VII-18 Bijlage 4 Verordening openbare orde en veiligheid incl. bijlage.pdf
Tekst van het document
28
2. Degene die zich met een hond op de in het eerste lid bedoelde plaats bevindt, is verplicht het hulpmiddel te tonen op eerste vordering van de met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaren. Artikel 5.22 Gevaarlijke en hinderlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod en/of een muilkorfgebod opleggen als die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 5.19, lid 1, aanhef en onder d moet een hond als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 5.23 Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 5.22, lid 1, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 5.24 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben;
29
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, vergunning verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5.25 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is gescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat het vee die weg niet kan bereiken. Artikel 5.26 Duiven 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. 2. Het college kan vergunning verlenen om af te wijken van het gebod in het eerste lid. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.27 Bijen 1.
Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van: a. woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven en b. de weg. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van maximaal zes meter vanaf de korven of kasten een dichte afscheiding staat van twee meter hoog of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. De afscheiding staat in dat geval over een zodanige lengte dat het laag uit- en invliegen van de bijen wordt voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4. Het college kan vergunning verlenen om af te wijken van het verbod in het eerste lid.
30
5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.28 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op, boven of aan de weg dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Artikel 5.29 Voetbalterrein omgevingsverbod 1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van de plaats van de voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.14 vanaf 4 uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot 4 uur na afloop van voetbalwedstrijden van de organisator. Het verbod geldt voor een door de burgemeester aangewezen gebied en een bepaalde periode die niet langer is dan 2 jaar. 2. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorig lid bedoelde verbod, nadat vast is komen te staan, dat de persoon de openbare orde op het voetbalterrein of in de omgeving van het voetbalterrein heeft verstoord op een dag, dat een wedstrijd van de organisator wordt gespeeld. Tevens kan dit verbod worden opgelegd aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.
Afdeling 2. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 5.30 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld opneemt: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft gekregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.31 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
31
a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; b. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; 2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; 3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; 4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Afdeling 3. Vuurwerk Artikel 5.32 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf zonder vergunning van het college consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5.33 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling 1. Ter voorkoming van gevaar, schade of overlast is het verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken. Artikel 5.34 Carbid schieten Het is verboden zonder vergunning van het college acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
Afdeling 4. Drugsoverlast Artikel 5.35 Drugshandel op straat In aanvulling op het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op de weg dan wel andere openbare plaats:
32
a. te staan; b. zich daar heen en weer te bewegen; c. in, tegen en op een voertuig te bevinden, a. met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 5.36 Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar: a. te gebruiken; b. toe te dienen dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of c. ten behoeve van het gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel 5.37 Weggooien van spuiten en dergelijke Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.
Afdeling 5. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzeggingen Artikel 5.38 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.12, 2.13, 2.14, 2.15 5.10, 5.12, 5.13, 5.14, 5.15, 5.34, 5.35, 5.36, of 5.37 van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 5.39 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 5.40 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats, na raadpleging van de verantwoordelijke raadscommissie.
33
2. De duur van de toepassing is maximaal 2 jaar en tenminste 1 maand voor de afloop van deze termijn zal een evaluatie plaatsvinden op basis waarvan dit cameratoezicht wordt verlengd of opgeheven. 3. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van alle openbare parkeergelegenheden. Artikel 5.41 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van: a. de openbare orde b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de gezondheid of de zedelijkheid, a. aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.
Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling plaatsvindt binnen 12 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van het bevel.
Afdeling 6 Geluidhinder Artikel 5.42 Geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat omwonenden geluidhinder van dit dier ondervinden.
34
3. Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit Activiteitenbesluit milieubeheer. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 4. Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste en tweede lid bedoelde verbod. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5.43 Ultrasoon geluid door geluidapparatuur 1. In dit artikel wordt onder ultrasonische geluidapparatuur verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.42 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats ultrasonische geluidapparatuur aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 2. Voor de geluidapparatuur als bedoeld in het eerste lid geldt dat: a. de aanwezigheid daarvan ter plaatse duidelijk kenbaar wordt gemaakt; b. deze alleen in werking is op de tijdstippen dat overlast redelijkerwijs te verwachten is en c. deze voor een periode van maximaal drie maanden wordt aangebracht.
De burgemeester kan deze periode telkens met maximaal drie maanden verlengen.
Afdeling 7. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 5.44 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 5.45 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
35
Artikel 5.46 Afstand van de erfgrenslijn De geoorloofde afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is voor bomen langs openbare wegen en waterlossingen één meter en voor heesters alsmede heggen, nihil meter. Afdeling 8. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 5.47 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college aan te wijzen plaatsen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.1 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
HOOFDSTUK 6 PARKEREN Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 6.1 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het: a. geven van lessen; b. vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
36
3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, herstellen, slopen, verhuren of verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren. b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan vergunning verlenen voor het afwijken van de verboden. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 6.2 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen 2. Het college kan vergunning van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 6.3 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Direct na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.
Artikel 6.4 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. Artikel 6.5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, : a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd, of b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
37
Artikel 6.6 Parkeren grote voertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig op de weg te parkeren dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter. 2. Het college wijst plaatsen aan waarvoor het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt. Daarbij kan het college nadere regels stellen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse, waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 6.7 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig te rijden door of stil te staan in een park, plantsoen of door de gemeente aangelegde beplanting dan wel groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing op voertuigen: a. die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid; en b. waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het verbod. 4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2. Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningsbewijzen Artikel 6.8 Aanwijzing parkeerplaatsen vergunninghouders 1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. 2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan. Artikel 6.9 Vergunning 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. 2. Onder een belanghebbendenplaats wordt verstaan een parkeerplaats die:
38
a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E10 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd. 3. Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig als deze: a. woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, of b. een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren. 4. De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan beide in het tweede lid gestelde voorwaarden wordt, voor wat betreft de eerste aangevraagde vergunning, geacht te voldoen aan de onder a genoemde voorwaarde. 5. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan één of meer van de in het tweede lid genoemde voorwaarden. 6. In aanvulling op artikel 1.4 kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden met betrekking tot: a. de te gebruiken parkeerplaatsen; b. de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is, en c. bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Artikel 6.10 Inhoud vergunning 1. Een vergunning wordt voor bepaalde tijd verleend. 2.
De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt; b. het gebied waarvoor de vergunning geldt, en c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend. Artikel 6.11 Intrekkingsgronden In aanvulling op artikel 1.6 kan het college een vergunning intrekken of wijzigen: a. als de vergunninghouder het gebied waarvoor de vergunning is verleend, als woonplaats verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; b. als voor het desbetreffende gebied het vergunningenstelsel vervalt; c. om redenen van openbaar belang.
39
Artikel 6.12 Verbod voorwerpen te plaatsen Het is verboden om zonder vergunning van het college enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan op een belanghebbendenplaats. Artikel 6.13 Verbod onjuist gebruik belanghebbendenparkeerplaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het college gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats alleen aan vergunninghouders is toegestaan op die plaats een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder vergunning; b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning; c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.
Afdeling 3 Wegsleepregeling Artikel 6.14 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Wet: de Wegenverkeerswet 1994; b. Besluit: het Besluit wegslepen van voertuigen; c. motorrijtuig: wat hieronder wordt verstaan in artikel 1, lid 1, onder c van de wet. Artikel 6.15. Aanwijzing van wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld in het belang van het vrijhouden van wegen en weggedeelten Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de wet worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Artikel 6.16 Plaats bewaring voertuigen Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen de locatie die door het bergingsbedrijf wordt bepaald. Artikel 6.17 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen 1. Het college stelt in overleg met de berger de kosten vast. De kosten worden verdeeld in: voorrijkosten voorbereidingskosten wegsleepkosten
40
stallingskosten afleverkosten
2. Voor het op verzoek van de gemeente overbrengen en bewaren van (milieu) wrakken worden alleen wegsleepkosten en stallingskosten in rekening gebracht. De tarieven worden door het college in overleg met de berger vastgesteld. Artikel 6.18 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in het geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 130 , vierde lid,164, zevende lid en 174, eerste lid van de Wet, zijn artikel 6.15, 6.16 en 6.17 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 7 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Collecteren en venten Artikel 7.1 Inzameling van geld of goederen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring, of b. door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
41
Artikel 7.2 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 7.4; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 2.10 van de Verordening fysieke leefomgeving. Artikel 7.3 Ventverbod 1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten: a. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen; of b. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen dagen en uren. 2. Op de vergunning bedoeld in het lid1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 3.
Het verbod bedoeld in lid 1, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
Afdeling 2. Snuffelmarkten Artikel 7.4 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 3. Crossterreinen en natuurgebieden Artikel 7.5 Crossterreinen
42
1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets, met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod van lid 1 is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. van het voorkomen of beperken van overlast; b. van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. van de veiligheid van de deelnemers van de in lid 1 bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Artikel 7.6 Beperking verkeer in natuurgebieden en dergelijke 1. Het is verboden zonder vergunning van het college binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. 3. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c.
de veiligheid van het publiek. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die liggen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;
43
b. binnen de bij of krachtens de desbetreffende Provinciale verordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'; 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 4. Verbod stoken van vuur Artikel 7.7 Verbod verbranden afvalstoffen of op andere wijze stoken van vuur 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of op een andere wijze vuur aan te leggen, stoken of hebben. 2. Als geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. In aanvulling op et bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 4. Op de vergunning bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 5. Verstrooiing van as Artikel 7.8 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele as-verstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 7.9 Verboden plaatsen 1. Incidentele as-verstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen, met uitzondering van bestaande graven en de daarvoor bestemde as-verstrooiingsplaatsen. 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as-verstrooiing plaatsvindt.
44
3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 7.10 Hinder of overlast Incidentele as-verstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
HOOFDSTUK 8 INZAMELING (HUISHOUDELIJKE) AFVALSTOFFEN (Afvalstoffenverordening) Afdeling 1 Definities Artikel 8.1 Definities In deze hoofdstuk wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: - andere inzamelaars: de krachtens artikel 8.3, lid 2 aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; - inzamelen: de activiteiten gericht op of betreffend het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente Simpelveld ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan- inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden (bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden); - inzameldienst: de krachtens artikel 8.3, lid 1 aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; - inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden; - inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens inzamelvoorziening: (bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer (straatvoorziening of cluster) of brengdepot (Milieupark), ten behoeve van meerdere huishoudens); - straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte
omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel;
45
- zwerfafval: afvalstoffen, stof of voorwerpen die in de openbare ruimte zijn terecht gekomen, anders dan in een daartoe bestemde inzamelbak, inzamelmiddel of inzamelvoorziening ;
Afdeling 2 Inzameling huishoudelijke afvalstoffen Artikel 8.2 Doelstelling De toepassing van deze verordening is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 8.3 Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars 1. Het college wijst de inzameldienst aan, die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars aanwijzen die zijn belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen. 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4 kan het college aan het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen voorschriften verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. 4. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen, Lex silencio positivo) is niet van toepassing. Artikel 8.4 Afzonderlijke inzameling 1. Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: a. groente-, fruit- en tuinafval (bioafval) b. klein chemisch afval; c. glas (wit en bont); d. (oud) papier en karton; e. kunststof verpakkingen, blik en drankenkartons (PMD); f. textiel, kleding en schoeisel; g. (afgedankte) elektrische en elektronische apparatuur (voorheen wit- en bruingoed); h. bouw- en sloopafval (m.u.v.
bitumen, bitumineus afval); i. (verduurzaamd) hout; j. grof tuinafval; k. asbest en asbesthoudend afval; l. grof huishoudelijk afval; m. huishoudelijk restafval; n. kringloopgoederen; o. vlakglas; p. harde kunststoffen; q. matrassen; r. frituurvet;
46
s. ijzer en andere metalen; t. schoon en vervuild puin; u. grond; v. gasflessen; w. autobanden. 2. Naast de in het eerste lid genoemde categorieën huishoudelijke afvalstoffen kan het college andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die afzonderlijk worden ingezameld; 3. Het college kan een omschrijving vaststellen van de categorieën huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in lid 1. Artikel 8.5 Inzamelmiddelen en -voorzieningen 1. De inzameling kan plaatsvinden via een: a. inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; b. inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; c. inzamelvoorziening op wijkniveau; d. brengdepot op lokaal of regionaal niveau. 2. Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel 8.6 Frequentie en dagen en tijdstippen van inzamelen 1. De inzameldienst zamelt huishoudelijk restafval ten minste één maal per vier weken afzonderlijk bij elk perceel in. 2. In afwijking van het eerste lid wordt voor huishoudelijk restafval dat via een inzamelvoorziening voor gebruikers van een aantal percelen wordt ingezameld, geen vaste frequentie vastgesteld (ondergrondse verzamelcontainers). 3.
Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste één maal per twee weken afzonderlijk bij elk perceel ingezameld. 4. Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van de gemeente bij elk perceel worden ingezameld. 5. Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. Artikel 8.7 Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. 2. Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of andere inzamelaars.
47
3. Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 8.8 Verbod ter inzameling aanbieden huishoudelijke afvalstoffen aan anderen 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 8.9 Verbod ter inzameling aanbieden huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan gebruikers van percelen Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden. Artikel 8.10 Verbod afzonderlijk ter inzameling aanbieden 1.
Het is verboden om bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 8.4, lid 1 of de categorieën huishoudelijke afvalstoffen zoals bepaald in artikel 8.4, lid 2, anders dan afzonderlijk ter inzameling aan te bieden 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de bij nadere regels aan te wijzen categorieën van personen. Artikel 8.11 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen 1. Het is de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 8.5, lid 2, voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen of van gemeentewege is verstrekt, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via het daartoe aangewezen of verstrekte inzamelmiddel of betreffende inzamelvoorziening of brengvoorziening. 2. Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamelmiddel krachtens artikel 8.5, lid 2, is bestemd. 3. Het college kan: a. regels stellen omtrent de plaats(en) en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden;
48
b. regels stellen omtrent het gebruik van een door de gemeente verstrekt inzamelmiddel; c. kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel ter inzameling kunnen worden aangeboden 4. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald. Artikel 8.12 Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald, kan het college regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst of andere inzamelaars.
Afdeling 3. Inzameling bedrijfsafvalstoffen Artikel 8.13 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst worden ingezameld. Artikel 8.14 Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst 1. Het is verboden anders dan in overeenstemming met het gestelde bij of krachtens deze afdeling bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst. 2. Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de krachtens artikel 8.13 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden. 3. Het is verboden de krachtens artikel 8.13 aangewezen bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels. Artikel 8.15 Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst 1. Het college kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst. 2. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.
Afdeling 4. Zwerfafval Artikel 8.16 Dumpingsverbod
49
1. Het is verboden zonder vergunning van het college buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. het overeenkomstig dit hoofdstuk ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; b. het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval op het perceel waarop dit is ontstaan; c. voor zover de afvalstoffen tijdelijk op de weg terecht komen of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg; d. voor zover hogere wet- of regelgeving voorziet in de beoogde bescherming. Artikel 8.17 Achterlaten straatafval 1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten of te deponeren zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen. 2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe door de gemeente geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.
Artikel 8.18 Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen 1. Voor anderen dan de inzameldienst, andere inzamelaars dan wel toezichthouders is, het verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden. 2. Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter inzameling gereed staan, te stoten, schoppen of deze omver te werpen of anderszins te behandelen waardoor zwerfafval ontstaat. Artikel 8.19 Afvalbakken in inrichtingen voor verbruiken van eet- en drinkwaren De houder, beheerder of leidinggevende van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: a. zorg te dragen voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig. b. zorg te dragen dat geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft;
50
c. zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk één uur na sluiting van de inrichting, maar in ieder geval onmiddellijk op eerste aanzegging van een ambtenaar belast met het toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd. Artikel 8.20 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, als deze in de omgeving van de plaats van uitreiking, op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen. Artikel 8.21 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 1. Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, lossen of vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden dan wel wordt beïnvloed. 2. Als bij het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd dan wel het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: a.
direct na het ontstaan van de verontreiniging, als de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek veroorzaakt; b. direct na beëindiging van de werkzaamheden, als de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek veroorzaakt; c. als de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beeindiging van de werkzaamheden.
Afdeling 5. Overige onderwerpen over afvalstromen Artikel 8.22 Verbod opslag van afvalstoffen 1. Het is verboden afvalstoffen en/of inzamelmiddelen op een voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan, opgeslagen te hebben, te plaatsen of ter inzameling aan te bieden. 2. Het college kan vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op:
51
a. het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars dan wel de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen; b. het overdragen of ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen; c. op plaatsen die zijn aangewezen voor het houden van een vergunde markt of evenement, gedurende de tijden dat de markt of het evenement wordt gehouden en voor zover het gaat over afvalstoffen die afkomstig zijn van de markt of het evenement. Artikel 8.23 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken.
HOOFSTUK 9 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN Afdeling 1. Algemeen Artikel 9.1 Afbakening De artikelen 1.2 en 1.5 en 1.7 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 9.2 Definities In aanvulling dan wel in afwijking van het bepaalde in artikel 1.1 wordt verstaan onder: - beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; - bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; - escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;
52
- prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; - raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;] - seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; - seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub en een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;; Artikel 9.3 Nadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 9.4 en 9.5 kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
Afdeling 2. Seksbedrijven, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 9.4 Vergunningplicht seks- en escortbedrijven 1. Het is verboden een seks- of escortbedrijf te exploiteren of wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van het seks- of het escortbedrijf. 3. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op de aanvraag om vergunning als bedoeld in lid 1, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 4. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken uitstellen.
53
5. In aanvulling het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning bedoeld in lid 1, geweigerd: a. als de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 9.5 gestelde eisen; b. als er aanwijzingen zijn dat in het seks- of escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met hetgeen bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet is bepaald, of c. in het belang van: I. het voorkomen of beperken van overlast; II. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; III. de veiligheid van personen of goederen; IV. de verkeersvrijheid of -veiligheid; V. de gezondheid of zedelijkheid; of VI. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 9.5 Gedragseisen exploitant en beheerder (weigeringsgronden) 1. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. d.
zijn niet met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; e. zijn niet binnen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden; f. zijn niet binnen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 9 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie 6°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 7°.
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
54
2. Met een veroordeling als bedoeld in lid 1 wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt en b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 3. De periode van vijf jaar, genoemd in lid 1, wordt bij de: a. weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seks- of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 9.4, lid 1 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel 9.6 Sluitingstijden 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en 07.00 uur. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het lid 1 of 2 of artikel 9.7, lid 1, gesloten moet zijn. Artikel 9.7 (Tijdelijke) afwijking sluitingstijden en (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 9.4, lid 5 en 9.5 of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 9.6, lid 1 of 2, geldende sluitingstijden vaststellen; b. van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of gehele sluiting bevelen. 2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend in overeenstemming met artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 9.8 Intrekken vergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning intrekken:
55
a. met het oog op de in artikel 1.8 en 9.4, lid 5 en 9.5 van deze verordening genoemde belangen; b. in geval van strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk; c. vanwege strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of d. vanwege strijd met nadere regels als bedoeld in artikel 9.3. Artikel 9.9 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of de beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet alsmede in de Wet wapens en munitie en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 9.10 Straatprostitutie 1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee: a. op, aan of boven andere dan door het college aangewezen gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2.
Bij overtreding van het verbod bedoeld in lid 1, kan door een politieagent of buitengewone opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 3. Bij (dreigende) strijd met artikel 1.8 of artikel 9.4, lid 5 juncto artikel 9.5, lid 1 van deze verordening, kan door politieagenten en buitengewone opsporingsambtenaren aan personen die zich bevinden in gebieden en gedurende de tijden bedoeld in lid 1, het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 4. Bij (dreigende) strijd met artikel 1.8 of artikel 9.4, lid 5 juncto artikel 9.5, lid 1 van deze verordening, kan de burgemeester personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in lid 3, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden in gebieden en op de tijden bedoeld in lid 1, onder b. Artikel 9:11 Verbod raamprostitutie Het is aan personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zich op dat moment ter prostitutie aanbieden verboden, zich binnenshuis bevindende, door handelingen, houding, woord, gebaar, kledij of op enige andere wijze de aandacht te trekken van iemand die zich op een openbare plaats bevindt.