiénisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Het hemelwater dat valt op de nieuwe dakverharding dient op het eigen perceel te worden opgevangen. De gemeente hanteert voor woningen een infiltratiecapaciteit van 50 mm/m2 en voor projecten van meer dan 300 m² een infiltratiecapaciteit van 80 mm/m2 . Voorliggende planontwikkeling ziet op het kunnen realiseren van acht woningen met bijbehorende bergingen. Het totale oppervlak hiervan bedraagt circa 650 m². Dit oppervlak impliceert een hoeveelheid binnen het plangebied af te handelen hemelwater van (650 m² * 80 mm) 52 m³. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de bodem binnen het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4.

Op grond van het onderzoek is geconcludeerd dat de waterdoorlatendheid is geclassificeerd als 'vrij goed' (K-waarde: 0,71 m/d). Infiltratie van hemelwater direct in de ondiepe ondergrond met een gereguleerde voeding/afvloeiing middels een wadi of grindkoffer is daarbij mogelijk. In het kader van voorliggende planontwikkeling wordt aan de westzijde van het plangebied, noordelijk van de Bornerweg 33, voorzien in een wadi / waterberging. Ter plekke is afdoende fysieke ruimte beschikbaar om te kunnen voorzien in een afdoende grote hemelwatervoorziening. 5.8.3 Conclusie water en watersystemen Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water en watersystemen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.9

Natuur en landschap

5.9.1 Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

44

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

5.9.1.1 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: óf er soorten aanwezig zijn; en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.

Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. 5.9.1.2 Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. 5.9.2

Beoordeling

5.9.2.1 Flora en fauna Onderliggend plangebied voorziet op de sloop van een bedrijfsgebouw en de realisatie van acht woningen ter plekke van de Bornerweg 33 te Obbicht. Naast het bedrijfsgebouw is het terrein onbebouwd en is er sprake van enkele beplanting. Vanwege de aanwezigheid van bomen en struiken op het plangebied is de kans aanwezig dat er beschermde dier- en/of plantensoorten aanwezig zijn. Het slopen van het bedrijfsgebouw en het realiseren van woningen kan mogelijk een verstorend effect hebben. Ten behoeve van onderhavig plan is een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 5. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: Uit de quickscan kan worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatieve invloed hebben op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Vanwege de aanwezigheid van bomen, is het mogelijk dat bomen niet jaarronde beschermde nesten bevatten en dat deze nesten verstoord kunnen worden door werkzaamheden. De werkzaamheden dienen dan ook buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Indien dit niet kan, dan zal een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.

De bomen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege het ontbreken van gaten of holen

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

45

en de bomen zijn geen onderdeel van een lijnvormig element. Men dient zich aan de zorgplicht houden. Deze zorgplicht geldt voor ieder die een activiteit uitvoert waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben op in het wild levende dieren, planten, bomen en natuurgebieden. Men dient redelijkerwijs nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en indien gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt achterwegen te laden. Voor de minder beschermde soorten dient onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden te worden. Gedurende de ontwerpfase kunnen de woningen meer natuurwaarde bieden door te denken aan "natuurinclusief" bouwen. Voorbeelden hiervan zijn ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, alsook het aanplanten van inheemse bomen en struiken. 5.9.2.2 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen.

Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Onderhavig plangebied is op circa 900 meter afstand ten opzichte van Natura2000 gebieden gelegen.

Ligging plangebied t.o.v. Natura2000 gebieden

Ten behoeve van voorliggend plan is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 bij voorliggende motivering.

46

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden. 5.9.2.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Onderhavig plangebied is niet gelegen in het Limburgse deel van het Natuurnetwerk.

Ligging plangebied t.o.v. natuurnetwerk 5.9.2.4 Landschappelijkinpassingsplan Ten behoeve van onderhavige planontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan vervaardigd. Dit plan is in z'n geheel opgenomen als Bijlage 7 bij voorliggende motivering. In dit plan wordt op basis van een inventarisatie en analyse gekomen tot voorstellen voor te treffen inrichtings-/inpassingsmaatregelen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen op maaiveldniveau en op boomkroonniveau. Op maaiveldniveau wordt binnen voorliggend plangebied voorzien in kruidenrijk grasland en de aanplant van ligusterhagen en haag van de haagbeuk. Zie onderstaande uitsnede.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

47

Inrichtingsmaatregelen op maaiveldniveau

Qua boomkroonniveau wordt voorzien in de aanplant van 15 stuks kook- en sierperen, en een tweetal solitaire wilgen. Zie onderstaande uitsnede.

48

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Inrichtingsmaatregelen op boomkroonniveau

Uitvoering en realisatie van de te treffen inpassingsmaatregelen is vastgelegd in de tussen initiatiefnemer en de gemeente gesloten anterieure overeenkomst. 5.9.3 Conclusie natuur en landschap Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.10

Kabels, leidingen en vrijwaringszone

5.10.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen van de aanwezigheid van kabels, leidingen en vrijwaringszones inzichtelijk te worden gemaakt. 5.10.2 Beoordeling Door het plangebied lopen geen boven- danwel ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

49

5.10.3 Conclusie kabels, leidingen en vrijwaringszones Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels, leidingen en vrijwaringszones' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.11

Duurzaamheid en klimaat

5.11.1

Algemeen

5.11.1.1 Duurzaamheid Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen; Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen; Natuurinclusief bouwen. 5.11.1.2 Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.

50

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

5.11.2 Beoordeling Bij voorliggend bouwplan wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 5.11.3 Conclusie duurzaamheid en kllimaat Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

51

52

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Participatie en omgevingsdialoog

6.1.1 Algemeen Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een plan of activiteit. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder plan of voor iedereen weggelegd.

In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het aanvragen van een omgevingsvergunningen (BOPA) kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

6.1.2 Participatiebeleid gemeente Sittard-Geleen De gemeente Sittard-Geleen heeft beleid opgesteld over participatie in de Participatieverordening Sittard-Geleen 2023. In deze verordening zijn de regels over participatie binnen de gemeente Sittard-Geleen evenals de Leidraad Doorontwikkeling Participatie, het Participatiekader 2023 Sittard-Geleen en Participatie initiatiefnemers Omgevingswet Sittard-Geleen. De Leidraad Doorontwikkeling Participatie en het Participatiekader 2023 Sittard-Geleen geven het kader van participatie bij initiatieven door de gemeente zelf. De Participatie initiatiefnemers Omgevingswet Sittard-Geleen geeft beleidsregels voor initiatiefnemers. Uit de Participatie initiatiefnemers Omgevingswet Sittard-Geleen volgt dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is voor het zo vroeg mogelijk betrekken van belanghebbenden. De initiatiefnemer kan zelf het doel en proces van de participatie bepalen. Daarbij wordt gestimuleerd om de hiervoor genoemde kaders te gebruiken.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

53

In principe mag het niet volgen van participatie geen reden zijn om een vergunningaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit is anders als sprake is van verplichte participatie. De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft bepaald dat bij alle vergunningaanvragen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot het bouwen van gebouwen en/of activiteiten met betrekking tot wijziging van gebruik hiervan participatie verplicht is. De stappen voor participatie zijn: 1.

QuickScan intensiteit participatie. Uit de QuickScan volgt wat het gewenste participatielevel is. De levels zijn: a. Level 0 - informeren en raadplegen. Dit level speelt bij initiatieven die niet of nauwelijks impact hebben op de samenleving. b. Level 1 - beperkte participatie. Dit level speelt bij initiatieven die weinig impact hebben op de omgeving. c. Level 2 - participatie. Dit level speelt bij initiatieven die een gemiddelde impact hebben op de omgeving. Bij dit level worden de directe omgeving en andere initiatiefnemers om advies gevraagd en mogen ze meedenken over het initiatief. d. Level 3 - veel participatie. Dit level speelt bij initiatieven met veel impact op de omgeving. Enkel als sprake is van level 0 hoeven de volgende stappen niet doorlopen te worden. Deze QuickScan dient bij de aanvraag aangereikt te worden.

2.

Vooroverleg met de gemeente. Bij onverplichte participatie wordt het vooroverleg gebruikt om de initiatiefnemer te stimuleren de uitgangspunten te gebruiken. Bij verplichte participatie wordt het vooroverleg gebruikt om toe te lichten hoe de gemeente gaat toetsten. De begeleiding vindt hierbij plaats via een vaste contactpersoon met wie de juiste aanpak besproken te worden. Voorbereiding door middel van het opstellen van een plan van aanpak waarin de gekozen aanpak gemotiveerd wordt. Uitvoering waarna bij voorkeur een participatieverslag opgesteld wordt.

3. 4.

6.1.3 Omgevingsdialoog Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van acht nultredenwoningen. Ten behoeve van het plan is de participatiescan van de gemeente ingevuld; zie figuur hierna.

54

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Participatiescan

In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan zijn de direct omwonenden geïnformeerd en is gevraagd om hun reacties. De verslaglegging hiervan is bijgevoegd als Bijlage 8, waaruit blijkt dat geen bezwaren tegen de voorgenomen plannen zijn gebleken.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

55

6.1.4 Zienswijze Het ontwerp-TAM-Omgevingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen bij de gemeente Sittard-Geleen. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingekomen.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd. 6.2.2 Kostenverhaal Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Anterieure overeenkomst Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow.

Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot wijziging van het omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. Publiekrechtelijk kostenverhaal Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal: 1. 2.

Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow) Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)

In het kader van onderhavige ontwikkeling is een anterieure overeenkomst aangegaan tussen de gemeente en initiatiefnemer.

56

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

6.2.3 Financiële bijdragen Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van deze wijziging van het omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde. 6.2.4 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan), een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Het verleggen van nadeelcompensatie maakt onderdeel uit van de tussen de gemeente en initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

57

58

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

Hoofdstuk 7 7.1

Artikelsgewijze toelichting

TAM-Omgevingsplan

7.1.1 Algemeen Een TAM-Omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat de gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-Omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-Omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-Omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie. Een TAM-Omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-Omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-Omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-Omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam. De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar.

De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-Omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-Omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden. 7.1.2 Uitwerking in de regels Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Kerkrade van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Kerkrade. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Kernen Obbicht en Papenhoven' leidend.

Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Kernen Obbicht en Papenhoven '. Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-Omgevingsplan voorkomen. De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken met, namelijk 'Inleidende regels' (Bijlage 3) met daaraan voorafgaand een preambule, 'Regels voor functies en activiteiten' (Hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (Hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (Hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken. Preambule

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

59

In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Inleidende regels (hoofdstuk 1) De algemene bepalingen zijn opgenomen in Bijlage 3 van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten begripsbepalingen, het toepassingsbereik en meet- en rekenbepalingen. Functies en activiteiten (hoofdstuk 2) In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 7.1.3 nader toegelicht. Algemene regels (hoofdstuk 3) In Hoofdstuk 3van het TAM-Omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de algemene aanvraagvereisten, algemeen verbod bouwactiviteiten, anti-dubbeltelregel en algemene bouwregels. Overgangsregels (hoofdstuk 4) In Hoofdstuk 4 van het TAM-Omgevingsplan zijn overgangsregels opgenomen die betrekking hebben op 'bouwwerken' dan wel 'gebruik'. 7.1.3 Functies en activiteiten In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen welke binnen het plangebied zijn toegestaan.

Groen Aan de gronden niet aangewezen voor 'Wonen' en/of 'Tuin' is de functie 'Groen' toegekend. Dit betreft de 'parkjes' binnen het plangebied, zijnde de centrale parkeergelegenheid en de parktjes/ontmoetingsplekken. Tuin Deze functie heeft betrekking op de voortuinen van de woningen gelegen binnen de functie 'Wonen'. Daarnaast is deze functie bedoeld voor water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Binnen deze functie kunnen ook bij de woning behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's en afdaken gebouwd worden mits voldaan wordt aan de in de regels opgenomen bepalingen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen gebouwd worden. Dit betekent dat het verboden is om gebouwen te bouwen. Van dit verbod kan afgeweken worden als voldaan wordt aan de beoordelingsregels voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit behorende bij deze functie. Verder zijn bij de beoordelingsregels regels opgenomen inzake de percentageregeling en over bestaande afmetingen, afstanden en percentages. Wonen De op de verbeelding met 'Wonen' aangegeven gronden zijn bedoeld voor wonen. Daarnaast is deze functie bedoeld voor erven, water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding en nutsvoorzieningen.

Hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen deze functie gebouwd worden mits ze toebehoren tot wonen, erven, water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding en nutsvoorzieningen. Middels een omgevingsvergunning kan bij deze functie, onder voorwaarden, de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of een aan huis gebonden bedrijf toegestaan zijn. Dit dient via een aanduiding op de

60

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

verbeelding weergegeven te worden. Daarnaast kan middels een omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk toegestaan worden. Voor de bebouwing geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken mogen worden gebouwd, waarbij de voorgevel in de voorste bouwgrens moet worden gebouwd. Daarbij is opgenomen dat binnen het TAM-omgevingsplan uitsluitend nultredenwoningen zijn toegestaan en de minimale gebruiksoppervlakte van de woning 70 m² dient te bedragen. De goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. De overige bebouwingsregels zijn in de regels bij deze functie opgenomen. Waarde - Archeologie - 2 en Waarde - Archeologie - 4 Binnen deze functies zijn gronden opgenomen waar archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel worden verwacht. Om die bestemming zeker te stellen is een omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden opgenomen. Het onderscheid tussen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde - Archeologie - 4' is gelegen in het oppervlakte en diepte van de aantasting. Deze is 50 m2 respectievelijk 30 cm bij de functie 'Waarde - Archeologie - 2' en 500 m2 respectievelijk 30 cm bij de 'Waarde - Archeologie 4'. Bij een grotere of diepere aantasting is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk.

7.2

Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit. 1.

2.

3.

4.

5.

Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.

Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

TAM-omgevingsplan Bornerweg 33 te Obbicht

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=799af59c-c75d-4906-916f-4483c1dabf6a