CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

11. Bijlage 3 Toelichting Vfl.pdf

Commissie MID 29 juni 2021, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Samenvoegen van de gemeentelijke verordeningen tot een Verordening fysieke leefomgeving en een Verordening openbare orde en veiligheid, incl. presentatie Omgevingswet14.383 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina 18 van 30

Op grond van deze bepaling hoeft de welstandsnota niet opnieuw te worden vastgesteld als beleidsregel als de Omgevingswet in werking treedt.

Hoofdstuk 4 Gemeentelijke Adviescommissie (geldend vanaf inwerkingtreding Omgevingswet) Dit hoofdstuk vindt zijn juridische grondslag in artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet en afdeling 17.2 van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden een aantal stelsels gebundeld. Eén van de doelen van de Omgevingswet is het bereiken van een betere omgevingskwaliteit (artikel 1.3 Ow). Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Hiertoe kan, en gedeeltelijk moet, de gemeente een adviescommissie instellen. Het stelsel van de huidige welstandscommissie en de monumentencommissie komt met de inwerkingtreding van de omgevingswet te vervallen. Daarmee komt ook hoofdstuk 4 van de Verordening fysieke leefomgeving te vervallen. Wij stellen daarom met deze verordening tevens een vervangend hoofdstuk 4 vast, dat pas in werking treedt vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Artikel 4.1 Definities Commissie Dit is de gemeentelijke adviescommissie op grond van artikel 17.9 van de wet. Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet).

Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 2013-2014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit. Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. Dorpsbouwmeester De dorpsbouwmeester is een lid van de commissie met een eigen door de raad aangewezen takenpakket. Dit takenpakket wordt onder verwijzing naar de taken genoemd in artikel 4.2, tweede lid, aangewezen in het besluit van de raad waarin de stadsbouwmeester als lid van de commissie wordt benoemd. Artikel 4.2 Taak en werkzaamheden Lid 1 Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

Pagina 19 van 30

Lid 2 Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit. De commissie adviseert op verzoek van het college over een aanvraag voor: 1 ̊. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: “een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”. De commissie adviseert niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissie brengt advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Uitgangspunten daarbij zijn: - het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; - het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten; - het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en - het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) dat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit bevat. Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. De gemeenten behouden rol inzake de archeologie, zowel archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) in het kader van het opstellen van het omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke omgevingsplanactiviteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld. De gemeente is op grond van artikel 5.130 van het Bkl verplicht om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten.

Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissie kan hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten is de commissie wel het aangewezen adviesorgaan. 2 ̊. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument

Pagina 20 van 30

Alhoewel de gemeente Simpelveld geen gemeentelijk monumenten heeft aangewezen is deze bevoegdheid hier wel opgenomen. Mocht bij de toekomstige opstelling van het omgevingsplan hieraan invulling worden gegeven is deze bouwsteen daarvoor gereed. De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Voor de huidige praktijk mist dit artikel toepassing omdat wij geen gemeentelijke monumenten hebben aangewezen. 3 ̊. een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de Omgevingswet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. 4 ̊.

een andere activiteit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Het college kan – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij de commissie. De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissie Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid.

Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit. Onderdeel b De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van het college. De commissie is ook adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven). Pagina 21 van 30

Onderdeel c Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de Omgevingswet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit. Onderdeel d Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door het college op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak. Onderdeel e Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen.

Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang. Onderdeel f In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie artikel 22.7 in samenhang met artikel 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan). De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen.

Onderdeel g De meeste regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen komen niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om de regels over objecten in de openbare ruimte in de deze verordening, zoals de standplaatsvergunning, waar wordt verwezen naar de redelijke eisen van welstand. De gemeente kan deze regels tot het einde van de overgangsfase (2029) omzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Op grond van dit onderdeel kan het college ook op basis van deze Pagina 22 van 30

verordeningen advies vragen aan de commissie, ook al zijn de regels nog niet omgezet naar het omgevingsplan. Lid 3 Dit lid ziet toe op de werkzaamheden van de dorpsbouwmeester (zie de toelichting onder artikel 1). Artikel 4.3 Verplichte adviezen Dit artikel sluit aan op de verplichte adviezen op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet Artikel 4.4 Samenstelling Lid 1 Dit lid geeft invulling aan artikel 17.7, eerste lid, van de wet, waarin is bepaald dat de raad het aantal leden vaststelt. Er kunnen ook plaatsvervangers worden benoemd, zodat de commissie ook kan functioneren wanneer één of meer vaste leden zijn verhinderd. Lid 2 Dit lid geeft aan dat de leden als deskundigen en dus op persoonlijke titel en op grond van hun persoonlijke kwalificaties worden benoemd. Hun lidmaatschap is niet afhankelijk van het bekleden van een bepaalde functie of het hebben van een bepaalde hoedanigheid. De leden vertegenwoordigen geen bijzondere belangen. Dat betekent bijvoorbeeld dat belangenorganisaties op het gebied van de omgevingskwaliteit geen vertegenwoordigers in de commissie hebben. De leden zullen hun functie onafhankelijk dienen uit te oefenen. Daartegenover staat dat benoeming niet achterwege zal blijven enkel vanwege het lidmaatschap van een bepaalde groepering of het bekleden van een bepaalde bestuurlijke of maatschappelijke functie.

Daarnaast beschikken de leden over inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Lid 3 en 4 Deze leden zien toe op de deskundigheidsgebieden die in de commissie vertegenwoordigd moeten zijn. De wet schrijft voor dat binnen de commissie enkele leden deskundig dienen te zijn op het gebied van de monumentenzorg, en dat die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Volgens de Memorie van toelichting dient de commissie ten minste over deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw te beschikken (Kamerstukken II 2014-2015, 33962 nr. 3, p. 581). Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. Lid 5 Dit lid zorgt (enerzijds) voor een aanscherping van de wettelijke eis van onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 17.8 van de wet stelt slechts als eis, dat de leden van het gemeentebestuur geen lid zijn van een gemeentelijk adviesorgaan. Tevens zorgt dit voor benadrukking van artikel 4, lid 4 en artikel 15 van het ‘Reglement van Orde van de dorpsbouwmeester’, die bepalen dat belangenverstrengeling moet worden voorkomen.

Artikel 4.5 Benoeming Lid 1 t/m 3 Deze leden hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de wet. Het eerste lid regelt de benoeming voor de eerste termijn. Het tweede lid ziet Pagina 23 van 30

toe op de herbenoeming. De regels voor de herbenoeming zijn logischerwijs alleen van toepassing op de leden, niet op hun plaatsvervangers. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden 3 jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. Op grond van artikel 17.7 van de Omgevingswet stelt de gemeenteraad het aantal leden en de benoemingstermijn vast van een op grond van een ingesteld gemeentelijk adviesorgaan. Artikel 17.7, lid 2 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad de leden van een gemeentelijk adviesorgaan benoemt en ontslaat de leden. De vraag kan worden gesteld of het benoemen van leden en instellen van de commissie een bevoegdheid is die gemandateerd kan worden aan het college. Mandaatverlening is niet geoorloofd indien de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In dit geval is het de vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:3, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder de Woningwet is overwogen dat de raad een centrale rol moest spelen in het welstandstoezicht, mandatering was daarom niet mogelijk. Uit de toelichting bij artikel 17.7 van de wet volgt dat “in navolging van de bestaande regeling voor de welstandscommissie (..) die bevoegdheid is neergelegd bij de gemeenteraad.” (Kamerstukken II, 2013-2014, 33962, nr. 3, p. 580).

Op grond daarvan mag worden aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering aan het college verzet. De gemeenteraad mag voor meerder aspecten een adviesorgaan in het leven roepen, maar artikel 17.9 van de Omgevingswet verplicht in elk geval de gemeenteraad een commissie instelt die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, met betrekking tot een monument. Binnen deze commissie moeten zijn enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg, die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een rijksmonumentenactiviteit. Conform huidige praktijk is er voor gekozen de commissie samen te stellen met twee leden, waarbij ten minste één lid specialistische kennis heeft op het gebied van monumentenzorg. Lid 4 Dit lid regelt schorsing en ontslag. De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de wet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 4.6 Ondersteuning van de commissie De commissie wordt in ieder geval bijgestaan door een ambtelijk secretaris die voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig is aan de commissie.

De secretaris wordt dus niet door bestuurlijke belangen geleid. Datzelfde geldt voor de medewerkers die eventueel aan de secretaris worden toegevoegd en die door de secretaris worden aangestuurd. Artikel 4.7 Adviestermijn In de wet is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Daarom kan het college op grond van het eerste lid aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Awb niet zodanig kort zijn, dat de commissie zijn taak niet meer kan vervullen. In het tweede lid is bepaald dat het college ook kan afzien van het stellen van een termijn. In dat geval geldt een termijn van vier weken. Die is gelijk aan de termijn die in de modelverordening van VNG is opgenomen. Indien geen advies wordt uitgebracht binnen de genoemde adviestermijn, staat dit de besluitvorming door het college niet in de weg (artikel 3:6, tweede lid, van de Awb).

Pagina 24 van 30

Artikel 4.8 Beraadslaging en standpuntbepaling Lid 1 Dit lid is een nadere regeling van uitwerking van de wettelijke eis van openbaarheid als bedoeld in artikel 17.9, vijfde lid, van de wet. Lid 2 Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Daarnaast hebben andere belanghebbenden spreekrecht. De kring van spreekgerechtigden is beperkt tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de commissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen recht van spreken hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. Het spreekrecht is van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de commissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. De regeling van dit spreekrecht wordt opgenomen in het reglement van orde (zie artikel 4.11). De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het advies op de aanvraag voor een omgevingsvergunning of op een voorgenomen beschikking formeel wordt vastgesteld.

Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg of bij de beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering. De potentiële initiatiefnemer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte planprocedure vooroverleg stimulering verdient. Lid 3 Dit lid ziet erop toe dat in de vergadering voldoende leden aanwezig zijn, zodat een deskundig oordeel kan worden gevormd. Het borgt ook de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). Lid 4 Met deze bepaling wordt verstrengeling van belangen tegengegaan. Zie ook onder artikel 4, lid 5. Lid 5 Dit lid verwijst naar de Awb die uitvoerders van wetten een geheimhoudingsplicht oplegt ten aanzien van gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Op grond van artikel 2:5, tweede lid, van de Awb is de plicht tot geheimhouding ook van toepassing op instellingen die een wettelijke taak uitvoeren. Daaronder vallen ook adviesorganen. Dit lid plaatst buiten twijfel dat de geheimhoudingsplicht ook op de commissie en de daarvoor werkzame personen van toepassing is.

Artikel 4.9 Adviseurs Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een andere deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de

Pagina 25 van 30

commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissies afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen). Artikel 4.10 Verwerking van het advies Dit artikel is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe het college omgaat met de uitgebrachte adviezen. Artikel 4.11 Reglement van orde Lid 1 De commissie stelt een reglement van orde vast. Lid 2 Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen. Lid 3 Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde. Dat kan als bijlage bij deze verordening, of als aparte bekendmaking met een goede verwijzing naar deze verordening. Juridisch gezien behoeft het reglement van orde niet in de verordening zelf te worden opgenomen. Artikel 4.12 Jaarverslag Het jaarverslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de Omgevingswet kan voor de raad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk beleid. De commissie kan naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden beleidsaanbevelingen doen.

Bijvoorbeeld over de in het omgevingsplan op te nemen beoordelingscriteria met betrekking tot de omgevingskwaliteit. Om die reden verschijnt het jaarverslag tijdig vóór de jaarlijkse beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. De specifieke bepalingen over het jaarverslag van het college zijn onder de wet vervallen. In verband met de politieke verantwoordelijkheid voor de omgevingskwaliteit heeft het college het voornemen om de bestaande praktijk van verantwoording en terugkoppeling voort te zetten en deze mee te nemen in de verplichte evaluatierapportage over de uitvoering van het omgevingsrecht aan de raad. Artikel 4.13 Overgangsrecht Lid 1 Op grond van dit lid gaan de bestaande leden van de welstands- en monumentencommissies zonder aparte benoemingsbesluiten over naar de nieuwe kwaliteitscommissie. Lid 2 Dit lid regelt dat aanvragen ingediend voor het inwerkingtreden van deze verordening volgens het oude recht door de commissie worden afgedaan.

Pagina 26 van 30

Artikel 4.14 Vervallen oude regeling Lid 1 Dit lid zorgt ervoor dat hoofdstuk 4 Welstand wordt vervangen door hoofdstuk 4 ‘Gemeentelijke adviescommissie’ na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het volgende artikel. Artikel 4.15 Inwerkingtreding Dit artikel bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 4 ‘Gemeentelijke adviescommissie’ gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 5 Procedures en advisering Planschade Afdeling 5.1 Procedures voor advisering tegemoetkoming nadeelcompensatie Deze afdeling heeft betrekking op de afwikkeling van planschade. De regels zijn afkomstig van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Simpelveld 2011. Inhoudelijk is de verordening actueel, waardoor hierin geen wijzigingen zijn doorgevoerd. Deze Afdeling zal onder viguer van de Omgevingswet komen te vervallen. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid tot het indienen van verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van het omgevingsplan. Het stelsel dat tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet ‘planschade’ wordt genoemd, gaat flink op de schop, en wordt nadeelcompensatie genoemd. De basis van de schaderegeling in de Omgevingswet (art. 15.1 e.v.) zal dan zijn opgenomen in titel 4.5 Awb, en zijn uitputtend bedoeld. Slechts over enkele onderwerpen is het tot op zekere hoogte mogelijk om aanvullende regels op te nemen. Dat zijn in de eerste plaats bepalingen over het heffen van een recht (leges), zij het met een maximum van 500 euro per aanvraag (zie art. 4:128 Awb). Minder mag dus wel. Daarnaast is het ook mogelijk te voorzien in een regel over (deskundigen)adviezen over ingediende aanvragen en de termijnen die gelden als de gemeente een advies over een aanvraag laat uitbrengen (zie art. 4:130 Awb).

In het omgevingsplan kunnen dus geen regels worden gesteld over bijvoorbeeld beslistermijnen die afwijken van de Awb, of de eis dat een aanvraag moet zijn voorzien van een deskundigenadvies. De gemeente dient per aanvraag te bezien of de aanvraag voldoende informatie bevat en eventueel (onderbouwd) meer informatie verzoeken. De VNG zal een modelprocedureverordening opstellen op grond van de Omgevingswet. Indien nodig wordt een nieuw hoofdstuk 5 separaat aan de raad voorgelegd.

Hoofdstuk 6 Kwaliteitsborging vergunningverlening toezicht en handhaving (VTH) Dit hoofdstuk bevat de regels uit de ‘Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Simpelveld houdende uitwerking van uitgangspunten voor kwaliteitsbevordering Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Simpelveld’ uit 2016. Deze verordening vindt de basis in artikel 5.4, lid 1, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van deze verordening stelt de gemeenteraad regels over de uitvoering en handhaving van de taken, ter waarborging van een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht. Het doel van hoofdstuk 6 is dat gemeenten, provincies en de omgevingsdiensten c.q. regionale uitvoeringsdiensten die in hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving met oog voor de maatschappelijke functies daarvan, waar die zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het Pagina 27 van 30

omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave gesteld zien om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen en dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te stellen, in onderlinge afstemming op het niveau van de RUD Zuid-Limburg, door de deelnemende gemeenten en de provincie Limburg. Het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering is in ieder geval de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria 2.2 zijn die op basis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen, indien daartoe aanleiding is, met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden aangepast. Omgevingswet Onder vigeur van de Omgevingswet is de bevoegdheid voor de gemeenteraad om regels vast te stellen ter waarborging van de VTH-kwaliteit opgenomen in afdeling 18.3 kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving (artikel 18.18 e.v.) van de Omgevingswet. Deze bevoegdheden zijn verder uitgewerkt in afdeling 13.2 van het Omgevingsbesluit. Hiermee is voorzien in vervangen van hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 7 Besluit omgevingsrecht. De verordeningsplicht van artikel 5.4, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt vervangen door artikel 18.20, lid 3 van de Omgevingswet.

Opvallend is echter dat anders dan artikel 5.4, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorschrijft, het geen verplichting meer is. Er wordt uitgegaan van onderling vertrouwen en afstemming.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7.1 Strafbepaling Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, lid 1 van Algemene plaatselijke verordening gemeente Simpelveld 2020 regelt dat het niet-naleven van de in de Apv genoemde voorschriften die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert. Onder vigeur van de omgevingswet zal deze bepaling echter komen te vervallen. Op grond van artikel 2.1, lid 2, onder b van het Omgevingsbesluit, mogen bevoegdheden ingevolge artikel 154 van de Gemeentewet geen onderdeel uitmaken van het Omgevingsplan. Overtredingen van de regels in het omgevingsplan zijn strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Het artikel maakt desondanks onderdeel uit van deze verordening omdat deze als verordening zijn werking nog houdt, totdat de gemeente (vóór 2029) een allesomvattend omgevingsplan heeft vastgesteld. Tot die tijd geldt de strafbaarstelling aldus nog op grond van dit artikel. De strafbaarstelling heeft maar beperkte betekenis, omdat de artikelen die hieromtrent van belang zijn thans in de Verordening openbare orde en veiligheid zijn opgenomen. Een artikel waarvoor deze strafbaarstelling in elk geval van belang is, is artikel 2.26 Vfl, namelijk voor hinderlijke reclame. Daarnaast bepaalt het Besluit OM-afdoening (o.b.v.

de Wet OM-afdoening) dat voor verschillende activiteiten, waarvoor op dit moment op grond van een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist, een bestuurlijke strafbeschikking kan worden opgelegd. De strafrechtelijke handhaving is langs die weg geborgd. Naar de huidige stand van de wet wordt het Besluit OM-afdoening niet aangepast, waardoor de strafbare feiten in een gemeentelijke verordening moeten zijn opgenomen. Artikel 7.2 Toezichthouders Het is niet nodig om in het omgevingsplan toezichthouders aan te wijzen, gelet op artikel 18.6 van de Omgevingswet. Voor de handhaving van deze verordening is dit echter wel nog Pagina 28 van 30

nodig. Mogelijk is dit een onderwerp om naar het delegatiebesluit te brengen. De aanwijzingsbesluiten van de ambtenaren zelf maken geen onderdeel uit van het omgevingsplan. De Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet (Stb. 2020, 172 - Kst 34 986) geeft toelichting aan artikel 18.6 van de Omgevingswet. Artikel 18.6 regelt de aanwijzing van toezichthouders. Het tweede lid van dit artikel is, aangevuld met twee nieuwe onderdelen, verzelfstandigd tot een afzonderlijk artikel 18.6a. In dit nieuwe artikel 18.6a wordt de tekst van dit oorspronkelijk tweede lid van artikel 18.6 geïntegreerd met het vierde lid van artikel 5.10 en het tweede lid van artikel 5.11 Wabo, zoals die artikelleden zijn komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wabo (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving). Deze artikelleden lenen zich voor een bundeling in een afzonderlijk artikel, omdat ze alle drie betrekking hebben op de reikwijdte van de bevoegdheidsuitoefening van toezichthouders. Het is echter van belang dit artikel 7.2 in deze verordening vooralsnog te behouden, nu de verordeningen onder het overgangsrecht hun werking behouden. Nu reeds laten vervallen van het artikel, zou er toe leiden dat een juridisch hiaat ontstaat.

Artikel 7.3 Binnentreden woning Dit artikel is overgenomen van artikel 6:3 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Simpelveld 2020. Dit artikel dient de openbare orde en veiligheid en hoort derhalve niet thuis in het omgevingsplan en daarmee niet in de Verordening fysieke leefomgeving. Het artikel wordt echter gehandhaafd, omdat de verordening zijn werking ook nog houdt. Dit om te voorkomen dat er een juridisch hiaat ontstaat. Artikel 7.4 In te trekken verordeningen Monumentenverordening 1995 De Monumentenverordening is gebaseerd op de Monumentenwet 1998, die in 2016 is vervallen en vervangen door de Erfgoedwet. Op grond van artikel 9.1 Erfgoedwet behouden enkele artikelen van de Monumentenwet hun werking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waaronder artikel 15 Monumentenwet dat de verordeningsbevoegdheid bevat. De Monumentenverordening telt 13 artikelen die allemaal betrekking hebben op het aanwijzen van een gemeentelijk monument. De gemeente Simpelveld kent echter geen gemeentelijke monumenten, maar enkel rijksmonumenten. Wij achten het derhalve ook inhoudelijk overbodig deze verordening nog langer in stand te laten. Hierbij speelt dat onder werking van de Omgevingswet, deze verordening ook niet meer nodig zal zijn.

Indien het wenselijk is een gemeentelijk monument aan te wijzen, zal dat opgenomen moeten worden in het omgevingsplan (zoals dat feitelijk nu ook al kan in het bestemmingsplan). Deze optie is daarom wel reeds als bouwsteen opgenomen in het nieuwe hoofdstuk 4. Standplaatsenverordening Deze verordening was overbodig, omdat dezelfde materie reeds was geregeld in de Apv en de nadere regels hieromtrent. Deze verordening komt in zijn oorspronkelijke vorm dan ook niet meer terug. Bouwverordening Ook de bouwverordening was sterk verouderd en heeft daarmee zijn werking grotendeels verloren, waardoor ook deze verordening in zijn oorspronkelijke vorm niet meer terugkomt. Artikel 7.5 Overgangsrecht

Pagina 29 van 30

Het overgangsrecht is tweeledig. Enerzijds wordt er in voorzien dat vergunningen en besluiten die zijn genomen op de hierbij in te trekken losse verordeningen hun werking houden. Daarnaast wordt geanticipeerd op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat ook de artikelen nog hun waarde behouden. Hiertoe is een tabel met overgangsrecht gemaakt dat als onderdeel van deze verordening wordt vastgesteld en in werking treedt als de Omgevingswet in werking treedt. Daarnaast is voorzien van vervanging van hoofdstuk 4 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de welstands- en monumententoets direct op de juiste juridische basis kan plaatsvinden. Om deze reden benoemt de raad de dorpsbouwmeester en zijn vervangers opnieuw bij vaststelling van deze verordening, waarbij tevens een benoeming plaatsvindt op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet.

Pagina 30 van 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=5fecc7db-1d00-429b-8bd3-1272888003db