CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

7. 24-13 Bijlage 2 Toelichting

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Molsberg 83-85 te Simpelveld13.208 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Molsberg 83 en 85, Simpelveld NL.IMRO.0965.BPmolsberg83en85-ON01

Ontwerp

Kadastrale gegevens

: : :

Simpelveld L 112

Opgesteld door

:

Arvalis B.V.

Referentie

:

2023/5506910

: :

2023 Klik of tik om tekst in te voeren.

Datum

Ontwerp: Vastgesteld:

Gemeente Sectie Nummer(s)

Inhoudsopgave 1.

2.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 4 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 4

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 5

1.3.

Leeswijzer ................................................................................................ 5

Planbeschrijving .............................................................................................. 7 2.1.

Huidige situatie ......................................................................................... 7

2.2.

Beoogde situatie ....................................................................................... 8

2.2.1. Planbeschrijving .................................................................................. 8 2.3. 3.

Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling .........................10

Beleidskader ..................................................................................................11 3.1.

Inleiding..................................................................................................11

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................11

3.2.1. Nationale omgevingsvisie .....................................................................11 3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ..........................................11 3.2.3. Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................12 3.3.

Provinciaal beleid .....................................................................................12

3.3.1. Provinciale Omgevingsvisie ..................................................................12 3.3.2. Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” .............................14 3.3.3. Omgevingsverordening Limburg ...........................................................16 3.4.

Regionaal beleid .......................................................................................17

3.4.1. Visie vrijetijdseconomie Zuid-Limburg ...................................................17 3.4.2. Ontwikkelprogramma vrijetijdseconomie Parkstad ..................................17 3.5.

Gemeentelijk beleid ..................................................................................18

3.5.1. Strategische visie 2013-2023 ...............................................................18 3.5.2. Marktanalyse verblijfsrecreatie .............................................................18 3.5.3. Bestemmingsplan toetsing ...................................................................19 4.

Omgevingsaspecten ........................................................................................20 4.1.

Bodem ....................................................................................................20

4.2.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................20

4.3.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................21

4.4.

Geluid .....................................................................................................22

4.5.

Externe veiligheid .....................................................................................23

4.6.

Cultuurhistorie en Archeologie ...................................................................24

4.6.1. Cultuurhistorie....................................................................................24 4.6.2. Archeologie ........................................................................................25 4.7.

Flora en Fauna .........................................................................................25

4.7.1. Gebiedsbescherming ...........................................................................25 4.7.2. Soortenbescherming ...........................................................................26

4.8.

Landschappelijke inpassing ........................................................................27

4.9.

Water .....................................................................................................27

4.9.1. Europees beleid ..................................................................................27 4.9.2. Provinciaal waterprogramma 2022 - 2027 ..............................................28 4.9.3. Afvalwater en hemelwater ...................................................................28 4.10. Klimaatadaptatie en na-ijlende effecten steenwoonwinning .......................... 310 4.11. Mobiliteit en parkeren ...............................................................................31 5.

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................36 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................36

5.1.1. Planschade.........................................................................................36 5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................36

5.2.1. Omgevingsdialoog ..............................................................................36

6.

5.3.

Procedure ................................................................................................37

5.4.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................37

Juridische planopzet .......................................................................................38 6.1.

Inleiding..................................................................................................38

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................38

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................38

7. Vooroverleg, inspraak en formele procedure .......................................................38 7.1.

Inleiding..................................................................................................39

7.2.

Vooroverleg ........................................................................................... 389

7.3

Inspraak .................................................................................................39

7.4

Formele procedure ................................................................................ 39 7.4.1. Algemeen. ..........................................................................................39 7.4.2. Zienswijzen. .......................................................................................40

Bijlage(n) 1. Landschapsplan 2a. Regionale uitwerking POL Zuid-Limburg themagroep vrijetijdseconomie (VTE) 2b. Advies VTE 3. Quickscan externe veiligheid 4. Externe veiligheid buisleidingen 5. Externe veiligheid weg 6. Advies brandweer 7. Verantwoording groepsrisico 8. Actualisatie marktanalyse verblijfsrecreatie Simpelveld 9. Principebesluit gem. Simpelveld d.d. 4-2-2020 10. Notitie N-berekening gebruiksfase en Aeriusberekening 11. Verslag en advies vooroverleg Waterschap Limburg 12. Verslag en vooroverleg bestemmingsplan Provincie Limburg 13. Bedrijfsconcept camping

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1. Aanleiding en doel Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld omdat de initiatiefnemer voornemens is de locatie Molsberg 83 en 85 te 6369 GM Simpelveld en een deel van de huisweide (hierna genoemd: het plangebied) te herbestemmen tot een agrarisch bedrijf met verblijfsrecreatie. Initiatiefnemer, maatschap Engelen – Brouwers, exploiteert aan de Molsberg 83-85 te Simpelveld een agrarisch bedrijf. Het agrarisch bedrijf bestaat uit twee bedrijfswoningen met stallen, ruwvoeropslagen, erf en een huisweide. Ter plaatse worden ca. 50 melkkoeien en ca. 40 stuks jongvee op gangbare wijze gehouden en ca. 37 ha landbouwgrond geëxploiteerd. Het bouwplan bestaat uit ca. 31,5 ha graslanden en ca. 5,5 ha snijmaïs. De bedrijfsopvolger wil gezien zijn opleiding en werkervaring in het toerisme alsmede de beperkingen in de bedrijfsontwikkeling van de melkveehouderij een volwaardige verblijfsrecreatieve bedrijfstak aan het agrarische bedrijf toevoegen. Het agrarische bedrijf zal in de toekomst worden gecontinueerd met behoud van de graslanden rondom de bedrijfslocatie. De ondernemers vinden het belangrijk om het rundvee hier te beweiden. In de praktijk is het rundvee het gehele weideseizoen buiten. De veehouderij zal ter plaatse worden voortgezet en mogelijk worden aangepast vanwege de stikstofplannen van de overheid.

Wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor onderhavig bedrijf is nog niet bekend, omdat de plannen door de overheid nog moeten worden uitgewerkt Voor realisatie van de nieuwe verblijfsrecreatieve tak wordt een deel van de huisweide en de bestaande ruwvoeropslag heringericht als kampeerterrein en op de plaats van de te slopen jongveestal wordt een sanitairgebouw gerealiseerd. Het kampeerterrein wordt via de bestaande laan ontsloten en aan de voorzijde van de bedrijfslocatie wordt een parkeerterrein aangelegd. Voorts worden er twee vakantiewoningen inpandig binnen de bestaande bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Ten zuiden van de bestaande melkveestal worden er binnen het bestaande agrarische bouwvlak een nieuwe voerplaat en een nieuwe stal/loods geprojecteerd. Per saldo zal het landbouwareaal door realisatie van de verblijfsrecreatieve tak met ca. 1,5 ha afnemen. Concreet worden de volgende voorzieningen beoogd: 1. Aanleg van een kampeerterrein voor 60 kampeerplaatsen aan de noord- en westzijden, totaal groot 12.685 m2; 2. Nieuwbouw ter plaatse van een sanitairgebouw (215 m2); 3. Inpandig binnen de bestaande bebouwing realisatie van twee vakantiewoningen, een receptie en een slecht weer accommodatie; 4. Aanleg van een ondergeschikte horeca/terras ten behoeve van de verblijfsrecreatie; 5. Aanleg van een parkeerterrein aan de oostzijde met een toerit naar de camping; 6.

Aanleg van een nieuwe voerplaat (778 m 2) en nieuwbouw van een stal/loods (540 m2) aan de zuidzijde; 7. Sloop van de bestaande ruwvoeropslag aan de westzijde en een jongveestal aan de noordzijde, totaal groot ca. 1.350 m2). 8. Handhaving van de twee bedrijfswoningen en de overige bestaande stallen voor de huisvesting van vee en de stalling van machines en werktuigen. Het is niet mogelijk om de gewenste omvang van de verblijfsrecreatieve voorzieningen toe te staan op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’. De agrarische bedrijfsbestemming wordt hiervoor ter plaatse uitgebreid ten behoeve van bovenstaande functies c.q. voorzieningen. Tevens zal het bouwvlak ten opzichte van de 4

vigerende situatie worden verkleind. De agrarische activiteiten worden verder gecontinueerd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld heeft op 4 februari 2020 een positief principestandpunt ingenomen over de boogde ontwikkeling. Dit principestandpunt is bijgevoegd in bijlage 9. In het bestemmingsplan ‘Molsberg 83 en 85 Simpelveld’ van de gemeente Simpelveld worden de gewenste ontwikkelingen planologisch mogelijk gemaakt. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de wijziging van onderhavig bestemmingsplan.

1.2. Ligging en begrenzing Het plangebied Molsberg 83-85 te Simpelveld ligt ten noordoosten van de kern Simpelveld en wordt ontsloten via de Molsberg, resp. de Wijnstraat (Huls) en de Imstenraderweg (De Beitel) op de N281 en de A76/E314. De locatie Molsberg 83-85 te Simpelveld is kadastraal bekend als gemeente Simpelveld sectie L nummers 111 en 112.

Afbeelding 1. Luchtfoto met de aanduiding van het plangebied (rood omcirkeld)

De omgeving van het plangebied is het buitengebied van de gelijknamige gemeente en de locatie ligt op een afstand van ruim 400 m. van de bebouwde kom Molsberg en op ca. 450 van de bebouwde kom Huls, beiden deel uitmakende van de gemeente Simpelveld. Aan de westzijde is een agrarisch bedrijf van derden gelegen.

1.3. Leeswijzer Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; • het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; • Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, 5

• • • •

6

ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6; Vooroverleg, inspraak en procedure, hoofdstuk 7; De bij het plan behorende bijlagen.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.

2.1 Huidige situatie Molsberg 83-85 betreft een agrarische bedrijfslocatie waar rundvee (melkvee) wordt gehouden met 2 bedrijfswoningen (huisnummers 83 en 85). De bestaande situatie wordt verduidelijkt aan de hand van de navolgende foto’s.

Afbeelding 2. Luchtfoto huidige situatie plangebied

Afbeelding 3. Vooraanzicht van de huidige locatie vanaf de straatzijde

7

2.2 Beoogde situatie 2.2.1 Planbeschrijving De initiatiefnemer wil de volgende agrarische en verblijfsrecreatieve activiteiten gaan exploiteren middels: 1. Aanleg van een kampeerterrein voor 60 kampeerplaatsen aan de noord- en westzijden, totaal groot 12.685 m2; 2. Nieuwbouw ter plaatse van een sanitairgebouw (215 m2); 3. Inpandig binnen de bestaande bebouwing realisatie van twee vakantiewoningen, een receptie en een slecht weer accommodatie; 4. Aanleg van een ondergeschikte horeca/terras ten behoeve van de verblijfsrecreatie; 5. Aanleg van een parkeerterrein aan de oostzijde met een toerit naar de camping; 6. Aanleg van een nieuwe voerplaat (778 m2) en nieuwbouw van een stal/loods (540 m2) aan de zuidzijde; 7. Sloop van de bestaande ruwvoeropslag aan de westzijde en een jongveestal aan de noordzijde, totaal groot ca. 1.350 m2). 8. Handhaving van de twee bedrijfswoningen en de overige bestaande stallen voor de huisvesting van vee en de stalling van machines en werktuigen. 9. Om de bereikbaarheid van de kampeerplekken te garanderen worden het hoofdpad op het kampeerterrein als de toerit verhard en de zijpaden als het parkeerterrein voorzien van grasbetontegels. Ook de camperplekken op het terrein, verspreid gelegen, worden voorzien van grasbetontegels.

Gezien het toekomstperspectief in de landbouw als ook de interesses en werkervaring van de beoogde bedrijfsopvolger wordt er een volwaardige verblijfsrecreatieve tak gerealiseerd bestaande uit de exploitatie van een kampeerterrein met 60 kampeerplaatsen en 2 vakantiewoningen. Het kampeerterrein wordt tijdens het kampeerseizoen van 15 maart tot 1 november opengesteld. De indeling van het terrein is zodanig van opzet dat vanwege de veiligheid er een scheiding is tussen het agrarische en het verblijfsrecreatieve deel o.a. tijdens het gebruik van machines. De stallen e.d. zijn voor het overige toegankelijk voor de vakantiegasten en zij worden middels activiteiten uitgenodigd om het leven op de boerderij te beleven en te ervaren. Bedrijfsconcept Camping De initiatiefnemers willen met name actieve volwassenen (o.a. wandelaars en fietsers) en gezinnen, in het bijzonder de jeugd, laten kennismaken met het leven op de boerderij en gezonde voeding en heeft een eigen concept ontwikkeld. Tevens kan men genieten van de unieke ligging en het uitzicht. Kwaliteit, gastvrijheid en duurzaamheid staan bij camping Peuschkensheide *) hoog in het vaandel.

Logeren in een groene omgeving, genieten van wat de omgeving voortbrengt en dicht bij het leven! *) Opgemerkt moet worden dat op basis van voortschrijdend inzicht thans wordt overwogen om de tenaamstelling van de nieuwe camping te vervangen in een meer eigentijdse naam. De visie en het concept van Camping Peuschkensheide *) zijn beschreven in het document Peuschkensheide – het landschap beleven (zie bijlage 13), welk in opdracht van initiatiefnemers met ondersteuning van de Provincie Limburg (afd. Toerisme) is opgesteld. Er is een sterke verwevenheid met het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf.

8

Doel is dat de gasten genieten van een ontspannende vakantie in Simpelveld en kennismaken met het dagelijkse leven op de boerderij. Speerpunten zijn: 1. Back to basic 2. Comfort tijdens het kamperen (kwalitatieve comfortplaatsen en sanitair ruimte met vloerverwarming) 3. Duurzaam (slimme meters/ glasvezel op termijn) 4. Persoonlijke aandacht voor de gasten 5. Transparant met een actieve promotie van camping Peuschkensheide (social media). Verder hebben de initiatiefnemers als doel om op deze wijze het familiebedrijf duurzaam voort te zetten. In het bedrijfsplan is qua kampeerplaatsen ook ruimte voor campers. Hierdoor wordt een brede doelgroep bereikt die in Simpelveld en omgeving ook gebruik zal maken van de beschikbare faciliteiten (dagrecreatie, maar ook voor een bezoek aan de plaatselijke horeca en middenstand). Het kampeerterrein wordt geheel landschappelijk ingepast middels de aanplant van hagen en bomen (zie het landschapsplan in bijlage 1) en alle kampeerplekken worden voorzien van water, electra, wifi en riolering. Ook is de camping toegankelijk voor campers en worden hiervoor voorzieningen aangebracht. Er is voldoende ruimte nabij iedere kampeerplek voor het parkeren van één auto.

De nieuw aan te leggen parkeerplaats aan de voorzijde zal vooral dienen voor het parkeren van de auto’s van de bezoekers van de vakantiewoningen, de bezoekers van de vakantiegasten op de camping én van het agrarische bedrijf. Inpandig wordt binnen de bestaande bebouwing een receptie en een slechtweer accommodatie ingericht. De ondergeschikte horeca betreft de exploitatie van een terras op o.a. de binnenplaats door het aanbieden van een kleine lunch, koffie en vlaai of een ijsje uitsluitend aan de gasten van de vakantiewoningen en de camping. De bedrijfswoningen op nr. 83 en 85 blijven gehandhaafd en bewoond worden door de ondernemers c.q. de ouder(s), gelijk aan de huidige situatie. De bestaande ruwvoeropslag wordt vanwege de projectie van het kampeerterrein geheel verwijderd en aan de zuidzijde van de bestaande stallen wordt binnen de vigerende agrarische bestemming én bouwvlak een nieuwe voerplaat gerealiseerd voor de opslag van het ruwvoer als ook een nieuwe stal/loods gebouwd voor de stalling van machines en werktuigen en huisvesting van rundvee (o.a. het jongvee). De huidige open jongveestal wordt immers gesloopt voor de bouw van een nieuw functioneel sanitairgebouw dat ten opzichte van het kampeerterrein centraal komt te liggen. De bestaande melkveestal wordt verder ongewijzigd gehandhaafd en behoudt haar functie.

De beoogde ontwikkeling wordt aan de hand van onderstaand figuur verduidelijkt.

9

Afbeelding 4. Figuur nieuwe situatie

2.3 Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling Elk plan gaat gepaard met ruimtelijke effecten. Van belang is dat de ruimtelijke effecten aanvaardbaar zijn. Op de locatie Molsberg 83-85 te Simpelveld worden verblijfsrecreatieve activiteiten mogelijk gemaakt binnen de bestemmingen ‘Agrarisch-Agrarisch Bedrijf’ én ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden’. Alle bebouwing wordt binnen het geldende bouwvlak gerealiseerd en per saldo zal het bouwvlak met 1.430 m2 worden verkleind. Het plan wordt gerealiseerd met respect voor de aanwezige karakteristieke bebouwing en de locatie incl. het kampeerterrein worden landschappelijk goed ingepast. Gezien de ligging van het terrein is aan het landschapsplan grote aandacht besteed en wordt dit dienovereenkomstig uitgevoerd. Zie bijlage 1. De parkeervoorziening aan de voorzijde is beperkt, daar ook parkeren bij de kampeerplekken plaats vindt. Om ruimte te creëren voor de verblijfsrecreatieve activiteiten wordt er een nieuwe voerplaat en een nieuwe stal/loods gerealiseerd. Hierdoor kunnen de machines en werktuigen binnen worden gestald en is er voldoende huisvestingsruimte voor het jongvee. De ruimtelijke effecten worden aanvaardbaar geacht.

10

3 Beleidskader 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor 11

een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening.

3.2.3 Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Simpelveld. Het planvoornemen is van recreatieve aard, er is in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van de uitvoerbaarheid dient moet onder andere aandacht worden besteed aan de behoefte van het plan.

Gelet op het feit dat er vraag is naar het planvoornemen kan geconcludeerd worden dat er behoefte is voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling is daarbij aanwezig.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het 12

document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. In landelijk gebied; 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; 3. Klimaatadaptieve en energietransitie. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Bronsgroene zone / groenblauwe mantel De zoneringen op grond van het POL2014 zijn in de POVI overgenomen op de kaart 'Limburgse principes'. In de POVI ligt onderhavig plangebied in de zoneringen 'groenblauwe mantel'. Vanuit beleidsmatig oogpunt in relatie tot voorliggende ontwikkeling is geen sprake van relevante wijzigingen. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering ‘Groenblauwe mantel’ (voorheen bronsgroene landschapszone).

Afbeelding 5 Uitsnede kaart ‘Limburgse principes’ POVI met aanduiding plangebied

Groenblauwe mantel Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van

13

(kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In de Groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en is de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder. De provincie biedt mogelijkheden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Het agrarische bedrijf wordt behouden en het kampeerterrein wordt landschappelijk goed ingepast (zie bijlage 1). Het landschapsplan is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Dit versterkt en respecteert de kernkwaliteiten en heeft een positief effect op de biodiversiteit. Specifiek beleid vrijetijdseconomie De vrijetijdseconomie vormt een belangrijke economische pijler in Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang.

Een stabiele balans is nodig: ▪ tussen beleving en bescherming van landschap en natuur ▪ tussen belangen van toeristen, recreanten en inwoners ▪ tussen uiteenlopende wensen van verschillende groepen recreanten ▪ tussen de verschillende groepen in het landelijk gebied die gebruik maken van dezelfde infrastructuur In de POVI staat beschreven dat bij verblijfsaccommodaties de markt verzadigd is. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Een kwaliteitsslag is continu nodig om het bestaande aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten. De recreatie en toerismedruk in Zuid-Limburg moet zo veel mogelijk worden gespreid. In het voorliggende plan is sprake van een camping met hoge kwaliteit. Het plan is voorgelegd aan de commissie VTE waaruit blijkt dat er vraag is naar kampeerplekken zoals in dit planvoornemen beoogd worden.

3.3.2 Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.

14

Afbeelding 6. Uitsnede kaart aandachtsgebieden Provinciale omgevingsverordening.

Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg Onderhavig plangebied is blijkens de kaart ‘Milieubeschermingsgebieden’ gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. In Nederland zijn in totaal 20 zogenaamde nationale landschappen aangewezen. Dit zijn landschappen met elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen. De Nationale Landschappen kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. De kernkwaliteiten zijn voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg betreffen: ‘schaalcontrast van zeer open naar besloten’, ‘het groene karakter’, ‘reliëf en ondergrond’ en ‘rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed’. Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen een nationaal landschap dienen de geformuleerde kernkwaliteiten in acht te worden genomen. Op grond van de omgevingsverordening geldt primair een verbod op het verrichten van handelen in beekdalen, bronnen of bronzones, graften en holle wegen. Hiervan is ter plekke van onderhavig plangebied geen sprake. Schaalcontrast van zeer open naar besloten De verblijfsrecreatie activiteiten op de locatie Molsberg 83-85 vinden deels plaats binnen de bestaande bebouwing. Buiten de bestaande bebouwing worden de kampeermiddelen gesitueerd.

Het schaalcontrast van zeer open naar besloten wordt hierdoor niet aangetast. De toe te voegen agrarische bebouwing vindt binnen het vigerende bouwvlak plaats. Het groene karakter Er vindt een beperkte extra verstening plaats, doch alleen binnen het vigerende bouwvlak. Het groene karakter van de kernrandzone wordt gerespecteerd en zelfs opgewaardeerd door de te realiseren landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt voor de (interne) infrastructuur gebruik gemaakt van grasbetontegels. Reliëf en ondergrond Het bestaande reliëf wordt in stand gehouden. Er vinden geen ophogingen of afgravingen plaats, behoudens lichte egalisatie van de kampeerplekken, zodat iedere kampeermiddel stabiel staat.

15

Rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed Er vinden geen activiteiten plaats welke afbreuk doen aan het cultuurhistorisch erfgoed. Toetsing aan artikel 2.4.6 Vrijetijdseconomie De Provinciale Ruimtelijke Verordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. Zie hier voor de toetsing aan artikel 2.4.6 Vrijetijdseconomie, met de toetsing in blauw. 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1. Niet van toepassing, het planvoornemen is niet gelegen in Noord-Limburg. 2.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de opgaven en algemene principes van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio MiddenLimburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2. Niet van toepassing, het planvoornemen is niet gelegen in Midden-Limburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 3. Het plan is getoetst aan het ontwikkelkader verblijfsrecreatie van de regio Zuid-Limburg, zie ook paragraaf 3.4.1. Het plan maakt de vestiging van een camping mogelijk. Het concept is conform de bestuursafspraken zowel regionaal als met de provincie afgestemd. 4.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid. Aanvullend op hetgeen vermeld onder punt 1 kan gesteld worden dat door middel van een landschappelijke inpassing invulling wordt gegeven aan het bepaalde in lid 1, zie ook paragraaf 4.8. Voor een nog completer beeld wordt verwezen naar bijlage 1. 5. De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Zie hiervoor de bijlagen 1, 2a en 2b en paragraaf 3.4.1.

3.3.3 Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de 16

Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening. Klimaatadaptatie In de omgevingsverordening Limburg 2014, paragraaf 2.19, is vastgelegd dat bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, beschreven dient te worden: - de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en - de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In paragraaf 4.10 zijn de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op de klimaatadaptatie getoetst. Na-ijlende effecten steenkoolwinning Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Simpelveld. In het kader van de na-ijlende effecten van de steenkoolwinning (artikel 2.16.1 Omgevingsverordening /art. 16.1 Omgevingsvisie) dient bij het bouwen van een nieuw bouwwerk beschreven te worden op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning. In paragraaf 4.10 zijn de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning getoetst.

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Visie vrijetijdseconomie Zuid-Limburg Het plan is getoetst aan de visie vrijetijdseconomie Zuid-Limburg. Deze visie roept ondernemers op om aan storytelling te doen, nieuwe doelgroepen aan te trekken en aanbod meer in balans te brengen. Er is ruimte voor kwantitatieve groei, gebieden die nu nog weinig toeristen trekken moeten meer meeprofiteren van de bestemming ZuidLimburg. Zie ook bijlage 8. Er is een onderbouwing opgesteld welke is gebruikt voor het overleg met de regio. Deze is als bijlage 2a aan deze toelichting gevoegd. Het initiatief is ‘Positief’ beoordeeld.

3.4.2 Ontwikkelprogramma vrijetijdseconomie Parkstad Er is door de stadsregio gekozen voor een ontwikkelagenda omdat provincie, regio en gemeenten komende jaren samen voor grote veranderingen staan. Denk aan decentralisaties. Deze veranderingen dwingen ons scherpe keuzes te maken. In de ontwikkelagenda moeten we daarom meer focus aanbrengen. Parkstad wil daarop voorsorteren en zoekt nadrukkelijk de samenwerking in Zuid-Limburg met de provincie, het onderwijs, bedrijfsleven en partners over de grens. Het document wordt gezien als een goed en compact stuk dat op hoofdlijnen laat zien op welke wijze Parkstad zich onderscheidt van andere regio’s. De hoofdlijnen van de ontwikkelagenda krijgt vorm langs drie lijnen, te weten vitaal, leefbaar en sociaal Parkstad. Parkstad is nog altijd onderontwikkeld als verblijfslocatie en dit kan worden verbeterd. Het voorliggende plan speelt hierop in.

17

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Strategische visie 2013-2023 De gemeente Simpelveld beschikt over de 'Strategische visie 2013-2023'. Deze visie is gebaseerd op een herijking van de in februari 2006 door de gemeenteraad van Simpelveld vastgestelde is de strategische visie 'Duurzaam leven in Simpelveld'. Eén van de speerpunten van de gemeente Simpelveld is 'toerisme en recreatie'. De speerpunten zijn in de strategische visie uitgewerkt aan de hand van een afwegingskader. Dit kader wordt gevormd door de drie trends te weten schaalvergroting, decentralisaties en bezuinigingen plús de kernwaarden die gekozen zijn. Het afwegingskader vormt tevens de meetlat waartegen alle nieuwe ontwikkelingen worden afgezet. De uitwerking van het speerpunt 'toerisme en recreatie' wordt in de volgende matrix overzichtelijk weergegeven.

Afbeelding 7. Speerpunten toerisme en recreatie

Onderhavig planvoornemen voldoet in belangrijke mate aan de speerpunten: toerisme en recreatie, blijven wonen alsmede kleinschalig en startend ondernemerschap. Het past daarmee dan ook binnen de strategische visie.

3.5.2 Marktanalyse verblijfsrecreatie Door Bureau Leisure Brains is een actualisatie marktanalyse verblijfsrecreatie Simpelveld opgesteld voor de gemeente met de vraag om de maktanalyse voor campings te actualiseren. Deze is inmiddels vastgesteld door het College van B&W van Simpelveld. Zie ook bijlage 8. Hieruit blijkt dat er marktruimte binnen de gemeente Simpelveld is voor nieuwe onderscheidende en vooral kwalitatieve sterke initiatieven, waarbij sprake is van een goede ligging, een kwalitatief goed en onderscheidend product afgestemd op de juiste doelgroep en gedreven ondernemerschap. Kansen zijn er o.a. voor de steeds grotere groep senioren, de toenemende vraag vanuit het buitenland alsmede het sterk stijgend aantal campervakanties. De marktuimte dient regionaal afgestemd te worden en dit is ook gebeurd, zie ook paragraaf 3.4. Binnen Simpelveld is er thans 1 bungalowbedrijf gelegen. Het aantal kampeerplaatsen op grotere kampeerbedrijven in de omgeving is in de afgelopen jaren sterk gedaald doordat 18

campings zijn omgezet in chalet- en bungalowparken en per saldo is het aantal kampeerplaatsen in Zuid-Limburg met ca. 30,6 % afgenomen. Uit het onderzoek van Leisurebrains (2022) uitgevoerd voor de gemeente Simpelveld blijkt ook dat er een stijgende vraag is naar kampeerplaatsen en er een dalend aanbod is. Dit biedt marktkansen voor kampeerbedrijven, mits er sprake is van een goed product, goede locatie (mooi uitzicht én goede bereikbaarheid), gedreven ondernemerschap en een goede focus op de juiste doelgroep tegen een redelijke prijs. Gesteld kan worden dat er (markt)ruimte is voor voorliggend initiatief en het bedrijfsplan van de ondernemers sluit hier goed bij aan.

3.5.3 Bestemmingsplan toetsing Het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2016”, waarin het perceel Molsberg 83-85 de bestemmingen’ Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ en een gedeelte ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ heeft, staat de beoogde ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig. Deze ligt nu voor.

19

4 Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-) effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.

4.1 Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is Ver. De nieuwe regels moeten ervoor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt aangegeven worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Het voorliggende initiatief betreft o.a. de realisatie van een camping (verblijfsrecreatie). Voor de functieaanduidingen “specifieke vorm van recreatie” dan wel voor bouwwerken waar meer dan 2 uur mensen ten behoeve van de verblijfsrecreatie verblijven dienen bij een aanvraag omgevingsvergunning dan wel vóór ingebruikname van het terrein een toereikend bodemonderzoek te worden overlegd waaruit blijkt dat de bodem hiervoor geschikt is en er geen bodemkundige bezwaren zijn.

Het betreft o.a. bij de aanleg van het kampeerterrein en het speelterrein als de bouw van het sanitairgebouw en de slechtweeraccommodatie. Deze voorwaarde is in de regels van onderhavig bestemmingsplan geborgd. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling binnen de deelgebieden van onderhavig bestemmingsplan. Voorts worden door de oprichting van de verblijfsrecreatie enkele opstallen voor het agrarische bedrijf (d.w.z. voerplaat en stal/loods) verplaatst naar de zuidzijde. Dit is reeds bestemd tot ‘Agrarisch – Agrarische Bedrijf’ met bouwvlak.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.

20

Milieucategorie

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Afbeelding 7. Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden.

In de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn voor campings geen specifieke richtafstanden opgenomen. Wel kunnen de beoogde activiteiten op de locatie Molsberg 83-85 te Simpelveld worden geschaard onder logiesverstrekking (Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) code 552, 553). De grootste afstand die in acht dient te worden genomen, bedraagt 50 meter ten aanzien van het aspect geluid. De dichtstbijzijnde buren (één agrarisch bedrijf met 2 bedrijfswoningen) liggen op een grotere afstand en binnen een straal van ruim 200 meter van de locatie zijn geen andere omwonenden. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor realisering van de beoogde plannen.

4.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechterd.

21

Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Hieronder is doorgerekend wat de bijdrage is van het initiatief.

Afbeelding 9. NIBM berekening

In de NIBM tool is een aantal van 81 verkeersbewegingen ingevoerd. Dit is overeenkomstig het worstcase scenario conform paragraaf 0 mobiliteit en parkeren. Er is geen sprake van nadelige effecten voor een goed woon- en leefklimaat. Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de grens voor “Niet In Betekende Mate”. Nader onderzoek op dit punt is dus niet noodzakelijk.

4.4 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). De geluidbelasting van aangevraagde activiteiten op woningen in de omgeving dient normaliter beoordeeld te worden met behulp van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Handreiking), uitgebracht door het voormalige ministerie van VROM. De Handreiking beveelt aan om bij vergunningaanvragen voor een bestaande inrichting de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Deze richtwaarden zijn opgenomen in tabel 4 van de Handreiking:

22

aard van de woonomgeving

landelijke omgeving rustige woonwijk, weinig verkeer woonwijk in de stad

aanbevolen richtwaarden in dB(A) dag (7-19 avond (19-23 uur) uur) 40 35 45 40

nacht (23-7 uur) 30 35

50

40

45

Afbeelding 10. Tabel richtwaarden voor woonomgevingen

De omgeving van de inrichting kan op basis van de Handreiking worden getypeerd als landelijke omgeving (rustig buitengebied met veel agrarisch grondgebruik, verspreid liggende bebouwing en bosgebied). Een kampeerterrein is geen geluidgevoelige bestemming als bedoeld in de bij het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer gestelde geluidvoorschriften. Wanneer een kampeerterrein slechts gedurende korte periode (< 6 weken) wordt bewoond is deze op zich niet als geluidgevoelig te beschermen object aan te merken. Echter van belang is hier dat vastgesteld moet worden of op het kampeerterrein als geheel gedurende langere tijd mensen verblijven, dus langer dan alleen zomerseizoen (6 weken). Ook al zou het verblijf per persoon of kampeermiddel kort zijn (<6 weken per jaar) dan dient wel nog te worden beoordeeld of op het kampeerterrein als geheel mensen gedurende langere tijd verblijven. Dus niet de kampeermiddelen afzonderlijk maar het kampeerterrein als geheel wordt dan bepalend voor de vraag of sprake is van geluidgevoeligheid. De afstand tot woningen van derden is dermate groot dat geen overlast te verwachten is door het voorliggende initiatief. Gezien de ligging van het planvoornemen is er geen aanleiding om vanuit de beginselen van goede ruimtelijke ordening te twijfelen aan de aanvaardbaarheid van geluidsniveaus ten aanzien van wegverkeerslawaai.

Er is geen noodzaak voor een akoestisch onderzoek.

4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Door Kragten is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 aan deze toelichting gevoegd. Uit de quickscan volgt dat een extra onderbouwing 23

betreffende veiligheid buisleidingen, veiligheid weg en een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk zijn. Er zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt. Buisleidingen Door Kragten is een notitie externe veiligheid buisleidingen opgesteld. Deze is als bijlage 4 aan deze toelichting gevoegd. Uit de berekeningen volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6-risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt wel binnen de 100% letaliteitsafstand van buisleidingen A-578-deel-1 en A-645-deel-1. Voor beide buisleidingen gelt een toename van het groepsrisico door de planvorming. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In het voorliggende geval is sprake van een uitgebreide verantwoordingsplicht. Transportroutes

Door Kragten is een notitie externe veiligheid weg opgesteld. Deze is als bijlage 5 aan deze toelichting gevoegd. Geconcludeerd is dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Er is wel sprake van ene toename van het groepsrisico. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Groepsrisico

Voor een verantwoording van het groepsrisico moet advies worden gevraagd bij de regionale brandweer danwel de veiliheidsrisico. In het voorliggende plan is advies gevraagd aan de brandweer, dit advies is als bijlage 6 aan deze toelichting gevoegd. De brandweer heeft een aantal maatregelen geadviseerd om de kans/of de effecten van de in de notitie genomende scenario’s te minimaliseren en/of de zelfredzaamheid van de aanwezigen te vergroten. De genoemde punten zijn in het voorliggende plan verwerkt. Door Kragten is een verantwoording groepsrisico opgesteld. Deze is als bijlage 7 aan deze toelichting gevoegd. De genoemde punten zijn in het voorliggende plan verwerkt. De initiatiefnemers dragen er zorg voor dat aan de veiligheidsvoorschriften wordt voldaan met o.a. een vluchtplan voor de campinggasten. Gezien de vrije ligging zijn er meer dan voldoende vluchtwegen voor de kampeerders aanwezig. Ook kan er dekking worden gezocht binnen de aanwezige bedrijfsgebouwen (stallen/loods) die in voldoende mate aanwezig zijn. Tevens wordt er vanaf de weg Molsberg (d.w.z. vanaf de aanwezige brandkraan) een droge blusleiding over het gehele kampeerterrein aangelegd. Ook wordt er zorg gedragen voor de aanwezigheid van voldoende blusapparaten verspreid over de gehele verblijfslocatie. Voorgaande maatregelen worden verwerkt en opgenomen in het veiligheids-/calamiteitenplan.

Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen verdere belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Cultuurhistorie en Archeologie 4.6.1 Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. 24

Het planvoornemen is niet van invloed op eventuele cultuurhistorische waarden.

4.6.2 Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •

De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.

•

Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=d96c4452-78d2-4c82-b743-c6dfde7b9508