03.3 Toelichting Bp Bie de Roo Baek 2021
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Bie de Roo Baek 2021’ Gemeente Sittard-Geleen Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Bie de Roo Baek 2021’ Gemeente Sittard-Geleen Ontwerp
Identificatienummer:
NL.IMRO.1883.BpWWTudderenderweg-ON01
Rapportnummer BRO:
P03886 (voorheen: 211x06083)
Datum:
April 2021
Opdrachtgever:
particulier
Projectteam BRO:
SSh, IMo
Ontwerp:
April 2021
Vaststelling:
-
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, woonwagencentrum Tudderenderweg, Sittard, gemeente Sittard-Geleen
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor de herontwikkeling van het woonwagencentrum aan de Tudderenderweg in Sittard.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel bestemmingsplan 1.2 Situering plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
2. GEBIEDSBESCHRIJVING EN ONTWIKKELING 2.1 Algemeen 2.2 Beschrijving plangebied 2.3 Plankarakter 2.4 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
6 6 6 7 7
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
9 9
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
9 10 11 11 12
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie 3.3 Regionaal beleid
12 13 14 16
3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 3.3.2 Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek 3.4 Gemeentelijk beleid
16 18 19
3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit 3.4.4 Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek 3.4.5 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 3.4.6 Bodembeheerplan 2016-2020 gemeente Sittard-Geleen
4. ONDERZOEKSASPECTEN 4.1 Bodem 4.2 Waterhuishouding 4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Externe veiligheid
Inhoudsopgave
19 21 22 25 25 27
28 28 28 30 31 32
1
4.6 Geluidshinder 4.7 Kabels, leidingen en nutsvoorzieningen 4.8 Ecologie 4.9 Archeologie 4.10 Cultuurhistorie 4.11 Milieueffectrapportage 4.12 Verkeer en parkeren
34 34 34 38 40 41 45
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Opzet planregels
47 47 47
5.2.1 Inleidende regels 5.2.2 Bestemmingsregels 5.2.3 Algemene regels 5.2.4 Overgangs- en slotregels
48 48 49 50
6. HAALBAARHEID 6.1 Financiële uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3 Procedure
51 51 51 51
7. HANDHAVING
53
8. COMMUNICATIE 8.1 Resultaten inspraak 8.2 Resultaten overleg ex. artikel 3.1.1 Bro 8.3 Zienswijzen
54 54 54 55
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Quickscan flora en fauna actualisatie
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel bestemmingsplan De gemeente Sittard-Geleen is reeds enkele jaren bezig met de herstructurering van het woonwagencentrum aan de Tudderenderweg in Sittard. De laatste fase van de herstructurering omvat de aanleg van 24 woonwagenstandplaatsen en een gemeenschapsaccommodatie aan de oostzijde van de Tudderenderweg, ter vervanging van de oude woonwagenstandplaatsen en het voormalige gemeenschapsgebouw. De nieuwe woonwagenstandplaatsen zijn reeds vergund en voor een belangrijk deel gerealiseerd. Ook de gemeenschapsaccommodatie is inmiddels gerealiseerd, met inbegrip van de bijbehorende parkeervoorziening. Het voorliggende bestemmingsplan heeft tot doel een actueel juridisch-planologisch kader te scheppen, waarbinnen de reeds vergunde en bestaande herontwikkeling van het woonwagencentrum met de bijbehorende gemeenschapsaccommodatie juridisch-planologisch worden verankerd. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat sprake moet zijn van een eenduidige en uniforme juridische regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied. De planregels dienen daarbij goed hanteerbaar, inzichtelijk en toegankelijk te zijn, voor zowel burger als handhaver.
1.2 Situering plangebied Het plangebied ligt aan de oostzijde van de Tudderenderweg, aan de noordoostzijde van Sittard en ten zuidwesten van het Duitse Tüddern. Aan de oostzijde grenst het plangebied direct aan de Duitse
Figuur 1.1: Topografische kaart van het plangebied en de directe omgeving.
Hoofdstuk 1
3
grens en ten zuiden stroomt de Roode beek. Aan de noordzijde liggen de sportvelden van voetbalvereniging Centrum Boys. Op de topografische kaart is het plangebied met een rode lijn aangeduid.
1.3 Geldend bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Bie de Roo Baek’ Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Bie de Roo Baek’ van toepassing, zoals dat op 12 oktober 2000 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Sittard is vastgesteld en op 30 januari 2001 door Gedeputeerde Staten van de Limburg is goedgekeurd. Binnen dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ en ‘Natuurontwikkeling’. De voor ‘Natuurontwikkelingsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: De ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden en de verbetering van het milieu voor de natuurlijke levensgemeenschappen; Extensieve dagrecreatie; Primair oppervlaktewater. De voor ‘Woondoeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: Het wonen in woonwagens en/of chalets met bijbehorende voorzieningen; Centrale voorzieningen in de vorm van een kantine en vergader- annex ontmoetingsruimte, kleeden opslagruimte; Verkeers- en parkeerdoeleinden; Groenvoorzieningen. Er zijn in totaal maximaal 22 woonwagenstandplaatsen toegestaan, met een oppervlakte van maximaal 220 m² per woonwagenstandplaats, waarvan minimaal 15% onbebouwd dient te blijven. Aangezien in het kader van de herontwikkeling echter sprake is van 24 woonwagenstandplaatsen binnen het plangebied in plaats van 22, past de ontwikkeling niet binnen het vigerende bestemmingsplan.
Om de reeds bestaande situatie juridisch-planologisch te verankeren in een nieuw bestemmingsplan is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1.2: Plankaart vigerend bestemmingsplan Bie de ‘Roo Baek’.
1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt eerst een korte beschrijving van het plangebied gegeven en wordt vervolgens ingegaan op de gewenste ontwikkeling. De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de onderzoeks- en milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe wordt gehandhaafd op basis van dit plan. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een beschrijving van de gevoerde communicatie.
Hoofdstuk 1
5
2.
GEBIEDSBESCHRIJVING EN ONTWIKKELING
2.1 Algemeen In de onderstaande paragrafen zal allereerst in paragraaf 2.2 kort worden ingegaan op de huidige situatie binnen het plangebied. Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 de voorziene ontwikkeling beschreven.
2.2 Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de Tudderenderweg in het buitengebied van Sittard en aan de westzijde van de grens met Duitsland. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied diverse woonwagenstandplaatsen en een nieuwe gemeenschapsaccommodatie gevestigd. De voetbalvelden van de voetbalvereniging liggen direct ten noorden van het plangebied. Aan de zuidkant van het plangebied stroomt de Roode beek. Verder zijn in de directe omgeving enkele bospercelen gelegen.
Figuur 2.1: Luchtfoto van plangebied en omgeving met de begrenzing van het plangebied rood omlijnd.
Hoofdstuk 2
6
2.3 Plankarakter Het voornemen bestaat uit de juridisch-planologische verankering van het woonwagencentrum, waarbij de 24 woonwagenstandplaatsen binnen het plangebied worden toegestaan en de realisatie van een gemeenschapsaccommodatie, ter vervanging van de oude accommodatie mogelijk wordt gemaakt. De herontwikkeling van het woonwagencentrum heeft grotendeels reeds plaatsgevonden en ook de nieuwe gemeenschapsaccommodatie en 34 bijbehorende parkeerplaatsen zijn reeds gerealiseerd. Het parkeren ten behoeve van de woonwagenstandplaatsen zal plaatsvinden direct voor de woonwagenstandplaatsen, langs de aangrenzende interne ontsluitingsweg. Daarnaast is het mogelijk om tijdelijk niet milieubelastende goederen voor hobbymatig gebruik op het plangebied op te slaan en is uitoefening van niet milieubelastende hobbymatige activiteiten toegestaan. Dit wordt mogelijk gemaakt via een voorlopige bestemming. Binnen deze voorlopige bestemming mogen ze het huidige gebruik vijf jaar voortzetten. Daarna wijzigt deze bestemming in de hoofdbestemming ‘Natuur’. De herontwikkeling van het woonwagencentrum aan de oostzijde van de Tudderenderweg maakt deel uit van de algehele herstructurering van het woonwagencentrum. In het kader daarvan is het deel aan de westzijde van de Tudderenderweg reeds gesaneerd.
Figuur 2.2: Stedenbouwkundige opzet van het woonwagencentrum na de beoogde herontwikkeling.
2.4 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De voorziene bebouwing binnen het plangebied zal bestaan uit 24 woonwagenstandplaatsen en een gemeenschapsaccommodatie met bijbehorende parkeervoorzieningen. Hierbij zal de oppervlakte van het totale woonwagencentrum aanzienlijk worden verkleind ten opzichte van de huidige situatie. Verder zal de verouderde en rommelig ogende bebouwing worden vervangen door hoogwaardigere
Hoofdstuk 2
7
nieuwbouw, waardoor er vanuit ruimtelijke opzicht een duidelijke verbetering zal plaatsvinden. Aangezien sprake is van vervanging van bestaande bebouwing door nieuwbouw, zijn de stedenbouwkundige effecten vrij beperkt. Zoals gezegd maakt de herontwikkeling van het woonwagencentrum aan de oostzijde van de Tudderenderweg deel uit van de algehele herstructurering van het woonwagencentrum, waarbij het deel aan de westzijde van de Tudderenderweg reeds gesaneerd is. Als gevolg van de totale herstructurering zal de entree van Sittard vanuit Tuddern aanzienlijk verfraaid worden, waarmee dus sprake is van positieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten.
Hoofdstuk 2
8
3.
BELEIDSKADER
In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen:
Hoofdstuk 3
9
1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17.
Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Onderhavig voornemen ziet onder andere op het mogelijk maken van twee extra woonwagenstandplaatsen. Dit is een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. Voorliggend initiatief ligt daarentegen binnen het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Doordat sprake is van een verkleining van het oppervlakte van het woonwagencentrum ten opzichte van de bestaande oppervlakte, wordt met de herontwikkeling van het woonwagencentrum meer ruimte voor natuurontwikkeling gecreëerd. Hiermee vindt dus feitelijk een verbetering plaats. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk,
Hoofdstuk 3
10
erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Het plangebied is gelegen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het Barro wordt hierover gesteld dat bij provinciale verordening regels dienen te worden gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot het Nationaal Natuurnetwerk, geen activiteiten mogelijk maken ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij: a) Er sprake is van een groot openbaar belang; b) Er geen reële alternatieven zijn, en; c) De negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Afweging In het voorliggende geval is sprake van een bestaand woonwagencentrum, dat met de beoogde herontwikkeling qua bebouwingsoppervlakte (op termijn) wordt verkleind.
Er vindt kortom per saldo geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden plaats en evenmin een significante vermindering van de oppervlakte aan natuur. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt juist een verkleining plaats van het bestaande woonwagencentrum, waarmee per saldo meer ruimte ontstaat voor natuurontwikkeling binnen het Nationaal Natuurnetwerk. De beoogde herontwikkeling is dan ook niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNNgebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Afweging Zoals blijkt uit paragraaf 3.1.2 is er in het voorliggende geval is sprake van een bestaand woonwagencentrum, dat met de beoogde herontwikkeling wordt verkleind. Hiermee zal per saldo meer ruimte ontstaat voor natuurontwikkeling binnen het Nationaal Natuurnetwerk. De beoogde herontwikkeling is dan ook niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Rarro.
3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”
Hoofdstuk 3
11
Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging In casu is sprake van het toevoegen van twee woonwagenstandplaatsen. De ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied grotendeels binnen de ‘zilvergroene natuurzone’ en voor een klein deel langs de Tudderenderweg, binnen de ‘bronsgroene natuurzone’. De zilvergroene natuurzone omvat overwegend landbouwgebieden met grote kansen voor natuurontwikkeling en natuurbeheertaken, die vooral met middelen uit de regio moeten worden benut. Het accent ligt op de ontwikkeling van grondgebonden landbouw, het beheer en de ontwikkeling van flora en fauna en recreatief medegebruik. De bronsgroene landschapszone omvat vooral Beekdalen én gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. De accenten liggen op de kwaliteit en functioneren van het regionaal watersysteem, de ontwikkeling van landbouw in balans met de omgeving, het versterken van de kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie en recreatief medegebruik.
Hoofdstuk 3
12
Figuur 3.1: Uitsnede POL-kaart ‘Zonering Limburg’, met het plangebied rood omlijnd.
Afweging Op het terrein van het bestaande woonwagencentrum zijn in de huidige situatie geen specifieke natuurwaarden aanwezig. Er is sprake van de herontwikkeling van het woonwagencentrum, waarbij de oppervlakte ten behoeve van het woonwagencentrum wordt verkleind ten opzichte van de huidige situatie, waarmee per saldo dus meer ruimte ontstaat voor natuurontwikkeling, geheel in lijn met het door de provincie Limburg voorgestane beleid voor gebieden binnen de zilvergroene en bronsgroene natuurzone. Als gevolg van de herontwikkeling vindt geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze natuurzones plaats. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Wonen In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.4.
Hoofdstuk 3
13
In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio ZuidLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeente raden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II. Boringen dieper dan 30 meter beneden maaiveld (o.a. ten behoeve van het slaan van waterputten) zijn ter bescherming van de strategische grondwatervoorraad niet toegestaan.
Verder zijn binnen het plangebied geen stiltegebieden, waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones of overige boringsvrije zones gelegen. Afweging Wonen In paragraaf 3.3 wordt het regionale woonbeleid nader toegelicht en toegepast op de onderhavige planontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.4. Nu dit bestemmingsplan voorziet in minder dan 12 woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast. Beschermingsgebieden Aangezien geen boringen dieper dan 30 meter voorzien zijn, bestaan er vanuit de omgevingsverordening geen belemmeringen. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen.
Hoofdstuk 3
14
De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt.
In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-
Hoofdstuk 3
15
courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Afweging Onderhavig plangebied ligt volgens de POVI binnen ‘Landelijk gebied – groenblauwe mantel’. Het woonwagencentrum is reeds aanwezig. Er worden middels dit bestemmingsplan twee extra woonwagenstandplaatsen mogelijk gemaakt. De oppervlakte van het woonwagencentrum wordt echter verkleind.
Hiermee zal meer ruimte ontstaan voor natuurontwikkeling binnen het Nationaal Natuurnetwerk. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met de POVI.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van de woonsfeer ‘suburbaan’. Om een aantrekkelijke woonregio te zijn én te blijven is er een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, méér kwaliteit en méér vraaggerichtheid.
Toevoegen van woningen kan daarom alleen als het niet ‘meer van hetzelfde’ is en als het past binnen de kwantitatieve kaders. Zuid-Limburgse gemeenten hebben een driedelige opgave: Verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; Terugdringen van (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;
Hoofdstuk 3
16
Toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de visie. Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten en diverse beleidsafspraken gemaakt. Voor de suburbane woonsfeer is de verdunning de grootste opgave. De plancapaciteit wordt met onderhavig plan teruggebracht. Daarnaast is de invulling van de reguliere woningen flexibel. Zo kan worden aangesloten op de behoefte op de markt. Beleidsafspraak VI Om invulling te geven aan de opgaven is een aantal beleidsafspraken gemaakt, waaronder beleidsafspraak VI uit de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Hieruit blijkt dat om kwalitatief goede initiatieven toe te voegen aan de programmering er compensatie dient plaats te vinden door middel van direct gekoppelde sloop of onttrekking. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is geldt net navolgende in afnemende volgorde: 1. Elke nieuw toe te voegen woning (per locatie 5 of minder woningen) wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitgewerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een subregionaal op te zetten sloopfonds vloeien; 2. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarin dit besluit is genomen; 3.
Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering. Deze moet minimaal in de verhouding van 1:4 (toe te voegen woning : te schrappen harde plannen) ingezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. Woningbouwinitiatieven, die leiden tot functieverandering van leegstaand detailhandels-, kantoor-, horeca- of ander bedrijfsvastgoed in aangewezen straten in stads(deel)centra of centra van kernen, kunnen worden gecompenseerd met minimaal 2 woningen uit de harde plancapaciteit. Recentelijke ontwikkelingen Door Provinciale Staten is bij besluit van 5 oktober 2020 de Omgevingsverordening Limburg 2014 gewijzigd vastgesteld, waarmee artikel 2.4.2, lid 6 is komen te vervallen. Door het vervallen verklaren van dit artikellid is er voor de Limburgse gemeenten geen plicht meer om compenserende maatregelen nader te motiveren in het ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op woningbouwplannen die leiden tot een woningtoename. In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeente is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd in het rapport ‘Evaluatie Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’ dat opgesteld door Stec Groep. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van de huidige SVWZL te actualiseren.
In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse Zuid-Limburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer toe te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. Vanwege het te doorlopen proces hieromtrent, zullen de Zuid-Limburgse gemeenteraden niet eerder dan het 1e kwartaal 2021 een besluit over een gezamenlijke geactualiseerde structuurvisie wonen kunnen nemen. Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen Op 28 januari 2021 is de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’ in werking getreden. Ten aanzien van de derde opgave uit de SVWZL – het toevoegen van woonproducten waar
Hoofdstuk 3
17
een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL – is op 21 maart 2019 de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen ZuidLimburg’ vastgesteld om die opgave te vereenvoudigen. Deze tijdelijke versoepeling trad in werking voor maximaal twee jaar in afwachting van de evaluatie van de (dertien beleidsafspraken uit de) SVWZL. Inmiddels is deze evaluatie, inclusief de evaluatie van de tijdelijke versoepeling, afgerond. Een van de aanbevelingen is om een aantal beleidsafspraken te herzien op basis van actuele inzichten, en de werking adaptiever te maken. De beleidsregel ‘Ruim baan voor goede plannen Sittard-Geleen’ vervangt de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’, om zo op korte termijn invulling te geven aan de gedane aanbevelingen uit de evaluatie, in lijn met de notitie ‘Bouwen naar behoefte’ van de drie subregiovoorzitters over nieuwe plannen. Om op basis van de beleidsregel in aanmerking te komen voor vrijstelling van compensatie, moet er sprake zijn van een kwalitatief goed plan. Er is sprake van een kwalitatief goed plan indien wordt voldaan de volgende criteria: 1. Een woningbouwinitiatief moet maatschappelijke meerwaarde hebben; a. Uitgangspunt hierbij is dat inbreiding voor uitbreiding gaat. b.
Bovendien moeten de plannen bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, door middel van herstructurering en vervangingsbouw, hergebruik van winkels en ander waardevol vastgoed met passende woningbouw of wel een bijdrage leveren aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. 2. Het plan is voor de gemeente planologisch aanvaardbaar en moet op grond hiervan voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder van duurzame verstedelijking’, zoals vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor elk nieuwbouwplan geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief moet worden onderbouwd. 3. Tot slot moeten de nieuwe woningbouwinitiatieven sub-regionaal worden afgestemd en worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering. Afweging Met onderhavig bestemmingsplan worden twee extra woonwagenstandplaatsen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling heeft een maatschappelijke meerwaarde aangezien er een evidente behoefte bestaat aan woonwagens. Daarnaast is uit paragraaf 3.1.4 gebleken dat er wordt voldaan aan de Ladder van duurzame verstedelijking. De regionale afstemming heeft plaatsgevonden in de Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek. Deze zal in paragraaf 3.3.2 worden besproken. Het voornemen is in lijn met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de meest recente ontwikkelingen.
3.3.2 Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek In 2020 is de Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek vastgesteld. In opdracht van Beek, Beekdaelen, Sittard-Geleen en Stein heeft het onderzoeksbureau Atelier Romain deze Transformatievisie ontwikkeld. Al snel werd duidelijk dat de behoefte aan bepaalde woningen in de toekomst anders is dan het aanbod van vandaag de dag. Zo zijn er bijvoorbeeld te veel eengezinswoningen en te weinig appartementen. Daarnaast gaat de transformatievisie in op de opgave om woningen uit de markt te halen waar op termijn geen vraag meer naar is. De demografische ontwikkelingen die hierboven werden besproken, zorgen er voor dat de woningmarkt van de Westelijke Mijnstreek voor een tweeledige uitdaging komt te staan. Demografische krimp
Hoofdstuk 3
18
zorgt niet alleen voor een kwantitatieve uitdaging op de woningmarkt. Tegelijkertijd zorgt de krimp en de erbij horende veranderende huishoudenssamenstelling voor een nog veel grotere kwalitatieve uitdaging: het afstemmen van het woonaanbod aan de veranderende woonnoden en -wensen. Naast een drastische afname van het aantal gevraagde units, bestaat er een typologische mismatch: er zijn tegen teveel eengezinswoningen en te weinig compacte meergezinswoningen of appartementen. De huishoudens die een voorkeur vertonen voor een grondgebonden of ééngezinswoning zullen in veel grotere mate afnemen dan de huishoudens die een appartement of nultredenwoning verkiezen. Dit voornamelijk door de enorme toename van het aantal huishoudens binnen de categorie “Alleenstaanden en stellen 75plus”. In het eigenaarschap bestaat tevens een mismatch: er is nood aan meer particuliere huurwoningen, dan aan sociale huurwoningen, en al helemaal niet aan koopwoningen.
Figuur 3.2: Geraamde bijkomende woningbehoefte 2018-2040 E’til Progneff 2018, CBS)
Afweging Volgens de Transformatievisie zet de gemeente Sittard-Geleen in op verdichting, verdunning en vergroening. Verder wordt niet stilgestaan bij de woonwagencentrum aan de Tudderenderweg. Onderhavig voornemen ziet op het toevoegen van twee woonwagenstandplaatsen, maar het verkleinen van de oppervlakte van het gehele woonwagencentrum. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor natuurontwikkeling. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat het planvoornemen in lijn is met de Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 Op 15 december 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen 2010.
Hoofdstuk 3
19
In de omgevingsvisie komen alle aspecten aan bod die te maken hebben met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van en binnen de gemeente. Van wonen en werken, tot recreatie en mobiliteit. Van economische en technologische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Het geheel wordt verduidelijkt aan de hand van kaarten die een goed beeld geven van de toekomst van Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren. In de uitwerking is nadrukkelijk gekozen voor de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’, een uitnodiging aan alle partners om samen met de gemeente doorlopend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is. Afweging Het plangebied maakt onderdeel uit van de bekenzone van de Rode Beek, die samen met de Geleenbeek een ecologische en landschappelijke verbindingszone vormt vanuit het oorsprongsgebied in Duitsland c.q. de regio Parkstad, tot de uitstroom in de Maas. De Rode beek heeft ter plaatse van het plangebied reeds meer ruimte gekregen om te meanderen. Als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling van het woonwagencentrum wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op de waarden van de beek. Ten opzichte van de huidige situatie komt de toekomstige bebouwing zelfs verder van de beek af te liggen.
Hoofdstuk 3
20
Figuur 3.3: Uitsnede kaart Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016, met de ligging van het plangebied aangeduid middels een rode pijl.
Voor het overige wordt er in de omgevingsvisie niet specifiek ingegaan op het woonwagencentrum aan de Tudderenderweg en bestaan er vanuit de omgevingsvisie dan ook geen belemmeringen voor de herstructurering. 3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 De ‘Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020, Goed wonen in Sittard-Geleen’ beschrijft de ambities en prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren. Deze zijn gebaseerd op de ontwikkelingen op de woningmarkt en de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en bovenliggende beleidskaders (met name Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg). Voor het besluitgebied zijn met name de volgende prioriteiten en ambities van belang:
Hoofdstuk 3
21
Zorgen voor voldoende woningen passend bij de (toekomstige) omvang van de bevolking en doelgroepen. Dit dient onder meer te worden bereikt door het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave door het maximaal reduceren van de plancapaciteit. Versterking van de kwaliteit van het woningaanbod: comfort, duurzaamheid, levensloopbestendig en deels aangepast aan de zorgvraag, met daarbij een sterke focus op de verduurzaming van de woningvoorraad. De klimaatverandering en de eisen om te voldoen aan een gezonde leefomgeving hebben consequenties voor het wonen. De ambitie is om dit te doen door ruimtelijke adaptatie (het aanpassen van de ruimtelijke inrichting van de bebouwde omgeving aan de gevolgen van het veranderende klimaat) en maatregelen voor het realiseren van comfortabele, energiezuinige, veilige en toegankelijke woningen met een gezond woon/leefklimaat. Het in stand houden van kwalitatief hoogwaardige landelijke woonmilieus met behoud van de eigen identiteit en landschappelijke kwaliteit
Afweging Woonwagenbewoners vallen volgens de Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 onder de huisvesting van bijzondere doelgroepen. De bestaande woonwagencentra worden beheerd en geëxploiteerd door de woningcorporaties. De gemeente voorziet niet in groei van het aantal locaties. Naast de bestaande woonwagenlocaties is men aangewezen op ‘normale’ huisvesting. Onderhavig voornemen voorziet in het toevoegen van twee extra woonwagenstandplaatsen binnen een al bestaande woonwagencentrum. Het aantal woonwagencentra neemt derhalve niet toe. Het voornemen past derhalve binnen de Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020.
3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit In juli 2015 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ vastgesteld. Deze nota beschrijft de kwaliteitscriteria waaraan elk ruimtelijk initiatief in de gemeente Sittard-Geleen moet voldoen. Opdat alle investeringen in de gebouwen en de openbare ruimte helpen om de kwaliteit en diversiteit van de gemeente te behouden én te versterken. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit vervangt de Welstandsnota 2004, maar richt zich op meer dan alleen welstand. Ruimtelijke kwaliteit gaat niet alleen over gebouwen. Daarom is in de Nota uitgebreid aandacht besteed aan het landschap, groen en erfgoed en is ook het (tijdelijke) reclame-, terrassen- en uitstallingenbeleid als bijlage aan de Nota gekoppeld. Initiatieven worden door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) getoetst aan enkele vaste criteria die altijd gelden. Vaste criteria Ruimtelijke inpassing Een initiatief respecteert de stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur. Een initiatief sluit qua maat en schaal aan bij de omliggende bebouwing en bij de klein- of grootschaligheid van het dorp, de stad of het landschap als geheel. ‘Contrasteren met’ vraagt daarbij om een uitgebreidere argumentatie dan ‘zich voegen naar’. Voor het landschap geldt dat beplantingen moeten passen bij het bestaande beplantingsbeeld van het betreffende gebied.
Hoofdstuk 3
22
Een initiatief levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het omgevingsbeeld in de stad, de dorpen of het landschap. Hoe groter de openbare betekenis van een gebouw of plek (dus hoe meer het door mensen wordt gebruikt en/of gezien) hoe hoger de eisen op dit gebied. Een initiatief houdt rekening met de samenhang tussen de inrichting van de straat en de gebouwen (gevels), aangezien dit wordt ervaren als één geheel.
Verschijningsvorm Hoofdvorm Nieuwbouw heeft een bij de omliggende bebouwing passende hoofdvorm. Uitgangspunt is de samenhang binnen een ontwerp. Ruimtes, volumes en vlakken zijn in evenwichtige maatverhoudingen ontworpen. Bijgebouwen en opbouwen zijn herkenbaar als op zichzelf staande volumes en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Gevelopbouw Het gevelontwerp is consequent, goed van verhouding en qua indeling, dieptewerking en plasticiteit afgestemd op de omliggende bebouwing. Ingrepen aan de gevel, waaronder nieuwe balkons en luifels of winkelpuien, passen binnen de structuur, maat en schaal van het hoofdgebouw en refereren bij monumenten aan de oorspronkelijke, historische situatie. Technische installaties moeten geïntegreerd zijn in de architectuur en aansluiten bij de vormgeving van een gebouw en zijn omgeving. Zij mogen geen afbreuk doen aan de architectonische uitstraling van een gebouw. Bij nieuwbouw dan wel verbouwingsplannen moeten installaties integraal worden opgenomen in het ontwerp. Overgangen privé-openbaar Entreegebieden van gebouwen, inclusief luifels en reclame-uitingen, zijn uitnodigend en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven. Begane grondgevels aan de openbare ruimte hebben een bij de situatie passende openheid. In woon-, winkel-, en werkgebieden zijn dichte gevels (bergingen) aan de straat ongewenst.
Integrale toegankelijkheid Openbare gebouwen moeten toegankelijk zijn voor alle bezoekers, waaronder ook mensen met een beperking en/of hulpmiddel. In het bouwbesluit en de NEN 1814 (bouwvoorschriften) wordt de integrale toegankelijkheid van gebouwen geregeld. De toegankelijkheid van het gebouw ‘via’ de openbare ruimte of het omliggend gebouwterrein maakt onderdeel uit van de planvorming. Bij een ontwerp van een (semi) –openbaar gebouw wordt een terreininrichtingsplan gevraagd waaruit moet blijken dat het gebouw via de openbare ruimte integraal toegankelijk is voor alle bezoekers, ook voor mensen met een beperking en/of hulpmiddel. De eisen van de toegankelijkheid moeten voldoen aan het Handboek Toegankelijkheid (voorheen Geboden Toegang). Materiaal, kleur en detaillering Kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omliggende bebouwing. Er wordt aangesloten bij het regionaal gebruik van kleuren en materialen. Dit wordt gepreciseerd in de gebiedskarakteristieken in hoofdstuk 3 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen de verschijningsvorm op samenhangende wijze.
Hoofdstuk 3
23
Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Materialen zijn zo duurzaam mogelijk, bijvoorbeeld door het toepassen van hergebruikte materialen.
Gebiedseigen karakteristieken Daarnaast zijn er voor een aantal gebieden gebiedseigen karakteristieken beschreven, waarmee bij een initiatief in het betreffend gebied, rekening dient te worden gehouden. Voor het besluitgebied geldt dat het is gelegen binnen een woongebied. Voor initiatieven in woongebieden dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten: Ruimtelijke inpassing Een hechte samenhang tussen openbare ruimte, groen en bebouwing, die met name in de naoorlogse wijken zichtbaar is. Verschijningsvorm De pandsgewijze opbouw, de individuele uitstraling, de zorgvuldige architectuur en traditionele materialisering van gebouwen aan de historische routes in de steden en dorpen. De panden zijn goed te onderscheiden. De oudste bebouwing was wit met een donkere plint, opgebouwd uit mergel, Naamse hardsteen en later baksteen. Ondanks het individuele karakter kent het bebouwingsbeeld een zeer sterke samenhang; Langs de historische bebouwingslinten het behoud en versterken van het traditionele beeld van boerderijgebouwen met hun toegangspoorten. Met de introductie van nieuwe poorten zal terughoudend moeten worden omgegaan; De meer eenvoudige, projectmatige architectuur in de vroege naoorlogse uitbreidingswijken (jaren vijftig en zestig), in karakter dorps door het gebruik van baksteen en pannendaken.
Doordat deze woningen in serie werden gebouwd kent de straatwand een grote mate van repetitie, maar door de bescheiden schaal en maat van de gebouwen doen ze nog ‘dorps’ aan, zelfs in de steden; De diversiteit en kleinschaligheid in het straatbeeld van de latere uitbreidingswijken vanaf de jaren zeventig. Deze diversiteit is gezocht door individuele woningen, en het geven van een eigen architectuur per bebouwingscluster. De randen van deze wijken bestaan vaak uit individuele (villa)woningen met een geheel eigen uitstraling; Het individuele karakter en de afwijkende vormgeving van kloosters, kerken, scholen en andere op zichzelf staande bebouwing; Het reclame, terrassen en uitstallingenbeleid.
Hoofdstuk 3
24
Figuur 3.4: Uitsnede gebiedskaart Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
Afweging Bij de uitwerking van het voorliggende plan is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de bovengenoemde uitgangspunten. 3.4.4 Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek Aangezien behoefte is aan een eenduidige en eenvoudige systematiek voor parkeervoorzieningen bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen, heeft de gemeente Sittard-Geleen haar parkeerbeleid in 2012 geactualiseerd in de ‘Beleidsregels nota parkeernormen’ en de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’. Het doel van de nota luidt als volgt: “Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen.” In de nota wordt overeenkomstig de CROW-publicatie “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, onderscheid gemaakt naar een drietal stedelijke zones, te weten ‘centrum’, ‘schil / overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast wordt voor wat betreft de toe te passen parkeernormering rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van een gebied. Het plangebied is voor zowel de stedelijke zone als de stedelijkheidsgraad gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom’.
In paragraaf ‘Verkeer en parkeren’ in het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van parkeervoorzieningen. 3.4.5 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 Op 12 november 2014 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen het ‘Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de volgende missie geformuleerd: “De zorg voor
Hoofdstuk 3
25
de afvalwaterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. De kosten worden zo laag mogelijk gehouden en er wordt samengewerkt. Iedere partij in de afvalwaterketen – ook de burger – heeft een gedeelde verantwoordelijkheid in de goede zorg voor de afvalwaterketen.” In de visie staat dat er een duurzame afvalwaterketen komt. Afvalwater wordt ingezet om in schone grondstoffen, energie en schoon water te voorzien. Terugwinnen en sluiten van de keten staan centraal. Hemelwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Zo wordt gezien dat het water schoon is en wordt hemelwater mede door gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt. Grondwater wordt op een natuurlijke manier behandeld, waar mogelijk wordt gekozen voor een niet-technische oplossing. Waar het nodig en haalbaar is helpt de gemeente door daden, of door advies te geven over de aanpak van grondwaterproblemen. De missie en visie geven een lange termijn perspectief. Om dit perspectief te bereiken zijn voor de drie afvalwatersoorten (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater) en de beoogde inzet op meer samenwerking, de onderstaande doelstellingen en strategieën geformuleerd: Samenwerking Doel Kosten besparen, kwaliteit verhogen, kwetsbaarheid verlagen.
Strategie Belang van (afval) waterketen staat voorop. Al het handelen dient in het belang te zijn van de gehele afvalwaterketen. Doelmatige aansturing van de afvalwaterketen wordt gezamenlijk gedaan. Stedelijk afvalwater Doel Adequaat en efficiënt beheren van ons stelsel. Strategie Beheer en onderhoud als ware het één gezamenlijk areaal. Samen zoeken naar doelmatige en duurzame verbeteringen. Hemelwater Doel Doelmatige en duurzame omgang met hemelwater. Strategie Samen met inwoners inspelen op klimaatverandering. Meer acceptatie van waterhinder. Bij nieuwbouw hemelwater verwerken op eigen terrein. Grondwater Doel Een doelmatige en duurzame omgang met grondwater
Hoofdstuk 3
26
Strategie Meer aandacht voor mogelijke grondwateroverlast bij nieuwbouw. Regisseursrol nemen op locaties waar overlast wordt ervaren. Samen met inwoners zoeken naar oplossingen. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op wateraspecten in relatie tot het plangebied. 3.4.6 Bodembeheerplan 2016-2020 gemeente Sittard-Geleen Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeente Sittard-Geleen 2021-2025’ met bijbehorende ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer is een uitvloeisel van het landelijke Besluit bodemkwaliteit dat in 2008 in werking is getreden. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer geven aan hoe het binnen het gebied van Sittard-Geleen gesteld is met de diffuse bodemkwaliteit en hoe de gemeente, voor zover het haar bevoegdheden betreft, invulling geeft aan de toetsing van bodemaspecten op beleidsterreinen waar dat aspect een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Bij al deze werkvelden worden dezelfde eisen gesteld aan de bodemkwaliteit.
Deze benadering staat bekend onder de benaming meersporenbeleid en ligt aan de basis van een duurzame en efficiënte aanpak van de in de gemeente aanwezige diffuse bodemverontreiniging. De nieuwe kaarten en nota zijn een voortzetting van het huidige bodembeleid dat binnen de gemeente wordt gevoerd. In paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op bodemaspecten in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
27
4.
ONDERZOEKSASPECTEN
In de onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten, zoals bodem, waterhuishouding, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geluidshinder, kabels en nutsvoorzieningen, flora en fauna en archeologie.
4.1 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Conclusie Het deel van het plangebied dat in de toekomstige situatie gebruikt wordt ten behoeve van woondoeleinden is ook in de huidige situatie reeds in gebruik en bestemd voor woondoeleinden. Er vindt kortom geen functiewijziging plaats. Het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van onderhavig bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk.
4.2 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie.
Hoofdstuk 4
28
Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn.
De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de Roerdalslenkzone II ligt. De gehele Roerdalslenk is een boringsvrije zone. De hier van nature aanwezige afschermende (klei)lagen bieden geologische bescherming van de diepe grondwatervoorraden. Boringen dieper dan 30 meter beneden maaiveld (o.a. ten behoeve van het slaan van waterputten) zijn ter bescherming van de strategische grondwatervoorraad niet toegestaan. Dergelijke boringen zijn ook niet voorzien. Voor het overige bevinden zich binnen het plangebied of de directe omgeving geen grondwaterbeschermingsgebieden of overige beschermingsgebieden. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf bevindt zich geen oppervlaktewater. Wel stroomt zoals gezegd direct ten zuiden van het plangebied de Roode beek. Op de Roode beek wordt met de herstructurering echter geen invloed uitgeoefend. Afvalwater en hemelwater Binnen het plangebied wordt een 4-dubbel leidingsysteem aangelegd, bestaande uit een vuil regenwaterafvoersysteem, een schoon regenwaterafvoersysteem, een droogwaterafvoersysteem en een drainagesysteem (aan oost- en westzijde) voor eventuele grondwaterverontreiniging. Aan de zuidkant wordt een sloot aangelegd met een lengte van circa 100 meter.