CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling School Groeneboord.pdf

Commissie GGZ 24 juni 2021, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Herontwikkeling School Groeneboord12.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

5 5 7 7 7

Aanleiding planherziening Ligging en begrenzing plangebied Vigerende planologisch-juridische situatie Bij het plan horende stukken Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Plangebied

9

2.1 2.2

9 9

Ruimtelijke en functionele structuur Foto’s bestaande situatie

Hoofdstuk 3 Beleid

11

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 17 18

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden

21

4.1 4.2

Beoogde planontwikkeling Ruimtelijke effecten

21 22

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

23

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

23 23 24 26 27 28 30 31

Besluit Milieueffectrapportage Bodem Archeologie Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Natuurbescherming

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf

35

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

35 35 35 36 37

Nationaal waterplan Provinciaal beleid Watertoets Waterschap Limburg Afhandeling afval- en hemelwater Conclusie waterhuishouding

Hoofdstuk 7 Overige aspecten

39

7.1 7.2

39 39

Kabels en leidingen Verkeer en parkeren

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

3

7.3

Duurzaamheid

39

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

41

8.1 8.2

41 41

Grondexploitatie Planschade

Hoofdstuk 9 Juridische aspecten

43

9.1 9.2 9.3

43 45 45

Algemene plansystematiek en juridische opbouw Inspraak Formele procedure

Toelichting

4

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding planherziening

Het planvoornemen betreft het herontwikkelen van de locatie van de voormalige basisschool aan de Groeneboord in Bocholtz. Ter plekke wordt beoogd om het schoolgebouw te herontwikkelen tot twee vrijstaande en twee geschakelde bungalows. Het voormalige schoolgebouw ligt sinds 2005 leeg, waardoor inmiddels sprake is van zeer veel achterstallig onderhoud. Deze situatie doet afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteiten ter plekke, waardoor een duurzame herontwikkeling gewenst is. Vanwege de de geldende bestemming 'Maatschappelijk' is het de beoogde herontwikkeling niet vergunbaar. Teneinde de maatschappelijke bestemming te wijzigen in een passende bestemming voor de twee vrijstaand een twee geschakelde bungalows In hoofdstuk 4 wordt concreet ingegaan op het planvoornemen, in beschrijvende en beeldende zin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Onderhavig plangebied is gelegen aan de Groeneboord te Bocholtz.

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied De locatie omvat de adressen Groeneboord 19 en 25 te Bocholtz.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

5

Luchtfoto met aanduiding plangebied Het plangebied is gelegen aan de Groeneboord aan de rand van de kern Bocholtz. Het plangebied omvat de bebouwing van de voormalige basisschool de de daarbij behorende voorzieningen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Simpelveld - sectie G - nummers 2332, 2333, 2334, 2335 en 2336.

Kadastrale kaart met aanduiding plangebied

6

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

1.3

Vigerende planologisch-juridische situatie

1.3.1 Bestemmingsplan ‘Kernen gemeente Simpelveld’ Ter plekke van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Kernen gemeente Simpelveld’, vastgesteld door de raad van de gemeente Simpelveld op 26 maart 2015, van kracht. Op grond van het bestemmingsplan is onderhavig plangebied bestemd tot 'Maatschappelijk' met de aanvullende aanduiding 'kantoor'. Ook is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing. Binnen het bestemmingsvlak is één bouwvlak opgenomen waarbij voor een gedeelte (kadastraal perceel nummer 1976) een maximum bouw- en goothoogte van 4 meter en op het overige gedeelte (kadastraal perceel nummer 2328) een maximum bouwhoogte van 8 meter en goothoogte van 7,5 meter is vastgelegd.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Kernen gemeente Simpelveld' met aanduiding plangebied Door initiatiefnemer is een principeverzoek gericht aan de gemeente Simpelveld. De gemeente heeft kenbaar gemaakt om onder voorwaarden medewerking te verlenen. Daartoe dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de bestemmingsplanwijziging.

1.4

Bij het plan horende stukken

Het bestemmingsplan ‘Herontwikkeling School Groeneboord’ bestaat uit een toelichting (‘onderbouwing’), regels (‘voorschriften’) en een verbeelding (‘kaart’). Ter onderbouwing van de toelichting is een aantal onderzoeken uitgevoerd, waarvan de rapportages als bijlagen zijn toegevoegd.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 is de aanleiding en het doel van de planontwikkeling beschreven. Tevens is inzicht verstrekt in de exacte ligging en begrenzing van het plangebied en het ter plekke vigerende bestemmingsplan. Hoofdstuk 2 gaat kort in op de bestaande ruimtelijke en functionele structuur ter plekke van het plangebied.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

7

Ter plekke van onderhavig plangebied is sprake van divers beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Het voor voorliggende planontwikkeling relevante beleid wordt in hoofdstuk 3 uiteengezet, alsmede wordt beschreven hoe de ontwikkeling zich tot het betreffende beleid verhoudt. De randvoorwaarden en uitgangspunten van de planontwikkeling worden beschreven in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de planontwikkeling getoetst ten aanzien van diverse milieuaspecten, zoals bodem, archeologie, geluid e.d.. Één van de verplichtingen bij ruimtelijke plannen is het opstellen van een waterparagraaf. Daarin wordt de uitwerking van het plan op het watersysteem beschreven en wordt aangegeven welke eisen het watersysteem aan het plan oplegt. Dit komt aan de orde in hoofdstuk 6. Naast de milieuaspecten en de waterparagraaf zal in hoofdstuk 7 een aantal overige aspecten (kabels en leidingen, verkeer en parkeren en duurzaam bouwen) worden beschreven. Voor iedere planontwikkeling dient de economische uitvoerbaarheid inzichtelijk te worden gemaakt. Daarop wordt ingegaan in hoofdstuk 8. In hoofdstuk 9 zal worden ingegaan op de juridische aspecten van voorliggend bestemmingsplan.

8

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Hoofdstuk 2 2.1

Plangebied

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen aan de westelijke rand van de kern Bocholtz. Ter plekke is de voormalige basischool gelegen. Dit gebouw staat al geruime tijd leeg nadat alle groepen van de basischool in 2004 op de nieuwbouwlocatie aan de Wijngracht konden worden gehuisvest. Op de locatie is nog de verharding van het voormalige schoolplein aanwezig. Tevens is op de locatie verder nog bebouwing aanwezig dat in gebruik is als kantoor. Op de achterzijde van het perceel is opgaande beplanting aanwezig. Aan de zuidwestzijde van het plangebied en aan de overkant van de straat zijn woningen aanwezig. Het noordelijk en oostelijk gelegen braakliggend terrein is reeds in herontwikkeling middels het stedenbouwkundig inrichtingsplan ‘Groeneboord’. Dit plan voorziet in de realisatie van grondgebonden woningen, bestaande uit een combinatie van vrijstaande woningen, (geschakelde) twee-onder-eenkapwoningen, patiowoningen en rijwoningen. Direct ten noordwesten grenst het plangebied aan agrarische percelen.

2.2

Foto’s bestaande situatie

De bestaande situatie ter plekke van het plangebied wordt weergegeven aan de hand van navolgende foto’s.

Foto's bestaande situatie (bron: Google streetview)

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

9

10

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Hoofdstuk 3

Beleid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) en de Omgevingsverordening 2014 (OvL2014). Voor wat betreft het regionale beleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de Strategische Visie 2013-2023 en de gemeentelijke woonvisie.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld, waarin de toekomstvisie wordt gegeven van het kabinet met betrekking tot onder andere de ruimtelijke ordening. Deze structuurvisie vervangt (onder andere) de Nota Ruimte. Hiernavolgend wordt ingegaan op deze structuurvisie. De structuurvisie beschrijft de principes voor de ruimtelijke inrichting in Nederland. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de beoogde ambities tot en met 2040. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het beleid aangegeven, waarbij de nationale ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een grote rol speelt. In deze structuurvisie wordt benadrukt dat het van het grootste belang is dat de concurrentiepositie van Nederland verbetert. Hiertoe is het van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd, te weten: 1. 2. 3.

het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Om de regeldruk te verlagen heeft het kabinet besloten dat de ruimtelijke afwegingen zo dicht mogelijk bij de burger plaats moet vinden. Daarom zal er op basis van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar gestreefd worden om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden bij de gemeenten en provincies onder te brengen. Het Rijk zal zeer terughoudend, en met name achteraf, bij het toezicht betrokken zijn. Er zijn echter wel enkele ontwikkelingen waarbij het Rijk bij voorbaat al aangeeft dat er een rijksverantwoordelijkheid aan de orde kan zijn. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien een onderwerp nationale baten/lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Voorbeelden hiervan zijn ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport en greenports. Maar ook onderwerpen waarover internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed.

Daarnaast kunnen ook onderwerpen die provincie- of landgrensoverschrijdend of een hoog afwentelingsrisico kennen een rijksverantwoordelijkheid zijn. Ontwikkelingen die niet onder het bovenstaande vallen zullen in principe alleen achteraf gecontroleerd worden door het Rijk. Rijkswaterstaat en de ministeries van Defensie en EL&I zullen als direct belanghebbenden wel de plannen vooraf blijven beoordelen. Het Rijk streeft met het opstellen van de structuurvisie een goed werkende woningmarkt in Nederland na. Dit wil zeggen dat er qua omvang, kwaliteit en differentiatie een goede balans dient te zijn. Bovendien dient er ruimte te zijn voor het in stand houden van de bereikbaarheid van Nederland en dient er rekening gehouden te worden met het behoud van de natuur. Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

11

als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. De invulling van deze ladder wordt overgelaten aan de gemeenten en provincies. Zolang de ontwikkeling de rijksbeleidsdoeleinden niet frustreert, is er een grote mate van vrijheid voor de decentrale overheden. De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderhavige planontwikkeling voorziet in het toevoegen van vier woningen, waarbij de bestaande leegstaande bebouwing wordt gehandhaafd en een nieuwe invulling krijgt. Uit jurisprudentie (o.a. uitspraak Raad van State d.d.

16 september 2015, 201501297/1/R4) blijkt dat het realiseren van maximaal 11 woningen niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Voorliggende planontwikkeling wordt derhalve niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Hoewel de ladder formeel niet van toepassing is, wordt met voorliggend planvoornemen voorzien in een behoefte en conform de ladder wordt voorzien in een nieuwe duurzame invulling van leegstaand vastgoed. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr.

388): Project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; toekomstige rivierverruiming van de Maastakken; Waddenzee en waddengebied, en IJsselmeergebied; verstedelijking in het IJsselmeer; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur. 3.1.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

12

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

3.1.5 Conclusie Rijksbeleid De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de SVIR en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 ProvinciaalOmgevingsplan Limburg 2014 Op 6 mei 2014 hebben Gedeputeerde Staten het Ontwerp-Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), met bijbehorende Plan-MER, de ontwerp- Omgevingsverordening Limburg 2014, het ontwerp Provinciaal verkeer- en vervoersprogramma en het Plan-MER vastgesteld. Op 12 december 2014 is het POL2014 door Provinciale Staten vastgesteld. Op 16 januari 2015 is het in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de rijksoverheid die zich beperkt tot een dertiental nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: Kwaliteit staat centraal.

Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Hoewel de ladder voor duurzame verstedelijking formeel niet van toepassing is, wordt met voorliggend planvoornemen voorzien in een behoefte en conform de ladder wordt voorzien in een nieuwe duurzame invulling van leegstaand vastgoed. En uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop de provincie samen met haar partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. In het POL2014 is geconstateerd dat de Limburgse woningmarkt kwalitatief en kwantitatief de sprong moet maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling.

Door de demografische omslag en de mismatch tussen vraag en aanbod bestaat een gebrek aan doorstroming en een onbalans op de woningmarkt. Om te voldoen zal de balans op de woningmarkt moeten worden hersteld. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijze zijn uitgewerkt resulterend in concrete uitvoeringsafspraken in de volgende onderdelen: herstructurering en kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad; nieuwbouw (verdeeld naar relevante segmenten, huur/koop, doelgroepen, woonmilieus); sloop (incl. overige onttrekkingen);

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

13

afstemmen van de planvoorraad op de behoefte; geprogrammeerd hergebruik van bestaand vastgoed. Zoneringen In het POL2014 is de provincie opgedeeld in zoneringen. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering 'Overig bebouwd gebied'.

Uitsnede kaart 'zoneringen' POL2014 met ligging plangebied Overig bebouwd gebied Het 'overig bebouwd gebied' betreft gemengde woon-/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De provinciale beleidsaccenten binnen deze zone zijn gericht op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, een balans in voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 specifieke regelgeving geldt.

14

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Uitsnede kaart 'milieubeschermings-gebieden' Omgevingsverordening Limburg 2014 met ligging plangebied

Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg Onderhavig plangebied is blijkens de kaart ‘Milieubeschermingsgebieden’ gedeeltelijk gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. In Nederland zijn in totaal 20 zogenaamde nationale landschappen aangewezen. Dit zijn landschappen met elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen. De Nationale Landschappen kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. De kernkwaliteiten zijn voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg betreffen: ‘schaalcontrast van zeer open naar besloten’, ‘het groene karakter’, ‘reliëf en ondergrond’ en ‘rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed’. Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen een nationaal landschap dienen de geformuleerde kernkwaliteiten in acht te worden genomen. Op grond van de omgevingsverordening geldt primair een verbod op het verrichten van handelen in beekdalen, bronnen of bronzones, graften en holle wegen. Hiervan is ter plekke van onderhavig plangebied geen sprake.

Ladder voor duurzame verstedelijking In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) is door de provincie in artikel 2.2.2, lid 1 de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie in artikel 2.2.3 bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

15

Hoewel de ladder formeel niet van toepassing is, wordt met voorliggend planvoornemen voorzien in een behoefte en conform de ladder wordt voorzien in een nieuwe duurzame invulling van leegstaand vastgoed.

Provinciaalwoonbeleid In de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt in paragraaf 2.4.2 Wonen ingegaan op woningbouwplannen. Ten aanzien van nieuwe woningen is daarbij het navolgende opgenomen: 1.

2.

3.

4.

5.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid , kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid.

De gemeenteraad van Simpelveld heeft de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vastgesteld op 22 september 2016. Onderhavig plan voldoet aan het bepaalde in die structuurvisie en de in dat verband op 4 februari 2021 vastgestelde beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. In paragraaf 3.3 van voorliggende toelichting wordt daarop ingegaan. 3.2.3 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling. De ter plekke van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering 'Overig bebouwd gebied' impliceert geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Verder voldoet het plan aan het provinciale woonbeleid.

16

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Op 22 september 2016 heeft de gemeenteraad van Simpelveld ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 16 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Beekdaelen, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal. Het kader voor de SVWZL is het in samenwerking met de provincie en andere direct betrokken partijen tot stand gekomen en in december 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), die eveneens een visie bevat op Zuid-Limburg. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk: a. b. c.

het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave; het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL.

Op een uniforme wijze dient een afweging te worden gemaakt om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen. Nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik gemaakt worden van: I. Compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking; II. Elke nieuw toe te voegen woning wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitwerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een sub regionaal op te zetten sloopfonds vloeien; III. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarbinnen dit besluit is genomen; IV. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarkt-programmering. Hiervan mag ¼ deel gezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument of beeldbepalend pand kan volstaan worden met een één op één compensatie. Op grond van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) dienen aan de bestaande planvoorraad toe te voegen woningen te worden gecompenseerd, hetzij middels fysieke sloop hetzij middels doen van een financiële storting in het (regionale) sloopfonds.

3.3.2 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen2021' De gemeenteraad van Simpelveld heeft op 4 februari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'. Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

17

Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd.

Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd. Toets criteria Onderhavig plan voorziet in de herontwikkeling van een voormalige school in woningen. De stedenbouwkundige structuur van de bebouwing blijft daarbij deels gehandhaafd. Op deze wijze is sprake van herstructurering ter plekke van het plangebied, met als gevolg een verbetering van de uitstraling van de plek en het voorkomen van langdurige leegstand (en daarmee verloedering) van bestaand vastgoed. Voorzien wordt in twee levensloopbestendige vrijstaande en geschakelde bungalows, mede geschikt voor senioren. Dergelijke woningtypen zijn in overeenstemming met het actuele ruimtelijke en kwalitatieve afwegingskader voor woningbouwplannen. Voorliggende planontwikkeling op 1 april 2021 voorgelegd aan de bestuurscommissie Wonen & Herstructurering van Parkstad. Deze commissie heeft kenbaar gemaakt in te kunnen stemmen met het plan en de woningen toe te voegen op de woningmarktprogrammering. 3.3.3 Conclusie regionaal beleid Voorliggende planontwikkeling voldoet aan de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische visie 2013-2023 Met de Strategische visie 2013-2023 biedt de gemeente Simpelveld een algemeen kader waarin op hoofdlijnen staat beschreven op welke manier de gemeente zich wil profileren, op welke speerpunten de gemeente zich de komende jaren gaat richten, en welke uitstraling de gemeente wil hebben naar haar burgers. Eén van de speerpunten in de strategische visie is kwaliteit, leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving. In het kader van voorliggende planontwikkeling wordt beoogd om middels herbestemming kwalitatief goede woningen te realiseren, tegemoetkomend aan de vraag. Kwalitatief betere woningen leiden in z'n algemeenheid tot een meer leefbare, en vaak daarmee samenhangend een veiligere, omgeving.

18

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Vorenstaande bezien levert voorliggende planontwikkeling een bijdrage aan het speerpunt van de strategische visie om de kwaliteit, leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving te verbeteren. 3.4.2 Regionale Woonvisie Parkstad 2017-2021 (gemeentelijke woonvisie Simpelveld) In 2016 zijn de Parkstad gemeenten gestart met het opstellen van een nieuwe regionale Woonvisie. Elke gemeente -waaronder ook Simpelveld- heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. De gemeente Simpelveld werkt met andere Parkstadgemeenten samen om de woon- en leefomgeving in de regio Parkstad Limburg te verbeteren. Een belangrijke randvoorwaarde om de woon- en leefomgeving te verbeteren, is het in balans brengen van vraag en aanbod op de woningmarkt, zowel kwantitatief als kwalitatief. Voorliggende ontwikkeling voorziet in het realiseren van vier nieuwe woningen in de vorm van twee vrijstaande en twee geschakelde bungalows. Met deze woningen wordt een toevoeging beoogd aan een kwalitatief hoogwaardig woonklimaat. Gezien de vergrijzing zijn toevoegingen vooral gewenst in de vorm van levensloopgeschikte woningen. Op onderhavige locatie worden vier woningen beoogd waarbij alle voorzieningen op de begane grond worden gerealiseerd, waardoor de woningen als levensloopbestendige woningen kunnen worden gebruikt. Daarmee voldoet het planvoornemen aan de Regionale Woonvisie Parkstad 2017-2021.

3.4.3 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

19

20

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Hoofdstuk 4 4.1

Randvoorwaarden

Beoogde planontwikkeling

De initiatiefnemers zijn voornemens om het bestaande schoolgebouw aan de Groeneboord te Bocholtz te herontwikkelen tot twee vrijstaande bungalows en twee geschakelde bungalows. Het schoolgebouw staat momenteel al geruime tijd leeg, waardoor er inmiddels sprake is van zeer veel achterstallig onderhoud. Het schoolgebouw valt te lezen als een ensemble van vier kubussen van circa 8 bij 8 bij 8 meter (de klaslokalen) en de overige ruimten als een verbindende gebouwzone tussen de 4 blokken. Juist het ensemble van vier blokken alsmede het entreefragment wordt als waardevol beschouwd. De initiatiefnemer beoogt deze karakteristieken te handhaven bij de herontwikkeling van het schoolgebouw tot vrijstaande bungalows. De twee blokken aan de straatzijde blijven in twee bouwlagen behouden. Van de twee blokken aan de tuinzijde wordt de verdieping gesloopt en worden als eenlaags tuin paviljoen uitgewerkt. De latere schooluitbreiding aan de linkerzijde van het perceel wordt tevens herontwikkeld. Ter plekke worden twee geschakelde bungalows beoogd.

Tekening bestaande situatie

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

21

Tekening beoogde situatie

De bungalows worden gasloos en energieneutraal (nul op de meter) uitgevoerd. Hiertoe worden de gevels en daken (thermische schil) hoogwaardig geïsoleerd. Nieuwe puien e.d. worden met HR++ beglazing uitgevoerd. Een warmtepomp en PV panelen op het hoge dak verzorgen elektriciteit, warmte en warm tapwater. Het terrein wordt grotendeels groen uitgevoerd ten behoeve van maximale waterinfiltratie op eigen terrein, met open bestrating ten behoeve van oprit, toegang entree en bezoekers parkeren, en terrassen in de tuin. Het lage blok wordt voorzien van een groen sedum dak ten behoeve van meer water accumulerend vermogen.

4.2

Ruimtelijke effecten

Ieder bouwplan gaat gepaard met ruimtelijke effecten. Het bouwplan moet inpasbaar zijn op deze locatie zodat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het ontwerp is gebaseerd op hergebruik van de bestaande school. Het architectonisch concept benadrukt de bijzondere en unieke kwaliteit van de locatie. De opvallende architectonische waarden zullen gehandhaafd blijven in het nieuwe ontwerp. Daarnaast is het een passende ontwikkeling op onderhavige locatie. De straat Groeneboord is een normale woonstraat bestaande uit diverse woningbouw uit de jaren '70. De voormalige school is een afwijkend ruimtelijk element in de straat. Zeker door leegstand en het achterstallig onderhoud is sprake van een teloorgang van ruimtelijke kwaliteit ter plekke. Het herontwikkelen van de locatie door het realiseren van nieuwe woningen is passend op de locatie. Naast onderhavig plangebied worden tevens nieuwe eigentijdse semibungalows gebouwd, waardoor de straat in zijn geheel een kwalitatieve ruimtelijke verbetering krijgt. De beoogde functie 'Wonen' is passend binnen het straatbeeld. De ruimtelijke effecten van voorliggend planvoornemen zullen overwegend positief van aard zijn.

22

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Hoofdstuk 5

Milieuaspecten

Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten onderzocht.

5.1

Besluit Milieueffectrapportage

Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' De vraag is of voorliggende planontwikkeling voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip stedelijk ontwikkelingsproject ruimte laat voor interpretatie en dat dit afhangt van de concrete omstandigheden c.q. de aard en omvang van de wijziging. Zo zijn in uitspraken onder meer de volgende aspecten naar voren gekomen op grond waarvan is geoordeeld dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. de ontwikkeling leidt niet tot toename van bebouwd oppervlak; de functiewijziging is beperkt; de mogelijke gevolgen voor de omgeving/het milieu zijn beperkt; de omvang (het bebouwd en het gebruiksoppervlak) van de wijziging is beperkt. Gelet op het vorenstaande kan in relatie tot onderhavig planvoornemen worden geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (of een ander project als genoemd in onderdeel C of D van het Besluit mer). Derhalve is een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde.

5.2

Bodem

5.2.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggend planvoornemen vindt een planologische functiewijziging plaats van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. Tevens zullen ter plekke ten behoeve van de beoogde woningen nieuwe verblijfsruimtes worden gecreëerd. Voor voorliggend voornemen heeft dan ook een verkennend bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden. 5.2.2 Verricht bodemonderzoek De rapportage van het verrichte verkennende bodem- en asbestonderzoek ter plekke van de nieuw te realiseren woonpercelen is bijgevoegd als Bijlage 1. Op grond van het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen verricht: ten aanzien van de bovengrond is geconludeerd dat deze - op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit - voor wat betreft het gehele perceel als klasse AW2000 grond bestempeld kan worden; vanwege aangetroffen licht verhoogde concentrale minerale olie, welke niet belemmerend zijn voor het beoogde gebruik, is de ondergrond als klasse industrie grond bestempeld; in het grondwater zijn geen overschrijdingen aangetroffen van de onderzochte parameters; op basis van zintuinglijk en analytysch bodemonderzoek is sprake van een onverdachte locatie met betrekking tot asbest.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

23

Voor wat betreft het plangebied zijn er geen aanleidingen geweest om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen directe belemmeringen en/of beperkingen verbonden aan voorliggende planontwikkeling. Wel dient men - vanwege de diversiteit in bodemlagen - er rekening mee te houden, dat de bodemlagen niet onderling vermengd mogen worden en na ontgraving in dezelfde hoedanigheid dienen te worden herschikt. Verder dient men rekening te houden met diverse bodemkwaliteitscklassen, omdat de ondergrond van onderhavig perceel licht verontreinigd is . 5.2.3 Conclusie bodem Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.

5.3

Archeologie

5.3.1 Algemeen Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Monumentenwet 1988, hoofdstuk vijf 'Archeologische monumentenzorg'). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. 5.3.2 Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Erfgoedwet) Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen. In de wet wordt het culturele erfgoed, en dan met name het archeologische erfgoed, beschermd. Onder archeologisch erfgoed worden alle fysieke overblijfselen verstaan, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. De fysieke overblijfselen kunnen zich zowel in als boven de grond bevinden. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. Opgravingen vinden alleen plaatst indien behoud in situ (dus in de bodem) niet mogelijk is; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect 'archeologie'. In een vroegtijdig stadium moeten initiatiefnemers aangeven hoe met eventuele archeologische waarden wordt omgegaan in geval van bodemverstorende activiteiten. In beginsel dient er dus een verkennend vooronderzoek plaats te vinden bij dergelijke activiteiten. Er kan een uitzondering worden gemaakt, indien het plangebied kleiner is dan 2.500 m² en er binnen een straal van 50 meter geen

24

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

vondsten zijn gedaan in het verleden; de initiatiefnemer tot ruimtelijke plannen betaalt het archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Gemeenten dienen in beginsel te beschikken over een archeologische basiskaart. Daarnaast beschikt de provincie Limburg over de Cultuurhistorische Waarden Kaart, waarin binnen diverse kaartlagen bijvoorbeeld de archeologische verwachtingswaarde kan worden bekeken en de in het verleden gedane vondsten. Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij vrijstellingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie. Ten behoeve van het gemeentelijk archeologiebeleid is een archeologische verwachtingskaart opgesteld.

De verschillende archeologische verwachtingskaarten geven inzicht in de aanwezigheid en verwachte aanwezigheid van archeologische resten in de gemeente. 5.3.3 Archeologische verwachtingswaarden De gemeente Simpelveld beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Gelet op deze kaart is het volledige onderhavige plangebied gelegen in waardecategorie 3 'Overige monumenten en gebieden met een hoge verwachtingswaarde'.

Uitsnede Gemeentelijke beleidskaart met aanduiding plangebied

De gemeente Simpelveld heeft de archeologische verwachtingswaarden vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' in het bestemmingsplan 'Kernen gemeente Simpelveld'. Gelet op de regels van deze dubbelbestemming is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk, indien bodemverstorende activiteiten bij een diepte groter dan 40 cm plaatsvinden en als de oppervlakte meer bedraagt dan 250 m².

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

25

In voorliggend voornemen worden de te realiseren woningen beoogd ter plekke van de bestaande bebouwing. De beoogde woningen zullen op de bestaande funderingen worden geplaatst. Tevens blijven de bestaande kelders behouden. Hierdoor zijn ter plekke weinig bodemverstorende werkzaamheden noodzakelijk, waardoor mogelijke archeologische waarden niet worden geschaad. In het bestemmingsplan zal de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' worden opgenomen om ook een kader te bieden voor toekomstige bodemingrepen. 5.3.4 Conclusie archeologie Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Tevens dient de regioarcheoloog van Parkstad twee weken voor aanvang van de werkzaamheden hierover te worden geïnformeerd.

5.4

Geluid

5.4.1 Algemeen Met betrekking tot het aspect geluid (van externe komaf) kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Op basis van de Wet geluidhinder gelden (toetsings)zones langs wegen, industrieterrein en spoorwegen. De breedte van deze zones is afhankelijk van bijvoorbeeld het snelheidsregime over de weg, het aantal rijstroken, of de ligging in een stedelijk of buitenstedelijk gebied. Onderhavig plangebied is gelegen aan de Groeneboord. Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 30 km/u. Dergelijke wegen zijn op basis van de Wet geluidhinder niet gezoneerd. Het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting is derhalve niet aan de orde. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient alsnog rekening te worden gehouden met het geluid vanwege dergelijke 30 km/u wegen. In casu zal echter geen sprake zal zijn van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Groeneboord en gelet op combinatie van de maximale toegestane snelheid van 30 km/uur en: een zeer lage verkeersintensiteit (ruimschoots onder de 500 motorvoertuigen per etmaal); het verkeer dat voornamlijk uit personenauto's bestaat, waarbij het aandeel middel respectievelijk. zwaar vrachtverkeer nihil is; een referentiewegdek als oppervlakteverharding van de weg (geen sprake is van klinkerverharding).

Gelet op vorenstaande zal bij toepassing van de standaard vereiste karakteristieke geluidwering (22 dB) het maximale binneniveau (33 dB) zijn gegararandeerd. 5.4.2 Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.

26

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.

5.5.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van vier extra woningen. Dit aantal ligt ruimschoots lager dan de genoemde 1.500 woningen. Op basis hiervan mag worden geconcludeerd dat voorliggende planontwikkeling NIBM is. 5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof en stikstofdioxide (m.n.

kinderen, ouderen en zieken). Dit besluit is niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. 5.5.4 Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande uiteenzetting met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit leidt voorliggende planontwikkeling, binnen de daartoe gestelde wettelijke (onder)grenzen, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

27

5.6

Externe veiligheid

Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van één extra zogenaamd kwetsbaar objecten (de woning) in het kader van externe veiligheid. Zodoende wordt hierna het beleid omtrent externe veiligheid beschouwd en wordt een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. 5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden. 5.6.2 Risicovollebronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen.

28

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

Uitsnede Risicokaart met aanduiding plangebied Risicovolleinrichtingen (Bevi) Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht, op basis waarvan overheden verplicht zijn afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Op 330 meter aan de Tienbaan 1 is een inrichting gelegen met een bovengrondse propaantank met een inhoud van 3000 liter. De risicocontour van deze inrichting bedraagt 10 meter. Eveneens aan de Tienbaan, op huisnummer 3, op 670 meter van het plangebied, is een inrichting met een propaantank van 3000 liter gelegen. De risicocontour van deze inrichting bedraagt 20 meter. Aan de A76, op 980 meter van het plangebied, is het tankstation 'Tienbaan' gelegen. Binnen deze inrichting zijn verschillende vulpunten en tanks gelegen waarvan de risicocontouren variëren tussen de 15 en 45 meter. Zowel de plaatsgebonden risicocontour als het groepsrisico van deze inrichtingen vormen geen belemmeringen.

Transportroutes (Bevt) In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Overeenkomstig het Bevt hoeft geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op minder dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, dient een berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van de) hoogte van het groepsrisico. Binnen een straal van 1.000 meter rondom onderhavig plangebied is de provinciale weg N281 en de autosnelweg A76 gelegen. Over deze wegen is sprake van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Beide wegen zijn echter gelegen op meer dan 900 meter van het plangebied. Omdat geen sprake is van een ligging

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

29

binnen 200 meter van deze wegen, vormen deze transportroutes geen beperkingen voor onderhavig planvoornemen.

Transportleidingen gevaarlijke stoffen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een kwetsbaar object niet toegestaan; wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). De meest nabij gelegen buisleidingen zijn op circa 640 meter ten noordoosten gelegen van onderhavig plangebied. Het betreft hogedruk aardgasleidingen in beheer van de Gasunie. Onderhavig plangebied valt buiten de plaatsgebonden risicocontour en is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleidingen (430 meter). 5.6.3

Conclusie externe veiligheid

Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

5.7

Milieuzonering

5.7.1 Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Op het adres Schoolstraat 40 (Kasteel Bongerd), ten noordwesten van het plangebied is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het betreft een akkerbouwbedrijf. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen. Ten opzichte van een akkerbouwbedrijf is een minimaal te hanteren richtafstand van 30 meter met betrekking tot geluid opgenomen. De afstand tot het plangebied bedraagt ongeveer 36 meter en is daarmee op een dusdanig voldoende afstand gelegen dat dit bedrijf geen belemmering voor het plan

30

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

vormt. Tevens zijn rond het plangebied meerdere woningen gelegen of middels het bestemmingsplan ‘Groeneboord Zuid, Bocholtz' beoogd. Derhalve zijn de woningen die door voorliggend bestemmingsplan worden beoogd niet maatgevend voor de mogelijke bedrijfsontwikkeling van het akkerbouwbedrijf. Verder zijn in de omgeving van het plangebied geen bedrijven gelegen. 5.7.2 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.8

Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. 5.8.1 Natuurnetwerk Blijkens de kaart 'Natuur' van het POL2014 is onderhavig plangebied gelegen buiten de 'Goudgroene natuurzone', 'Zilvergroene natuurzone' en/of 'Bronsgroene landschapszone' en derhalve niet binnen het Natuurnetwerk gesitueerd.

Uitsnede kaart 'Natuur' POL2014 met aanduiding plangebied 5.8.2 Natura2000 De Wnb vormt in Nederland het wettelijke kader voor o.a. de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning (artikelen 2.7 en 5.6 Wet-Nb). Onderhavig plangebied is gelegen op ongeveer 3,3 kilometer ten oosten van het Natura 2000-gebied 'Geuldal'.

bestemmingsplanHerontwikkeling School Groeneboord

31

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Geuldal'

Vanwege de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het Programma Aanpak Stikstof niet meer worden gebruikt als basis om toestemming te verlenen voor de activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura2000 gebieden. Derhalve dient te worden gekeken naar mogelijke bouw- en sloopwerkzaamheden en veranderingen ten opzichte van het huidige gebruik. Ten behoeve van voorliggend voornemen is een stikstofberekening gemaakt middels de AERIUS Calculator. De berekening is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op een op voor stikstof gevoelige natuurgebieden. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van N2000 gebieden ten gevolge van stikstof kunnen met zekerheid worden uitgesloten. 5.8.3 Flora- en fauna De provincie Limburg beschikt over diverse in kaart gebrachte natuurgegevens per kilometerhok. Ter plekke van het onderhavige plangebied zelf is - blijkens de provinciale natuurgegevens - geen sprake van waargenomen (beschermde soorten) broedvogels, vegetatie en/of flora en fauna. Aanvullend onderzoek op o.a. waarneming.nl toont aan dat rond het plangebied geen (beschermde) flora en fauna is waargenomen. Voor bouwen, slopen, kappen of dempen is een quickscan Wet natuurbescherming aan te bevelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=c72ad504-1b59-48a2-898f-f77d6421ecec