CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

02. Planregels Bestemmingsplan Tracébesluit Rijksweg A2 Sittard-Geleen

Raad 19 september 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan “Tracébesluit Rijksweg A2 Sittard-Geleen” (Geilen) (87)26.347 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Tracébesluit A2

Inhoudsopgave

Regels

5

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

6 6 16

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Agrarisch met waarden Artikel 5 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden Artikel 6 Bedrijf Artikel 7 Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg Artikel 8 Bedrijventerrein Artikel 9 Bos Artikel 10 Groen Artikel 11 Natuur Artikel 12 Verkeer - Railverkeer Artikel 13 Verkeer - Verblijfsgebied Artikel 14 Verkeer - Wegverkeer Artikel 15 Water Artikel 16 Wonen Artikel 17 Leiding - Brandstof Artikel 18 Leiding - Gas Artikel 19 Leiding - Hoogspanning Artikel 20 Leiding - Hoogspanningsverbinding Artikel 21 Leiding - Leidingstrook Artikel 22 Leiding - Riool Artikel 23 Waarde - Archeologie - 2 Artikel 24 Waarde - Archeologie - 3 Artikel 25 Waarde - Archeologie - 4 Artikel 26 Waterstaat - Beschermingszone watergang

17 17 21 24 28 30 31 33 35 36 39 40 41 42 43 47 48 50 52 53 55 57 59 61 63

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 27 Anti-dubbeltelregel Artikel 28 Algemene bouwregels Artikel 29 Algemene gebruiksregels Artikel 30 Algemene aanduidingsregels Artikel 31 Algemene afwijkingsregels Artikel 32 Overige regels

64 64 65 66 67 73 74

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 33 Overgangsrecht Artikel 34 Slotregel

75 75 76

Bijlagen bij regels

77

Bijlage 1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

78

Bijlage 2

Staat van bedrijfsactiviteiten

86

Bijlage 3

Overzicht beroep of bedrijf aan huis

88

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

2

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

3

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

4

Regels

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

5

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

plan

het bestemmingsplan Tracébesluit A2 met identificatienummer NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 van de gemeente Sittard-Geleen. 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

abiotische waarden

het geheel van waarden in verband met het abiotisch milieu (= niet levende natuur), in de vorm van aardkundige en/of hydrologische kenmerken, zowel op zichzelf als in relatie tot de aanwezigheid of nabijheid van (ontwikkelingsmogelijkheden voor) een waardevol biotisch milieu (= levende natuur, gevormd door organismen en leefgemeenschappen). 1.6

achtererfgebied

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7

afhankelijke woonruimte

een onderdeel van het hoofdgebouw of aangebouwd of vrijstaand bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest. 1.8

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten door middel van: het telen of veredelen van gewassen, waaronder begrepen houtteelt en fruitteelt; en/of het houden of fokken van vee, pluimvee of pelsdieren; nader te onderscheiden in: grondgebonden bedrijf; glastuinbouwbedrijf; niet-grondgebonden bedrijf, niet zijnde intensieve veehouderij; intensieve veehouderij. 1.9

agrarisch bedrijfsgebouw

een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. 1.10

agrarisch hulpbedrijf

een niet-industrieel bedrijf dat (nagenoeg) volledig is gericht op het verlenen van diensten of het leveren van dieren of goederen aan agrarische bedrijven of dat (nagenoeg) volledig is gericht op het verwerken of het opslaan van dieren of producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

6

1.11

agrarische waarden

de waarden, die rechtstreeks verband houden met de mogelijkheden voor de uitoefening van een doelmatige, agrarische bodem- en/of bedrijfsexploitatie. 1.12

antenne-installatie

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbijbehorende bevestigingsconstructie. 1.13

archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden). 1.14

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden. 1.15

archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een certificaat als bedoeld in de Erfgoedwet en werkend volgens de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.16

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.17

bed & breakfast

het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders. 1.18

bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van aan huis gebonden beroepen. 1.19

bedrijf aan huis

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de beroepsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse en welke zijn opgenomen in Bijlage 3 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis'. 1.20

bedrijfsgebouw

een gebouw, niet zijnde een kas, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. 1.21

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. 1.22

beeldkwaliteit

het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing met de karakteristieken van de locatie en omgeving door middel van aandacht voor stedenbouwkundige aspecten, architectuur, cultuurhistorie en landschap. 1.23 beperkt kwetsbaar object a. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, en dienst- en bedrijfswoningen van derden; Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

7

b. c. d. e. f. g.

kantoorgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aan te merken; hotels en restaurants, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aan te merken; winkels, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aan te merken; sporthallen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aan te merken; bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aan te merken; objecten die met de onder a tot en met f genoemde objecten gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.24

beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke. 1.25

beroep aan huis

een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse en dat is opgenomen in Bijlage 3 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis'. 1.26

bestaand

situatie ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.27

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.28

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.29

bevoegd gezag

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.30

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.31

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.32

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.33

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.34

bouwperceelsgrens

een grens van een bouwperceel. 1.35

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

8

1.36

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.37

containerveld

Grond die is afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op de afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten. 1.38

cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur waaronder monumenten. 1.39

dagrecreatie

recreatieve activiteit die plaats vindt binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang. 1.40

deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. Deze dient in ieder geval te voldoen aan de in de KNA gestelde kwalificaties van senior archeoloog. 1.41

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.42

diepploegen

het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 30 cm (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik. Ploegen minder dan 30 cm diep wordt beschouwd als normaal onderhoud en beheer. 1.43

erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover het bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt. 1.44

erfafscheiding

afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst. 1.45

evenement

een publieksgerichte activiteit, die een bijdrage levert aan het culturele, sociale en/of sportieve leven. 1.46

extensieve recreatie

vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen. 1.47

extensieve recreatieve voorziening

een verblijf of afgebakend terrein geschikt voor recreatieve doeleinden waar weinig mensen tegelijkertijd de mogelijkheid hebben om te recreëren. Het beleven van rust staat voorop en er is een beperkte uitstraling naar de omgeving. 1.48

gebiedseigen beplanting

beplanting met de kwaliteit die van nature voorkomt in een gebied.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

9

1.49

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.50 geluidgevoelig object a. woningen; b. terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg; c. woonwagenstandplaatsen; d. onderwijsgebouwen; e. ziekenhuizen en verpleeghuizen. 1.51

geluidszoneringsplichtige inrichtingen

een inrichting, waarbij op grond van artikel 40 van de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld. 1.52

geurgevoelig object

een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 1.53

gevellijn

een denkbeeldige lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd. 1.54

graft

een steile rand, al dan niet begroeid met bos of struikgewas op hellingen. 1.55

grondgebonden bedrijf

een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende open grond, waaronder ook begrepen grond met tijdelijke tunnels of andere teeltvoorzieningen zoals bijvoorbeeld een melkveehouderij, akkerbouwbedrijf of een paardenfokkerij (diergerichte paardenhouderij). 1.56

hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.57

hartlijn

het midden van de leiding. 1.58

hoge teeltondersteunende voorzieningen

gebouwen en/of bouwwerken, met een hoogte van meer dan 1,5 meter en een maximale hoogte van 4 meter, waarvan de wanden en het dak of de bedekking voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, die dienen tot het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, groenten, bloemen, bloembollen, planten of bomen alsmede, in voorkomende gevallen, tot bescherming van de omgeving en/of bodem tegen milieubelastende stoffen. 1.59

hemelwaterproblematiek

de problemen die ontstaan voor het afvoeren en bergen van hemelwater als gevolg van toename van bebouwing en verharding. 1.60

hoofdgebouw

een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Indien het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel en of meerdere woningen aanwezig zijn, wordt/worden die woning(en) tevens als hoofdgebouw aangemerkt. Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

10

1.61

hoogzit

een uitkijkpunt in de natuur voor het waarnemen en afschieten van wild. 1.62

horeca

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf. 1.63

hydrologisch neutraal

een ontwikkeling waarbij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is geen toe- of afname van de waterafvoer op de rand van het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt; b. er is geen sprake van veranderingen van oppervlaktewaterstanden op de grens van het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt en daarbuiten (tenzij verandereingen gewenst zijn; c. er mag geen overlast optreden door extreme gebeurtenissen; d. de omvang van grondwateraanvulling blijft gelijk (dit is de som van infiltratie vanaf de oppervlakte, inzijging vanuit oppervlaktewater, kwel en drainage); e. er mogen geen veranderingen van grondwaterstanden optreden op de grens van het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt en daarbuiten. 1.64

intensieve veehouderij

Een bedrijf met in hoofdzaak een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op houden van dieren in stallen en/of hokken zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. Onder dit begrip vallen veehouderijen waar de volgende dieren worden gehouden, danwel een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen: eenden ganzen geiten kalkoenen kippen konijnen mestkalveren parelhoenders pelsdieren stieren voor de roodvleesproductie varkens vleeskalveren vleeskuikens Melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd. 1.65 kampeermiddel a. een tent, tentwagen, een kampeerauto, toercaravan, vouwwagen, camper of huifkar; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtgebruik. 1.66

kas

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten. 1.67

kelder

een ruimte in een gebouw die geheel of gedeeltelijk ondergronds gelegen is.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

11

1.68

kleinschalig kamperen

kamperen op een terrein met daarbij horende voorzieningen en blijkens de inrichting bestemd en geschikt om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 15 kampeermiddelen ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf. 1.69

kunstwerken

een civieltechnische constructie of -installatie in de infrastructuur die één of meer functies vervult zoals onderdoorgangen, duikers, overkluizingen. 1.70

kwetsbaar object

gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen), zoals kinderdagverblijven, basisscholen, ziekenhuizen, hotels met meer dan 10 bedden en gebouwen met meer dan 25 verdiepingen. 1.71

lage teeltondersteunende voorzieningen

bouwwerken of andere werken, met een maximale hoogte van 1,5 meter, overwegend voorzien van een bedekking van lichtdoorlatend of ander beschermend materiaal die dienen tot het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, groenten, bloemen, bloembollen, planten of bomen alsmede, in voorkomende gevallen, tot bescherming van de omgeving en/of bodem tegen milieubelastende stoffen. 1.72

landschappelijke inpassing

het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap; afschermende (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een agrarisch bedrijf, een niet-agrarisch bedrijf of een woning. 1.73

landschappelijke waarde

bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. 1.74

logies

het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de betreffende persoon het hoofdverblijf elders heeft. 1.75

manege

een bedrijf (mensgericht) voor het beoefenen van de hippische sport alsmede voor het stallen van paarden en pony's alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten behoeve van deze voorziening. 1.76

mantelzorg

zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving en waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. 1.77

mestzak

een voorziening voor het tijdelijk opslaan van mest. 1.78

natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige biotopen bijzondere flora en fauna, ecologische samenhangen en structuren. 1.79

nevenactiviteit

activiteiten waarvoor een gedeelte van de vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen als zodanig mag worden gebruikt en die uitgevoerd worden naast het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit. Deze activiteiten zijn ondergeschikt aan de primair toegekende functie.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

12

1.80

niet-grondgebonden bedrijf

een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen of los van het voortbrengend vermogen van de open grond, niet zijnde een intensieve veehouderij. 1.81

noodzaak agrarisch bedrijf

noodzaak vanuit een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling. 1.82

nutsvoorziening

gebouwen en overkappingen ten behoeve van de waterhuishouding, de energievoorziening, en naar de aard daarmee gelijk te stellen openbare nutsvoorzieningen, niet zijnde geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. 1.83

omgevingsvergunning

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.84

ondergeschikt

een functie die qua omvang en uitstraling ten dienste staat van een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie. 1.85

overkapping

een bijbehorend bouwwerk, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport. 1.86

overtollige (bedrijfs)bebouwing

bestaande bebouwing die bij omschakeling naar een andere functie niet nodig is voor het kunnen uitoefenen van die functie, danwel die de maximaal toelaatbare oppervlakte en/of inhoud van de bebouwing volgens de regels in dit plan voor die functie overschrijdt. 1.87

paardenbak

Een omheind stuk land, bedoeld voor het trainen en africhten van paarden waarop met paarden wordt gereden voor bedrijfsmatig of recreatief gebruik. 1.88

paardenfokkerij

het produceren van paarden, zoals hengstenstations, opfokbedrijven en paarden- en ponyfokbedrijven (diergerichte / productiegerichte paardenhouderij). 1.89

paardenhouderij

Een niet-agrarisch bedrijf dat is gericht op het stallen, africhten en trainen van paarden en pony's en/of op het verhandelen van en handelen met paarden en pony's, alsmede gebruik van paarden ten behoeve van recreatie en sport (mensgerichte / gebruiksgerichte paardenhouderij). 1.90 peil a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.91

perceelgrens

een grenslijn tussen (bouw)percelen onderling. 1.92

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling. 1.93

recreatie

vrijetijdsbesteding die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, vissen, zwemmen, roeien, kanoën etc..

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

13

1.94

recreatief medegebruik

het gebruik waarbij de recreatieve activiteiten ondergeschikt dienen te zijn aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten. 1.95

recreatief netwerk

ronden die mede tot doel hebben het ontwikkelen en versterken van de betekenis van die gronden voor het extensief recreatief medegebruik in de vorm van routegebonden recreatieve activiteiten en route-ondersteunende voorzieningen. 1.96

seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan, al dan niet in combinatie met elkaar: a. b. c. d. e. f. g. h.

bordeel; erotische massagesalon; parenclub; (raam)prostitutiebedrijf; seksautomatenhal; seksbioscoop; sekssauna/seksinrichting; sekstheater.

1.97

schuilgelegenheid

overdekte ruimte, aan maximaal drie zijden omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter. In de schuilgelegenheid is geen opslag toegestaan. 1.98

standplaats (toeristisch)

een in of op het terrein aangegeven, zichtbaar gemarkeerde plek, d.m.v. nummering, stroomvoorziening, erfafscheiding of anderszins, voor het plaatsen of geplaatst houden van een kampeermiddel ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf. Een bijzet-tentje voor bijvoorbeeld de kinderen wordt hierbij niet als afzonderlijk kampeermiddel aangemerkt. 1.99

teeltondersteunende voorzieningen

een voorziening in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om de volgende doelen na te streven: verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade; verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen; bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen van onkruidbestrijding, effectief omgaan met water); in de vorm van: permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen, waarvan de overkapping van de teelt meer dan 6 maanden per jaar aanwezig is; tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, waarvan de overkapping maximaal 6 maanden per jaar aanwezig is, al dan niet in een aaneengesloten periode. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, boogkassen, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

14

1.100

tuin

de gronden van een bouwperceel behorende bij een woning, die feitelijk zijn ingericht ten dienste van het gebruik van de woning. 1.101

verblijfsrecreatie

vormen van recreatie die hoofdzakelijk gericht zijn op verstrekken van nachtverblijf. 1.102

voederberging

overdekte ruimte, aan maximaal drie zijden omsloten door wanden, waarin voer is opgeslagen voor dieren met als doel de instandhouging van het wild. 1.103

voederruif

schuinstaand houten of ijzeren voederrek voor dieren ten behoeve van de instandhouding van het wild. 1.104

volwaardig agrarisch bedrijf

een bedrijf, dat in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) wordt niet als agrarisch bedrijf aangemerkt. 1.105

voorerfgebied

deel van het erf dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied, gelegen aan de voorkant en de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant danwel op minder dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.106

voorgevel

gevel aan de voorzijde van een gebouw gerelateerd aan de grens van het bouwvlak die is gericht naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 1.107

voorgevelrooilijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. 1.108

voorzieningen van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.109

waterberging

gebieden die integraal onderdeel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen. 1.110

wet/wettelijke regelingen

indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald. 1.111

wonen

wonen in een woning, zijnde een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.112

woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

15

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1

afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2

goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daaraan gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4

inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.5

oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6

horizontale diepte van een bouwwerk

tussen het voorste en het achterste punt van het bouwwerk, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren dan wel scheidslijnen en op het peil. 2.7

verticale diepte van een ondergronds bouwwerk

van het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk. 2.8

ondergeschikte bouwdelen/bouwdelen van ondergeschikt belang

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het hoofdgebouw uitsteken, zoals schoorstenen, liftschachten, antennemasten, windvanen, vlaggenmasten, wolfseinden en andere ondergeschikte dakopbouwen, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,50 meter bedraagt. Tevens worden hieronder gevelisolerende of andere duurzaamheidsmaatregelen verstaan, mits de overschrijding niet meer dan 0,50 meter bedraagt.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

16

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch

Bestemmingsomschrijving

De op voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

agrarisch grondgebruik, waaronder begrepen het gebruik als hobbydierenweide; extensief dagrecreatief medegebruik; agrarisch natuurbeheer; kunstwerken ten behoeve van verkeersdoeldeinden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk';

met de daarbij behorende: e. paden, wegen en parkeervoorzieningen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2

Bouwregels

Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering, dan wel uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de bestemmingsomschrijving, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, dan wel bouwwerken geen gebouwen zijnde en kunstwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden; b. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter, met uitzondering van: terreinafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 1,5 meter bedraagt; kunstwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, waarvan de maximale hoogte 12 meter bedraagt. 3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1

Hagelnetten

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 voor het bouwen/ oprichten van hagelnetten, mits: a. door de zichtbaarheid van de hagelnetten geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de beleving van het landschap, zoals die wordt bepaald door de openheid op de plateaus en de ligging ten opzichte van wegen, paden, dorpen en bebouwing, dan wel door landschappelijke inpassing een en ander kan worden voorkomen, zoals in de vorm van een omsluitende haag van voldoende hoogte; b. de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus; c. bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van hagelnetten op de plateaus de volgende elementen worden betrokken bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning, aan de hand waarvan de noodzaak van het gebruik van hagelnetten wordt afgewogen tegen de aantasting van de beleving van het landschap: 1. zicht op continuïteit van het bedrijf; 2. beschrijving van de locatie waar de hagelnetten worden geplaatst; 3. de aanwezigheid van de reeds aanwezige beplanting, windschermen of bosjes; 4. invloed van reliëf op de zichtbaarheid; 5. het gebruikte (constructie)materiaal voor de netten; 6. de aangevraagde oppervlakte hagelnetten;de ligging ten opzichte van wegen, paden, dorpen en bebouwing.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

17

3.3.2

Hoogzit

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 voor het bouwen van een hoogzit ten behoeve van de uitoefening van de jacht of natuurstudie, mits de bouwhoogte niet meer dan 6 meter bedraagt. 3.3.3

Schuilgelegenheid

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 voor het bouwen van schuilgelegenheden voor het hobbymatig houden van dieren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak van de schuilgelegenheid uit een oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond; b. aangetoond is dat er geen reële mogelijkheden zijn voor het bouwen van een schuilgelegenheid binnen het bouwvlak; c. de bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen; d. de oppervlakte bedraagt maximaal: 1. 18 m² indien sprake is van een perceel van 2.000 m² - 5.000 m²; 2. 24 m² indien sprake is van een perceel van 5.000 m² - 10.000 m²; 3. 27 m² indien sprake is van een perceel van 10.000 m² - 20.000 m²; 4. 36 m² indien sprake is van een perceel van 20.000 m² of meer; e. de afstand tot de stedelijke bebouwing binnen de kernen bedraagt maximaal 250 meter; f. de schuilgelegenheid landschappelijk goed wordt ingepast met gebiedseigen beplanting, een en ander ter beoordeling van het bevoegd gezag; g. de afstand tot aanwezige bouwkavels is maximaal 50 meter. 3.3.4

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van de onder a. genoemde voorzieningen bedraagt maximaal 0,5 ha. per bedrijf; b. boogkassen dienen te worden gesitueerd aansluitend aan het agrarisch bouwvlak; c. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus; d. de ontwikkeling dient gepaard te gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Daartoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de voorzieningen landschappelijk worden ingepast met gebiedseigen beplanting; e. aangetoond dient te worden dat afdoende maatregelen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek; f. vooraf dient advies te worden gevraagd aan een (regionale) kwaliteitscommissie. 3.3.5

Voederberging of voederruif

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 voor het bouwen van een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedraagt; b. de inhoud niet meer dan 3 m³ bedraagt. 3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1

Tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen

Het realiseren/aanleggen van tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen is toegestaan. Voor het gebruik van afdekfolie voor het afdekken van producten die tijdelijk in het open veld worden opgeslagen alsmede voor het gebruik van wandelkappen zijn hieraan geen voorwaarden verbonden. Overige tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. hierdoor geen actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, en archeologische waarden worden aangetast; b. de tijdelijke voorziening niet langer dan zes maanden per kalenderjaar aanwezig is en de

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

18

voorziening na afloop van de periode waarin deze nodig is wordt verwijderd; c. het gebruik mag niet leiden tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus. 3.4.2

Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik: a. b. c. d. e. f.

voor detailhandel; voor het houden van evenementen; voor kamperen; als staanplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen; als sport- en wedstrijdterrein, parkeerterrein, buitenmanege of lig- en speelweide; voor het beproeven van voertuigen, de beoefening van de motorsport, het houden van wedstrijden met motorvoertuigen; g. voor het racen of crossen met motorvoertuigen; h. als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; i. voor militaire oefeningen met uitzondering van marsoefeningen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen; j. voor het plaatsen van mestzakken of daarmee vergelijkbare voorzieningen; k. voor opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak; l. als paardenbakken; m. voor permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen, inclusief aan het wonen gerelateerde activiteiten en direct daarmee verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte, sanitair, kook- en wasgelegenheid. 3.5

Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1

Kleinschalig kamperen

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4 voor het gebruik van gronden als kampeerterrein voor kleinschalig kamperen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het kampeerterrein mag uitsluitend als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf worden opgericht en direct aansluitend aan het bestemmingsvlak voor dat bedrijf; b. aangetoond moet worden dat binnen het bestemmingsvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van het kampeerterrein; c. het totaal aantal kampeermiddelen op het terrein mag, inclusief het gedeelte van het kampeerterrein binnen het bestemmings- en/of bouwvlak, maximaal 15 bedragen; d. er mag geen sprake zijn van aantasting van bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden; e. parkeren dient op eigen terrein binnen het bestemmingsvlak plaats te vinden; f. omliggende functies mogen door het gebruik als kampeerterrein niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoeringsmogelijkheden; g. het kampeerterrein moet landschappelijk goed wordt ingepast met gebiedseigen beplanting, een en ander ter beoordeling van het bevoegd gezag. 3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1

Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van het natuurnetwerk limburg; c. het bebossen van gronden; d. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

19

3.6.2

Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 3.6.1 geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen; b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 3.6.3

Toelaatbaarheid

De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, mits uitvoering van de werken en/of werkzaamheden niet leidt tot de in Bijlage 1 'Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden', genoemde gevolgen voor landschaps-, natuuren cultuurhistorische waarden.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

20

Artikel 4 4.1

Agrarisch met waarden

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden; c. opbouw van de potentiële landschappelijke en natuurlijke waarden; d. kunstwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk'; alsmede voor: e. voet- en fietspaden; f. speelvoorzieningen; g. water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; met bijbehorende: h. bouwwerken, geen gebouw zijnde. 4.2

Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van kunstwerken als bedoeld onder 4.1 d, waarvan de hoogte maximaal 12 meter mag bedragen. 4.3

Afwijken van de bouwregels

4.3.1

bouwwerken, geen woning zijnde, ten behoeve van een agrarisch bedrijf

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor de realisatie van bouwwerken, geen woning zijnde, ten behoeve van een agrarisch bedrijf, die ter plaatse uit oogpunt van een doelmatig agrarisch bodemgebruik wenselijk zijn, mits: a. de oppervlakte aan gebouwen tezamen niet meer bedraagt dan 100 m² per agrarisch bedrijf; b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 4,5 m; c. de afstand van gebouwen tot de naar de weg gekeerde perceelsgrens niet minder bedraagt dan 10 m, met dien verstande dat deze afstand niet minder dan 5 m mag bedragen indien dit in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is, het verkeersbelang niet onevenredig wordt aangetast en de betreffende wegbeheerder hierover om advies is gevraagd; d. de gebouwen met een kap worden afgedekt, waarvan de dakhelling niet minder dan 12° en niet meer dan 45° mag bedragen. e. geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de aanwezige waarden. 4.3.2

Schuil- of schaftgelegenheid voor personen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor de realisatie van een eenvoudige schuil- of schaftgelegenheid voor personen, die ter plaatse werken of werkzaamheden uitvoeren ten dienst van deze bestemming of de bestemming ‘Bos’, mits: a. deze onontbeerlijk is; b. het geen caravan, woon- of stacaravan, dan wel een aan zijn gebruik ontrokken voer- of vaartuig betreft; c. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m²; d. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m; e. geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de aanwezige waarden. 4.3.3

Brandtoren

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor de realisatie van een brandtoren voor de brandpreventie of brandbestrijding, mits: Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

21

a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 25 m; b. geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de aanwezige waarden. 4.3.4

Hoogzit

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor de realisatie van een hoogzit ten behoeve van de uitoefening van de jacht, mits: a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 m. b. geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de aanwezige waarden. 4.3.5

Voederberging of voederruif

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor de realisatie van een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, mits: a. de inhoud niet meer bedraagt dan 3 m³; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m; c. geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de aanwezige waarden. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in lid 4.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren: a. Het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling; c. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren; d. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,45 m wordt gewijzigd; e. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,45 m onder maaiveld; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g.

het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschoeiingen, aanleg- en ligplaatsen of vlonders; h. het verwijderen of rooien of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas ten gevolge kunnen hebben; i. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas. 4.4.2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door de uitvoering van het ander-werk, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 4.4.3 Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegde gezag daarover een advies hebben ingewonnen van een onafhankelijke natuur- en landschapsdeskundige. 4.4.4 Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 is niet vereist voor: a. andere-werken, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. andere-werken van ondergeschikte betekenis; c. andere-werken, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; d.

zover de Boswet of krachtens deze wet gestelde bepalingen van toepassing zijn; e. fruitbomen en bij boomgaarden behorende windsingels; Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

22

f. het vellen of rooien bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstanden; g. het periodiek kappen van griendhout en ander hakhout, voor zover betreffende de normale uitoefening van het bestaande bodemgebruik; h. andere-werken die zullen worden uitgevoerd in een beschermd natuurmonument in de zin van de Wet natuurbescherming, en handelingen opleveren waarvoor ingevolge deze wet een vergunning van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is vereist, dan wel handelingen, welke zijn voorzien in een beheersplan als bedoeld in deze wet.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

23

Artikel 5 5.1

Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik, waaronder het gebruik als hobbydierenweide; b. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige abiotische, natuurlijke, archeologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; c. het tegengaan van verlaging van de grondwaterstand; d. het beschermen van aanwezige waardevolle graslandvegetaties; e. extensief dagrecreatief medegebruik; f. agrarisch natuurbeheer; met de daarbij behorende: g. paden, wegen en parkeervoorzieningen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.2

Bouwregels

Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering, dan wel uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de bestemmingsomschrijving, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik; b. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter, met uitzondering van terreinafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 1,5 meter bedraagt. 5.3

Afwijken van de bouwregels

5.3.1

Hagelnetten

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor het bouwen/ oprichten van hagelnetten, mits: door de zichtbaarheid van de hagelnetten geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de beleving van het landschap, zoals die wordt bepaald door de openheid op de plateaus en de ligging ten opzichte van wegen, paden, dorpen en bebouwing, dan wel door landschappelijke inpassing een en ander kan worden voorkomen, zoals in de vorm van een omsluitende haag van voldoende hoogte; de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus; c. bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van hagelnetten op de plateaus de volgende elementen worden betrokken bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning, aan de hand waarvan de noodzaak van het gebruik van hagelnetten wordt afgewogen tegen de aantasting van de beleving van het landschap: 1. zicht op continuïteit van het bedrijf; 2. beschrijving van de locatie waar de hagelnetten worden geplaatst; 3. de aanwezigheid van de reeds aanwezige beplanting, windschermen of bosjes; 4. invloed van reliëf op de zichtbaarheid; 5. het gebruikte (constructie)materiaal voor de netten; 6. de aangevraagde oppervlakte hagelnetten;de ligging ten opzichte van wegen, paden, dorpen en bebouwing.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

24

5.3.2

Hoogzit

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor het bouwen van een hoogzit ten behoeve van de uitoefening van de jacht of natuurstudie, mits de bouwhoogte niet meer dan 6 meter bedraagt. 5.3.3

Schuilgelegenheid

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor het bouwen van schuilgelegenheden voor het hobbymatig houden van dieren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak van de schuilgelegenheid uit een oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond; b. aangetoond is dat er geen reële mogelijkheden zijn voor het bouwen van een schuilgelegenheid binnen het bouwvlak; c. de bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen; d. de oppervlakte bedraagt maximaal: 1. 18 m² indien sprake is van een perceel van 2.000 m² - 5.000 m²; 2. 24 m² indien sprake is van een perceel van 5.000 m² - 10.000 m²; 3. 27 m² indien sprake is van een perceel van 10.000 m² - 20.000 m²; 4. 36 m² indien sprake is van een perceel van 20.000 m² of meer; e. de afstand tot de stedelijke bebouwing binnen de kernen bedraagt maximaal 250 meter; f. de schuilgelegenheid landschappelijk goed wordt ingepast met gebiedseigen beplanting, een en ander ter beoordeling van het bevoegd gezag. 5.3.4

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieninge

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

de bouwhoogte van boogkassen, folietunnels en blaastunnels bedraagt maximaal 1,50 meter; de oppervlakte van de onder a. genoemde voorzieningen bedraagt maximaal 0,5 ha. per bedrijf; boogkassen dienen te worden gesitueerd aansluitend aan het agrarisch bouwvlak; de omgevingsvergunning mag niet leiden tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus; e. de ontwikkeling dient gepaard te gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Daartoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de voorzieningen landschappelijk worden ingepast met gebiedseigen beplanting; f. aangetoond dient te worden dat afdoende maatregelen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek; g. vooraf dient advies te worden gevraagd aan een (regionale) kwaliteitscommissie. 5.3.5

Voederberging of voederruif

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor het bouwen van een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedraagt; b. de inhoud niet meer dan 3 m³ bedraagt. 5.4

Specifieke gebruiksregels

5.4.1

Tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen

Het realiseren/aanleggen van tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen zoals het gebruik van landbouwplastic is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. hierdoor geen actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden worden aangetast; b. de tijdelijke voorziening niet langer dan zes maanden per kalenderjaar aanwezig is en de voorziening na afloop van de periode waarin deze nodig is wordt verwijderd; c. het gebruik mag niet leiden tot aantasting van de karakteristieke openheid van de plateaus.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

25

5.4.2

Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. het gebruik: 1. voor detailhandel; 2. voor het houden van evenementen; 3. als staanplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen; 4. als sport- en wedstrijdterrein, parkeerterrein, buitenmanege of lig- en speelweide; 5. voor het beproeven van voertuigen, de beoefening van de motorsport, het houden van wedstrijden met motorvoertuigen; 6. voor het racen of crossen met motorvoertuigen; 7. als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; 8. voor militaire oefeningen met uitzondering van marsoefeningen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen; 9. voor het plaatsen van mestzakken of daarmee vergelijkbare voorzieningen; 10. voor opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 11. als paardenbakken; 12. voor permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen, inclusief aan het wonen gerelateerde activiteiten en direct daarmee verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte, sanitair, kook- en wasgelegenheid; 13. het geheel of gedeeltelijk egaliseren of slechten van graften; 14.

het in hun functioneren belemmeren of aantasten van bestaande natuurlijke of kunstmatige waterbuffers, inclusief aan- en afvoervoorzieningen. 5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.5.1

Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen; c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; d. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van het natuurnetwerk limburg; e. het vellen en/of rooien van houtgewas, met name hoogstamboomgaarden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging. De vergunningplicht geldt niet voor het vellen en/of rooien van houtgewas in het kader van de laagstamfruitteelt en de bomenteelt; f. het bebossen van gronden; g. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen. 5.5.2

Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 5.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen; b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

26

5.5.3

Toelaatbaarheid

De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 5.5.1 zijn slechts toelaatbaar, mits uitvoering van de werken en/of werkzaamheden niet leidt tot de in Bijlage 1 'Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden', genoemde gevolgen voor landschaps-, natuuren cultuurhistorische waarden.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1883.BPTracebesluitA2-ON01 vastgesteld

27

Artikel 6 6.1

Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' (vml); met de daarbij behorende: b. c. d. e.

tuinen, erven en terreinen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.2

Bouwregels

6.2.1

Algemeen

Gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en parkeervoorzieningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen. 6.2.2

Bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak

De maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt 7 meter en de maximale bouwhoogte 12 meter. 6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden gebouwd in het achtererfgebied, behoudens erf- en terreinafscheidingen; b. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter, met uitzondering van: 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte: in het achtererfgebied maximaal 2 meter bedraagt; in het voorerfgebied maximaal 1 meter bedraagt; 2. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 12 meter bedraagt; c. de afstand tot de perceelsgrens dient minimaal 3 meter te bedragen met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen. 6.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; f. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing; g. in het belang van een verantwoorde afvoer van hemelwater (infiltratie of retentie). 6.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=a18ebcec-9bf4-46a0-9704-77c672801bf3