VII-4 Bijlage 4b Bijlagenboek Statkraft.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1 Concept Methodiek stakeholder- en thema-analyse Met thema’s als vertrekpunt brengt deze methode de belangen en standpunten van stakeholders in beeld. Door zowel uit te gaan van de thema’s als van stakeholders, wordt de kans verminderd belangen te vergeten, omdat niet alleen vanuit de kant van de stakeholders wordt gedacht. Bijvoorbeeld bij een thema als natuur en biodiversiteit hebben niet alleen de bewoners van het dorp Simpelveld een belang, maar zijn ook de Natuur en Milieufederatie Limburg, IKL -Limburg (Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen) en de Provincie Limburg belanghebbend. Zij dragen Biodiversiteit (en het behoud ervan) uit als grondbeginsel voor het typische Limburgse Landschap en dragen zorg voor het Nationaal Landschap. Voor een latere fase in het project, de bouwfase, is bijvoorbeeld het thema bouwverkeer belangrijk. Niet alleen direct aanwonenden hebben hierbij een belang, maar ook stakeholders zoals nooddiensten, busmaatschappijen of aanwonenden van de aanrijroute van het bouwverkeer. Door deze twee te kruisen in een overzicht wordt in kaart gebracht waar de belangen liggen, bij welke fase van het project en kan hierop de communicatie- en participatiestrategie worden bepaald en aangevuld. De volgende stappen worden in deze methodiek doorlopen: 1. 2. 3. 4.
Inventariseren stakeholders Inventariseren thema’s. Koppeling van thema’s aan stakeholders. Krachtenveld aan belangen en stakeholders: a. In kaart brengen van de gebiedsgeschiedenis: oftewel welke onderwerpen zijn er en hoe zitten de stakeholders erin? Zo wordt tevens inzicht verkregen in de mate van invloed een bepaalde stakeholder heeft op (de voortgang) van het project. b. In deze stap worden ook eventuele meekoppelkansen geïdentificeerd. Meekoppelkansen zijn kansen die gelijktijdig met het windproject kunnen worden meegenomen als ‘win-win’. Deze hebben niet direct te maken hebben met de realisatie van windturbines, maar zijn wel belangrijk voor het gebied) 5. Bepalen welke positie de verschillende stakeholders op de participatieladder krijgen. In onderstaand kader is de participatieladder in het kort uitgelegd. De participatieladder in het kort Op basis van deze analyse kan worden bepaald wie op welke wijze, voor welk onderdeel, wordt betrokken bij het project. Hiervoor hanteren we de verschillende participatieniveaus van de participatieladder, te weten: • • • • •
(mee)beslissen gezamenlijk besluit m.b.t. (onderdelen) het project. Stakeholders krijgen een bepaalde bevoegdheid in relatie tot het project Consensus: samen handelen en tot overeenstemming komen. Adviseren: stakeholder adviseert en levert input voor de voorstellen van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer neemt deze zoveel mogelijk mee, maar kan hier ook gemotiveerd van afwijken. Raadplegen: De initiatiefnemer doet een voorstel en vraagt de stakeholders om een reactie. De initiatiefnemer bepaalt welke reactie en op welke wijze deze wordt meegenomen. Informeren: eenzijdige communicatie, informeren over status van het project.
1
De volgende thema’s, onderwerpen en gevoeligheden zijn tijdens verschillende meedenksessies en enquêtes in de laatste 3 maanden aan het licht gekomen. Hieronder zijn de belangrijkste onderwerpen genoemd. Voor de volledigheid kan bijlage 8 geraadpleegd worden. • • • • • • • • • • • • • • •
Milieuaspecten zoals geluid, gezondheid en slagschaduw Landschappelijke inpassing Betrokkenheid van omwonenden bij de verdere planvorming Financiële participatie individueel en collectief Effect op fauna en flora Verlichting en elektrische straling Waardedaling woning/bebouwing Effect op toeristische aantrekkelijkheid van gebied Educatie Buurtaccus/ energieopslag Verduurzaming van woning Particuliere zonnepanelen aanbieden Werkgelegenheid scheppen Duurzaamheidsambities gemeente Hoeveelheid energieopwek van windturbines
Voorbeeld: Onderwerp Landschappelijke inpassing In de eerste gesprekken met de omgeving en de grondeigenaren is het schetsontwerp van de huidige zoekgebieden al verrijkt met de input uit de omgeving. Dit blijft naar mate meer suggesties worden geleverd een iteratief proces waarbij bewust nog niet gekozen is om de exacte locaties vast te leggen. Zo is en blijft het een dialoog waaraan de omgeving een steentje kan bijdragen. Uiteraard is dit rekening houdend met de geldende restricties die heersen. Deze worden toegelicht in het hoofdstuk gewijd aan de landschappelijke inpassing. Voorbeeld: Gevoeligheden in en rondom het gebied Bij deze thema-analyse komt ook de gebiedsgeschiedenis naar boven of andere gevoeligheden die er in het verleden hebben gespeeld. Een voorbeeld is dat in het gesprek met de buurtcomités in Simpelveld naar voren is gekomen dat bij sommige inwoners het gevoel bestaat dat de windmolens in Duitsland hen overkomen zijn, zonder dat ze daar enige invloed op hebben gehad. Dit is een voorbeeld van omgevingssensitiviteit die belangrijk is en waarmee rekening dient te worden gehouden in de gehele doorlooptijd van voorliggend project.
2
Bijlage 2 Krachtenveldanalyse en Participatieplan In de marktuitvraag voor initiatiefnemers is genoemd dat men zo vroeg mogelijk directe belanghebbenden moet betrekken bij de planvorming. Statkraft streeft naar een zorgvuldig proces om de lokale belangen van omwonenden en maatschappelijke organisaties en instanties te betrekken alvorens de planprocedure wordt gestart. De bedoeling hierbij is om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de verschillende belangen, kansen op (financiële) samenwerking te benutten en eventuele overlast en/of negatieve gevolgen te beperken
Figuur 1 Omgevingsmanagement in fasen
Zoals in figuur 1 is weergegeven, heeft het gehele project een doorlooptijd van minimaal 5 jaar en bestaat het project uit vijf fasen. Omgevingsmanagement zal per fase een andere invulling krijgen, omdat de intensiviteit van het omgevingsmanagement per fase verschillend is. Met het voorliggende plan wordt inzicht gegeven in de communicatie- en participatie (inclusief activiteiten) per fase zoals gecommuniceerd in de marktuitvraag. Door de omgeving bij het windproject te betrekken wordt beoogd om tot een lokale en maatschappelijke inbedding van het project te komen waarbij rekening wordt gehouden met de diverse belangen in het gebied. We luisteren en analyseren wat er gezegd wordt, waarom het gezegd wordt en brengen de consequenties met elkaar in kaart om zo goed onderbouwde keuzes te kunnen maken. Keuzes die iedereen kan begrijpen, waar misschien niet iedereen het 100% mee eens zal zijn, maar die uiteindelijk zullen leiden tot een kwalitatief goed plan dat zo breed mogelijk gewaardeerd wordt. Onderstaand treft u de uitgangspunten aan die Statkraft hanteert bij omgevingsmanagement. Drie uitgangspunten: 1. Voeren van de dialoog met betrokkenen om zo de vertrouwensrelatie en de gedragenheid van het project te vergroten middels persoonlijke gesprekken en bijeenkomsten. Betrokkenen krijgen de ruimte om gehoord te worden en echt een inbreng te hebben.
Het is uiteraard wel belangrijk dat de kaders waarbinnen geparticipeerd kan worden helder worden gecommuniceerd aan het begin van een persoonlijk gesprek, een bijeenkomst of een cocreatiesessie. De kaders worden vooraf besproken met de stakeholders, eventueel aangescherpt en vastgesteld. Dit vormt een goede basis voor de inhoudelijke gesprekken die daarna plaatsvinden.
1
2.
3.
Faciliteren van een gelijk kennisniveau over de energietransitie en over windparken is belangrijk. Door middel van ontwerp- en co-creatiesessies, ondersteund door visualisaties en 3D-ontwerp worden de betrokkenen meegenomen. Aansluiten bij belevingswereld en betrokkenheid van mensen is van groot belang. Een participatietraject is maatwerk en wanneer er gevoeligheden spelen dan dient tijdig te worden bijgestuurd in het participatieplan. Deze gevoeligheden worden in de stakeholder- en themaanalyse geïnventariseerd en zullen gedurende het proces worden aangevuld.
1.
PARTICIPATIE IN FASE 1 en 2: INITIATIEFASE EN CONCEPTFASE
In de initiatiefase (die reeds is gestart) wordt door middel van diverse QuickScans en verkennende gesprekken verkend of er belemmerende zaken, knelpunten maar ook kansen zijn voor het ontwikkelen van een windpark in het gebied. De stakeholder- en thema-analyse is hier bijvoorbeeld een uitkomst van. De verdere focus van de participatie in deze fase ligt op het informeren van de verschillende stakeholders. Een uitgebreide omschrijving van alle reeds gevoerde gesprekken, nog geplande gesprekken en het vervolgproces van fase 1 en 2 is in het Projectplan Parkstad Zuid te vinden. Excursie projectgebied Na de kennismaking met een groot deel van de belanghebbenden zal Statkraft een excursie naar een operationeel windpark organiseren. We denken aan een klein en recent gebouwd windpark in Limburg. Deze excursie zullen we gezamenlijk met ons partner Pouderoyen Tonnaer organiseren. Statkraft gelooft namelijk dat een excursie het ‘onbekende’ - en daardoor zorgen bij de omgeving - weg kan nemen. Onder andere door middel van deze educatieve excursie laten we de stakeholders de impact van windenergie op de omgeving zelf ervaren en kennismaken met de belangrijke aspecten van moderne windturbines. Uiteraard zal Statkraft, indien de situatie rondom COVID-19 dat vereist, een passend (digitaal) alternatief faciliteren.
In onderstaande beschrijving van het vervolgproces geven wij een indicatie van onze minimale opzet voor omgevingsparticipatie. We herkennen dat de komende maanden cruciaal zijn om lokale belangen in kaart te brengen wat tot een aanpassing in onderstaande opzet kan leiden. Het blijft een levend proces waarin continu naar een optimale invulling gezocht wordt. 2.
PARTICIPATIE IN FASE 2A: CONCEPTFASE - CO-CREATIE
In de conceptfase wordt de financiële, ruimtelijke en (milieu)technische haalbaarheid van het project in kaart gebracht. Het opstellen van een (eventueel vrijwillig) MER kan hierbij behulpzaam zijn. Het doel bij co-creatie is om tot een conceptontwerp te komen dat samen met de omgeving is ontwikkeld en binnen de kaders van financiële en technische haalbaarheid valt. De participatie valt in twee onderdelen uiteen, te weten de procesparticipatie en de financiële participatie. Sessies 1 (kick-off) en 2 (ontwerpsessie) met omgevingstafel Door het inrichten van een omgevingstafel nodigen Statkraft en de lokale coöperatie belanghebbenden uit echt mee te denken over het ontwerp. Bij deze sessies zal gebruik worden gemaakt van diverse ondersteunende middelen zoals referentiebeelden, artists’ impressions en/of van een virtual reality platform waarbij live aanpassingen aan het 3D-ontwerp gemaakt kunnen worden. De klankbordgroep heeft hierbij de vrijheid om ter plekke een technisch haalbare opstelling voor het windpark te kiezen. Indien in de omgevingstafel een bepaalde doelgroep ondervertegenwoordigd is, kan het nodig zijn dat Statkraft en de lokale coöperatie nog aanvullende persoonlijke gesprekken inplannen.
2
3.
PARTICIPATIE IN FASE 2B: CONCEPTFASE – KEUZES MAKEN EN START RUIMTELIJKE PROCEDURE
In de afronding van de conceptfase dienen er keuzes gemaakt te worden. Wanneer een MER is uitgevoerd vormt het hieruit volgende voorkeursalternatief de basis voor het vervolg. Aan de hand van deze keuze wordt een definitief ontwerp gemaakt die in de ruimtelijke onderbouwing/planologische procedure opgenomen zal worden. Bij het opnemen van een ontwerp in de planologische procedure, zal er een design freeze van kracht zijn. Het gepresenteerde ontwerp zal in principe niet meer wijzigen. Bijeenkomst opties financiële participatie bespreken en design freeze Tijdens deze bijeenkomst bespreken de lokale coöperatie en Statkraft met de aanwezigen de mogelijkheden tot financiële participatie. Een eerste uitwerking tot op het niveau van de juridische en financiële structuur zal worden toegelicht. Tevens wordt het definitieve ontwerp gepresenteerd dat middels co-creatiesessies met de omgeving tot stand is gekomen en die in de ruimtelijke planologische procedure opgenomen zal worden. Informatieverstrekking tijdens (start) ruimtelijke procedure: • Middels (nieuws)brieven worden de omgeving, autoriteiten en omgevingstafel op de hoogte gebracht van het moment van aanvraag omgevingsvergunning • Tevens worden media en natuur- en milieugroepen geïnformeerd per (nieuws)brief over de maatregelen aangaande de omgevingsvergunning.
• Optioneel wordt, indien er zienswijzen zijn binnengekomen, door de lokale coöperatie & Statkraft een extra informatiemoment ingelast om vragen en/of zienswijzen te beantwoorden
4.
PARTICIPATIE IN FASE 3: INKOOPFASE
De inkoopfase start met het opstellen van een basis of design en eindigt met een contract-award. De basis of design is een technisch document waarin het ontwerp staat omschreven zoals het windpark ingekocht zal worden. Statkraft kan voor de inkoop van het windpark een aanbesteding starten. De verdeling van taken moet echter nog met de lokale coöperatie verder besproken worden. Een voorwaarde die Statkraft stelt aan onderaannemers is dat er met hoge Corporate Social Responsibilitystandaarden gewerkt zal worden. De contract award is enkel mogelijk nadat Statkraft een positief investeringsbesluit heeft genomen op het project en zal aandacht vanuit de media krijgen, dus alle stakeholders worden geïnformeerd. Nieuwsbrief Deze fase kenmerkt zich vooral door informeren in de vorm van nieuwsbrieven. 5.
PARTICIPATIE IN FASE 4: BOUWFASE
De bouwfase begint na contract-award en nadat de grond bouwrijp is. Voordat de bouw aanvangt, zullen er nulmetingen gedaan worden waarin Statkraft en de lokale coöperatie ook vaststelt hoe de percelen na het saneren van het park weer terug geleverd worden. Werkgelegenheid in de bouwfase Tijdens de bouw van het park en tijdens de daaropvolgende exploitatie van het park, zal altijd de voorkeur gegeven worden aan lokale bedrijven en waar mogelijk ook mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, om diensten en producten te leveren aan het park. Dit uiteraard onder het voorbehoud van marktconforme condities. Ook voor het onderhoud en beheer zal de voorkeur bij lokale partners liggen,
3
mede uit oogpunt van energiebesparing. Ook zal een beroep worden gedaan op vrijwilligers voor het geven van rondleidingen. In de komende twee maanden zullen we actief op zoek gaan naar lokale partners/ bedrijven om het mee op te nemen in ons finale projectplan. Informeren over bouwwerkzaamheden De omgeving, zoals aanwonenden van de projectlocatie maar ook de aanwonenden van de aanrijroute van bouwmaterialen, worden minimaal per brief geïnformeerd. Hierin zullen ook contactgegevens van contactpersonen van Statkraft en de lokale coöperatie opgenomen worden en de manieren waarop de omgeving en andere professionele partijen Statkraft kunnen bereiken bij vragen of calamiteiten. Als het proces aanleiding geeft om met bepaalde direct belanghebbenden intensiever contact op te nemen, dan zullen wij dit faciliteren middels persoonlijke (telefoon)gesprekken. 6.
PARTICIPATIE IN FASE 5: OPERATIONELE FASE
De operationele fase start op het moment dat de bouw afgerond is en de netbeheerder het park aansluit op het daarvoor bestemde onderstation. De operationele fase duurt rond 25 jaar en eindigt op het moment dat het park wordt gesaneerd. Afstemming en afspraken over onderhoud en beheer Momenteel is nog niet inzichtelijk of onderhoud en beheer in de operationele fase bij Statkraft ligt of via de lokale coöperatie verzorgd wordt. Statkraft wenst het beheer van het windpark tijdens de exploitatiefase voor een optimaal rendement te verzorgen. Opening windpark Feestelijke opening van het windpark (aan het einde van de bouwfase of aan het begin van de operationele fase). Er zal een uitnodiging worden verstuurd aan alle doelgroepen die tot dan toe betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het windpark. Lespakketten Onderwijs is een cruciaal onderdeel van de energietransitie en Statkraft streeft er naar educatieve kansen te creëren met haar zon- en windparken, zodat scholieren in de Parkstad regio kunnen leren hoe de schone stroom, nodig voor het tegengaan van klimaatverandering, opgewekt wordt. Dit kan worden gefaciliteerd door het geven van rondleidingen over het park voor bijvoorbeeld leerlingen van groep 8. Bij de opening van het park zullen omwonenden, ambtenaren en scholen een uitnodiging krijgen voor een eerste rondleiding.
Hier zullen de uitdagingen van de energietransitie en het belang hiervan worden belicht zodoende jongeren te enthousiasmeren voor de energietransitie. Lokale werkgelegenheid Door het ontwikkelen van het windpark ontstaan kansen voor lokale werkgelegenheid. In de volgende fase zal onderzocht worden wat voor expertise nodig is. Er valt de denken aan bijvoorbeeld wegenbouw, lokale omgevingsmanager en mensen die voor het technisch onderhoud van de windturbines verantwoordelijk zijn. Statkraft pleit ervoor om voorrang te geven aan lokale bedrijven.
4
Bijlage 3 Communicatie middelenmatrix Doelgroep Omgeving
Stakeholder Energiecoöperatie
Participatieniveau Meebeslissen
Grondeigenaren (afhankelijk van de nader te bepalen turbinelocaties. Naar verwachting o.a. gemeente Heerlen)
Consensus
Bewoners en ondernemers <1000m
Raadplegen
Bewoners en ondernemers <2500m
Informeren
Media
Lokale media
Informeren
Autoriteiten
Gemeente Heerlen, Kerkrade en Simpelveld (ambtelijk/bestuurlijk)
(mee)beslissen
Adviespanel gemeente Heerlen, Kerkrade en Simpelveld
Natuur en Milieugroep
Middelenmix Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ klankbordgroep Excursie Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies Excursie Bijeenkomsten Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ klankbordgroep Bijeenkomsten Nieuwsberichten Brieven Excursie Nieuwsberichten Excursie Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ Klankbordgroep Persoonlijke gesprekken Persoonlijke gesprekken
Provincie Limburg
Adviseren
RWS
Adviseren
Waterschap Limburg
Consensus
Persoonlijke gesprekken
Netbeheerder Enexis
Consensus
Persoonlijke gesprekken
Gemeente Aken
Informeren
Persoonlijke gesprekken
GGD Limburg
Adviseren
Persoonlijke gesprekken Mogelijk bijeenkomsten
IKL Limburg
Adviseren
Excursie Bijeenkomsten
1
Doelgroep
Stakeholder
Participatieniveau
Middelenmix Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ Klankbordgroep Excursie Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ Klankbordgroep Excursie Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ Klankbordgroep
Limburgs Landschap
Adviseren
NMF Limburg
Adviseren
Natuurmonumenten
Adviseren
Excursie Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ Klankbordgroep
IVN Heuvelland/Heerlen
Adviseren
Excursie Bijeenkomsten Persoonlijke gesprekken Nieuwsberichten Brieven Ontwerpsessies/ Klankbordgroep
2
Bijlage 4 Extra aandacht voor grensoverschrijdende aspecten
In deze paragraaf beschrijven wij hoe wij de grensoverschrijdende aspecten met betrekking tot omgevingsparticipatie analyseren. Vervolgens beschrijven we hoe we omgaan met de grensoverschrijdende aspecten en benoemen we concrete aandachtspunten voor verschillen in cultuur en procedures. We willen ook de Duitse belanghebbenden actief benaderen en in een zo vroeg mogelijk stadium zo effectief mogelijk informeren en maximaal betrekken bij de planvorming. Volgens de Duitse wet moeten burgers en inwoners deelnemen aan het voornemen voor windenergie, zowel in het kader van de ruimtelijke ordening (hier in Aken: bestemmingsplan op gemeenschapsniveau) als op het niveau van het goedkeuringsproces volgens de federale immissiecontrole Act (BimSchG). Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden burgers, bewoners en belanghebbenden publiek geïnformeerd over het initiatief. Nadat een eerste plan van aanpak is opgesteld kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen die meegenomen wordt in de verdere planvorming. Dit zal op een later tijdstip opnieuw plaatsvinden als onderdeel van de openbaarmaking. Hetzelfde vindt plaats nadat de Bestemmingsplanprocedure is vastgesteld in het kader van de goedkeuringsprocedure volgens BimSchG, die de specifieke systeemtoelating in Duitsland regelt.
Ook hier wordt het publiek betrokken door de procedurestukken (zoals een ruimtelijk plan inclusief bijbehorende onderzoeken) voor een periode van een maand openbaar te maken. Statkraft is van mening dat deze vorm van publieksparticipatie niet voldoende is bij het vormgeven van een windpark. Deze vorm van participatie biedt onvoldoende ruimte voor omwonenden waardoor niet alle wensen en ideeën van bewoners aan bod komen. Om deze reden voert Statkraft uitgebreide, vroege en informele omgevingsmanagement uit in Duitse windenergieprojecten. Statkraft zal deze proactieve communicatie ook uitvoeren voor een grensoverschrijdend project met de ondersteuning van onze Duitse collega's. Hiervoor organiseert Statkraft na acceptatie van de aanbesteding meerdere openbare voorlichtingsbijeenkomsten met professionele ondersteuning van communicatiebureaus en moderatoren. Tijdens de informatiebijeenkomst stellen wij ons voor aan de omgeving en presenteren wij ons bedrijf en lichten wij het project Parkstad Zuid toe. We staan stil bij de mogelijke effecten van het windpark op het milieu en de bewoners. Een informatiebijeenkomst met “marktopstelling” is hiervoor bijzonder geschikt.
De bijeenkomst moet met name ruimte bieden voor vraag- en antwoordsessies en de burger in staat stellen om openlijk en zonder voorbehoud ideeën naar voren te brengen, vragen te stellen en uiting te geven aan eventuele zorgen. In deze tijden van Covid19 gerelateerde beperkingen op het openbare leven heeft Statkraft inmiddels goede ervaringen opgedaan met het houden van online bijeenkomsten. Deze ervaring leert dat met een goed georganiseerde online bijeenkomst belanghebbenden eveneens goed betrokken kunnen worden. Om een zo’n groot mogelijk aantal belanghebbenden te bereiken, wordt de bijeenkomst via een advertentie in de regionale dagbladen bekend gemaakt. Daarnaast ontvangen alle directe en secundaire belanghebbende huishoudens een aan hen geadresseerde schriftelijke uitnodiging voor de bijeenkomst. Vervolgens zal Statkraft minstens één keer per jaar voorlichtingsevenementen houden en indien nodig verschillende formats gebruiken. Statkraft heeft bijzonder goede ervaringen met de opzet van ronde tafel en beursevenementen. Statkraft Duitsland zal de collega's van het Nederlandse projectontwikkelingsteam begeleiden en ondersteunen bij de uitvoering van de evenementen. De belanghebbenden van de operationele windparken zouden aan Duitse zijde zo snel mogelijk in het Parkstad-planningsproces moeten worden meegenomen.
Naast de bovengenoemde deelname van burgers aan informatie- en discussiebijeenkomsten, worden de belangrijkste belanghebbenden (zie bijlage 4) direct na de gunning van de opdracht aangesproken in de vorm van persoonlijke discussies.
1
Voor de volledigheid hebben we een overzicht van mogelijke financiële participatie-instrumenten voor de Duitse omgeving als bijlage 5 toegevoegd. In hoeverre we deze instrumenten willen inzetten moet in de volgende fase en samen met de omgevingstafel besloten worden.
Belanghebbenden in Duitsland Naast de deelname van burgers aan informatie- en discussiebijeenkomsten, worden de volgende belanghebbenden direct na de gunning van de opdracht persoonlijk aangesproken: Organisation
Name
Funktion
Organisation/ Politische Partei
Bezirksvertretung Aachen-Richterich
Hubert Meyers
Bezirksbürgermeister
CDU
Uta Kempen
Stv. Bezirksbürgermeisterin
Grüne
Manfred Kuckelkorn
Stv. Bezirksbürgermeister
SPD
Alexander von Frantzius
Vorsitzender
Waldbauernverband
Herbert Fleu
Beiratsmitglied
NABU
Claus Mayr
Beiratsmitglied
NABU
Sibille Lohmann
Beiratsmitglied
BUND
Sibylle Keupen
Oberbürgermeisterin
Grüne
Frauke Burgdorff
Beigeordnete Dezernat III – Stadtentwicklung, Bau und Mobilität
-
Dr. Markus Kremer
Beigeordneter Dezernat V Personal, Organisation, Stadtbetrieb, Feuerwehr und Umwelt:
-
Elmar Wiezorek
Fachbereichsleiter Klima und Umwelt
-
Kaj Neumann
Fraktionsvorsitzender
Grüne
Monika Annette Wenzel
Fraktionsvorsitzende
Grüne
Iris Lürken
Fraktionsvorsitzende
CDU
Michael Servos
Fraktionsvorsitzender
SPD
Christoph Allemand
Fraktionssprecher
DIE Zukunft
Hans Leo Deumens
Fraktionsvorsitzender
Die Linke
Wilhelm Helg
Fraktionsvorsitzender
FDP
Politische Vertretungen Richterich-Horbach
Werner Feil
Fraktionsvorsitzender
Grüne
Hans Peter Kehr
Vorsitzender
CDU
Sonstige
Kurt Cremer
Zollmuseum Friedrichs
-
Naturschutzbeirat der Stadt Aachen
Stadtverwaltung Aachen
Politik Aachen
2
Photon GmbH
Betreiber Solar-Testfeld Avantis
Felix Delahaye
Avantis Verwaltung
STAWAG - Dirk Gottschalk
Windparken Aachen-Horbach (2x Vestas V112) en AachenKitzwinkel (2x GE 2.75), evenals het bekende windpark AachenMünsterwald (7x Vestas V112).
-
3
Bijlage 5 Optionen für finanzielle Partizipation in Deutschland Aufgrund der fortschreitenden Entwicklung des deutschen Markts haben sich vielfältige, finanzielle Beteiligungsmöglichkeiten der Anwohner von Windprojekten heraus gebildet. Weiterhin fand eine gesetzliche Regelung zur finanziellen Beteiligung von Gemeinden Eingang in das Erneuerbare-Energie-Gesetz (EEG 2021). Die gesetzliche Reglung und die von Statkraft erprobten finanziellen Beteiligungsmöglichkeiten werden im Folgenden dargestellt. Gemeindebeteiligung unter dem EEG 2021 Mit Neufassung des EEG 2021 können Betreiber Gemeinden, welche in einem Umkreis von 2.500 m um die installierten Windenergieanlagen liegen, finanziell mit einer Vergütung von bis zu 0,2 €Cent pro produzierter Kilowattstunde beteiligen. Die jährliche Beteiligung wird dabei gemäß des Flächenanteils der jeweiligen Gemeinde am Umkreis um das Projekt aufgeteilt. Nach dem EEG 2021 wird diese Beteiligung durch die Netzbetreiber an den Betreiber des Windparks erstattet. Bürgerbeteiligung Neben der kommunalen Beteiligung, erfolgt in Statkraft-Projekten grundsätzlich auch eine finanzielle Beteiligung der umliegenden Anwohner. Hinsichtlich der komplexen Projektlage in zwei Ländern bieten sich aus unserer Sicht die folgenden Modelle an:
Direktbeteiligung Statkraft kann den Bürgerinnen und Bürgern den Direkterwerb einer oder mehrerer Windenergieanlagen zu marktüblichen Konditionen anbieten. Dabei können wir dieses Angebot sowohl einzelnen als auch einer Investorengemeinschaft von Bürgerinnen und Bürgern unterbreiten. Dies schließt ausdrücklich auch Energiegenossenschaften ein, auch solche, die noch gegründet werden.
Nachrangdarlehen Als Investitionsmöglichkeit mit einem hohen Akzeptanzgrad und niedriger Eintrittsschwelle setzen sich bei Windprojekten in Deutschland zunehmend Nachrangdarlehen durch. Hierbei handelt es sich um Vermögensanlagen i.S.d. Vermögensanlagengesetz. Laufzeit, Verzinsung und Mindest-/Höchsteinlage können flexibel und entsprechend des Investoreninteresses vor Ort gesetzt werden. Zur Ermittlung des Bedarfs wird zu Beginn der Projektentwicklung ein Interessenbekundungsverfahren mit den Anwohnern durchgeführt.
Stromtarif Ein Bürgerstromtarif stellt eine attraktive Option zur Beteiligung von Bürgerinnen und Bürgern dar.
1
Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid Statkraft 721043 |Definitief 30/07/2021
Pondera
Colofon
Hoofdvestiging Nederland
Soort document
Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Haalbaarheidsonderzoek
Postadres
Versienummer
Postbus 919 6800 AX Arnhem
Vestiging South East Asia Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
Projectnaam Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid
Definitief
Datum 30-7-2021
Project nummer 721043
Opdrachtgever Statkraft
Auteur Jorick Amsman
Nagekeken door Annemarie Kristen
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever. De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.
Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 1.2
2 Ruimtelijke analyse 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
2
Inleiding ______________________________________________________________________ 2 Hinder ________________________________________________________________________ 3 Externe veiligheid _______________________________________________________________ 8 Ecologie _____________________________________________________________________ 11 Defensieradar en luchtvaart ______________________________________________________ 15 Cultuurhistorie ________________________________________________________________ 18 Archeologie ___________________________________________________________________ 18 Straalpaden __________________________________________________________________ 20
3 Inrichtingsmogelijkheden 3.1 3.2
1
Aanleiding _____________________________________________________________________ 1 Locatie _______________________________________________________________________ 1
21
Belemmeringen________________________________________________________________ 21 Mogelijkheden turbineposities ____________________________________________________ 22
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De drie gemeenten Heerlen Simpelveld en Kerkrade, ook wel Parkstad Zuid genoemd, trekken samen op om de mogelijkheden voor windenergie in deze regio te verkennen. Hiervoor hebben zij Pondera een verkenning laten uitvoeren om de kansrijke gebieden voor windenergie in beeld te krijgen. In deze verkenning zijn 6 zoekgebieden voor windenergie herkend. De drie gemeenten hebben vervolgens een marktuitvraag uitgezet om de initiatieven van marktpartijen te ontvangen en te kunnen beoordelen. Statkraft is voornemens om te reageren op deze marktuitvraag van de gemeenten Heerlen Simpelveld en Kerkrade. Statkraft heeft Pondera gevraagd om invulling te geven aan bepaalde onderdelen, zoals de ruimtelijke inpassing. Een haalbaarheidsonderzoek moet duidelijkheid geven over de mogelijkheden die hiervoor in het gebied aanwezig zijn. Het haalbaarheidsonderzoek levert een realistisch ontwikkelgebied voor windenergie op.
1.2 Locatie In Figuur 1.1 is de ligging van de zoekgebieden weergegeven. De zoekgebieden bevinden zich in een grensoverschrijdend gebied dat binnen de drie gemeenten Heerlen, Simpelveld en Kerkrade valt. Zoals te zien in Figuur 1.1 liggen de zoekgebieden 1, 2, 4, 5 en 6 allen dicht bij elkaar. Zoekgebied 3 ligt verder richting het oosten. Alle zoekgebieden bevinden zich op korte afstand van de Duitse grens, de zoekgebieden 1, 3 en 4 grenzen zelfs met Duitsland. Kerkrade en Heerlen zijn de grotere plaatsen in de omgeving van de zoekgebieden. Figuur 1.1 Locatie zoekgebieden
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 1
2 Ruimtelijke analyse 2.1 Inleiding Aan de hand van een analyse met behulp van een geografisch informatiesysteem (GIS) is de beschikbare ruimte voor de plaatsing van windturbines in het onderzoeksgebied geanalyseerd en zijn de kansen en belemmeringen in beeld gebracht. Daarbij wordt rekening gehouden met aandachtspunten en aan te houden afstanden op basis van beleid, wet- en regelgeving. Na de uitspraak van de RvS op 30 juni jl. over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding/Nevele-arrest (ECLI:NL:RVS:2021:1395) dient de beoordeling van de effecten van geluid, slagschaduw en externe veiligheid bijzondere aandacht te krijgen. De in het Activiteitenbesluit en -regeling opgenomen normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid van windturbines (hierna: windturbineregels) mogen niet meer zonder meer worden gebruikt als toetsing voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windparken tot er een planMER is uitgevoerd voor de windturbineregels in het Activiteitenbesluit en -regeling. Dat heeft te maken met een onjuiste vertaling van de Europese SMB-richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Voor nieuwe windparken betekent de uitspraak: 1. Wachten tot dat de windturbineregels zijn ‘be-MERd’ en hier op aansluiten met het project, of; 2.
In te zetten op de mogelijkheid om voor een project eigen normen te stellen die voor dát specifieke project onderbouwd dienen te worden en voorzien moeten zijn van een (1) actuele, (2) deugdelijke, (3) op zichzelf staande, en (4) op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. In dit haalbaarheidsonderzoek refereren we daarom niet naar de normen uit het activiteitenbesluit maar gaan we ervan uit dat òf de landelijke overheid de windturbineregels via een plan-MER-procedure vaststelt òf dat het bevoegd gezag projectspecifieke normen zal vaststellen. Vooralsnog gebruiken we wel de eerder gehanteerde vuistregels voor de afstand tot gevoelige objecten. Mocht de (projectspecifieke) norm strenger zijn dan de norm waarop de vuistregel is gebaseerd, betekent dit dat er wellicht meer gemitigeerd moet worden om aan de norm te kunnen voldoen. Daarnaast worden ook de overige relevante milieutechnische aspecten en gevoelige functies die een belemmering voor de haalbaarheid van windenergie vormen op basis van vuistregels bij de analyse betrokken. De mogelijkheden en onmogelijkheden voor windenergie in een gebied zijn afhankelijk van een aantal (ruimtelijke) aspecten die de plaatsing, dimensies en verschijning van windturbines kunnen bepalen of beperken.
Voor de meeste van deze aspecten geldt dat de afmetingen van de windturbines bepalend zijn voor de (on)mogelijkheden voor windenergie in het desbetreffende gebied. Belemmeringen door de type en grootte van de turbine worden ‘turbine-specifieke’ belemmeringen genoemd. Er bestaat een correlatie tussen de grootte van een windturbine en de belemmeringen die deze met zich mee brengt, simpel gezegd leidt een grotere turbine tot minder geschikt gebied voor windturbines. In deze fase van onderzoek werken we met vuistregels van effectafstanden geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Statkraft heeft nog geen keuze voor een windturbinetype gemaakt. Daarom is de analyse uitgevoerd voor een bandbreedte van turbines met een ashoogte die ligt tussen de 130 en 160 meter en een rotordiameter
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 2
die ligt tussen de 130 en 160 meter. De onderkant van de bandbreedte noemen we turbinetype 1 en bovenkant van de bandbreedte turbinetype 2. In Tabel 2.1 hebben we de turbineafmetingen samengevat. Tabel 2.1 Overzicht referentieturbines Referentieturbine
Ashoogte
Rotordiameter
Tiphoogte
Referentieturbine 1 (130/130)
130
130
195
Referentieturbine 2 (160/160)
160
160
240
2.2 Hinder Windturbines kunnen een hinderlijk effect veroorzaken op de leefomgeving in de vorm van geluid en slagschaduw. Het bevoegd gezag stelt grenzen aan de mate van hinder die mag optreden bij zogenoemde ‘gevoelige objecten’. Onder gevoelige objecten vallen onder andere woningen van derden1 , onderwijs-engezondheidsinstellingen. Hierbij zijn woningen in veruit de meeste gevallen maatgevend.
2.2.1 Geluidbelasting De omvang van de effecten is van meerdere factoren afhankelijk, waaronder de afstand tot gevoelige objecten. Voor een eerste scan kan van de vuistregels worden uitgegaan die zijn gebaseerd op tal van geluid- en slagschaduwberekeningen voor windturbines en windparken. Een algemene vuistregel is dat een moderne windturbine, met eventueel met toepassing van beperkte mitigerende maatregelen, op een afstand van(af) circa 400 meter van een geluidgevoelig object geen geluidbelasting veroorzaakt die leidt tot onaanvaardbare hinder. Bij mitigerende maatregelen draait de turbine tijdens bepaalde dagdelen (dag, avond of – meestal - nacht) op een lagere productiemodus waarbij minder geluid wordt geproduceerd. Dit heeft een productieverlies tot gevolg.
2.2.2 Slagschaduw De draaiende rotorbladen van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze ‘slagschaduw’ kan onder bepaalde omstandigheden als hinderlijk worden ervaren. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie en de intensiteit van de flikkering en de blootstellingsduur. Daarbij zijn de afstand tot de turbines, de stand en aanwezigheid van de zon en het al dan niet draaien van de windturbines bepalende aspecten. Ook voor slagschaduw wordt in deze verkennende fase uitgegaan van het uitgangspunt dat vanaf een afstand vanaf 400 meter tot een windturbine met mitigeerde maatregelen onaanvaardbare hinder kan worden voorkomen. Voor slagschaduw kan doorgaans met toepassing van mitigatie in de vorm van het gericht stilzetten van turbines op het moment dat hinderlijke slagschaduw optreedt, relatief eenvoudig en doorgaans met beperkte opbrengstverliezen, aan de normen worden voldaan. De ligging van gevoelige objecten ten opzichte van windturbines, is bij slagschaduw van belang omdat de meeste slagschaduw optreedt ten noordwesten (bij zonsopkomst) en noordoosten (bij zonsondergang) van de windturbines.
1
Woningen van derden zijn woningen die geen deel uitmaken van (de inrichting van) een windturbine of windpark.
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 3
2.2.3 Molenaarswoningen Molenaarswoningen zijn woningen die in tegenstelling tot andere gevoelige objecten onderdeel uitmaken van een windenergieproject en daarmee bij de ‘inrichting’ horen. Voor deze woningen geldt dat ze bij het windpark horen, zoals een boer die bij zijn boerderij woont, waardoor niet voldaan hoeft te worden aan de normen voor geluid en slagschaduw. Let wel, er dient altijd aan een goede ruimtelijke ordening te worden voldaan, wat betekent dat de turbine niet onaanvaardbaar dicht bij een molenaarswoning geplaatst mag worden. Aan het aanmerken van molenaarswoningen of bedrijfswoningen zijn regels verbonden. Op grond van de wet en de jurisprudentie dient er tussen woning en inrichting (het windpark) een onderling technische, organisatorische of functionele binding te bestaan en dienen woning en inrichting in elkaars onmiddellijke nabijheid te zijn gelegen2 en dient er verband te zijn tussen het aantal turbines en aantal molenaarswoningen3 . Verder heeft een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State ertoe geleid dat niet elke woning als molenaarswoning kan worden aangemerkt. De relatie tussen de betreffende molenaarswoningen en het windpark moet duidelijk en aantoonbaar aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoen. De aanwijzing van molenaarswoningen dient daarom zorgvuldig en per geval nader te worden onderzocht.
2.2.4 Bescherming van en beperkingen door Duitse objecten en gebieden De zoekgebieden liggen in de omgeving en soms zelfs aan de grens met Duitsland. De invloed van het beoogde windpark sterkt zich dan ook uit over de Duits grondgebied. De Nederlandse en Duitse wet- en regelgeving verschillen van elkaar. In deze paragraaf staan we hierbij stil en geven we aan welke normen van toepassing zijn.
Voor brongebonden effecten geldt de Nederlands norm Voor het toepassen van wet- en regelgeving maakt de wetgever onderscheid tussen brongebonden en gebiedsgebonden effecten. Brongebonden effecten zijn effecten die worden bepaald door de turbine zoals geluid en slagschaduw. Het type windturbine bepaalt de omvang van de effectafstand. Gebiedsgebonden effecten zijn effecten die worden bepaald door de eigenschappen en het beschermingsdoel van een gebied binnen de invloedsfeer van beoogde windpark. Voorbeeld hiervan zijn beschermde natuurgebieden en luchtvaart en luchtvaartveiligheid. Toets- en/of effectafstanden, onderzoeksinspanningen en eventuele belemmeringen zijn vastgelegd in wetgeving en regels behorende bij dat gebied.
Niet eenduidige waaraan gebiedsgebonden effecten moeten worden getoetst Gebiedsgebonden-effecten zijn effecten die worden bepaald door de eigenschappen en het beschermingsdoel van een gebied binnen de invloedsfeer van beoogde windpark. Voorbeeld hiervan zijn beschermde natuurgebieden en luchtvaartveiligheid. Toets- en/of effectafstanden, onderzoeksinspanningen en eventuele belemmeringen zijn vastgelegd in wetgeving en regels behorende bij dat gebied. Waaraan grensoverschrijdende gebiedsgebonden-effecten moeten worden getoetst is niet eenduidig. Zo geldt voor de Duitse beschermde natuurgebieden de Duitse wetgeving maar zijn bijvoorbeeld Duitse vliegvelden wettelijk niet beschermd tegen windparken op Nederlandse bodem. Desalniettemin is het altijd belangrijk om te onderzoeken welk effect een ontwikkeling van windenergie op overige functies heeft. Daarom moeten initiatiefnemers ongeacht formele wet- en regelgeving stilstaan bij
2
zie ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3038, r.o. 3.1 en ABRvS 16 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7747, r.o. 2.3.3 3 Zie ABRvS, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4180
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 4
de mogelijke effecten die ze met het initiatief vooroorzaken. Dit staat los van de vraag wie (of welke land) bevoegd is. De grensoverschrijdende effecten van een windpark moeten in een (ruimtelijk) plan worden beschreven en dienen in de afweging te worden meegewogen. De Nederlandse geluidsnorm is object-gebonden de Duitse geluidsnormen zijn gebiedstype-gebonden Voor brongebonden effecten geldt de Nederlands norm. Dus de Nederlandse geluid- en slagschaduwduurnormen gelden ook voor de Duitse gevoelige objecten. In Nederland moeten alleen geluid (en slagschaduw) normen voor gevoelige objecten worden vastgelegd. Daarbij gelden voor alle gevoelige objecten eenzelfde (hoogte van de) geluidsnorm. In Duitsland zijn de wettelijke geluidsnormen afhankelijk van de bestemming/gebruik van de locatie (zie Tabel 2.2). In de onderhavige analyse zijn deze normen niet beschouwd. Wij adviseren om in een volgende fase, wanneer geluidberekeningen worden uitgevoerd, te onderzoeken of voor de Duitse objecten ook voldaan kan worden aan de Duitse normen. Figuur 2.1 Duitse gevoelige objecten
Zoals te zien in Figuur 2.1 liggen er twee gevoelige objecten op korte afstand van de Nederlandse grens. Dit betreft twee woningen die nét buiten de gemeente Kerkrade liggen, de woningen liggen op respectievelijk 263 meter en 236 meter afstand van het ontwikkelgebied voor windenergie. De minimaal mogelijke afstand is hierdoor ook 236 meter en 263 meter. Gezien het feit dat wij 400 meter afstand adviseren tot gevoelige objecten, dienen deze Duitse woningen te worden meegenomen in het bepalen van de turbineposities.
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 5
Tabel 2.2 Duitse geluidimmissie normen Immissionsrichtwerte für Immissionsorte außerhalb von Gebäuden
De immissiegrenswaarde op de gevel van een object per type gebied (vrij vertaald in het Nederlands)
Immissienorm in dB (A)
dag
nacht
70
Maximale uitschieters plus “x” dB(A)
dag
nacht
+ 30
+ 20
Industriegebieten
Industriegebieden
Gewerbegebieten
Bedrijfsterreinen
65
50
+ 30
+ 20
In urbanen Gebieten
Stedelijk gebied
63
45
+ 30
+ 20
In Kerngebieten, Dorfgebieten und mischgebieten
Dorpen en buitengebied
60
45
+ 30
+ 20
In Allgemeinen Wohngebieten und Kleinsiedlung Gebieten
Woongebieden
55
40
+ 30
+ 20
In reinen Wohngebieten
Rustige woongebieden
50
35
+ 30
+ 20
In Kühr gebieten, Krankenhäuser und Pflegeastalten
Zorginstellingen
45
35
+ 30
+ 20
Duitsland kent geen formele wetten ten aanzien van slagschaduwhinder, toch norm van maximaal 30 minuten per dag met maximum van 30 uur per jaar. Er zijn geen formele wetten die regels stellen ten aanzien van het beperken van hinder door slagschaduw. Wel heeft het “Bund-/Länder-Arbeitsgemeinschaft für Immissionsschutz (LAI)” beleidregels (WKASchattenwurfhinweise)4 ontwikkeld die bepalen dat een object maximaal 30 minuten per dag en in totaal 30 uur per jaar door slagschaduw mag worden getroffen.
2.2.5 Ligging Nederlandse gevoelige objecten In Figuur 2.2 zijn de gevoelige objecten en de bijbehorende 400 meter contour weergegeven. Binnen deze contour is de plaatsing van windturbines weinig kansrijk. Zoals te zien in Figuur 2.2 is er een groot aantal gevoelige objecten in de (wijde) omgeving. Grofweg gezegd liggen er 3 kernen met een groot aantal gevoelige objecten, dit zijn de kernen Kerkrade, Simpelveld en Bocholtz. Zoekgebied 1 ligt ten noorden van de plaats Bocholtz, dit zoekgebied kent deels de contour van 400m voor gevoelige objecten door een aantal verspreid liggende gevoelige objecten rondom de A76 en Bocholtz. Zoekgebied 2 ligt ten noordwesten van zoekgebied 1, dit zoekgebied ligt op korte afstand van de plaats Simpelveld. Dit zoekgebied valt bijna volledig onder de 400m contour voor gevoelige objecten, met name door gevoelige objecten vanuit Simpelveld. Zoekgebied 3 is het meest oostelijke zoekgebied, en ligt op korte afstand van een groot aantal gevoelige objecten vanuit Kerkrade. Dit zoekgebied ligt hierdoor volledig onder de 400m contour voor gevoelige objecten. Zoekgebied 4 ligt centraal tussen de drie plaatsen in. Enkel het noordelijke deel van dit zoekgebied valt onder de 400m contour voor gevoelige objecten. Zoekgebied 5 ligt tussen Simpelveld en Kerkrade in, toch valt een groot onder de 400m contour voor gevoelige objecten.
Dit komt met name door gevoelige objecten op het bedrijventerrein van Heerlen. Zoekgebied 6 is het meest centrale zoekgebied, dit ligt net als zoekgebied 4 tussen de drie plaatsen in. Door een aantal gevoelige objecten op de rand van zoekgebied 5 en 6 ligt zoekgebied 6 bijna helemaal onder de 400m contour voor gevoelige objecten. 4
https://www.lai-immissionsschutz.de/documents/wka_schattenwurfhinweise_stand_23_1588595757.01
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 6
Figuur 2.2 Gevoelige objecten
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 7
2.3 Externe veiligheid Voor de afstanden van windturbines tot infrastructuur en overige externe veiligheidsrelevante objecten, is uitgegaan van de richtlijnen uit het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW5 ) en bijbehorende Handleiding Risicoberekening Windturbines6. In Tabel 2.3 voor beide referentieturbines per aspect de toetsingsafstand weergegeven op basis van de gekozen turbineafmetingen. De afstanden betreffen generieke toetsafstanden. Buiten de genoemde afstand is er in principe geen sprake van een (aanvullend) veiligheidsrisico. De praktijk leert dat windturbines soms geplaatst kunnen worden op kortere afstand dan de toetsingsafstand van objecten op basis van nader (veiligheids)onderzoek, mitigerende maatregelen en overleg met de eigenaar of beheerder van het object of de infrastructuur. De in dit onderzoek gehanteerde algemene toetsafstanden geven een goed beeld van de haalbaarheid van windturbines. Tabel 2.3 Toetsafstanden harde belemmeringen Object
Toetsafstand Referentieturbine 1 Referentieturbine 2
Richtlijn HRW
Kwetsbare objecten
195 meter *
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental
240 meter *
* Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn. Hier vallen in ieder geval alle geluidgevoelige objecten onder. Voor externe veiligheid geldt voor deze objecten de tiphoogte als te hanteren veiligheidsafstand. Echter op grond van geluidsnormering wordt voor de geluidgevoelige objecten een afstand van 400 meter afstand gehanteerd. De overige kwetsbare objecten zijn niet direct en afzonderlijk uit openbare data te herleiden. De beoordeling of een gebouw moet worden aangemerkt als kwetsbaar object moet per geval beoordeeld worden. Hierover kan desgewenst worden afgestemd met het BG (gemeenten). Vooralsnog beschouwen we alle gebouwen, niet zijnde geluidgevoelige objecten, als beperkt kwetsbaar (zie volgende rij in de tabel). Beperkt kwetsbare objecten
65 meter
80 meter
Halve rotordiameter
Panden
65 meter
80 meter
Halve rotordiameter
Buisleidingen
195 meter
240 meter
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental
Hoogspanning
195 meter
240 meter
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental
Hoofdwegen
75 meter
90 meter
Ashoogte + halve rotordiameter
Spoorwegen
73 meter
88 meter
Halve rotordiameter + 7,85 meter (afgerond naar 8 meter)
BRZO
400 meter **
400 meter **
Expert judgement
Risicovolle inrichtingen
195 meter ***
240 meter ***
Expert judgement
** & *** De afstanden voor risicobronnen (BRZO) en risicovolle inrichtingen zijn richtwaarden binnen de verkenning. Het inpassen van de daadwerkelijke turbines is maatwerk en vergt altijd een individuele berekening per locatie. 5 6
Versie januari 2020 Versie oktober 2019
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 8
Object
Toetsafstand Referentieturbine 1 Referentieturbine 2
Richtlijn HRW
Hierbij kunnen zich uiteindelijk afwijkingen van de gekozen afstanden voordoen (zowel kleinere of grotere minimale afstanden zijn mogelijk). Voor de verkenning zijn afstanden gekozen die een realistische eerste indruk geven zonder potentiële gebieden op voorhand uit te sluiten. Bestaande windturbines
520 meter
640 meter
Expert judgement
Voor kwetsbare objecten (woningen, verzorgingsinstellingen, grote kantoren, scholen etc.) geldt dat het aanhouden van de 400 meter contour voor hinder (zie vorige paragraaf) voldoende is om aan de eisen uit de HRW te voldoen. Beperkt kwetsbare objecten worden indirect ook meegenomen in de analyse door een contour van een halve rotordiameter om elk pand te trekken. Naast de afstanden tot infrastructuur en risicovolle objecten die geadviseerd worden door het HRW, zoals weergegeven in Tabel 2.1, zijn in de analyse ook afstanden tot bestaande windturbines beschouwd. Hiervoor is op basis van vuistregels een afstand van 4 x de rotordiameter (4D) aangehouden. Zowel vanuit veiligheid als vanuit de opbrengsten geredeneerd is een minimale onderlinge windturbineafstand van 4D als vuistregel een gebruikelijke afstand voor windturbines op land in Nederland. Het is bij nader onderzoek onder voorwaarden echter mogelijk hiervan beperkt af te wijken en de windturbines op iets kortere afstand van elkaar te plaatsen. In het geval van de twee beschouwde turbinecategorieën betekent 4 x de rotordiameter een afstand van 520 meter voor referentieturbine 1 (130 meter rotordiameter) en een afstand van 640 meter voor referentieturbine 2 (160 meter rotordiameter). Figuur 2.3 Externe veiligheid & Infrastructuur referentieturbine 1
Figuur 2.4 Externe veiligheid & Infrastructuur referentieturbine 2
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 9
Figuur 2.5 Aanwezige windparken in de omgeving
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 10
2.3.1 Aanwezige infrastructuur en externe veiligheid Figuur 2.3 en Figuur 2.4 verschillen enkel op de aan te houden afstandscontouren, de aanwezige infrastructuur netwerken zijn hetzelfde. Zoals te zien in deze figuren zijn er veel verschillende infrastructuur netwerken aanwezig in en rond de verschillende zoekgebieden. Voor de verschillende infrastructuurnetwerken zijn afstandscontouren opgesteld waar men in principe buiten wil blijven. Des te meer afstandscontouren in en rond een zoekgebied, des te minder ruimte over blijft voor het plaatsen van windturbines. De snelweg A76 loopt dwars door de zoekgebieden 1 en 2, de hoofdweg N281 staat haaks op de A76 en kent een doorwerking op de zoekgebieden 3, 4 5 en 6. Een spoorweg kruist de zoekgebieden van het zuidwesten richting het noordoosten, deze spoorweg kent een doorwerking op bijna alle zoekgebieden. Ook liggen er een aantal buisleidingen in en rondom de zoekgebieden, Zoals te zien in beide figuren bedekt de buisleidingencontour een groot deel van zoekgebied 2 en 6. Ten noorden van zoekgebied 2 en 5 loopt een hoogspanningslijn, deze verbinding heeft al met al weinig effect op de zoekgebieden. Ook liggen er verspreid door het gebied risicovolle inrichtingen, Deze bevinden zich met in en rondom zoekgebied 5. Ook is er een BRZO-inrichting gelegen binnen zoekgebied 5.
Al deze risicovolle objecten verminderen weer de geschikte ruimte voor het plaatsen van windturbines. Door de hoge graad van verstedelijking zijn er een groot aantal panden gelegen in en rondom de zoekgebieden, de afstandscontour voor deze panden kent een grote invloed op de mogelijk beschikbare ruimte voor windenergie.
2.3.2 Bestaande windparken Zoals te zien in Figuur 2.3 en Figuur 2.4 liggen er meerdere windparken in de omgeving van de zoekgebieden. Ten zuidoosten van de zoekgebieden liggen drie Duitse windparken op zeer korte afstand van de grens. Ook staat er op een bedrijventerrein in Heerlen al een windturbine, dit is een redelijk kleine windturbine (tiphoogte 100m). Om de ligging en afstandscontouren van deze windparken beter in beeld te krijgen is Figuur 2.5 toegevoegd. Zowel vanuit het oogpunt van veiligheid als het oogpunt van elektriciteitsopbrengst moeten (nieuwe) windturbines voldoende afstand bewaren van bestaande windparken. Wanneer een nieuw windpark wordt gebouwd op een korte afstand van een bestaand windpark dan bestaat de kans dat de windparken een negatief effect op elkaar uitoefenen. De mate van beïnvloeding wordt mede bepaald door de dominante windrichting (noordwest). Indien een windpark ten noordoosten van een bestaand windpark wordt geplaatst bestaat de kans dat het bestaande windpark leidt tot windafvang voor het nieuwe windpark, waardoor de elektriciteitsopbrengst lager uitvalt dan waar vooraf op werd gehoopt. In dit geval zijn de zoekgebieden ten westen gelegen van de bestaande Duitse windparken. Hierdoor is er eerder een negatief effect op de Duitse windparken te verwachten dan op het beoogde Nederlandse windpark.
Andersom zal dit effect er ook zijn (het waait immers ook uit andere richtingen), dit effect is echter geringer dan in de overheersende windrichting.
2.4 Ecologie Windturbines kunnen effect hebben op de ecologische waarden van natuurgebieden en op specifieke flora en fauna. De bescherming komt voort uit de Wet natuurbescherming, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming betreft de bescherming van ecologisch waardevolle gebieden zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat over de instandhouding van specifieke soorten. In deze analyse is bepaald in hoeverre er ecologische waardevolle gebieden in of nabij het studiegebied aanwezig zijn en in hoeverre
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 11
effecten op de waarden van deze gebieden te verwachten zijn. Veldonderzoek en ecologische beoordeling daarvan is nodig om meer zekerheid te verkrijgen over de mogelijke effecten.
2.4.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen Europa hebben een groot aantal landen natuurgebieden aangewezen die beschermd dienen te worden. Natura 2000-gebieden bevinden zich dus niet enkel binnen Nederland, deze zijn te vinden door heel Europa. Waar Natura 2000 aanvankelijk begon met het beschermen van wilde vogels aan de hand van de vogelrichtlijn, is daar later ook de habitatsrichtlijn aan toegevoegd 7. Binnen de habitatsrichtlijn worden zowel bedreigde plant- en diersoorten als bedreigde habitats beschermd. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat er verschillende soorten per gebied zijn aangewezen en dat hiervoor instandhoudingsdoelstellingen gelden. Effecten van windturbines mogen geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen soorten hebben. Zoals te zien in Figuur 2.6 ligt er geen Natura 2000-gebied in het studiegebied. Daarentegen liggen er wel een aantal Natura 2000gebieden in de nabijheid van het studiegebied. In een straal van 15 kilometer buiten het studiegebied bevinden zich 7 Nederlandse Natura 2000-gebieden. Dit zijn de gebieden: •
Bemelerberg & Schiepersberg
•
Brunssummerheide
•
Geleenbeekdal
•
Geuldal
•
Kunderberg
•
Noorbeemden & Hoogbos
•
Savelsbos
De Natura 2000-gebieden Geuldal en Kunderberg liggen beiden op slechts een paar honderd meter afstand van zoekgebied 2 en 5, dit is ook te zien op Figuur 2.6. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, wat betekent dat ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. In een vervolgfase van dit project zal evenwel nader onderzoek gedaan moeten worden naar de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden om de omvang van de effecten vast te stellen en te beoordelen.
Duitse Natura 2000-gebieden Voor de in Duitsland gelegen Natura 2000-gebieden die mogelijk worden beïnvloed door de bouw van het windpark geldt de Duitse wet- en regelgeving (zie ook paragraaf 2.2.4). Op circa 6 kilometer ten oosten van het studiegebied is een Duits Natura2000 gebied gelegen (zie Figuur 2.7). Zoals te zien in deze figuur is dit gebied aangeduid met een blauwe kleur, wat betekent dat dit een gebied betreft dat wordt beschermd omwille van de vogelrichtlijn. Daarnaast worden plant- en diersoorten binnen natura 2000gebieden beschermd, ook tegen een te hoge concentratie van stikstof. De stikstofregels zijn in Nederland
7 https://ec.europa.eu/environment/basics/natural-capital/natura2000/index_nl.htm
HaalbaarheidsonderzoekBijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad ZuidHaalbaarheidsonderzoek 721043 721043| Bijlage 6 Haalbaarheidsonderzoek Parkstad Zuid | Definitief | 30-7-2021 Pagina 12
vele malen strikter dan in Duitsland, hierdoor lijkt de stikstofuitstoot geen aandachtspunt voor het Duitse Natura 2000-gebied. Wanneer in een latere fase een ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd zal het in Duistland gelegen gebied ook moeten worden betrokken bij het onderzoek. Wij adviseren wij u om de onderzoeksinspanning vooraf af te stemmen de Duitse autoriteiten.
Natuurnetwerk Nederland In het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN significant worden aangetast, niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. Het is daarmee dus niet op voorhand geheel uitgesloten dat er in deze gebieden windturbines geplaatst kunnen worden. Het NNN kent daarbij geen externe werking waardoor de gebieden in de nabijheid van NNN minder belemmeringen voor wind kennen. Ook hier geldt dat voor de daadwerkelijke effecten van een windproject op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN een ecologische beoordeling zal moeten plaatsvinden. Eventuele effecten kunnen mogelijk met mitigerende maatregelen tot een acceptabel niveau worden gereduceerd. Zoals te zien in Figuur 2.6 liggen er meerdere NNN-gebieden binnen het studiegebied. Daarnaast zijn er een groot aantal NNN-gebieden in de omgeving van het studiegebied gelegen.