11. Bijlage 3 Toelichting Vfl.pdf
Tekst van het document
Toelichting Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) Deze verordening vervangt (gedeeltelijk) de volgende verordeningen: 1. Algemene plaatselijke verordening gemeente Simpelveld (voor zover betrekking hebbend op de fysieke leefomgeving, vastgesteld op 6 juli 2017 en gewijzigd op 10 april 2019 en 16 januari 2020; 2. Bouwverordening gemeente Simpelveld (12e serie wijzigingen), vastgesteld op 18 oktober 2007 en gewijzigd op 1 oktober 2008; 3. Standplaatsenverordening, vastgesteld op 26 augustus 1999; 4. Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Simpelveld 2011, in werking getreden op 15 juni 2011; 5. Monumentenverordening, vastgesteld op 30 mei 1991 en gewijzigd op 30 maart 1995. 6. Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Simpelveld, in werking getreden op 4 oktober 2016; Wettelijke grondslag artikel 108, 147 en 149 Gemeentewet artikel 149a Gemeentewet (binnentreden woningen) artikel 154 Gemeentewet (strafbepaling) Artikel 160, lid 1, onder g Gemeentewet art. 5.4, lid 1, art. 5.5 en art. 5.7 Wabo Artikel 8 Woningwet Artikel 3.16 en 9.1 Erfgoedwet en artikelen 12, 15 en 38 Monumentenwet 1998 Artikel 6.7 Wro juncto artikel 6.1.3.3 Bro artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 17.2 Omgevingswet
Vov algemene verordenende bevoegdheid artikel 7.3 artikel 7.1 Hoofdstuk 2, afdeling 3 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 4 (geldt tot inwerkingtreding Ow) Hoofdstuk 4 (geldt tot inwerkingtreding Ow) Hoofdstuk 5 (geldt tot inwerkingtreding Ow) hoofdstuk 2, afdeling 4, paragraaf 1
Hoofdstuk 4 (vanaf inwerkingtreding Ow)
Op grond van artikel 1.2 van de Omgevingswet gaat deze wet over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het omgevingsplan geïntroduceerd, dat zal bestaan uit de huidige bestemmingsplannen en de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. In deze Verordening fysieke leefomgeving zijn alle gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving daarom samengebracht, als bouwsteen van het (toekomstige) omgevingsplan. Wat onder de fysieke leefomgeving moet worden verstaan, is ten tijde van het schrijven van deze toelichting echter nog niet met 100% zekerheid te zeggen. De toelichting bij de Omgevingwet (TK 2013-2014, 33962, nr. 3) beschrijft het als volgt. Wetgeving die inhoudelijk niet direct samenhangt met de zorg voor de fysieke leefomgeving blijft daarom buiten de Omgevingswet. Ook de verhouding tussen de overheid en private actoren die publieke diensten verrichten, is geen onderdeel van de Omgevingswet. Er blijven dus diverse sectorwetten bestaan voor bijvoorbeeld spoorbedrijven, energiebedrijven, drinkwaterbedrijven en woningcorporaties. In enkele gevallen is de integratie van omgevingsrecht in doelgroepregelgeving inzichtelijker en gemakkelijker voor de gebruiker dan integratie in de Omgevingswet.
Dit speelt bijvoorbeeld bij verkeerswetgeving: het is wenselijk om verkeersgedrag te reguleren via verkeerswetgeving, ook als het motief voor de regels de bescherming van de fysieke leefomgeving is.
Pagina 1 van 30
In enkele gevallen is de integratie van omgevingsrecht in doelgroepregelgeving inzichtelijker en gemakkelijker voor de gebruiker dan integratie in de Omgevingswet. Dit speelt bijvoorbeeld bij verkeerswetgeving: het is wenselijk om verkeersgedrag te reguleren via verkeerswetgeving, ook als het motief voor de regels de bescherming van de fysieke leefomgeving is. Artikel 1.4 van de Omgevingswet bepaalt dat de wet niet van toepassing is op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze wet anders blijkt. Artikel 2.1, lid 2 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat de burgemeestersbevoegdheden op grond van Gemeentewet die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid, niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Om deze reden wordt de openbare orde en veiligheid géén onderdeel van deze Verordening fysieke leefomgeving
Algemene opmerkingen Toestemmingen In de Apv 2020 komen drie toestemmingsstelsels voor: - een ontheffingsstelsel; - een vergunningstelsel; - een meldingsstelsel; - vrijstelling Er is voor gekozen om de ontheffingsstelsel te vervangen door vergunningstelsel, waardoor meer uniformiteit ontstaat. De omgevingswet kent het verschil tussen het verlenen van een ontheffing of een vergunning namelijk niet. Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk. Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in het algemeen geen bezwaar tegen de activiteit. In beide gevallen moet op grond van een belangenafweging worden beoordeeld of (eventueel voorwaardelijk) de toestemming kan worden verleend. Er is voor gekozen één uniforme wijze van toestemming te verlenen door middel van een vergunningstelsel. De uniformiteit komt eveneens tot uitdrukking bij de formulering van de verboden in deze verordening. Alle vergunningplichten staan genoemd in lid 1, als onderdeel van het verbod, overeenkomstig de formulering van de Wabo en Omgevingswet. Hierdoor komen de aparte ontheffings- of vergunningsbevoegdheden in de verschillende artikelen van de voormalige verordeningen te vervallen.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities Er is voor gekozen zoveel mogelijk definities in dit artikel op te nemen, in plaats van benoeming c.q. herhaling bij elk hoofdstuk of afdeling apart. Het blijft echter onvermijdelijk sommige definities apart bij het onderwerp zelf op te nemen. Artikel 1.3 Indienen aanvraag In de voormalige Apv stond in dit artikel opgenomen dat een aanvraag ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, geweigerd kon worden. Deze bepaling is enerzijds overbodig, omdat wij gelet op de wettelijke beslistermijn van artikel 3.9, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (dan wel Pagina 2 van 30
artikel 16.64, lid 2 Omgevingswet) of artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht 8 weken behandeltijd hebben voor een vergunning te verlenen. Het is verboden zonder (omgevings)vergunning een activiteit uit te voeren. De bevoegdheid te weigeren volgt daardoor rechtstreeks uit de wet. Het betreft een uitgangspunt van de Omgevingswet om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de Awb. Daarnaast is er voor gekozen deze bevoegdheid te verplaatsen naar artikel 1.8 van deze verordening (Vfl), omdat het duidelijkheid/kenbaarheid verschaft voor aanvragers en vergunningverleners. Op deze wijze staan alle weigeringsgronden bij elkaar in artikel 1.8 Vfl. Artikel 1.4 Voorschriften In dit artikel is ten opzichte van de voorheen geldende Apv het woord ‘beperking’ komen te vervallen. Een ‘beperking’ is een ander woord voor ‘voorschrift’. Gelet op het uitgangspunt van de Omgevingswet om zo veel mogelijk uniformiteit aan te brengen in gebruikte terminologie, is het woord ‘beperking’ geschrapt. De Omgevingswet kent uitsluitend het woord ‘voorschrift’. Lid 2 In lid 2 is de tekst gewijzigd ten opzichte van artikel 1.4 van de Algemene plaatselijke verordening 2020, waar dit artikel zijn oorsprong vindt. De oorspronkelijke tekst luidde: Degene aan wie een toestemming is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Het komt voor dat aan een gemachtigde (namens de eigenaar/belanghebbende) toestemming is verleend. Als wordt vastgehouden aan vorengenoemde tekst, zouden de voorschriften niet gelden voor de daadwerkelijke aanvrager. Er is daarom voor gekozen de volgende vervangende tekst op te nemen: Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd met de toestemmingsvoorschriften ontstaat. Daarmee wordt tevens bewerkstelligd dat het strijdigheidsverbod ook voor de rechtsopvolger van de toestemminghouder gaat gelden. Artikel 1.5 Persoonlijke/zakelijke karakter vergunning Lid 1 Dit artikel is gewijzigd ten opzichte van de voorheen geldende Apv. Omdat de Apv veelal persoonsgebonden toestemmingen verleend, zoals een exploitatievergunning voor horeca, was in artikel 1:5 Apv (oud) opgenomen dat de vergunningen op grond van die verordening persoonsgebonden waren, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. De Vfl kent alleen vergunningplichten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarvoor dit vereiste veelal niet relevant is. Voor zover het een omgevingsvergunning betreft, bepaalt artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat de vergunning zaaksgebonden is. In artikel 5.37 van de Omgevingswet is dit eveneens geregeld. Bij de huidige formulering is aansluiting gezocht bij artikel 5.37 Omgevingswet.
In principe zal dit artikel onder vigeur van de Omgevingswet aldus overbodig worden, maar het stimuleert een juiste werkwijze, door het desondanks op te nemen in deze verordening. Lid 2 Het tweede maakt het mogelijk een vergunning persoonlijk te verlenen, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, Pagina 3 van 30
zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning in deze verordening is de standplaatsvergunning en marktstandplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het een schaarse vergunning betreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander, terwijl een aantal aanvragers op een wachtlijst zou kunnen staan. Voor de weekmarkten is voorzien in een regeling van overdracht, voor de resterende duur van de verleende tijdelijke vergunning. Artikel 1.7 Geldigheidsduur toestemming. Dit artikel is volledigheidshalve opgenomen. Als het een omgevingsvergunning betreft wordt deze bevoegdheid geregeld in artikel 2.23 en 2.24 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder vigeur van de Omgevingswet is dit geregeld in artikel 5.36 en 5:36a. Artikel 1.8 Weigeringsgronden Lid 1 Omdat deze verordening uitsluitend betrekking heeft op activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen, zoals bedoeld in de Omgevingswet, kunnen weigeringsgronden die hierop geen betrekking hebben niet meer worden opgenomen.
Dit betekent dat weigeringsgronden die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid (zoals die voorheen in de Apv waren opgenomen) zijn komen te vervallen. Onder fysieke leefomgeving in dit artikel wordt mede verstaan de (volks)gezondheid, veiligheid en de bescherming van het (leef)milieu. Zie verder onderstaande toelichting bij lid 3. Lid 2 Het artikel is strikt genomen overbodig, zie uitwerking bij artikel 1.3. De weigeringsgrond is desondanks opgenomen omdat het duidelijkheid/kenbaarheid verschaft voor aanvragers en vergunningverleners. Lid 3 Het eerste lid betreft een zogenoemde ‘kan-bepaling’, waardoor het college de beleidsvrijheid heeft de vergunning te weigeringen na een belangenafweging. Lid 3 kent deze beleidsvrijheid niet, omdat het lid imperatief is geformuleerd. Dit betreffen verplichte weigeringsgronden. Deze imperatieve formulering is gekozen, omdat deze weigeringsgronden wettelijk zijn vastgelegd. Hiervan kan niet worden afgeweken. Zij zijn hier volledigheidshalve opgenomen voor de duidelijkheid/kenbaarheid voor aanvragers en vergunningverleners. De verplichte weigeringsgronden betreffen in de eerste plaats het vereiste van het hebben van een belang bij de aanvraag om een vergunning. Ontbreekt dit belang, dan is geen sprake van een aanvraag. Op grond van artikel 1:3, derde lid Awb moet een aanvrager namelijk een belang daarbij hebben.
Verder geldt als verplichte weigeringsgrond de situatie dat verlening van de toestemming duidelijk leidt tot strijd met een ander wettelijk voorschrift. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan duidelijke strijd met het bestemmingsplan. De term ‘duidelijke strijd’ is gekozen om te voorkomen dat de toestemmingverlener bij de beoordeling van de aanvraag een Pagina 4 van 30
volledige toets aan andere wettelijke voorschriften moet verrichten. Slechts een marginale beoordeling van de aanvraag wordt verlangd. Dit is in lijn met de Wet samenhangende besluiten die het bevoegd gezag een inspanningsverplichting oplegt om de aanvrager te wijzen op andere benodigde toestemmingen. Tevens wordt hiermee de benadering gevolgd zoals die wordt gehanteerd bij de vaststelling van bestemmingsplannen. Daarbij moet namelijk worden onderzocht of het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Onderdeel van dit onderzoek is dat marginaal moet worden nagegaan of de vereiste toestemmingen kunnen worden verkregen die nodig zijn om het bestemmingsplan te kunnen uitvoeren. Duidelijke strijd met een ander wettelijk voorschrift leidt er toe dat van de toestemming geen gebruik kan worden gemaakt. De aanvrager heeft daardoor geen belang. De toestemming is niet uitvoerbaar. Eigenlijk is deze weigeringsgrond dus een verbijzondering van de weigeringsgrond onder a: de afwezigheid van een belang. Ten slotte is van belang dat door deze bepaling niet buiten de (specifieke) toetsingscriteria wordt getreden zoals die in de wettelijke regels staan op grond waarvan de toestemming is vereist. De verplichte weigeringsgronden vloeien immers voort uit artikel 1:3 Awb.
Artikel 1.9 Hogere wetgeving Artikel 1.9 bepaalt dat de artikelen in deze verordening niet van toepassing zijn op situaties die worden geregeld in hogere wetgeving. Hierdoor is een reeks van verwijzingen naar wetten in formele zin in de verdere bepalingen bij elk artikel apart, overbodig. Zie ook artikel 122 van de Gemeentewet. Verboden op grond van deze verordening die o.a. in hogere wetgeving zijn geregeld, betreffen: 1. Verbod op reclame is niet van toepassing op openbaarmakingen van gevoelens en/of gedachten als bedoeld in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en artikel 7 van de Grondwet. Artikel 1.10 Naleving voorschriften Dit betreft een nieuw artikel. Het artikel verbiedt het handelen in strijd met de aan een besluit (vergunning) verbonden voorschriften. Door het hier generiek op te nemen, hoeft dit verbod niet bij elke vergunning apart te worden opgenomen. Als het een omgevingsvergunning betreft, geldt het verbod op grond van artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder vigeur van de Omgevingswet is dit geregeld in artikel 5.5.
Hoofdstuk 2 Gebruik openbare ruimte Afdeling 1 heeft betrekking op de bruikbaarheid en aanzien van de weg. De artikelen 2.1, 2.2 (veranderen of aanleggen van een weg) en 2.3 (Maken, hebben, gebruiken, veranderen van een uitweg) zijn ongewijzigd overgenomen van de Algemene plaatselijke verordening 2020. Afdeling 2 heeft betrekking op bescherming van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Hieronder wordt mede verstaand de bescherming van het milieu en natuurschoon, alsmede zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 2.1 Voorwerpen aan, op of boven de weg Het eerste lid bevat een vergunningplicht en algemene regels in-één. Door deze formulering zijn uitsluitend excessen verboden, namelijk voor zover: a. dit schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg; b. de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd of kan worden belemmerd; Pagina 5 van 30
c. dit plaatsen een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. In dit artikel wordt verwezen naar artikel 2.2 Wabo, dat betrekking heeft op een omgevingsvergunningplicht die bij gemeentelijke verordening is vastgelegd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet komt deze grondslag te vervallen. In artikel 22.8 van de Omgevingswet is voorzien in overgangsrecht. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 Wabo feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die nu krachtens artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt aangemerkt als een Waboomgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Artikel 2.9 en 2.10 Standplaatsen Deze regels gaan over standplaatsen, niet zijnde een vaste plaats op een weekmarkt (zie toelichting bij artikel 2.11 en verder). Gebleken is dat de gemeente Simpelveld twee maal regels heeft vastgesteld ten aanzien van standplaatsen. Enerzijds zijn in Afdeling 4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Simpelveld 2020 (Apv) regels opgenomen, anderzijds bestaat er de Standplaatsenverordening 1999.
In 2018 heeft het college nadere regels vastgesteld op grond van artikel 5:16 Apv, waarin is uitgewerkt hoe met de schaarse vergunningen wordt omgegaan. Naar nu blijkt bevat de Standplaatsenverordening 1999 gedeeltelijk gelijkluidende regels. Omdat de Standplaatsenverordening 1999 verouderd is, is deze grotendeels niet meer van toepassing. Zo wordt er geen rekening gehouden met ‘schaarse vergunningen’ (zie nadere uitwerking onderstaand). In deze verordening kiezen wij ervoor, conform de Algemene plaatselijke verordening 2020 (modelverordening) de vergunningplicht te behouden met de daarbij behorende bestaande Nadere regels 20181. In de Nadere regels standplaatsen 2018 is bepaald dat uitsluitend voor de onderstaande locaties een standplaatsvergunning kan worden verleend, waarbij per locatie het daarbij onderstaand genoemde maximale aantal aan gelijktijdig in te nemen standplaatsen geldt: a. Carpoolplaats, Gaasstraat/Nijswillerweg: max. 2 standplaatsen; b. Markt Simpelveld, Markt: max. 1 standplaats; c. Picknickplaats Hulsveld, St. Remigiusstraat: max. 2 standplaatsen; d. Plein aan de Wilhelminastraat Bocholtz: max. 1 standplaats. De locaties b en d waren reeds opgenomen in de Standplaatsenverordening 1999. Deze locaties zijn, mede door actualisatie van de bestemmingsplannen in 2016, uitgebreid.
De Standplaatsenverordening 1999 vereist dat maximaal 6 standplaatsen kunnen worden vergund, dit blijft aldus overeind. In de Nadere regels standplaatsen 2018 is voorts bepaald dat uitsluitend een tijdelijke vergunning kan worden verleend uitsluitend verleend voor de volgende seizoensgebonden artikelen of groep van artikelen: a. kleine eet- en drinkwaren, zoals oliebollen en ijs; b. kerstbomen.
1
De Nadere regels zullen opnieuw vastgesteld worden met verwijzing naar de nieuwe artikelen (artikel 1.10 en 5.1 van de Vfl.
Pagina 6 van 30
Dergelijke beperking was ook al opgenomen in de Standplaatsenverordening 1999 (artikel 5). De vergunning kan uitsluitend worden verleend voor maximaal één seizoen. Hiertoe zijn gunningsregels vastgesteld gelet op onderstaande. Schaarse vergunning Voor ‘Dienstenwetvergunningen’ waarbij het aantal potentiële gegadigden het aantal beschikbare vergunningen overtreft (‘schaarse vergunningen’), geldt volgens de richtlijn dat die vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend (HvJ-EU 1 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:641, Trijber en Harmsen). Voor het bepalen van een redelijke looptijd van de vergunning kan aansluiting gezocht worden bij de jurisprudentie over concessieverleningen. De looptijd wordt dan afgestemd op de terugverdientijd van de investeringen die door de vergunninghouder gedaan moeten worden. Bovendien moet het bestuursorgaan een passende mate van openbaarheid betrachten en potentiële gegadigden tijdig op de hoogte stellen van de beschikbaarheid van een vergunning, de aanvraagperiode, de verdeelwijze en de criteria voor de toewijzing. De toewijzingscriteria moeten objectief, duidelijk en niet discriminatoir zijn. Een soortgelijk regime vloeit naar nationaal recht voort uit het gelijkheidsbeginsel, waarin het ‘beginsel van gelijke kansen’ besloten ligt (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, De Vries/Vlaardingen).
Het betreft dus niet alleen de ‘Dienstenwetvergunningen’, maar alle schaarse vergunningen c.a. Artikel 2.11 e.v. Weekmarkt(en) Deze paragraaf vervangt de Marktverordening 1997. De grondslag is artikel 149 van de Gemeentewet. Hiermee is sprake van aanvullende werking t.a.v. artikel 160, lid 1, onder g van de Gemeentewet. Vaststellen week- of jaarmarkt exclusief bevoegdheid college Artikel 160, lid 1, onder g van de Gemeentewet heeft een bijzondere positie ten opzichte van het regime van het omgevingsplan. Die bepaling regelt dat het college bevoegd is “jaarmarkten of gewone marktdagen” in te stellen. Het stellen van regels door het college of het vaststellen van besluiten van algemene strekking is zeer gebruikelijk, maar in andere gevallen is dit mogelijk gemaakt doordat de gemeenteraad het college daartoe een bevoegdheid heeft gegeven door expliciete delegatie. Artikel 2.8 van de Omgevingswet maakt het mogelijk om de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college. Het bijzondere aan artikel 160, eerste lid, aanhef en onderdeel g, is echter dat het college al een bevoegdheid heeft, rechtstreeks gebaseerd op de Gemeentewet. De gemeenteraad kan het regelen van deze materie dus niet delegeren aan het college, want dat is al bevoegd.
Het instellen van jaarmarkten of gewone markten kan dus niet in het omgevingsplan plaatsvinden, maar dit moet in een collegebesluit op grond van artikel 160, lid 1, onder g van de Gemeentewet. Omgevingswet en samenloop met Vov Wij hebben ervoor gekozen de regels omtrent weekmarkten op te nemen in deze verordening, omdat het grotendeels betrekking heeft op het indelen van de ruimte en daarmee de fysieke leefomgeving (evenwichtige indeling van functies en locaties). Er kunnen echter ook elementen in deze regels zitten die meer met het gebruik op zichzelf te maken hebben. Omdat een weekmarkt een permanent karakter heeft en het professionele ambulante handel betreft, is er onderscheid met snuffelmarkten en evenementen (burgemeester bevoegdheid). De regulering van andere ambulante handel is daarom te vinden in de Verordening openbare orde en veiligheid (hierna: Vov). Artikel 2:11 Vov bevat bijvoorbeeld het vergunningstelsel voor evenementen, zoals braderieën. Verder bevat Vov bepalingen over collecteren, venten en snuffelmarkten. Daarentegen zijn standplaatsen niet zijnde standplaatsen op markten weer in deze verordening opgenomen. Uit deze bepalingen blijkt steeds dat deze niet van Pagina 7 van 30
toepassing zijn op door burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet ingestelde markten.
Nieuwe opzet De Marktverordening 1997 was dermate verouderd dat deze niet meer in zijn oorspronkelijk opzet is teruggebracht. Voor de inhoud van afdeling 3 (weekmarkten) is daarom gebruik gemaakt van de bestaande (nog relevante) regels uit 1997 en de modelverordeningen van de VNG uit 2008 en 2013, maar dan aangepast naar de stand van de huidige wetgeving en jurisprudentie. De Marktverordening uit 1997 bevatte veel overbodige of inmiddels achterhaalde regels. Ook zijn veel regels in elkaar geschoven. Als gevolg hiervan is het aantal artikelen in Afdeling 3 (weekmarkten) teruggebracht van 40 naar 10 (inhoudelijke bepalingen). Verbodsbepalingen zijn gedeeltelijk overbodig gebleken. Zo stond bijvoorbeeld in de Marktverordening 1997 opgenomen dat het verboden was meer ruimte in te nemen dan is toegewezen. Deze bepaling is overbodig, omdat dit reeds in strijd is met de verleende vergunning. Een ander verbod was dat geen andere dan vergunde goederen mogen worden verkocht. Ook dit is overbodig, omdat dit reeds in strijd is met de verleende vergunning. Alle verboden die betrekking hebben op de vergunningplicht zijn daarom komen te vervallen. Daarnaast zijn aspecten die bij hogere wetgeving zijn geregeld, komen te vervallen, zoals de legimatieplicht voor marktverkopers.
Deze bepaling is overbodig, omdat de Wet op de identificatieplicht een ieder die de leeftijd heeft bereikt van 14 jaar verplicht om zich op eerste vordering van een toezichthouder te legitimeren. Dit geldt dus ook voor marktverkopers. Ook zijn verboden geschrapt, die verder gaan dan noodzakelijk is voor een ordelijk verloop van de weekmarkt. Zo verbood artikel 24 van de Marktverordening 1997 voertuigen, waarmee goederen of waren ter markt worden aangevoerd, op de markt aanwezig te hebben. De praktijk is echter dat deze voertuigen vaak onderdeel uitmaken van het verkooppunt, dan wel als magazijn dienen. Dit betreffen tegenwoordig vaak koelwagens of zijn voorzien van andere voorzieningen, die het noodzakelijk kunnen maken het voertuig aanwezig te hebben. Ook vanuit veiligheids- en parkeerdruk overwegingen, achten wij het niet nodig hieromtrent verdere regelgeving op te nemen. Daar waar wel regels nodig worden geacht, kunnen deze in de vergunning als voorwaarde worden opgenomen. Voorts is de selectieprocedure uit de Marktverordening 1997 niet overgenomen. Een selectieprocedure is wel vereist, omdat het om een zogenoemde schaarse vergunning gaat. De procedure uit 1997, alsook de procedures uit de modelverordeningen, kon niet meer worden gehanteerd, omdat deze in strijd is met de Europese Dienstenrichtlijn.
Deze procedure was gebaseerd op het verlenen van een vergunning voor onbepaalde tijd. Omdat het een schaarse vergunning betreft, kan een marktstandplaatsvergunning echter niet meer voor onbepaalde duur worden verleend. De praktijk is dat telkens voor een kalenderjaar een vergunning wordt verleend. Hiermee wordt aangesloten op de jaarlijks geïndexeerde marktgelden. Wij hebben er voor gekozen om in lijn met andere schaarse vergunningen in de Verordening fysieke leefomgeving en de Verordening openbare orde en veiligheid, een bepaling op te nemen, waarin staat dat het college de toedelingsprocedure vastlegt in een beleidsregel. Daarmee kan beter maatwerk worden geleverd, dat een uitgangspunt is van de Omgevingswet. Artikel 2.11 Toepassingsgebied Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat het college de bevoegdheid heeft om markten aan te wijzen op grond van artikel 160, lid 1, onder g van de Gemeentewet. Het aantal definities is ten opzichte van de Marktverordening 1997 teruggebracht naar een resterende twee. Het begrip ‘markt’ en ‘standplaats’ is opgenomen om nogmaals duidelijk te stellen dat het om
Pagina 8 van 30
andere standplaatsen gaat dan opgenomen in Afdeling 2 (artikel 2.10 (standplaatsvergunning)).
Artikel 2.12 Inrichting van de markt Met dit artikel is aansluiting gezocht bij de Marktverordening uit 1997 en de modelverordening uit 2008. Het artikel maakt duidelijk dat het college ten aanzien van de markt bepaalt: a. het aantal standplaatsen; b. de afmeting van de standplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt. Deze opsomming is korter dan voorheen, omdat de weekmarkten binnen de gemeente Simpelveld gering van omvang zijn, waardoor gedetailleerde uitwerking niet vereist is. De feitelijke uitvoering ervan wordt verder vorm gegeven in de individuele vergunningen. Artikel 2.13 Nadere regels Het college is op grond van dit artikel bevoegd nadere regels te stellen. Los van deze bevoegdheid heeft het college ook de algemene bevoegdheid op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht om beleidsregels in plaats van nadere regels vast te stellen. Beleidsregels versus nadere regels Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van artikel 2.13 van de deze verordening.
Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften. Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan een uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking mogelijk. Jurisprudentie Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698 m.nt. R.M. van Male. Artikel 2.14 Vergunning Dit artikel komt inhoudelijk overeen met bepalingen uit de Marktverordening 1997, met uitzondering van lid 3 (dat is geactualiseerd). Het eerste lid verbiedt het zonder vergunning van het college een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen. Hieronder wordt mede verstaan het handelen in afwijking van een verleende vergunning.
Voorts geldt op grond van artikel 1.10 van deze verordening dat het verboden is te handelen in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan een vergunning. Omdat het een schaarse vergunning betreft is in lid 3 bepaald dat de vergunning voor bepaalde tijd wordt vergund. De praktijk is dat deze telkens voor één jaar wordt vergund. Deze termijn van één jaar is niet genoemd, omdat daarmee maatwerk leveren niet meer Pagina 9 van 30
mogelijk is, als een langere termijn is gewenst. Een langere termijn kan bijvoorbeeld gerechtvaardigd zijn als van een marktverkoper een bepaalde investering wordt verwacht, maar hij daarvoor een bepaalde terugverdientijd nodig heeft. Dergelijke looptijd kan echter niet leiden tot een langere periode dan enkele jaren. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijke persoon op te nemen in het vijfde lid en eventueel de beperking tot één vergunning per persoon per markt of voor de gemeente, wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van vergunningen bewerkstelligd. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is dus niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen. Doordat de eis van handelingsbekwaamheid niet gekoppeld is aan een minimumleeftijd (eveneens lid 5) komen ook zestien- en zeventienjarigen aan wie door de kantonrechter handlichting is verleend in aanmerking voor een vergunning. Er is geen reden om minderjarigen die in het rechtsverkeer als handelingsbekwaam beschouwd worden, van de vergunning uit te sluiten.
Het vereiste ‘gerechtigd in Nederland arbeid te verrichten’ (eveneens lid 5) ziet met name op vreemdelingen die een vergunning ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen nodig hebben. Artikel 2.15 Intrekkingsgronden Voor de intrekkingsgronden wordt allereerst verwezen naar de algemene intrekkingsgronden van artikel 1.4 van deze verordening. Deze zijn aangevuld met intrekkingsgronden uit de Marktverordening 1997. Artikel 2.16 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging Dit artikel kwam verdeeld over de Marktverordening 1997 terug in meerdere artikelen (18 t/m 21). Wij zijn echter afgeweken in die zin dat deze artikelen zijn samengevoegd en de procedure is vereenvoudigd om een verhindering te melden. Gelet op de beperkte omvang van de markten binnen de gemeente Simpelveld, achten wij het niet nodig een procedure te koppelen aan het melden van afwezigheid. Een enkele melding (telefonisch, schriftelijk, of per email) bij de marktmeester volstaat. De in de Marktverordening 1997 opgenomen redenen, zoals ziekte of vakantie, zijn in deze verordening samengevat als ‘bijzondere omstandigheden. Bij de meldingsplicht is de zinsnede opgenomen dat hij dit ‘zo mogelijk’ doet. Deze zinsnede maakt duidelijk dat in sommige situaties een tijdige melding niet meer mogelijk kan zijn (bijv. bij een ernstig ongeluk tijdens het naar de markt rijden).
Artikel 2.17 Overschrijven vergunning Dit artikel regelt de gevallen en voorwaarden waaronder het mogelijk is om standplaatsvergunningen over te schrijven. Het gaat om overschrijving van een standplaatsvergunning met alle daaraan verbonden voorschriften. Hieraan is volledigheidshalve toegevoegd, nu het een vergunning voor bepaalde tijde betreft, dat de overschrijving geldt voor de resterende duur van de verleende vergunning. Artikel 2.18 Markttijden in acht houden Dit artikel bepaalt de markttijden en de laad- en lostijden. Hierin zijn geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van de Marktverordening 1997. Artikel 2.19 Markt schoonhouden Deze bepaling is overgenomen uit de Marktverordening 1997, zodat verkopers altijd aangesproken kunnen worden op het netjes achterlaten van de markt. In wezen is het ook op grond van hoofdstuk 8 van de Verordening openbare orde en veiligheid verboden (zwerf)afval achter te laten in de openbare ruimte. Deze bepaling is desondanks hier Pagina 10 van 30
opgenomen, omdat er enige aanvullende werking is. Hoofdstuk 8 van de Verordening openbare orde en veiligheid verwijst voor straat- of zwerfafval namelijk naar de gemeentelijk afvalvoorzieningen. Het is echter niet de bedoeling dat marktverkopers het afval in de gemeentelijke voorzieningen achter laten. Daarnaast zal bij de marktverkopers sprake zijn van bedrijfsafval, waardoor dit (gedeeltelijk) buiten de werkingssfeer van hoofdstuk 8 van de Verordening openbare orde en veiligheid kan vallen. Artikel 2.20 Onmiddellijke verwijdering In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat het gemeentebestuur onder andere ter uitvoering van gemeentelijke verordeningen de bevoegdheid heeft een last onder bestuursdwang op te leggen. Artikel 2.20 geeft het college de bevoegdheid om een bijzondere vorm van bestuursdwang (verwijdering) toe te passen als een vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog op de markt of bij andere overtredingen van de marktverordening. Bij deze vorm van bestuursdwang wordt spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verondersteld. Dan kan de bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last. Bij zéér spoedeisende gevallen, waarbij een besluit niet kan worden afgewacht, kan bestuursdwang onmiddellijk worden toegepast (artikel 5:31, tweede lid, van de Awb).
Wel dient het besluit in dat geval achteraf alsnog bekendgemaakt te worden overeenkomstig artikel 5:31, tweede lid, van de Awb jo. artikel 5:24, derde lid, van de Awb. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of er sprake is van een spoedeisend geval, of misschien zelfs van een zeer spoedeisend geval. Afdeling 4, paragraaf 1 Geluidhinder en verlichting In artikel 2.17, lid 7 juncto 2.17a, lid 5 en de artikelen 2.18, lid 5 en 2.19a, lid 2, artikel 2.21 en artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening regels te stellen aan geluid of verlichting. Op grond van artikel 6.1 van de het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Activiteitenbesluit ingetrokken. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet (bruidsschat), blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening), nog gelden. Om deze reden wordt geen overgangsrecht opgenomen ten aanzien van de verwijzing in de artikelen in deze verordening naar het Activiteitenbesluit.
Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bepaalt namelijk dat een verordening als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, in samenhang met artikel 2.17a, vijfde lid, 2.18, vijfde lid, 2.19a, tweede lid, 2.21, eerste of tweede lid, 3.63, vijfde lid of 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer die van kracht is, uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip blijft gelden. Artikel 2.21 Aanwijzing collectieve festiviteiten Geluid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. Artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalt dat de geluidnormen niet gelden bij festiviteiten die door het college zijn aangewezen bij of krachtens gemeentelijke verordening. Onder vigeur van de Omgevingswet zal deze bevoegdheid moeten zijn Pagina 11 van 30
opgenomen in het omgevingsplan, zo bepaalt artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van het overgangsrecht zoals opgenomen in de zogenoemde ‘bruidsschat’ blijven deze regels nog gelden. Op grond van artikel 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (Invoeringsbesluit Omgevingswet) gelden de geluidswaarden niet voor festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt. Dit betekent dat hieromtrent geen overgangsrecht hoeft te worden opgenomen in deze verordening nu de wetgever daarin reeds heeft voorzien. Lichthinder De bevoegdheid om te bepalen dat verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht niet geldt voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten, komt voort uit artikel 3.148, lid 2, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.148, lid 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalt dat bij of krachtens gemeentelijke verordening festiviteiten kunnen worden aangewezen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet te vervallen. In artikel 22.234 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals opgenomen in de bruidsschat, blijft deze verordeningsbevoegdheid nog bestaan, waardoor hieromtrent geen overgangsrecht is vereist.
Artikel 2.22 Incidentele festiviteiten De bevoegdheid om maximaal 12 incidentele festiviteiten per jaar toe te staan komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder vigeur van de Omgevingswet zal deze bevoegdheid moeten zijn opgenomen in het omgevingsplan, zo bepaalt artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van artikel 22.71 van de bruidsschat (Invoeringsbesluit Omgevingswet), dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan bevat, blijven de regels in een gemeentelijke verordening bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Op grond van artikel 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (Invoeringsbesluit Omgevingswet) gelden de geluidswaarden niet voor festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waar de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar. Ook na de inwerkingtreding mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening. Dit betekent dat hieromtrent geen overgangsrecht hoeft te worden opgenomen in deze verordening nu de wetgever daarin reeds heeft voorzien.
2.23 Onversterkte muziek De bevoegdheid om regels te stellen aan onversterkte muziek vloeit voor uit artikel 2.18, lid 1, onder f en lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Activiteitenbesluit milieubeheer komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet te vervallen. Artikel 22.68, onder i tijdelijk deel omgevingsplan (Invoeringsbesluit Omgevingswet) bepaalt dat de geluidwaarden niet gelden voor het ten gehore brengen van onversterkte muziek, tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. Op grond van 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven de gemeentelijke verordening op grond van artikel 2.18, lid 1, onder f en lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van kracht als de Omgevingswet in werking treedt. Voor onversterkte muziek geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege, geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Pagina 12 van 30
Activiteitenbesluit milieubeheer. Om deze reden hoeft geen overgangsrecht te worden vastgesteld ten aanzien van dit artikel.
Artikel 2.25 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Dit artikel heeft betrekking op wat voorheen de kapvergunning werd genoemd. Op grond van artikel 2.2, lid 1, onder g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betreft dit een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het vellen van een houtopstand’. In deze bepaling wordt het belangrijkste element geïntroduceerd: de bomenlijst. Hiertoe is een nieuw lid 1 toegevoegd, om te benadrukken dat de gemeenteraad de bevoegdheid om een bomenlijst vast te stellen expliciet delegeert aan het college. In dit artikel wordt verwezen naar artikel 2.2 Wabo, dat betrekking heeft op een omgevingsvergunningplicht die bij gemeentelijke verordening is vastgelegd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet komt deze grondslag te vervallen. In artikel 22.8 van de Omgevingswet is voorzien in overgangsrecht. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 Wabo feitelijk wordt gecontinueerd.
Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die nu krachtens artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt aangemerkt als een Waboomgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Deze delegatie is van belang, omdat onder vigeur van de Omgevingswet de grondslag van de ‘kapvergunning’ is gelegen in het omgevingsplan. De bevoegdheid om nadere regels vast te stellen of aanwijzingsbesluiten, zoals dat in verordeningen mogelijk is, komt daarmee te vervallen. De gemeenteraad kan daarvoor in de plaats wel middels delegatie (artikel 2.8 Omgevingswet) door een deel van het omgevingsplan laten vaststellen door het college, waarin bijvoorbeeld is bepaald voor welke bomen bij het vellen een vergunningplicht van toepassing is. Het delegatiebesluit ingevolge artikel 2.8 Omgevingswet vormt een afzonderlijk besluit, dat geen deel uitmaakt van het omgevingsplan of de verordening. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte van de bevoegdheid. Het bepaalt binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend en, voor zover nodig, binnen welke termijn.
Het delegerende orgaan kan bij het delegatiebesluit bepalen op welke wijze het dagelijks bestuur van de betrokken decentrale overheid uitvoering moet geven aan de gedelegeerde bevoegdheid. Daarnaast beschikt het delegerende orgaan over de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen over de gedelegeerde bevoegdheid (op grond van artikel 4:81, eerste lid, Awb). De raad zal bij aparte besluitvorming de vereiste delegatiebesluiten worden voorgelegd. De leden twee en volgende zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Algemene plaatselijke verordening 2020. Artikel 2.26 Verbod op reclame Dit betreft een nieuwe vergunningplicht die is opgenomen om gevolg te kunnen geven aan het verzoek van de gemeenteraad om (beleids)regels vast te stellen voor reclame. Door de regels in dit artikel op te nemen, vervalt (voorlopig) de noodzaak om beleidsregels op te stellen, vanwege: 1. het feit dat deze bepaling gedetailleerde invulling geeft aan wat onder onwenselijke reclame wordt verstaan:
Pagina 13 van 30
2. het verbod (en daarmee de vergunningplicht) enkel van toepassing is, als sprake is van een van de in lid 3 genoemde situaties. Daarmee wordt bewerkstelligd dat de bevoegdheid uitsluitend intreedt als sprake is van een excessieve vorm van reclame voeren. In principe wordt aansluiting gezocht bij hetgeen geldt op grond van de welstandnota. Deze manier van regulering leidt er toe dat de regeldruk voor ondernemers, burgers, verenigingen, etc., alsook de ambtelijke werkdruk, beperkt blijft. In lijn met de Omgevingswet wordt de verantwoordelijkheid bij de ondernemers/burgers/verenigingen gelegd. Pas als afbreuk wordt gedaan aan de gestelde kernwaarden, kan het college optreden. Daarbij kan altijd advies worden ingewonnen bij de dorpsbouwmeester. Om voorwaarden te kunnen stellen aan reclame-uitingen is het vereist een verbodsbepaling te hebben, op grond waarvan de regels uitgewerkt kunnen worden. Hiermee wordt tevens de bevoegdheid gecreëerd om beleidsregels vast te stellen, als bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Mocht de uitwerking in de praktijk toch tot te veel onduidelijkheden leiden, kan met de opgedane ervaring alsnog beleid worden opgesteld.
Lid 1 en 2 Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder h Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning: op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Met dit artikel wordt deze bevoegdheid uitgebreid naar eveneens reclame op roerende zaken om integrale beoordeling en uniformiteit mogelijk te maken. De beoordeling van reclame komt overeen met de welstandtoets (zie onderstaande). Onder vigeur van de Omgevingswet wordt deze vergunningplicht een bevoegdheid op grond van het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1 Ow). Wat onder reclame wordt verstaan is uitgewerkt in artikel 1.1 (Definities) van deze verordening. Deze definitie gaat verder als thans in de Wabo is geregeld. Onder reclame wordt namelijk verstaan: elke vorm van openbare aanprijzing om de afzet van goederen, diensten, activiteiten en/of doelstellingen te bevorderen, overgebracht door middel van een aanduiding, opschrift, aankondiging, mededeling, uitbeelding, afbeelding, projectie, in welke vorm dan ook, al dan niet in combinatie met een bouwkundig object, voor zover deze vanuit de openbare ruimte in, op, aan of rondom enig onroerend of roerend zichtbaar is.
Niet in alle gevallen zal daarom bij toepassing van deze bevoegdheid sprake zijn van een omgevingsvergunning. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, krijgt de raad de bevoegdheid dit verruimde toepassingsbereik op te nemen in het omgevingsplan. Op grond van de verordeningsbevoegdheid kan deze verruiming echter nu al plaatsvinden. Als deze regels in een toekomstig omgevingsplan zijn opgenomen, zal in alle gevallen sprake zijn van een omgevingsvergunning. Lid 3 Als de in lid 3 genoemde situaties zich niet voordoen, geldt geen vergunningplicht en is geen sprake van een overtreding van dit artikel. Enkele genoemde situaties zijn objectief vast te stellen, namelijk: (span)doeken roterende of mechanisch bewegende reclamevoeringen of –voorwerpen; losse merkenreclame of anderszins reclame voor bedrijven, diensten of producten die niet op het desbetreffende perceel plaatsvinden of worden verkocht; reclame op onbebouwde gronden of percelen Pagina 14 van 30
Als hiervan sprake is moet handhavend worden opgetreden, dan wel (na zorgvuldige belangenafweging) een vergunning worden verleend. De insteek is echter dat wij in beginsel het verlenen van een vergunning niet wenselijk achten. Reclame dat hinderlijk of gevaarlijk is voor derden (waaronder wordt begrepen inbreuk op de verkeersveiligheid en beperkingen voor de bereikbaarheid/doorrijhoogte of –breedte van hulpdiensten), kan soms makkelijk vast te stellen zijn maar soms ook lastig. Hier blijven de omstandigheden van het geval leidend. Vergunningverlening zal in beginsel niet wenselijk zijn. Dit onderdeel heeft een brede uitwerking. Zo valt onder hinder of gevaar ook belemmeringen voor buurpercelen, zoals uitzicht belemmering, lichtbelemmering, etc.
De overige situaties zijn moeilijk objectief vast te stellen: armoedig, ondeugdelijk of niet weerbestendig materiaalgebruik; toepassing van felle en (sterk) contrasterende kleuren; te opdringerige of veelvoud (waaronder omvang) aan reclames; een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria) ernstige afbreuk doen aan architectonische bijzonderheden van een pand of monumentale waarden; felle, van kleurwisselende of knipperende belichting (al dan niet ter ondersteuning van reclame); Slechts na een goede onderbouwing kan hiertegen handhavend worden opgetreden, dan wel vergunning worden verleend. Ook hier is in beginsel vergunningverlening niet wenselijk. Om deze aspecten zo objectief mogelijk vast te stellen, zal gebruik worden gemaakt van de criteria in de welstandsnota/welstandsbeleid dan wel om advisering worden gevraagd van de dorpsbouwmeester. Lid 4 Ter verduidelijking en volledigheidshalve zijn in het vierde lid een aantal reclames genoemd die buiten het toepassingsbereik vallen. Hiervoor geldt aldus geen verbod of vergunningplicht. Het betreft: a. reclame op driehoeks- of sandwichborden waarvoor op grond van artikel 2.1 van deze verordening een vergunning is verleend; → Om een extra vergunningslast te voorkomen, is deze uitzondering opgenomen.
Deze uitzondering is niet gemaakt voor bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning is verleend voor bouwen, omdat soms bouwonderdelen vergunningvrij zijn, zou er een hiaat kunnen ontstaan, dat een uniforme toepassing van deze regels kan belemmeren. b. opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks uitsluitend voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; c. aankondigingen, waarbij een onroerende zaak geheel of gedeeltelijk te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijk betekenis hebben, mits aangebracht op (als het om grond gaat) of aan een onroerende zaak dat te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden; d. opschriften en aankondigingen op of aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer en andere openbare diensten, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer c.q. die openbare dienst; e. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen ter regulering van het openbaar verkeer; Pagina 15 van 30
f.
opschriften, aanplakkingen, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden of andere constructies die door of vanwege de gemeente zijn geplaatst; → Hieronder worden in elk geval verstaan de elektronische reclamezuilen die aan de toegangswegen van de dorpskernen zijn geplaatst, maar ook de aanplakborden voor verkiezingen. g. als wordt gehandeld bij of krachtens wettelijke voorschrift, waaronder woningsluitingen op grond van de Opiumwet; → Alhoewel ook deze borden van gemeentewege (burgemeester=bevoegd gezag) worden geplaatst, worden deze hier apart genoemd, voor de kenbaarheid van burgers (alsook ambtenaren), maar ook vanwege het feit dat hieraan een specifieke wettelijke basis ten grondslag ligt. h. aankondigingen en opschriften aan woningen, die verband houden met persoonsgebonden uitingen van tijdelijke aard, zoals geboorte, prinscarnaval, etc.; i. aankondigingen en opschriften achter glazen vensters, deuren en ramen van een bouwwerk, van tijdelijke aard: - in de aanloop van verkiezingen aanprijzen van politieke partijen, tot maximaal 1 dag na de verkiezingsdatum; - ter bevordering van tijdelijke inzamelacties of verband houdend met christelijke tradities (waaronder carnavalsposter), voor de duur van de actie / seizoen.
Hoofdstuk 3 Bouwen Dit hoofdstuk is een overblijfsel van de Bouwverordening gemeente Simpelveld (12e serie wijzigingen) 2008. Als gevolg van een wetswijzing van de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening zijn alle stedenbouwkundige artikelen in de Bouwverordening komen te vervallen bij de inwerkingtreding van onze bestemmingsplannen in 2016. De Bouwverordening is hierop nooit aangepast, waardoor dit nu alsnog gebeurt. De reden is dat deze artikelen in het bestemmingsplan moeten zijn opgenomen. Daarnaast zijn een aantal artikelen die betrekking hadden op bouwwerken komen te vervallen, omdat deze zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. De enige artikelen van de Bouwverordening die behouden worden, hebben betrekking op het verbod te bouwen op verontreinigde bodem en de bepalingen omtrent de welstandcommissie. De bouwverordening vindt haar grondslag in artikel 7b en 8 van de Woningwet. Op grond van artikel 2.55, onderdeel C van de (thans bekend zijnde wettekst van de) concept Invoeringswet Omgevingswet (Staatsblad 2020, 172) komt hoofdstuk II van de Woningwet, waarvan artikel 7b en 8 Woningwet deel uitmaakt, te vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze bepalingen kunnen in het omgevingsplan worden opgenomen.
Artikel 3.3 Voorschriften omgevingsvergunning voor bouwen Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Pagina 16 van 30
In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden. Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.
Omgevingswet Op grond van artikel 5.89k (maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit bodem) van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplan worden bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, lid 1, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Hoofdstuk 4 Welstand (geldend vóór inwerkingtreding Omgevingswet) Dit hoofdstuk vindt zijn juridisch grondslag in de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikel 8 van de Woningwet. Omdat artikel 8, lid 5 van de Woningwet vereist dat de welstandregels in een ‘bouwverordening’ worden opgenomen. Is deze benaming tussen haakjes toegevoegd in de titel van dit hoofdstuk. Artikel 4.1 Advisering door welstandscommissie De welstandcommissie adviseert in de hoedanigheid van de dorpsbouwmeester bij omgevingsvergunningaanvragen ten aanzien van de redelijke eisen van welstand zoals opgenomen in de ‘Welstandsnota Landelijk Parkstad’ uit 2004. Omdat artikel 8, lid 5 van de Woningwet vereist dat de raad kan bepalen dat de stadsbouwmeester in de plaats kan treden voor de welstandscommissie, is dit in het eerste lid expliciet benoemd. Daarnaast adviseert de dorpsbouwmeester aangevuld met een tweede persoon inzake rijksmonumenten. De verwijzing naar artikel 2.1, lid 1 onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft betrekking op rijksmonumenten. Daarnaast geldt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook nog artikel 11, tweede lid van de Monumentenwet 1998 (op grond van het overgangsrecht, artikel 9.1 Erfgoedwet).
Artikel 4.2 Samenstelling en benoeming De samenstelling van de welstandscommissie is gewijzigd ten opzichte van de hoofdstuk 9 uit de Bouwverordening, omdat de verordening in strijd was met het eveneens en gelijktijdig
Pagina 17 van 30
door de raad vastgestelde Reglement van orde van de dorpsbouwmeester. Bij dit reglement is aansluiting gezocht, omdat in de praktijk ook zo wordt gewerkt. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen. Om deze reden, wordt dit reglement ingevolge artikel 4.2. lid 7 en 8 vastgesteld door de commissie en gepubliceerd door het college. Vervallen artikel t.a.v. Afdoening onder mandaat / verantwoordelijkheid Dit artikel bood de mogelijkheid om de welstandstoets te mandateren of over te dragen aan een ander, onder de verantwoordelijkheid van de dorpsbouwmeester. Deze bevoegdheid is in 2010 komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De bevoegdheid kwam voort uit artikel 48 Woningwet dat betrekking had op licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, die sinds de Wabo is komen te vervallen. De Wabo kent de volgende systematiek. Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.
Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te toetsen aan zgn. loketcriteria. Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de commissie het college.
Artikel 4.4 Termijn van advisering In de Bouwverordening 1995 staat vermeld dat de welstandcommissie binnen zes weken advies moet uitbrengen. Dit lijkt erg lang, mede gelet op de beslistermijn van acht weken. Conform het reglement van orde van de dorpsbouwmeester is er in deze één week van gemaakt. Op grond van het tweede lid kan altijd (bijv. bij monumenten) een langere termijn worden afgesproken. Overgangsrecht Omgevingswet Artikel 1.144 van de Invoeringswet Omgevingswet bepaalt: 1. Een welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet die van kracht is, geldt als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 2. Als een ontwerp van een welstandsnota voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft het oude recht daarop van toepassing tot de welstandsnota is vastgesteld.