8. Bijlage 4a 210730 HSI-projectplan Parkstad-Zuid finaal.pdf
Tekst van het document
Omdat wij nog geen keuze hebben gemaakt in turbinetype is de analyse uitgevoerd voor een bandbreedte van turbines met een ashoogte die ligt tussen de 130 en 160 meter en een rotordiameter die ligt tussen de 130 en 160 meter. De onderkant van de bandbreedte noemen we turbinetype 130/130 en bovenkant van de bandbreedte turbinetype 160/160. In deze fase van onderzoek werken we met vuistregels van effectafstanden geluid en slagschaduw Zoals gezegd hebben we in deze fase van het project nog geen turbine geselecteerd. Ook hebben we nog geen exacte turbineposities bepaald. Dat betekent dat we voor het beschrijven van effecten op de omgeving, zoals geluid en slagschaduw nog geen specifieke berekeningen kunnen maken. Om die reden hebben we als uitgangspunt aangenomen dat vanaf een afstand van 400 meter van een windturbine, ongeachte de grootte van de turbine, al dan niet met mitigatie onaanvaardbare hinder kan worden voorkomen. Ruimte voor windenergie in de gebieden 1 en 44 Uit de analyse van Pondera blijkt dat vooral in de gebieden 1 en 4 ruimte is voor de ontwikkeling van windenenergie. In bijlage 6 is de volledige analyse opgenomen. Pondera concludeert dat in de overige gebieden niet of nauwelijks (soms slechts één turbine) ruimte is voor de plaatsing van turbines die passen binnen de door Statkraft gekozen bandbreedte.
Om die reden is het ontwikkelgebied beperkt tot de gebieden 1 en 4. In het conceptplan hebben we een ontwikkelgebied beschreven. De afgelopen periode is binnen dat ontwikkelgebied verder onderzocht welke kansrijke locaties voor de ontwikkeling van windenergie hierbinnen te onderscheiden zijn. Een tegenvaller is het feit dat de gemeente zeer recent enkele percelen, die in eerste instantie ook geschikt leken voor de ontwikkeling van windenergie, heeft verkocht aan lokale bedrijven. Daardoor zijn diverse kansrijke locaties voor windenergie inmiddels afgevallen. De resterende kansrijke locaties voor windenergie zijn in onderstaande figuur aangegeven.
4
Zoekgebieden die in uw marktuitvraag zijn genoemd en die door belanghebbenden in het gebied Parkstad-Zuid zijn aangewezen.
28
Externe veiligheid
Ecologie
Defensie en Luchtvaart
Cultuurhistorie/Rijksmonumenten
Archeologie
Straalpaden
zijn we bereid om in een latere fase te overwegen om vanwege het verschil in de normen eventueel specifieke maatregen te nemen om de hinder op de Duitse objecten te beperken tot het niveau dat in Duitsland geaccepteerd wordt. Binnen het geïdentificeerde ontwikkelgebied bestaat naar verwachting voldoende ruimte voor het ontwikkelen van een windpark. Hierbij gaan we er vooralsnog vanuit dat de nog te bepalen (projectspecifieke) normen voor externe veiligheid geen grotere veiligheidsafstanden voorschrijven dan de tot op heden gehanteerde vuistregels voor het bewaren van afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten en een windturbine. In het ontwikkelgebied liggen geen NNN- en Natura 2000-gebieden. Wel liggen deze in de omgeving van het ontwikkelgebied. In een latere fase van het project zal ecologisch onderzoek moeten aantonen of de aanleg en exploitatie van het windpark effecten heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden. Omdat windparken vrijwel altijd enige mate van aanvaringsslachtoffers onder vogels- en/of vleermuizen veroorzaken is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming vrijwel altijd benodigd. Mogelijk dat er in een ontheffing of vergunning maatregelen worden voorgeschreven. Het ontwikkelgebied ligt niet in een toetszone van een Nederlandse defensieradar. Daarmee vormt dit geen aandachtpunt.
Er liggen meerdere vliegvelden in de omgeving van het ontwikkelgebied. Ten aanzien van het Nederlandse vliegveld (Maastricht) zijn er in het ontwikkelgebied geen hoogtebeperkingen waar rekening mee gehouden moet worden. Ook is geen radartoetsing voor burgerluchtvaart vereist. Vliegveld Aken ligt op ongeveer 12 kilometer afstand van het ontwikkelgebied. De Duitse vliegvelden zijn wettelijk niet beschermd tegen effecten van windparken op Nederlandse bodem, echter vanuit internationale afspraken rond veilige luchtvaart (ICAO) vormen deze mogelijke effecten wel een aandachtspunt. De grensoverschrijdende effecten van het windpark op vliegveld Aken zal Statkraft in een latere fase beschrijven. Eveneens op ongeveer 12 kilometer afstand van het ontwikkelgebied ligt de Nato-basis Geilenkirchen. Deze in Duitsland gelegen Nato-basis is wettelijk niet beschermd tegen effecten van het Nederlandse windpark maar vormt wel een aandachtspunt. Het ontwikkelgebied ligt namelijk in een toetsvlak van het vliegveld. Hierbij wordt wel opgemerkt dat direct aan de Duitse zijde van de landsgrens tussen Hornbach en de landsgrens reeds vijf grote moderne windturbines (circa 200 meter tiphoogte) zijn gerealiseerd.
Het is daarom niet de verwachting dat nieuwe windturbines die op grotere afstand tot de vliegvelden liggen een grote belemmering zullen vormen voor het veilig functioneren van de luchthavens Binnen en in de directe omgeving van het ontwikkelgebied liggen geen beschermde dorps-en stadsgezichten. Ook liggen er binnen het gebied geen Rijksmonumenten. Wel liggen een aantal Rijksmonumenten op korte afstand. Hierdoor is cultuurhistorie een punt van aandacht bij de verdere ontwikkeling In het ontwikkelgebied liggen meerdere percelen die een hoge kans op een archeologische vondst kennen. Wellicht dat er in de vervolgfase wanneer een opstelling bekend is archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Binnen en in de directe omgeving van het ontwikkelgebied zijn meerdere zendmasten en straalpaden aanwezig. Indien plannen voor windturbines op een locatie nader uitgewerkt worden, dient uitgezocht te worden of er daadwerkelijk verstoring van het signaal optreedt.
30
Hierbij dient tevens onderzocht te worden of het betreffende straalpad planologisch beschermd is. Overigens blijkt uit ervaring bij eerdere windenergieprojecten dat er mogelijkheden zijn om eventuele verstoring van straalverbindingen door windturbines te voorkomen. Hierdoor zijn straalpaden een punt van aandacht bij de verdere ontwikkeling.
Specifieke aandachtpunten per locatie Wel zijn er diverse aandachtspunten die nader beschouwd moeten worden en moet uit nader onderzoek blijken onder welke condities deze locaties ontwikkeld kunnen worden. Onderstaand hebben wij de relevante bevinden en aandachtspunten van de aspecten die zijn beschouwd samengevat. Locatie 1 Locatie 1 bevindt zich ten zuidwesten de kruising van de twee hoofdwegen A76 en de N281, op de grens van de gemeenten Simpelveld en Heerlen. De locatie ligt in het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, op de grens met A76. In uw marktuitvraag hebt u aangegeven dat in overleg met de provincie Limburg wordt bezien of eventuele realisatie van windenergie in de twee potentiegebieden die gelegen zijn in het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg opportuun is en welke wijziging van bestaande beleidskaders dit vraagt. Ook in de bredere context van de Regionale Energie Strategie (RES) Zuid-Limburg wordt een verdiepend landschappelijk onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor windenergie in dit gebied. De uitkomsten zijn naar verwachting begin 2022 beschikbaar. Andere aandachtspunten zijn de contour van de hoofdwegen en een afstandscontour van een buisleiding verder richting het westen. Verder zijn er weinig (harde) belemmeringen aanwezig.
Wel liggen er verder richting het zuiden een aantal gevoelige objecten, daar wordt echter voldoende afstand van gehouden. Locatie 2 Locatie 2 bevindt zich ten oosten van de kruising van de twee hoofdwegen A76 en de N281. Dit gebied is vergelijkbaar met locatie 1, dit gebied kent ook de afstandscontour van beide hoofdwegen. Ook zijn er afstandscontouren van gevoelige objecten aanwezig (vanuit het zuiden) en contouren van panden (uit het zuiden en westen). Op een grotere afstand naar het westen ligt ook de contour voor de bestaande Duitse windparken, hier wordt echter ruim buiten gebleven. Locatie 2 valt binnen een ‘groencompensatie-strook’ van het bedrijventerrein Avantis. Deze locatie is specifiek gekozen voor het compenseren van groen/natuur in de regio. Aangezien het plaatsen van een windturbine ten koste gaat van het gecompenseerde groen zal met de gemeente moeten worden overlegd of en onder welke voorwaarden plaatsing van een windturbine in dit gebied mogelijk is. Locatie 3 Locatie 3 bevindt zich ten noorden de kruising van de twee hoofdwegen A76 en de N281. Deze locatie ligt binnen het bedrijventerrein Trilandis. Op de belemmeringenkaarten is te zien dat dit gebied grotendeels onder belemmeringen valt, met name onder de contour van verschillende bedrijfspanden. Ook kent deze locatie aan de zuidkant de contour van de N281 en ten noorden de contour van een buisleiding.
Hierdoor moet er rondom het pand van het bedrijf CEVA Logistics gezocht worden naar een geschikte locatie. Een optie is het plaatsen van een winturbine op een parkeerplaats aan de noordzijde van CEVA Logistics. Een andere mogelijkheid is een positie zuidkant van het pand, hierbij dient echter voldoende afstand te worden aangehouden tot de N281. Gezien de omvang van het pand van CEVA Logistics, en het grote aantal parkeerplaatsen, kan verwacht worden dat hier een groot aantal personen komen/werken. Hierdoor is het aannemelijk dat deze panden als “kwetsbaar object”
31
moeten worden beschouwd. In dat geval dient een minimale afstand van circa de tiphoogte van de windturbine tot aan het gebouw te worden aangehouden. Aanvullende veiligheidsonderzoek moet uitwijzen of een positie op het bedrijventerrein van CEVA Logistics aanvaardbaar is. Dit lijkt overigens alleen uitvoerbaar wanneer CEVA Logistics meedoet in de ontwikkeling van het windpark en de windturbine onderdeel wordt van de inrichting van CEVA Logistics. Dit omdat alleen dan kleinere veiligheidscontouren mogelijk te motiveren zijn. Locatie 4 Locatie 4 bevindt zich langs een rotonde ten noordoosten van het bedrijventerrein Trilandis. Dit gebied valt binnen de gemeente Heerlen en Kerkrade, en grenst aan de Duitse grens. Uit de belemmeringenkaarten blijkt dat hier zowel afstandscontouren aanwezig zijn van de N-weg en gevoelige objecten in de omgeving. Gezien de ligging langs de Duitse grens zou hier wiekoverdraai over Duitsland kunnen plaatsvinden. Wanneer wiekoverdraai over Duits grondgebied voorkomen kan worden, door bijvoorbeeld de turbine iets naar het westen of noorden te verplaatsen, is dit een gunstigere positie. Overdraai over een landsgrens leidt tot een complexe procedure en de noodzaak tot het sluiten van internationale contracten. Dit levert bestuurlijk en juridisch een complexere situatie op. De afstand tot de N-weg is ook een aandachtspunt.
Wellicht dat een turbinepositie op een kortere afstand van de Nweg mogelijk is. In dat geval treedt wiekoverdraai boven de weg op. Over de aanvaardbaarheid hiervan moet de initiatiefnemer afstemmen met de gemeentelijke en provinciale wegbeheerder(s). De afstand tot gevoelige objecten in de omgeving (ten noordoosten) is van groot belang. Onderzoek naar geluid en slagschaduw moet uitwijzen of turbineposities op minder dan 400 meter van gevoelige objecten kunnen voldoen aan de gestelde normen. Bescherming van en beperkingen door Duitse objecten en gebieden Parkstad-Zuid ligt aan de Duitse grens. Het bedrijventerrein Avantis is zelfs een Duits-Nederlands bedrijvenpark op de grens tussen Aken en Heerlen. In het onderzoek naar de mogelijkheden voor windenergie kijken we dan ook uiteraard naar de impact die een toekomstig windpark heeft op Duitsland. Voor het toepassen van wet- en regelgeving maakt de wetgever onderscheid tussen brongebonden- en gebiedsgebonden-effecten.
32
Brongebonden-effecten zijn effecten die worden bepaald door de turbine, zoals geluid en slagschaduw. Het type windturbine bepaalt de omvang van de effectafstand. Voor brongebonden-effecten geldt de Nederlands norm. Dus de Nederlandse geluid- en slagschaduwduurnormen gelden ook voor de Duitse gevoelige objecten. In Nederland zijn sinds het Nevele-arrest (zie bladzijde 27) voor windparken de landelijk wettelijk geldende geluid (slagschaduw en externe veiligheids) normen voor gevoelige objecten niet meer bruikbaar voor het toetsen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windturbines. Een landelijke toetsnorm is pas weer beschikbaar zodra de norm is “be-MERd”. De doorlooptijd van dit traject bedraagt 1,5 tot 2 jaar (zie voetnoot 3). Er is ook een mogelijkheid dat het bevoegd gezag projectspecifieke norm4n vaststelt. Deze projectspecifieke normen gelden vervolgens voor zowel de Nederlands als de Duitse gevoelige objecten. Tot op heden gelden voor alle gevoelige objecten eenzelfde hoogte van de geluidsnorm. In Duitsland zijn de wettelijke geluidsnormen afhankelijk van de bestemming/gebruik van de locatie. Statkraft zal in een volgende fase, wanneer geluidberekeningen worden uitgevoerd, onderzoeken of voor de Duitse objecten ook voldaan kan worden aan de Duitse normen.
Gebiedsgebonden-effecten zijn effecten die worden bepaald door de eigenschappen en het beschermingsdoel van een gebied binnen de invloedsfeer van beoogde windpark. Voorbeeld hiervan zijn beschermde natuurgebieden en luchtvaartveiligheid. Toets- en/of effectafstanden, onderzoeksinspanningen en eventuele belemmeringen zijn vastgelegd in wetgeving en regels behorende bij dat gebied. De grensoverschrijdende effecten van een windpark moeten in een (ruimtelijk) plan worden beschreven en dienen in de afweging te worden meegewogen. Waaraan grensoverschrijdende gebiedsgebonden-effecten moeten worden getoetst is niet eenduidig. Zo geldt voor de Duitse beschermde natuurgebieden de Duitse wetgeving maar zijn bijvoorbeeld Duitse vliegvelden wettelijk niet beschermd tegen windparken op Nederlandse bodem. Toch is het altijd belangrijk om te onderzoeken welk effect een ontwikkeling van windenergie op overige functies heeft. Daarom moeten initiatiefnemers ongeacht formele wet- en regelgeving stilstaan bij de mogelijke effecten die ze met het initiatief vooroorzaken. Dit staat los van de vraag wie (of welke land) bevoegd is. Statkraft zal in een later fase alle grensoverschrijdende effecten op beschermede Duitse gebieden beschrijven.
VERVOLG Het beoogde windpark betreft een park met een opgesteld vermogen van meer dan 5 MW. Voor een windpark met een opgesteld vermogen tussen de 5 en 100 MW is formeel de provincie bevoegd gezag voor de ruimtelijke besluiten en omgevingsvergunning. De provincie Limburg kan haar bevoegdheid delegeren aan één van de gemeenten. Hier moet formeel een besluit over worden genomen door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Voor een windpark bestaande uit meer dan 3 windturbines en een opgesteld vermogen <15 MW is op basis van het besluit-m.e.r. sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. In dat geval kan in principe met een m.e.r.-beoordeling worden volstaan om te onderzoeken of significante milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Mocht het bevoegde gezag vervolgens oordelen dat significante milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden of wanneer het opgesteld vermogen meer dan 15 MW bedraagt moet een volwaardig m.e.r. voor dit project worden doorlopen. In alle gevallen zal de omgeving actief betrokken worden bij de benodigde werkzaamheden en onderzoeken. Het verkrijgen van toestemming voor het bouwen exploiteren van een windpark kan plaatsvinden via een omgevingsvergunning met afwijking van het geldende bestemmingsplan of door het wijzigen van het bestemmingsplan.
Voor de aanvraag omgevingsvergunning is een zogenoemde ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ nodig die aantoont dat met het realiseren van het windpark sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zodra de nieuwe omgevingswet (vermoedelijk 1 juli 2022) van kracht is zullen de te volgen procedures enigszins afwijken. Statkraft zal samen met het bevoegd gezag onderzoeken welke procedure dan gevolgd moet worden.
33
Naast omgevingsvergunning voor de bouw van het windpark zijn (mogelijk) ook andere vergunningen en ontheffingen nodig. In de onderstaande tabel is vooral illustratief een overzicht van vergunningen en ontheffingen opgenomen die (vermoedelijk) noodzakelijk zijn alvorens het park gebouwd en geëxploiteerd mag worden.
Tabel 4.2 Overzicht mogelijke benodigde vergunningen en ontheffingen voor de bouw en exploitatie van een windpark
34
Landschap Bureau OVSL5 heeft een landschappelijke inpassingstudie (quickscan, zie bijlage 7), naar mogelijke opstellingen van moderne windturbines binnen het onderzoeksgebied uitgevoerd. Hiermee kan een zo goed mogelijke landschappelijke inpassing van de windturbines in het landschap worden bewerkstelligd.
4.1
Landschap niveau 1: Samenhangend regionaal concept
Uit de quickscan valt op te maken dat een nieuwe opstelling het beste past binnen het concept van een ‘zwerm van clusters’. Directe aansluiting van nieuwe op bestaande windturbines lijkt bijzonder lastig, ook al omdat de zoekgebieden niet direct aansluiten bij de bestaande (Duitse) turbines. Daarnaast is de turbine op de Beitel te klein om een goede samenhang mee aan te gaan. Wat wél kan is de bestaande turbines op Duits grondgebied te beschouwen als meerdere clusters van turbines (in feite twee dichtbijgelegen clusters met grote turbines en een iets verderop gelegen zwerm van middelgrote turbines). Aan die bestaande clusters kunnen nieuwe clusters worden toegevoegd. Het totaal van clusters (oude en nieuwe samen) markeert het verstedelijkte overgangsgebied van Nederland naar Duitsland, gelegen aan de rand van Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit gebied is in transitie. De combinatie van een groot internationaal bedrijventerrein, sterke infrastructurele lijnen en al bestaande windturbines en zonnevelden, geeft aanleiding tot een uitbreiding met nieuwe windturbines. Die windturbines symboliseren in feite dat de regio de omslag aan het maken is van fossiele brandstoffen (lees: steenkool, symbool uit het verleden) naar duurzame energieproductie (wind- en zonne-energie, symbolen van de toekomst).
Door de jongste ontwikkelingen zijn er minder grondposities beschikbaar, dan in de technische quickscan waren aangegeven. Er zijn nog vier kansrijke plekken in beeld, drie plekken rond het knooppunt A76 - N281, één plek nabij de rotonde in de N281 (zie de afbeelding hiernaast). Deze plekken vallen binnen de oorspronkelijke zoekgebieden 1 en 4. Het creëren van een ‘zuivere kromme’ zoals eerder werd gedacht lijkt inmiddels niet langer mogelijk. Er zijn echter nog wel andere opstellingen van 3 tot 4 turbines mogelijk. Deze nieuwe opstellingen zijn in de quickscan nader uitgewerkt, waarbij ook is onderzocht hoe de onderlinge samenhang binnen elke opstelling (en daarmee tussen de vier kansrijke plekken) kan worden versterkt. Dit is per landschap niveau verder uitgewerkt, waarbij de opmerkingen van het deskundigenpanel (d.d. 21 mei 2021) per niveau zijn verwerkt.
4.2
Landschap niveau 2: opstelling windturbines
De keuze om een opstelling los van de al bestaande opstellingen te creëren is een bewuste. De bestaande opstellingen kennen namelijk hun eigen vormentaal (Duitse turbines zijn bijvoorbeeld altijd van rode banden voorzien, Nederlandse niet), maar ook hun eigen exploitatietermijn. Die termijn is al deels verstreken, zeker die van de negen middelgrote turbines ten zuiden van Bocholtz. Het zou onverstandig zijn om nu een concept te ontwikkelen waarbij de Duitse turbines worden beschouwd als een statisch gegeven. Het concept ‘zwerm van clusters’ is zodanig dat het ook bij het saneren of opschalen van de bestaande turbines in Duitsland overeind blijft en zelfs ook voor die sanering of opschaling als ‘Leitmotiv’ kan worden gebruikt.
5
OVSL: Oog voor Schoonheid Landschapsarchitectuur
35
Het concept ‘zwerm van clusters’ is in die zin uitbreidbaar als er nieuwe (min of meer belemmeringsvrije) zoekgebieden voor windenergie worden toegevoegd aan de huidige. Aan de Nederlandse kant van de grens lijkt het erop dat die kans zeer gering is, maar wellicht dat er aan de Duitse zijde van de grens meer ontwikkelruimte is. Dit is op dit moment nog niet nader onderzocht. Nieuwe turbines binnen één of meerdere van de zoekgebieden zullen vanaf grote afstand zichtbaar zijn. Doordat zij echter in de nabijheid van al bestaande turbines worden ontwikkeld, is de impact op het landschap ter plekke beperkt (de eerste turbine springt het meest in het oog, de turbines die daarna volgen minder). Bovendien wordt door toevoeging van nieuwe turbines binnen de zoekgebieden 1 en 4 de grens tussen de twee werelden aan weerszijden van de A76 (zie de quickscan, pagina 10 en 11) versterkt en nadrukkelijker gemarkeerd. Gelet op de (hoofd-)wegenstructuur, vormt afslag 7 van de A76 (de plek waar de A76 en de N281 elkaar kruisen) zonder meer een belangrijke toegang tot Parkstad en tevens een belangrijke verbinding van Parkstad met de doorgaande snelwegen richting Duitsland én verder Nederland in. Het is voor het snelverkeer de eerste en laatste afslag bij de grens.
Drie van de kansrijke plekken liggen direct bij deze afslag, één plek ligt bij de verbindingsrotonde tussen de oostelijke en de westelijke Parkstadring. Deze ligging biedt kansen om beide knooppunten van wegen te versterken tot een entree naar Parkstad. Dat kan op meerdere manieren: door ze te accentueren met verticale elementen in een min of meer vrije opstelling (windturbines als ‘landmark’), door één of meer ‘poorten’ te creëren, waar de wegen A76 en N281 / Parkstadring doorheen lopen of door binnen de kansrijke plekken opnieuw op zoek te gaan naar ‘zuivere’ opstellingen (’driehoek’ of ’lijn’). Dit heeft geleid tot enkele nieuwe scenario’s in relatie tot de al bestaande turbines. De nieuwe scenario’s uit de quickscan laten zien dat er meerdere mogelijke opstellingen zijn binnen de vier kansrijke plekken. Het zorgen voor gelijkmatigheid binnen deze opstellingen (en daarmee een grotere herkenbaarheid) kan op meerdere manieren. Doordat de hoogteligging van de vier kansrijke plekken min of meer gelijk is (170 tot 180 meter + NAP) ontstaat er meer eenheid binnen elke opstelling (los van de aard van die opstelling). Min of meer vrije opstellingen kunnen langs de belangrijkste wegen worden gedrapeerd en daarmee de entree tot Parkstad markeren. Het streven naar verdere gelijkmatigheid binnen de opstellingen zal voor de waarnemer lang niet altijd herkenbaar zijn.
Naast het vrije concept zijn zoals gezegd nog drie andere concepten onderzocht: ‘poorten’, ‘driehoek’ en ‘lijn’. Het ‘vrije’ concept lijkt in de huidige context het meest passend.
4.3 Landschap niveau 3: windturbinespecificaties Door te kiezen voor gelijke turbines (met afwijkende dimensies ten opzichte van de bestaande) ontstaat meer eenheid binnen de opstelling, los van de aard van die opstelling. In de quickscan is uitgegaan van een bandbreedte van turbines met 130 meter ashoogte en 130 meter rotordiameter aan de onderkant en turbines met 160 meter ashoogte en 160 meter rotordiameter aan de bovenkant. Binnen de uitgewerkte scenario’s zijn steeds gelijke turbines voorgesteld. De verhouding leidt tot een 1/3 - 1/3 - 1/3 verhouding (deze verhouding betreft respectievelijk de tiplaagte, ashoogte en tiphoogte). Dit leidt tot een rustig en eenduidig totaalbeeld van zowel elke turbine afzonderlijk als de opstelling in zijn geheel. Bovendien is het zo dat grotere rotorbladen rustiger draaien dan kleinere (zij kennen een relatief grote visuele rust).
36
4.4 Landschap niveau 4: zorgvuldige inpassing van de windturbines in de omgeving met oog voor detail en ruimte Belangrijk is om bij de nadere uitwerking van de standplaatsen van de turbines eenduidigheid en soberheid na te streven, met name ook wat betreft de randvoorzieningen. Dit punt is afhankelijk van de exacte positionering van de uiteindelijke turbines en wordt in de definitieve planfase nader uitgewerkt. Afhankelijk van die exacte posities kan ook worden onderzocht in hoeverre landschappelijke maatregelen buiten de standplaatsen kunnen bijdragen aan een zorgvuldige inpassing. Te denken valt onder andere aan het versterken van landschapselementen in de omgeving en het versterken of (bege)leiden van zichtlijnen op de nieuwe turbines. Bij de nadere uitwerking in de definitieve planfase zal gebruik gemaakt worden van het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Daarin staan wat genoemd wordt de ‘meest leidende beginselen’. Een deel van die beginselen is goed toe te passen binnen de zoekgebieden voor windenergie in de regio Parkstad-Zuid, ook al vallen die zoekgebieden grotendeels buiten het Nationale Landschap. Meer specifiek zijn in de kansrijke plekken beginsel L4 (benadrukken hogere delen van plateaus) en L6 (herstel van landschapselementen) van toepassing.
Afhankelijk van de definitieve windturbineposities kunnen deze beginselen worden vertaald naar concrete inpassingsmaatregelen, zoals het vrij houden van uitzichten en het aanleggen van lanen, graften, heggen en boomgaarden, om zo de zichtbaarheid van de hogere delen te versterken, het historisch cultuurlandschap te versterken, ecologische verbindingen uit te breiden, erosie tegen te gaan en overstromingsrisico’s te beperken. Door dit soort elementen te herstellen wordt een meer divers cultuurlandschap gecreëerd met een uitgebreider scala aan landschappelijke belevingen.
37