03.3 Toelichting Bp Bie de Roo Baek 2021
Tekst van het document
Het afvalwater wordt middels het leidingsysteem aangesloten op het gemeentelijke vuilwaterriool. Voor het afvalwater is voorzien in een totale afvoercapaciteit van circa 3,4 m³ per uur. Voor wat betreft het hemelwater geldt dat de opvang hiervan volledig in de sloot dient plaats te vinden in verband met de gevoeligheid van de naastgelegen beek. Binnen het plangebied wordt een ‘First
Hoofdstuk 4
29
flush’ regenwaterafvoerstelsel (SRW + VRW 1) aangelegd, met een capaciteit van 4,0 m² per uur. De totale opvangcapaciteit van de sloot bedraagt circa 410 m³ per etmaal (VRW 0,70 ha, SRW 0,63 ha = 217 + 193). Omgerekend naar de opvangcapaciteit per uur betekent dit ongeveer 17,0 m³ per uur, waarmee wordt voorzien in voldoende opvangcapaciteit voor het hemelwater. Overleg waterbeheerder Volgens de Keur van Waterschap Limburg dienen plannen waarin het verhard oppervlak toeneemt, voor worden gelegd aan het watertoetsloket. Onderhavig plan ziet slechts op het planologisch verankeren van de bestaande situatie. Het is derhalve niet noodzakelijk het bestemmingsplan voor te leggen aan het watertoetsloket.
4.3 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. De beoogde woonwagens vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Voor de gemeenschapsacommodatie geldt dat sprake is van een gemengde functie, waarbij uitgegaan dient te worden van de gebruiksfunctie met de zwaarste milieucategorie. Het gebruik als buurthuis c.q. clubhuis geldt als categorie 2 inrichting met een maximale richtafstand van 30 meter tot milieugevoelige functies. Binnen 30 meter (maar op meer dan 20 meter) zijn woonwagenstandplaatsen gelegen.
Categorie 1 en 2 inrichtingen worden echter als algemeen aanvaardbaar geacht nabij woningen. Daarnaast is de accommodatie met name bedoeld voor de bewoners van het woonwagencentrum en de ligging ten opzichte van de woonwagenstandplaatsen vormt dan ook geen belemmering. Voor het overige zijn in de omgeving geen bedrijven of inrichtingen gelegen die door de herontwikkeling van het woonwagencentrum in hun activiteiten worden belemmerd of die een belemmering vormen voor de herontwikkeling van het plangebied. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
1
SRW = schoon regenwater VRW = vuil regenwater
Hoofdstuk 4
30
4.4 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
Minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake herstructurering van een bestaande woonwagenlocatie waarbij twee extra woonwagenstandplaatsen mogelijk worden gemaakt. Hiermee wordt binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
31
Achtergrondwaarden Voordat gekeken wordt naar de gevolgen van de ontwikkeling is het van belang om te weten hoe het in de huidige situatie is gesteld met de luchtkwaliteit binnen het plangebied en de omgeving. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ van het planbureau voor de leefomgeving was de concentratie PM10 in 2020 ter plaatse gelegen onder de 18 µg/m³, de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³ en de concentratie PM2,5 onder de 10 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse dus ruimschoots beneden de grenswaarden gelegen. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid a van de Wet milieubeheer. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid Algemeen In het kader van de realisatie van het plan dient rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Hoofdstuk 4
32
Onderzoek Uit de risicokaart van de provincie Limburg blijkt dat er binnen het plangebied en de ruime omgeving geen risicovolle inrichtingen, ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het water of het spoor zijn gelegen. De dichtstbijzijnde transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is het spoor Venlo – Roermond, gelegen op meer dan 2.000 meter ten westen van het plangebied. Het plangebied is daarmee gelegen buiten de plaatsgevonden risicocontour van transportassen en tevens gelegen buiten het invloedsgebied voor het groepsrisico. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling.
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart voor het plangebied en de omgeving.
Hoofdstuk 4
33
4.6 Geluidshinder Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie (bij nieuwe geluidgevoelige objecten). Door K+ Adviesgroep is daarom een akoestisch onderzoek2 naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hoewel het onderzoek dateert van 2012, worden de onderzoeksresultaten nog actueel geacht. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat in het kader van de Wet geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai van de Tudderenderweg de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden bij één woonwagenstandplaats. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Bij de gemeente Sittard-Geleen dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Aan dit verzoek kan door de gemeente aanvullende voorwaarden worden gesteld. Op grond van afdeling 3.1 van het Bouwbesluit worden bij woonwagens geen eisen gesteld aan de geluidwering van de gevel. Een voorzieningenrapport met daarin omschreven de te treffen geluidwerende gevelmaatregelen is niet nodig.
4.7 Kabels, leidingen en nutsvoorzieningen Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die een planologische belemmering vormen voor de verdere planontwikkeling. Verder zijn wel diverse kleinschalige nutsvoorzieningen aanwezig. Deze kleinschalige nutsvoorzieningen worden rechtstreeks mogelijk gemaakt binnen de diverse bestemmingen die voor het plangebied gelden.
4.8 Ecologie In het kader van de herontwikkeling van het woonwagencentrum is door BRO een natuurwaardenonderzoek3 uitgevoerd. Deze is in 2018 geactualiseerd4. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit het actualisatieonderzoek van 2018. Voor meer informatie wordt verwezen naar de bijlage in deze toelichting. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten,
2
K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek herontwikkeling woonwagencentrum Tudderenderweg te SIttard, projectnummer M12 406.401, d.d. 30 oktober 2012. 3 BRO, Natuurwaardenonderzoek, Tudderenderweg te Sittard (LB), 23 oktober 2012. 4 BRO, Actualisatie Quickscan flora en fauna ‘Woonwagenlocatie Tudderenderweg’ te Sittard, projectnr. 211x06083, d.d. 12 februari 2018.
Hoofdstuk 4
34
plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Geleenbeekdal”, “Grensmaas” en “Brunssummerheide”, bevinden zich op respectievelijk 7,7 kilometer, 8,1 kilometer en 10,5 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Er zijn geen Natura 2000-gebieden over de grens in Duitsland nabij het plangebied gelegen. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling het herinrichten van een bestaand woonwagencentrum betreft waarbij het aantal wooneenheden slechts toeneemt van 22 naar 24, is een significante toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (Goudgroene natuurzone, Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) welke is vastgesteld op 12 december 2014. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zilvergroene natuurzone maakt echter geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. De bronsgroene landschapszone, omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen en dergelijke. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen. Het overgrote deel van het plangebied ligt binnen de zilvergroene natuurzone. Een klein deel aan de weg betreft bronsgroene landschapszone. Op het terrein van het woonwagencentrum zijn in de voorgaande situatie geen specifieke natuurwaarden aanwezig. Er is sprake van de herontwikkeling van het
Hoofdstuk 4
35
woonwagencentrum, waarbij de oppervlakte ten behoeve van het woonwagencentrum wordt verkleind ten opzichte van de huidige situatie, waarmee per saldo dus meer ruimte ontstaat voor natuurontwikkeling, geheel in lijn met het door de provincie Limburg voorgestane beleid voor gebieden binnen de zilvergroene en bronsgroene natuurzone. Als gevolg van de herontwikkeling vindt geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het naastgelegen Natuurnetwerk (goudgroene natuurzone) plaats. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.
Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied geen houtopstanden bevat is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming in Limburg ziet er hierdoor iets anders uit dan in andere provincies. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming) In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 WNB) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing.
De meeste nationaal beschermde soorten zijn in Limburg. Voor alle planten en dieren, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
Hoofdstuk 4
36
Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de wet Natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend.
Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Daarnaast zijn binnen de provincie Limburg specifieke vrijstellingen voor enkele soorten. Zo genieten eekhoorn, steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis van een vrijstelling in bepaalde periodes van het jaar. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
Vogels Bij uitvoering van de plannen is het niet te verwachten dat nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren gaan. Bij het verwijderen van het opgaand groen kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van beplanting en bebouwing buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgebal (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan naar alle waarschijnlijkheid ook uitgesloten.
Hoofdstuk 4
37
Vleermuizen Vanuit de ontwikkeling is het op voorhand niet uitgesloten dat er verblijfplaatsen voor vleermuizen verdwijnen. De kans hierop wordt echter klein geacht. Indien in de te verwijderen bebouwing toch vaste rust- en verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig blijken te zijn, dient er eerst een aanvullend onderzoek naar vleermuizen conform het vleermuisprotocol plaats te vinden. Er worden door de ruimtelijke ontwikkeling redelijkerwijs echter geen negatieve effecten op de huidige staat van instandhouding van vleermuissoorten verwacht. Wel dient licht uitschijnend of gericht op de naastgelegen beek voorkomen te worden. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Amfibieën Om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen dienen langdurige ondiepe plassen in het voortplantingsseizoen (maart – september) en opslag van zand in het najaar (oktober – december) voorkomen te worden.
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Reptielen, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten Negatieve effecten op reptielen zijn redelijkerwijs uitgesloten. Conclusie De ontwikkelingen die in onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, zijn reeds gerealiseerd. Er zijn derhalve geen ecologische belemmeringen meer aanwezig.
4.9 Archeologie De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden.
Hoofdstuk 4
38
In 2012 heeft de gemeente Sittard-Geleen de “Beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen” vastgesteld5. Onderdeel van deze beleidsnota is een archeologische beleidskaart, die gebaseerd is op een aantal archeologische verwachtingskaarten6. De archeologische verwachtingskaarten geven inzicht in de (verwachte) aanwezigheid van archeologische resten. De verwachtingskaarten zijn vervolgens omgezet naar één beleidskaart. Op de archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 7 archeologische beleidscategorieën ontstaan (zie onderstaande tabel).
Beleidscategorie
Verwachting/waarde
1
AMK-terrein; terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd
2
AMK-terrein; terrein van zeer hoge en hoge archeologische waarde AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, kern Sittard AMK-terrein; terrein van archeologische waarde Zone rondom ARCHIS-waarneming/vondstmelding/vindplaats
3
AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, historische kernen
4
Hoge verwachting voor droge landschapen Hoge verwachting voor droge landschapen, provinciaal aandachtsgebied Middelhoge verwachting voor droge landschappen Middelhoge verwachting voor droge landschappen, provinciaal aandachtsgebied Hoge verwachting voor natte landschappen Hoge verwachting voor natte landschappen, Maasafzettingen Middelhoge verwachting voor natte landschappen Onbekende verwachting voor droge en natte landschappen
5
Lage verwachting voor droge landschappen, provinciaal aandachtsgebied
6
Lage verwachting voor droge en natte landschappen
7
Lage verwachting voor ontgronde gebieden Lage verwachting voor vrijgegeven onderzoeksgebieden
Op basis van de Archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied binnen een ‘categorie 4’ gebied ligt. Op basis van de beleidsnota geldt dat voor deze gebieden een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ dient te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Als ondergrens voor een eventuele onderzoeksplicht geldt een minimale verstoringsdiepte van 30 cm en een verstoringsoppervlak van 500 m².
5
Gemeente Sittard-Geleen, Beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen, 2012 Verhoeven, M.P.F. & G.R. Ellenkamp, 2010. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente SittardGeleen. RAAP-rapport 2144. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. 6
Hoofdstuk 4
39
Figuur 4.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Sittard-Geleen.
In dit geval is sprake van een woonwagencentrum, waarbij ten behoeve van de te plaatsen woonwagens geen diepgaande bodemverstorende werkzaamheden zullen plaatsvinden. Voor wat betreft de gemeenschapsaccommodatie geldt dat de oppervlakte kleiner is dan 500 m². Vanuit het aspect archeologie bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling. Tot slot dient te worden opgemerkt dat bij het aantreffen van archeologische vondsten of sporen, conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet de verplichting geldt om deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente Sittard-Geleen (gemeentelijk archeoloog, gemeentelijk projectleider of gemeentelijke contactpersoon).
4.10 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg liggen rond het plangebied enkele waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig. Het betreft een cultuurhistorisch vlak in de vorm van ‘sedert 1830 weinig of matig veranderd verkavelingspatroon’ en een cultuurhistorisch waardevol lijnelement in de vorm van ‘weg uit periode 1810-1955’ Onderhavige ontwikkeling betreft grotendeels het actualiseren van het bestemmingsplan. De twee woonwagens die worden toegevoegd verandern niets aan de cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4
40
4.11 Milieueffectrapportage Algemeen Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Toets m.e.r.-plicht In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In de voorgenomen ontwikkeling worden twee extra woonwagenstandplaatsen mogelijk gemaakt. De bouw van de woningen komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De realisatie van de woningen dient te worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een plan voor een dergelijke ontwikkeling is mer-beoordelingsplichtig indien de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Met de mogelijkheid van twee extra woonwagenstandplaatsen wordt ruimschoots onder de drempelwaarde gebleven. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017, is een m.e.r.-beoordeling echter ook vereist indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Conclusie 1. De ontwikkeling van de wooneenheden komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen MER te worden opgesteld.; 2.
De activiteiten vallen wel onder categorie D 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D 11.2 genoemde ‘drempelwaarde’ worden niet overschreden;
Hoofdstuk 4
41
3. Omdat de activiteit wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarde niet worden overschreden, moet voor dit plan wel een beperkte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd; M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondenemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen.
De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij
Hoofdstuk 4
42
communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Betreft de herstructurering van een bestaande woonwagenlocatie waarbij twee extra woonwagenstandplaatsen mogelijk worden gemaakt en voor het overige meer ruimte voor de natuur wordt gecreëerd.
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied van Sittard. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.6): Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat in het kader van de Wet geluidhinder vanwege wegverkeersla-waai van de Tudderenderweg de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden bij één woonwagens-tandplaats. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Bij de gemeente Sittard-Geleen dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Aan dit verzoek kan door de gemeente aanvullende voorwaarden worden gesteld. Op grond van afdeling 3.1 van het Bouwbesluit worden bij woonwagens geen eisen gesteld aan de geluidwering van de gevel. Een voorzieningenrapport met daarin omschreven de te treffen geluidwerende gevelmaatregelen is niet nodig.
Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.4): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Bedrijven en Milieuzonering (zie ook paragraaf 4.3): De beoogde woonwagens vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’
Hoofdstuk 4
43
Kenmerken van het project Criteria
Toets gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Voor de gemeenschapsacommodatie geldt dat sprake is van een gemengde functie, waarbij uitgegaan dient te worden van de gebruiksfunctie met de zwaarste milieucategorie. Het buurthuis ligt op 20 meter van een aantal woonwagenstandplaatsen. Categorie 1 en 2 inrichtingen worden echter als algemeen aanvaardbaar geacht nabij woningen. Daarnaast is de accommodatie met name bedoeld voor de bewoners van het woonwagencentrum en de ligging ten opzichte van de woonwagenstandplaatsen vormt dan ook geen belemmering. Voor het overige zijn in de omgeving geen bedrijven of inrichtingen gelegen die door de herontwikkeling van het woonwagencentrum in hun activiteiten worden belemmerd of die een belemmering vormen voor de herontwikkeling van het plangebied.
Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.12): De twee extra woonwagens zullen maximaal 18 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal opleveren. Deze toename kan echter probleemloos verwerkt worden door de Tudderenderweg. Voor wat betreft de gemeenschapsaccommodatie geldt dat er sprake is van vervanging van het huidige gebouw. Deze vervanging zal naar verwachting niet tot extra verkeersbewegingen leiden. Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van woonwagenstandplaatsen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron. Op grond van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied en de ruime omgeving geen risicovolle inrichtingen, ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het water of het spoor zijn gelegen.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Het plangebied wordt reeds gebruikt als woonwagencentrum.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt binnen het Nationaal Natuurnetwerk, zoals ook aangegeven in
kustgebieden, berg- en bosgebie-
het POL2014. Doordat in het voorliggende geval geen sprake is van een (netto)ver-
den, reservaten en natuurparken,
lies aan natuurwaarden, of aantasting van de wezenlijke kenmerken op het terrein,
Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
en doordat in de toekomstige situatie het bebouwde oppervlak afneemt ten opzichte van de huidige situatie, gelden voor het plan geen aanvullende voorwaarden vanuit het provinciale groenbeleid. Zie ook paragraaf 4.8 ‘Ecologie’.
Hoofdstuk 4
44
Kenmerken van het project Criteria
Toets
N.v.t.
gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Archeologie (zie ook paragraaf 4.9): In dit geval is sprake van een woonwagencen-
tureel of archeologisch belang
trum, waarbij ten behoeve van de te plaatsen woonwagens geen diepgaande bodemverstorende werkzaamheden zullen plaatsvinden. Voor wat betreft de gemeenschapsaccommodatie geldt dat de oppervlakte kleiner is dan 500 m². Vanuit het aspect archeologie bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling. De bestemming ‘Waarde-Archeologie 4’ zal op het plangebied worden opgenomen. Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.10): rond het plangebied liggen enkele waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig in de vorm van ‘sedert 1830 weinig of matig veranderd verkavelingspatroon’ en in de vorm van ‘weg uit periode 18101955’ Onderhavige ontwikkeling betreft grotendeels het actualiseren van het bestemmingsplan. De twee woonwagens die worden toegevoegd veranderen niets aan de cultuurhistorisch waardevolle elementen
4.12 Verkeer en parkeren Parkeren Binnen het plangebied worden in totaal 24 woonwagenstandplaatsen en een gemeenschapsaccommodatie mogelijk gemaakt. Voor de woonwagenstandplaatsen geldt volgens de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’ een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning, uitgaande van de gebiedscategorie ‘rest gemeente’. In totaal dienen er dus 40,8 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn voor de woonwagenstandplaatsen. Deze parkeerplaatsen zijn voorzien direct langs de interne ontsluitingswegen voor de woonwagenstandplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. Voor de gemeenschapsaccommodatie geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 100 m² bvo, eveneens uitgaande van de gebiedscategorie ‘rest gemeente’. Met een oppervlakte van 441 m² betekent dit dat er in principe 44 parkeerplaatsen nodig zijn. In totaal zijn 34 parkeerplaatsen bij de accommodatie voorzien. Aangezien de bewoners van het woonwagencentrum een belangrijke gebruikersgroep vormen en zij hun auto’s reeds voor de woonwagens kunnen parkeren en de gemeenschapsaccommodatie te voet kunnen bereiken, wordt met de 34 extra specifiek voor de gemeenschapsaccommodatie bedoelde parkeerplaatsen in voldoende parkeergelegenheid voorzien.
Hoofdstuk 4
45
Verkeer Het plangebied wordt rechtstreeks ontsloten via de aangrenzende Tudderenderweg. Als gevolg van de herontwikkeling van het woonwagencentrum, worden in vergelijking met de mogelijkheden binnen het vigerende bestemmingsplan twee extra woonwagens mogelijk gemaakt. Met de CROW-rekentool ’Toekomstbestendig parkeren’ is een worst case berekening gemaakt. De twee extra woonwagens zullen maximaal 18 (17,2) extra motorvoertuigbewegingen per etmaal opleveren. Hierbij is uitgegaan van een ‘matig stedelijk gebied’, ‘buitengebied’ en ‘koop, huis, vrijstaand’. Deze toename kan echter probleemloos verwerkt worden door de Tudderenderweg. Voor wat betreft de gemeenschapsaccommodatie geldt dat er sprake is van vervanging van het huidige gebouw. Deze vervanging zal naar verwachting niet tot extra verkeersbewegingen leiden.
Hoofdstuk 4
46
5.
JURIDISCHE ASPECTEN
5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/ of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2 Opzet planregels Onderstaand worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Er wordt tevens een toelichting gegeven op welke wijze de regels zijn ingedeeld en de inhoud van de regels wordt verkort weergegeven. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
Hoofdstuk 5
47
5.2.1
Inleidende regels
Begrippen (art. 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Wijze van meten (art. 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen kort nader toegelicht. Groen Voor enkele groenstroken op het middenterrein en langs de randen van het plangebied is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Maatschappelijk Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ is een gemeenschapsaccommodatie toegestaan, met inbegrip van ondergeschikte horeca.
Natuur Voor het deel dat niet tot ‘Wonen – Woonwagenstandplaats’ is bestemd, is de bestemming ‘Natuur’ opgenomen. Voor deze gronden geldt dat ze gelegen zijn binnen het Nationaal Natuurnetwerk. Behoud en ontwikkeling van natuurwaarden staan hier voorop.
Hoofdstuk 5
48
Overig -Additionele voorzieningen - voorlopig De bestemming ‘Additionele voorzieningen – Voorlopig’ is opgenomen ten behoeve van de tijdelijke opslag van niet milieubelastende goederen voor hobbymatig gebruik en de uitoefening van niet milieubelastende hobbymatige activiteiten. Het bouwen van gebouwen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Na afloop van de termijn voor de voorlopige bestemming geldt voor dit deel de bestemming ‘Natuur’, waarbij inhoudelijk wordt aangesloten bij de reguliere natuurbestemming.
Tuin Voor de gronden rondom de woningen is de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. Binnen deze gronden is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Verkeer - Verblijfsgebied Voor de ontsluitingswegen van de woonwagens en de gemeenschapsaccommodatie is de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ opgenomen. Daarnaast geldt deze bestemming ook voor het parkeerterrein van de gemeenschapsaccommodatie. Water De bestemming ‘Water’ is opgenomen voor het binnen het plangebied gelegen deel van de Roode beek. Wonen - Woonwagencentrum Voor het overgrote deel van het plangebied is de bestemming ‘Wonen - Woonwagencentrum’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn maximaal 24 woonwagens toegestaan, ieder afzonderlijk begrensd middels de aanduiding ‘woonwagenstandplaats’. Waarde – Archeologie 4 Voor het volledige plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen. Op deze wijze wordt het beleid zoals opgenomen in de ‘Beleidsnota archeologie en monumenten SittardGeleen’ uit 2012 gewaarborgd. Waarde - Ecologie De dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' is opgenomen ten behoeve van de bescherming van de natuur- en landschapswaarden in het plangebied. Waterstaat - Beschermingszone waterstaat De dubbelbestemming ‘Waterstaat – beschermingszone waterstaat’ is opgenomen voor de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte van de Roode beek.
5.2.3 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven,
Hoofdstuk 5
49
deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergeschikte bouwdelen en is een algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten opgenomen. In de Algemene aanduidingsregels zijn bepalingen opgenomen ten behoeve van onder meer de ligging binnen de boringsvrije zone roerdalslenk II, de ecologische hoofdstructuur en een beekdal. In de Algemene afwijkingsregels en de Algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden die voor het gehele plangebied gelden en die het bevoegd gezag en/of burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan In de Overige regels zijn regels opgenomen ten aanzien van de voorrang tussen dubbelbestemmingen en aanduidingen onderling en over andere wettelijke regelingen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5
50
6.
HAALBAARHEID
6.1 Financiële uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant. In het voorliggende geval is sprake van een bouwplan als bedoeld in de Grexwet. Aangezien de gronden echter in eigendom zijn van de gemeente, is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Aangezien sprake is van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, worden de belanghebbenden vanaf de beginfase meegenomen in de planvorming en het proces om te komen tot een vastgesteld bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zal als ontwerp ter inzage worden gelegd, waarbij belanghebbenden de mogelijk hebben een zienswijze ten aanzien van het bestemmingsplan in te dienen. Voor meer informatie over de resultaten hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 8 ‘Communicatie’.
6.3 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. In de gemeente Sittard-Geleen wordt echter voorafgaand aan de wettelijke procedure het voorontwerp bestemmingsplan nog voor inspraak ter inzage gelegd. De wettelijke procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen
Hoofdstuk 6
51
hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 6
52
7.
HANDHAVING
Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 7
53
8.
COMMUNICATIE
8.1 Resultaten inspraak Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geen inspraakprocedure gevolgd. Het bestemmingsplan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd.
8.2 Resultaten overleg ex. artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg is het bestemmingsplan in 2014 reeds toegestuurd aan belanghebbende instanties. Reacties zijn ontvangen van: 1. Provincie Limburg, per e-mail van 14 maart 2014; 2. Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, per e-mail van 11 februari 2014; 3. Waterschap Roer en Overmaas, per brief van 1 mei 2014. Ad 1. Provincie Limburg Vooroverlegreactie De provincie Limburg geeft aan dat er per saldo meer ruimte ontstaat voor natuurontwikkeling en heeft daarom geen opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortgezet zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure een zienswijze in te dienen. Reactie gemeente De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Ad 2. Rijkswaterstaat Zuid-Nederland Vooroverlegreactie Rijkswaterstaat Zuid-Nederland geeft aan geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen Reactie gemeente De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Ad 3. Waterschap Roer en Overmaas Vooroverlegreactie Waterschap Roer en Overmaas maakt de gemeente erop attent dat het plangebied gelegen is in een gebied waarvoor, conform de Waterverordening Limburg (provincie Limburg), geen norm is vastgesteld voor de bescherming tegen overstroming vanuit het regionale oppervlaktewatersysteem.
Er is volgens het waterschap risico op overstroming vanuit de Rode Beek en geadviseerd wordt hiermee rekening te houden bij het bepalen van het bouwpeil, of de bebouwing en inrichting waterbestendig uit te voeren.
Hoofdstuk 8
54
Voorts wordt aangegeven dat tussen het waterschap en de gemeente Sittard-Geleen overleg heeft plaatsgevonden over de inrichting van het hemelwaterstelsel en dat het plan voldoet aan de uitgangspunten en richtlijnen van het waterschap. Reactie gemeente De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
8.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd, waarbij belanghebbenden de mogelijkheid wordt geboden zienswijzen in te dienen. De resultaten hiervan zullen in deze paragraaf worden ingevoegd.
Hoofdstuk 8
55
SEPARATE BIJLAGEN
Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Quickscan flora en fauna actualisatie
Hoofdstuk 6
56
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl
Hoofdstuk 6
57