CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

11. Bijlage 1 Herinrichting Uitkijkpunt Huls-Bijlagen bij de regels-Bijlage 1 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu 2012.pdf

Commissie GGZ 8 februari 2022, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan herinrichting Uitkijkpunt Huls te Simpelveld22.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De normale goede ruimtelijke en landschappelijk inpassing vormt echter een basisonderdeel van de ontwikkeling zelf en kan derhalve niet verrekend worden met de kwaliteitsbijdrage. Bij de gebiedseigen ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven, is het realiseren van een goede inpassing meestal het belangrijkste onderdeel van de kwaliteitsverbetering. In de modules zijn de kwaliteitsbijdragen per ontwikkeling uitgewerkt.

5.6

De kwaliteitsverbeteringen

Via kwaliteitsverbeteringen wordt de ingreep die door een ontwikkeling plaatsvindt gecompen-seerd. In een aantal gevallen gebeurt dit rechtstreeks, in andere gevallen via een financiële kwaliteitsbijdrage aan een kwaliteitsfonds. De voorwaarden voor de kwaliteitsverbeteringen zijn als volgt: „„

De kwaliteitsverbeteringen zijn alle fysiek ruimtelijk van aard en komen ten goede aan de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied;

„„

Het dient bij de kwaliteitsverbeteringen te gaan om additionele verbeteringen. Zaken waarvoor al middelen gereserveerd zijn komen daarom niet in aanmerking;

„„

De kwaliteitsverbeteringen dienen in tijd en plaats een verband te hebben met de ingreep/ontwikkelingen;

„„

De kwaliteitsverbetering is kwantificeerbaar.

De bepaalde kwaliteitsbijdrage moet door de initiatiefnemer worden omgezet in kwaliteitsverbeteringen. Dit kan rechtstreeks door het uitvoeren van fysieke maatregelen, zoals de aanleg van natuur of de sloop van bebouwing, óf indirect via een financiële bijdrage aan een fonds dat de uitvoering van de maatregelen overneemt óf door een combinatie van beide. Als voorbeeld van kwaliteitsverbeteringen kunnen worden genoemd: de realisering van natuur en landschap volgens een landschapsontwikkelingsplan, het herstel van cultuurhistorische elementen en structuren, renaturering van beken, de sloop van glasopstanden of bebouwing en de verplaatsing van agrarische 2  Wanneer de kwaliteitsbijdrage € 60.000,-- bedraagt betekent dit dat de initiatiefnemer zelf kwaliteitsverbeteringen ter hoogte van dit bedrag uitvoert.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

31

bedrijven. In hoofdstuk 7 zijn de kwaliteitsverbeterende maatregelen uitgewerkt. Het is niet mogelijk om de LKM kwaliteitsbijdragen, die ten goede dienen te komen aan de kwaliteit van het buitengebied in te zetten voor de verbetering van de kwaliteit van de kernen. Ook is het niet mogelijk om de LKM kwaliteitsbijdragen in te zetten voor ‘rode’ maatschappelijke functies zoals een Multifunctionele accommodatie (MFA), ook al ligt deze in het buitengebied. De gemeente geeft via een lijst de doelen en projecten aan, waaraan zij de kwaliteitsbijdragen wil (laten) besteden. Deze doelen en projecten moeten passen binnen de bovenstaande voorwaarden voor kwaliteitsverbeteringen

5.7

Borging kwaliteitsverbeteringen

Afspraken die in het kader van het LKM worden gemaakt kunnen op verschillende manieren worden geborgd. Er is een privaatrechtelijk en een bestuursrechtelijk spoor. Doorslaggevend hierbij is het type ‘tegenprestatie’ dat verlangd wordt. De gemeente kan een financiële tegenprestatie verlangen of eisen dat een initiatiefnemer ‘feitelijk realiseert’. Met ‘feitelijke realisatie’ wordt gedoeld op het geval waarin de initiatief¬nemer zelf de kwaliteitsverbetering realiseert. Het kan dan gaan om het slopen van een gebouw, het plaatsen van bomen voor de inpassing van de rode ontwikkeling, of het saneren van een stuk grond door de initiatiefnemer zelf of in zijn opdracht. Als een financiële bijdrage gevraagd wordt voor kwaliteitsverbetering, geschiedt de borging via de structuurvisie en een anterieure of posterieure overeen¬komst. In de structuurvisie wordt het verband tussen de rode ontwikkeling en kwaliteitsverbetering beschreven. In de overeenkomst worden de afspraken over realisatie en instand¬houding van de kwaliteitsverbetering vastgelegd. Dit wordt de privaat¬rechtelijke weg genoemd. Wanneer de gemeente voor deze weg kiest zal zij ook privaatrechtelijk moeten handhaven.

Wanneer de gemeente verlangt dat de initiatiefnemer ‘feitelijk realiseert’ geschiedt dit via de bestuursrechtelijke weg: door voorwaarden te verbinden aan een omgevingsvergunning of voorschriften op nemen in een bestemmingsplan (of wijzigingsplan of uitwerkings¬plan), waarin is bepaald dat kwaliteitsverbetering ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening wordt gerealiseerd. Een financiële bijdrage langs bestuursrechtelijk weg regelen kan alleen als in het exploitatieplan kosten voor kwaliteitsverbetering zijn opgenomen en mits voldaan wordt aan de criteria profijt, causaliteit en proportionaliteit, en het verband tussen kwaliteitsverbetering en de ‘rode ontwikkeling’ is beschreven in de gemeentelijke structuurvisie. De financiële bijdrage wordt dan als betalingsvoorwaarde verbonden aan de omgevingsvergunning in de vorm van exploitatiebijdrage. Als het LKM bestuursrechtelijk geregeld is, heeft dat als voordeel dat ook bestuursrechtelijk gehandhaafd kan worden. Bij het uitblijven van de realisatie van de kwaliteitsverbetering kan handhavend worden opgetreden door intrekking van de omgevingsvergunning voor de ‘rode ontwikkeling’, dan wel rechtstreeks handhaving van de voorwaarde met een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Het private spoor is niet beter dan het bestuurlijke spoor, of andersom. De Wro voorziet uitdrukkelijk in de

32

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

bevoegdheid om afspraken inzake financiële bijdragen aan een ruimtelijke ontwikkeling privaatrechtelijk te regelen. Vanuit het kwaliteitsbeleid bestaat de voorkeur voor ‘feitelijke realisatie’ mede vanwege het vereiste van (ruimtelijke) causaliteit. Een voordeel van het bestuursrechtelijk spoor is dat wanneer de initiatiefnemer de kwaliteitsverbetering niet realiseert, op grond van de voorschriften in het bestemmingsplan of middels de voorwaarden aan de omgevingsvergunning bestuursrechtelijk handhavend opgetreden kan worden. Recent zijn door de rechter twee uitspraken gedaan die gevolgen hebben voor de manier waarop kwaliteitsverbeteringen geregeld moeten worden. Het gaat om de volgende uitspraken: AbRvS 29 december 2010 nr. 201003274 (Meerlo-Wanssum) en AbRvS 1 juni 2011, nr. 201008528 (Wijzigingsplan Maasdriel). Deze uitspraken betekenen dat, waar de gemeente de landschappelijke inpassing als voorwaarde stelt aan de ontwikkeling, als de gemeente dus stelt dat een betreffende maatregel ruimtelijk relevant is, dan dient deze maatregel in het bestemmingsplan geregeld te worden. Het gaat hierbij om alle fysieke maatregelen die ruimtelijk relevant zijn voor het toelaten van de nieuwe rode ontwikkeling.

Een inrichtingsplan zal dan ook onderdeel uit moeten maken van het bestemmingsplan, waarin tevens de instandhouding en het beheer van de maatregel in de regels van het bestemmingsplan worden vastgelegd. Een privaatrechtelijke overeenkomst kan dan alleen nog maar gebruikt worden om die zaken te regelen die niet ruimtelijk relevant zijn en die niet worden geregeld in het bestemmingsplan. Daarmee verandert de praktijk zoals we die kennen voor met name agrarische nieuwvestiging en uitbreiding (BOM+), gebiedseigen recreatie en toerisme en de goede landschappelijke inpassing van andere nieuwe ontwikkelingen. Via de zogenaamde voorwaardelijke bestemming kan een dergelijke maatregel, zoals bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing en instandhouding ervan, geregeld worden. Deze bestemming geeft aan dat alleen wanneer aan de voorwaarden (in dit geval de inpassing) is voldaan de bestemming gerealiseerd of gebruikt kan worden.

5.8

Verantwoording

De gemeenten werken met het kwaliteitsmenu op basis van afspraken. De gemeenten krijgen daarbij de vrijheid en het vertrouwen om op basis van die bestuursafspraken een gemeentelijk kwaliteitsbeleid uit te werken en toe te passen. Daarbij is voor het vertrouwen, maar ook voor het draagvlak openheid en transparantie van belang. Naar de gemeentelijke, provinciale en landelijke politiek moet duidelijk worden gemaakt dat er op een zorgvuldige manier met de mogelijkheden wordt omgegaan. Dat kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit. Een belangrijk onderdeel van de openheid is de monitoring van de toepassing van het gemeentelijke kwaliteitsmenu. Via monitoring en evaluatie zullen Provincie en gemeente de voortgang van het gebruik van het instrumentarium volgen. Er wordt door de Provincie niet meer per casus beoordeeld of voldoende kwaliteitsverbetering plaatsvindt, maar jaarlijks wordt de balans tussen ontwikkelingen en kwaliteitsverbeteringen opgemaakt. De gemeente levert daartoe de gegevens aan waarin de ontwikkelingen en kwaliteitsverbeteringen in balans worden gezet. De gegevens worden gebruikt voor de jaarlijkse evaluatie van de toepassing van het Limburgs Kwaliteitsmenu tussen gemeente en Provincie. Op basis van deze evaluatie wordt besloten of de gemeente in het daarop volgende jaar het LKM weer zelfstandig kan toepassen of dat ingrijpen gewenst is.

De provincie Limburg stelt aan de hand van de gemeentelijke resultaten een provinciale monitor op. Daarbij gaat het om de inzet van de maatregelen en het bereiken van de doelen zoals afgesproken tussen Provincie en gemeente. Er wordt niet alleen naar de resultaten gekeken, maar ook hoe de resultaten worden bereikt.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

33

De monitor wordt gebruikt voor een jaarlijkse evaluatie van het instrumentarium. De provincie Limburg heeft in samenwerking met de gemeenten een digitaal systeem laten ontwikkelen waarin de gegevens over LKM casussen kunnen worden bijgehouden. Dit LKM registratiesysteem is onderdeel van www.ruimtelijkinzichtlimburg.nl en wordt door de Provincie aan de gemeenten aangeboden. Indien de gemeenten hier gebruik van maken, en de gegevens goed bijhouden, kunnen de door de gemeente aan te leveren gegevens automatisch gegenereerd worden.

5.9

Het proces van initiatief tot kwaliteitsverbetering in stappen

Het Limburgs Kwaliteitsmenu richt zich op initiatieven in het buitengebied. Veelal zijn de initiatiefnemers particulieren; ondernemers, boeren en burgers. In een aantal gevallen is de overheid initiatiefnemer. In alle gevallen moet een aantal vaste stappen worden doorlopen in het proces van het kwaliteitsmenu. Stappen die noodzakelijk zijn om tot kwaliteit te komen. Voor de meeste onderdelen (modules) van het kwaliteitsmenu zijn de stappen identiek. Daar waar afwijkende processen aan de orde zijn wordt dit in de modules aangegeven. De volgende stappen kunnen worden onderscheiden: Stap 1:

Er is een initiatief in het buitengebied voor een bepaalde ontwikkeling die onder het Limburgs Kwaliteitsmenu valt.

Stap2:

Er vindt door de gemeente een afweging plaats of men wil meewerken aan het initiatief, dat niet past in het vigerende bestemmingsplan, maar dat men wel wenselijk vindt. In het afwegingsproces worden, waar nodig, de principes van de SER-ladder 3 gehanteerd en vindt een planologische afweging plaats. Bij de planologische afweging worden de rijks- en provinciale belangen volgens de belangenstaat en het POL betrokken.

Stap 3:

Bij een negatief resultaat van de afweging betekent dat het einde van het initiatief in deze vorm. Bij een positief resultaat is het uitgangspunt dat de voorgenomen ontwikkeling altijd met voldoende kwaliteit wordt uitgevoerd. D.w.z. inpassing en eventuele compensatie van verlies van omgevingskwaliteit. Alleen in combinatie met de kwaliteitsverbeteringen is de ontwikkeling aanvaardbaar. De kwaliteitsverbeteringen maken daarmee onderdeel uit van de ruimtelijke afweging.

Stap 4:

Op basis van het gemeentelijke kwaliteitsbeleid wordt de gewenste inpassing, kwaliteitsbijdrage en kwaliteitsverbetering bepaald.

Stap 5:

Een onafhankelijke deskundige kwaliteitscommissie adviseert over de kwaliteit van de ontwikkeling inclusief de voorgenomen kwaliteitsverbeteringen.

Stap 6:

De gemeente regelt via bestemmingsplan en/of privaatrechtelijke overeenkomst de realisering van de ontwikkeling, de kwaliteitsbijdrage en de kwaliteitsverbetering.

Stap 7:

De kwaliteitsverbeteringen worden rechtreeks via het uitvoeren van fysieke maatregelen, of indirect via een financiële kwaliteitsbijdrage aan een kwaliteitsfonds uitgevoerd.

Stap 8:

De gemeente controleert de uitvoering van de kwaliteitsverbeteringen en handhaaft de instandhouding.

Stap 9:

de gemeente registreert de gegevens ten behoeve van de monitoring.

3  In de Nota Ruimte staat het redeneerschema van de SER-ladder beschreven. Dit houdt in dat ten eerste wordt ingezet op een optimaal gebruik van de reeds beschikbare (of door herstructurering beschikbaar te maken) ruimte. Pas als dat niets oplevert, wordt als tweede gedacht aan de mogelijkheden van meervoudig ruimtegebruik en ten derde aan uitbreiding van het ruimtegebruik.

34

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

Deel 2:

Modules voor ontwikkelingen, kwaliteitsbijdragen en kwaliteitsverbeterende maatregelen

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

35

36

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6

De kwaliteitsbijdragen bij ontwikkelingen

6.1

Inleiding

Op basis van het POL is een aantal mogelijke ontwikkelingen buiten de contouren in modules uitgewerkt. Het gaat om modules voor: „„

nieuwe landgoederen;

„„

gebiedseigen recreatie en toerisme;

„„

niet gebiedseigen recreatie en toerisme;

„„

agrarische nieuwvestiging en uitbreiding;

„„

uitbreiding glastuinbouw;

„„

uitbreiding bedrijventerreinen;

„„

uitbreiding solitaire bedrijven;

„„

nieuwe (solitaire) woningen;

„„

projectmatige woningbouw in uitleggebieden;

„„

overige (gebouwde) functies

De modules zijn in de navolgende paragrafen beschreven. Ze kunnen integraal door de gemeenten worden overgenomen. Maar ze kunnen ook door de gemeenten op basis van de lokale omstandigheden verder worden uitgewerkt. Daarbij wordt vooral gedacht aan een verdergaande differentiatie naar gebieden. De gemeente kan ook eigen modules toevoegen. Per module is de hoogte van de kwaliteitsbijdrage aangegeven. Daarbij is aangegeven of het om maatwerk, drempelwaarden of een richtlijn handelt. Eventueel is aangegeven welke soort kwaliteitsverbeterende maatregelen bij de module behoort

6.2

De hoogte van de kwaliteitsbijdragen: maatwerk, richtlijnen en drempelwaarden

In het Limburgs Kwaliteitsmenu wordt, afhankelijk van de soort ontwikkeling, gewerkt met maatwerk, richtlijnen en drempelwaarden. Maatwerk Daar waar sprake is van gebiedseigen ontwikkelingen is in principe inpassing en maatwerk leidend. Alleen voor glastuinbouwbedrijven geldt wegens de gewenste ‘afwaartse beweging’ ook een drempel voor de kwa-

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

37

liteitsbijdrage. De gemeenten kunnen op basis van omgevingskwaliteiten en streefbeelden in het gemeentelijke kwaliteitsmenu handvatten geven voor een nadere invulling van het maatwerk. Bij de niet-gebiedseigen ontwikkelingen is de goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing maatwerk, daarnaast geldt bij deze ontwikkelingen ook een extra bijdrage in de vorm een drempelbijdrage. Richtlijnen Daar waar de Provincie de gemeenten een handvat mee wil geven over de hoogte van de kwaliteitsbijdrage of kwaliteitsverbetering is sprake van een richtlijn. Dit betekent dat de gemeente, de richtlijn in gedachten houdend, zelf op basis van argumenten voor een andere invulling kan kiezen. De te bereiken kwaliteit is maatgevend. Drempelwaarden In de andere gevallen wordt, naast de goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing, ook gewerkt met drempelwaarden voor extra kwaliteitsbijdragen. De drempelwaarden geven een verplicht minimum aan; de gemeente kan afhankelijk van de lokale omstandigheden daar een opslag bovenop zetten. Op basis van de waarden en kenmerken van de gebieden kan de hoogte van de kwaliteitsbijdrage gedifferentieerd worden. De gemeente kan echter niet voor een lagere bijdrage kiezen. Desgewenst kan de gemeente in haar gemeentelijk kwaliteitsmenu gebruik (blijven) maken van rekenmodellen.

Het is dan wel van belang om daarbij de drempelwaarde als ondergrens in het rekenmodel op te nemen. Er wordt in het Limburgs Kwaliteitsmenu gewerkt met drempels in plaats van een vast bedrag of een rekenmodel zodat gemeenten dit op een eenvoudige wijze kunnen toepassen en daarbij de mogelijkheid behouden om te variëren boven de drempel. Een minimum drempel is noodzakelijk om een substantiële compensatie en kwaliteitsverbetering te realiseren op een vergelijkbaar niveau in Limburg. Door te werken met drempels kunnen we sturen op gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Zo sturen we met de drempel voor woningbouw op concentratie in stads- en dorpsgebieden. Bij de uitbreiding van glastuinbouw sturen we op concentratie in concentratiegebieden en projectvestigingen. Dit zijn provinciale belangen. In het geval dat er door de regio een eigen beleid wordt ontwikkeld om sturing te geven aan deze doelstelling neemt zij daarmee de verantwoordelijkheid voor dit provinciale belang over. In dat geval kan het verplicht stellen van een drempelwaarde voor deze ontwikkeling worden heroverwogen. De drempelwaarden zijn bij de verschillende ontwikkelingen zo gekozen dat in het algemeen projectmatige ontwikkelingen er niet door worden gefrustreerd en dat bij solitaire ontwikkelingen vestiging in het buitengebied niet aantrekkelijker wordt dan die in de kernen en op de bedrijventerreinen.

Voor het kwaliteitsmenu is de uitgangssituatie van de grond van belang voor de kwaliteitsbijdrage en de te leveren kwaliteitsverbeteringen. De drempelbedragen en richtlijnen gaan uit van open gronden, d.w.z. gronden zonder bijzondere situaties zoals ernstige bodemsaneringen of aanwezige bebouwing. Daar waar bijzondere omstandigheden aan de orde zijn en de drempelbedragen tot onevenredige kwaliteitsbijdragen leiden kan in overleg met de Provincie een rekenmodel worden toegepast. De Provincie is in staat en bereid om hierin te ondersteunen. Er is dan sprake van een gezamenlijke overeenstemming tussen Provincie en gemeente over de bijdrage.

38

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

Periodiek wordt door de Provincie bezien of de drempelwaarden geactualiseerd dienen te worden. Op deze wijze kan op veranderingen in de maatschappij en de markt worden ingespeeld. De aanpassing is een besluit van Gedeputeerde Staten waarvoor de Statencommissie voor Ruimte en infrastructuur wordt geconsulteerd. De actuele normen worden via het internet gepubliceerd.

6.3

De kosten van de kwaliteitsverbeterende maatregelen; richtlijnen en maatwerk.

Met de kwaliteitsbijdrage moeten de kwaliteitsverbeterende maatregelen worden uitgevoerd. Voor de bepaling van de hoogte van de kwaliteitsbijdrage zijn de richtlijnen en drempels van belang. Voor de te realiseren kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn de kosten bepalend. Voor de kosten van aanleg van natuur en landschap gelden algemene richtlijnen (onder meer van Alterra: Normenboek, natuur, bos en landschap), evenals voor de sloop van stallen en glas. Dit zijn normbedragen. In het algemeen zijn de daadwerkelijke kosten (op basis van voorcalculatie-offerte) uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de kwaliteitsverbeteringen. De gemeente kan er voor kiezen om op basis van de ambities in haar beleid te variëren. Als voorbeeld zou in een gebied (P3) waar ontstening en ontglazing zeer gewenst is ervoor kunnen worden gekozen om meer dan alleen de sloopkosten van glas te vergoeden, bijvoorbeeld ook een deel van de waardedaling van de grond. Terwijl in gebieden waar verglazing geen probleem is een lagere bijdrage wordt geleverd. Een soortgelijke benadering kan ook voor andere kwaliteitsverbeterende maatregelen worden gekozen. Er zal echter op gelet moeten worden dat de vergoedingen niet hoger zijn dan de werkelijke totale kosten. Dit ter voorkoming van onterechte staatsteun. De kosten van de kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn divers.

Bedrijfsverplaatsing is relatief kostbaar, landschapsontwikkeling relatief goedkoop. De financiële middelen die ingezet kunnen worden uit de kwaliteitsbijdragen zijn beperkt. De gemeente zal daarom dus bewuste keuzes moeten maken in de uitgaven die zij wil doen voor de kwaliteitsverbeteringen. In samenspraak met de Provincie wordt een pakket van maatregelen afgesproken. Wanneer de gemeente de beginselen van het Limburgs Kwaliteitsmenu toepast, kan dit betekenen dat er voor een initiatiefnemer sprake is van positieve of negatieve waardeontwikkeling, doordat hij de mogelijkheid krijgt om een woning te realiseren of doordat hij stallen sloopt. Dit kan betekenen dat er fiscale gevolgen zijn voor de initiatiefnemer. Het is daarom aan te raden om tijdig bij een belastingadviseur of de belastingdienst te informeren naar eventuele gevolgen.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

39

6.4

Nieuwe landgoederen

Toelichting nieuwe landgoederen Het Nederlandse landschap is een cultuurlandschap. Het landschap is gevormd door de inwoners, vaak als werklandschap maar soms ook als plezierlandschap, zonder de economische aspecten uit het oog te verliezen. De landgoederen in Nederland behoren tot de laatste categorie. Waar in Midden- en Oost-Nederland de landgoederen in eerste instantie door adellijke families zijn gesticht, zijn veel landgoederen in Limburg voortgekomen uit de industrialisatie. Rijke ondernemers stichtten landgoederen aan de buitenranden van de steden. De landgoederen worden in Nederland hoog gewaardeerd, mede omdat veel landgoederen zijn opengesteld voor het publiek. De laatste decennia zijn er echter nauwelijks nieuwe landgoederen gesticht. Het in Nederland gevoerde ruimtelijke ordeningsbeleid ging uit van een scherpe scheiding tussen “stad” en “platteland” en bood geen kansen om nieuwe initiatieven voor groen wonen in het buitengebied te ontwikkelen. Daarmee ontbrak de mogelijkheid om voortbordurend op de hogelijk gewaardeerde culturele traditie nieuwe landgoederen te ontwikkelen, die een bijdrage zouden kunnen leveren aan de ontwikkeling van het platteland en de versterking van natuur en landschap. Op initiatief van onder meer het toenmalige ministerie van LNV hebben de provincies daarom het nieuwe landgoederenbeleid ontwikkeld.

In Limburg is gestart met een experimententraject. Naar aanleiding van de ervaringen uit dit experimententraject is het beleid voor nieuwe landgoederen onder de titel “Rood-voor-Groen” in 2005 in de POL-herziening op onderdelen contourenbeleid geïntroduceerd. Hiermee werd de mogelijkheid geboden om ter versterking van de natuur en landschapskwaliteit een landgoed te ontwikkelen bestaande uit 10 hectare nieuw groen en een gebouw van allure. De ervaring met het landgoederenbeleid leert dat er regelmatig initiatieven zijn, maar dat relatief weinig initiatieven daadwerkelijk gerealiseerd worden. Omdat we het belangrijk vinden dat deze mogelijkheid om het buitengebied op een positieve manier te ontwikkelen, beter benut kan worden wordt de landgoederenregeling verruimd door ook bestaande gebouwen in aanmerking te laten komen voor de regeling, waarbij uitgegaan wordt van een minimale omvang van 5 hectare nieuw groen in plaats van de 10 hectare die geldt voor een nieuw landgoed. Voor de nieuwe landgoederen die worden ontwikkeld op een locatie waar nog geen bestaande (woon-) bebouwing aanwezig blijft de eis gelden van circa 10 hectare nieuw groen. In beide gevallen is de kwaliteit van het landgoed leidend of realisatie mogelijk is. De eis dat het landgoed wordt gerealiseerd in de POG vervalt.

De verwachting is dat met deze aanpassingen meer landgoederen daadwerkelijk tot ontwikkeling zullen komen.

40

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

Module voor nieuwe landgoederen Ter versterking van de natuurlijke, landschappelijke, economische en recreatieve functie van het buitengebied kunnen nieuwe landgoederen worden opgericht. De landgoederen hebben kwaliteiten op zichzelf, maar versterken bij voorkeur ook de kwaliteiten van nabijgelegen natuurgebieden, landschappelijk waardevolle gebieden en de uitloopgebieden van de steden. De belangrijkste aspecten aan het landgoed zijn de openbare toegankelijkheid, de herkenbaarheid en uitstraling; de eenheid en allure. Een belangrijk doel van het beleid voor nieuwe landgoederen is het realiseren van nieuw groen en landschap. Het rood op het landgoed dient beperkt te zijn en onderdeel te zijn van het geheel van het landgoed. Een landgoed heeft een minimale oppervlakte van circa 10 hectare nieuw groen. Maatwerk is daarin mogelijk. Het rood kan verschillende passende functies herbergen. Wanneer deze functie wonen betreft wordt bij een landgoed van circa 10 hectare gedacht aan maximaal 4 wooneenheden in een gebouw van allure of in een samenhangend ensemble. Bij grotere landgoederen is maatwerk mogelijk. De te bereiken kwaliteit staat daarbij voorop. Als variant kunnen bij bestaande (woon)gebouwen, zoals voormalige boerenbedrijven, landgoederen worden gevormd met een oppervlakte van minimaal 5 hectare nieuwe natuur.

Daarbij kan een passende functionele invulling van de gebouwen worden gezocht. Wanneer dat wonen is, geldt ook hier een maximum van 4 woningen bij 5 hectare nieuwe natuur. Enige uitbreiding van de bestaande bebouwing is mogelijk. De te bereiken kwaliteit staat ook hier voorop. Landgoederen zijn over het algemeen sterk verbonden met de lokale situatie. Het is dan ook aan de gemeente om op het lokale niveau verder invulling aan deze ontwikkeling te geven. Om de recreatieve en uitloopfunctie van het landgoed voor de omgeving te garanderen is openstelling van 90% van het landgoed vereist. Op basis van het POL is vestiging van een landgoed in het dynamisch landbouwgebied (P5B, landbouwontwikkelingsgebieden en concentratiegebieden glastuinbouw) niet mogelijk. In de EHS (P1) is maatwerk aan de orde in overleg met de Provincie. Normering nieuwe landgoederen De kwaliteiten worden in principe alle op het landgoed gerealiseerd. Als richtlijn gelden de in onderstaande tabel opgenomen normeringen voor het ontwikkelen van landgoederen. Daarbij zijn de te bereiken kwaliteiten belangrijker dan de exacte oppervlakte. Landgoederen

Tegenprestatie per eenheid

Nieuwe bebouwing, max. 4 wooneenheden

per landgoed

Bestaande bebouwing, max. 4 wooneenheden

per landgoed

Meer dan 4 wooneenheden

per extra eenheid

Tegenprestatie

Nieuw Groen

in €

(ha) Ca.10

N.v.t.

5 2,5

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

41

Aandachtpunten De gemeente kan in haar structuurvisie aangeven waar landgoederen wel en niet gevestigd kunnen worden. Bij voorkeur versterken de landgoederen de ruimtelijke, landschappelijke en natuurlijke structuur. In de structuurvisie, het beeldkwaliteitplan of een ander beleidsdocument kunnen de specifieke lokale randvoorwaarden van een landgoed worden geregeld. Voor de ontwikkeling van een landgoed kunnen de richtlijnen van de Natuurschoonwet (NSW) als handreiking worden gebruikt. De Provincie beschikt over kennis en ervaring op het gebied van landgoederen en kan de gemeente behulpzaam zijn bij de ontwikkeling van landgoederen. De module is ook van toepassing binnen het stedelijke gebied, zowel in P2, P3 als P8. Waar dit aan de orde is geldt de module ook in de P1 in het stedelijk gebied.

42

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.5

Gebiedseigen recreatie en toerisme

Toelichting gebiedseigen recreatie en toerisme De toeristische sector is voor Limburg een belangrijke sector. Voor de sector is de landschappelijke kwaliteit van groot belang. Het landschap vormt een trekker voor vele toeristen en vormt het aantrekkelijke decor waarin ook Limburgers graag recreëren. Het behoud en het versterken van de landschappelijke kwaliteiten is dan ook van belang voor de sector zelf. De sector heeft er dus mede belang bij om, ten behoeve van de kwalitatieve verbetering van het recreatief toeristisch product, bij nieuwvestiging en uitbreiding van recreatieve en toeristische functies te zorgen dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit verbeterd wordt. Regionaal worden ruimtelijke toeristisch recreatieve visies opgesteld. Deze vormen de basis voor de uitwerking van het gemeentelijke kwaliteitsbeleid. Module voor gebiedseigen recreatie en toerisme Voor de uitbreiding van bestaande en de vestiging van nieuwe R&T-bedrijven geldt een kwaliteitsbeleid. Dit houdt in, dat ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Omdat in de recreatieve en toeristische sector een grote verscheidenheid aan functies en verschijningsvormen voorkomt wordt hier een gedifferentieerd kwaliteitsbeleid gevoerd.

Niet commerciële voorzieningen Kleinere – niet commerciële – recreatieve en toeristische voorzieningen zoals picknickplaatsen, recreatieve parkeerplaatsen, gemeentelijke sportparken, trapveldjes, speelvoorzieningen etc. vallen niet onder dit beleid. Voor deze voorzieningen geldt het normale planologische regime met een goede ruimtelijke en landschappelijke basisinpassing Gebiedseigen recreatief toeristische voorzieningen Voor recreatieve en toeristische voorzieningen die gebiedseigen zijn in het buitengebied staat de inpassing en de (verbetering van de) kwaliteit op de locatie van de ontwikkeling zelf voorop. Er moet een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing geleverd worden. Het gaat hier dan om voorzieningen die afhankelijk zijn van een ligging in het buitengebied en die ontwikkeld worden met een groene inrichting. Voorbeelden zijn campings, golfbanen en bungalowparken. Hierbij dient een ruime parkachtige setting te worden gecreëerd, die kan bijdragen aan de kwaliteit van het buitengebied. Om te borgen dat deze projecten een voldoende groen karakter hebben wordt de toepassing van een minimumverhouding groen ten opzichte van rood geadviseerd. Hiervoor is een richtlijn gegeven.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

43

Normering gebiedseigen recreatie en toerisme Voor de gebiedseigen Recreatie en Toerisme ontwikkelingen geldt het bereiken van een groen karakter en voldoende ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling en de directe omgeving als uitgangspunt. Er dient altijd een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing te worden gerealiseerd. Daar waar de ontwikkeling zelf weinig nieuw groen met zich meebrengt dient dit via de realisatie van nieuw groen te worden gecompenseerd. Als richtlijn kan hier een verhouding van circa 1:5 worden aangehouden. Inclusief inpassing levert de ontwikkeling circa 5 keer zoveel nieuw groen op als nieuw rood en grijs. Het groen wordt daarbij passend bestemd en beschermd. Bij voorkeur vindt de compensatie binnen de ontwikkeling of in de directe omgeving plaats. In het gemeentelijke kwaliteitsmenu wordt de regeling uitgewerkt. Recreatie en toerisme

Kwaliteitsbijdrage per

Nieuw groen

eenheid Gebiedseigen 'rood' (bv. bungalowpark)

m2 verhard en bebouwd

Oppervlakte factor 5

Aandachtspunten De Provincie vraagt de gemeenten om een (regionale)ruimtelijke recreatie & toerisme visie op te stellen, met aandacht voor de ruimtelijke vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor openlucht en verblijfsrecreatie. Dit beleid kan een goede basis vormen voor de planologische beoordeling voorafgaande aan de toepassing van het kwaliteitsmenu. Het beleid is ook van toepassing binnen de begrenzing stedelijke dynamiek in de perspectieven P2 en P3. In perspectief P8 is de gemeente vrij om een kwaliteitsbeleid voor recreatie en toerisme uit te werken. Nieuwe solitaire recreatiewoningen en nieuwe solitair gelegen gebouwen met vakantieappartementen zijn planologisch te beschouwen als woningen. Zij kunnen alleen worden gerealiseerd op locaties waar ook woningen kunnen worden gerealiseerd. Ook in het kwaliteitsmenu worden zij gelijk behandeld. De module voor solitaire woningbouw is van toepassing. Bij de invulling van voormalige agrarische bebouwing is de VAB regeling van toepassing.

44

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.6

Niet gebiedseigen recreatie en toerisme

Toelichting niet gebiedseigen recreatie en toerisme De sector recreatie en toerisme kent een grote verscheidenheid aan verschijningsvormen. Naast de ontwikkelingen die enkel een plaats kunnen vinden in het buitengebied zoals campings, golfbanen, openluchtrecreatie en bungalowparken is er een toenemende vraag vanuit de markt om ook recreatief toeristische voorzieningen in het buitengebied mogelijk te maken die niet gebiedseigen zijn aan het buitengebied. Daarbij gaat het om voorzieningen als hotels, restaurants en wellnescentra, maar ook om grotere ontwikkelingen als overdekte skibanen, deels overdekte pretparken, overdekte speeltuinen, cartingbanen en grootschalige leisure ontwikkelingen. Voor deze functies die niet gebonden zijn aan het buitengebied geldt dat deze in eerste instantie in de kern of het stedelijke gebied een plaats dienen te krijgen. Module voor niet gebiedseigen recreatie en toerisme Bij de ontwikkeling van niet gebiedseigen recreatie in het buitengebied dient er niet alleen een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing plaats te vinden, maar ook een kwaliteitsbijdrage te worden geleverd. Dit ter compensatie van de inbreuk die door de ontwikkelingen wordt gedaan in het buitengebied. De functie had immers ook binnen een kern of de stadsregio een plaats kunnen krijgen.

Normering voor niet gebiedseigen recreatie en toerisme Voor de nieuwvestiging of uitbreiding van niet gebiedseigen, meer rode R&T ontwikkelingen geldt als drempelwaarde voor de kwaliteitsbijdrage € 25 per m2 bruto vloeroppervlakte. De gemeente kan op basis van deze minimumhoogte een eigen benadering of berekeningswijze gebruiken, afhankelijk van de lokale situatie. 4 Recreatie en toerisme

Kwaliteitsbijdrage per

Kwaliteitsbijdrage in €

eenheid Niet-gebiedseigen 'rood' (bv. horeca)

m2 b.v.o.4

€ 25

Grootschalige leisure

M b.v.o.

€ 25

2

4  Bruto vloeroppervlakte

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

45

Aandachtspunten Zoals aangegeven zijn dit functies die een plaats kunnen krijgen binnen de kernen of in perspectief P8 binnen de POL aanduiding “stedelijke dynamiek”. Daarom staan we voor de vestiging van deze functies op die locaties geen kwaliteitsbijdrage voor. Maar uiteraard geldt hier wel een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing. In de perspectieven P2 en P3 binnen de grenzen stedelijke dynamiek is de module wel van toepassing. Bij hergebruik van vrijkomende bebouwing is de toepassing van het Limburgs Kwaliteitsmenu niet aan de orde, zolang er geen onbebouwde gebiedsdelen qua bestemming worden omgezet naar bebouwing. In de POL-aanvulling Verstedelijking, gebiedsontwikkeling en kwaliteitsverbetering (VGK) is het beleid met betrekking tot Vrijkomende (agrarische) bebouwing nader omschreven op blz. 31 en 52. Op kaart 5h van POL2006, en op blz. 80 en 81 van de POL-aanvulling VGK zijn de speerpuntgebieden Toerisme en recreatie aangeduid en de provinciale visie dienaangaande verwoord en deels geherformuleerd. De aanduiding speerpunt gebied heeft een planologische beleidsmatige betekenis. De Provincie ziet hier bij voorkeur een aantal recreatieve toeristische ontwikkelingen landen. Daarmee hebben de gebieden een enigszins afwijkende doelstelling van het overige landelijke gebied. De onderliggende POL perspectieven zijn echter gewoon van kracht.

De speerpunten zijn niet ruimtelijk begrensd. Om de voorgestane ontwikkeling van deze gebieden goed vorm te geven zouden de gebieden moeten worden uitgewerkt in gemeentelijke of regionale gebiedsplannen. Daarin kunnen de doelen en de begrenzing worden uitgewerkt. Op deze wijze kan er voor de gebieden ook een basis zijn om ze als gebiedsontwikkeling te behandelen. Voor gebiedsontwikkelingen geldt als regel dat deze niet onder het Limburgs Kwaliteitsmenu vallen, maar dat de uitgangspunten, zoals de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied integraal onderdeel van het plan vormen. Leisure- en horeca-activiteiten als centrumvoorzieningen op grotere recreatieparken worden niet als zelfstandige ontwikkeling gezien, maar vormen onderdeel van het gehele park. Hiervoor geldt dan ook het beleid voor het gehele park, zoals beschreven in de voorgaande module: “gebiedseigen recreatie en toerisme”. Nieuwe solitaire recreatiewoningen en nieuwe solitair gelegen gebouwen met vakantieappartementen zijn planologisch te beschouwen als woningen. Zij kunnen alleen worden gerealiseerd op locaties waar ook woningen kunnen worden gerealiseerd. Ook in het kwaliteitsmenu worden zij gelijk behandeld. De module voor solitaire woningbouw is van toepassing. Bij de invulling van voormalige agrarische bebouwing is de VAB regeling van toepassing.

46

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.7

Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding

Toelichting agrarische nieuwvestiging en uitbreiding De agrarische sector maakt al sinds mensenheugenis onderdeel uit van het Nederlandse landschap en heeft grote delen van ons landschap gevormd. Door de verdergaande mechanisering en schaalvergroting in de (internationale) landbouw worden ook de landbouwbedrijven in onze Provincie gedwongen mee te groeien om hun positie te kunnen behouden. Dat betekent dat er bedrijven zullen verdwijnen, maar ook dat overblijvende bedrijven zullen groeien. De wens om te groeien kan op gespannen voet staan met de wens om de kwaliteit van het bestaande landschap te behouden. Met name grootschalige bedrijven kunnen een inbreuk in het landschap vormen. Om zowel de ontwikkeling van landbouwbedrijven te blijven faciliteren alsook de kwaliteit van het landschap te verbeteren worden landschappelijke maatregelen en eventueel verdergaande kwaliteitsverbeterende maatregelen gevraagd van agrarische bedrijven die willen uitbreiden of die zich nieuw willen vestigen. Voor bedrijven in de intensieve veehouderij en in de glastuinbouw geldt daarbij een concentratiebeleid. Niet grondgebonden bedrijven worden gestimuleerd om zich zo veel mogelijk in concentratiegebieden, projectvestigingsgebieden glastuinbouw en landbouwontwikkelingsgebieden (perspectief 5b) te vestigen.

Het POL en het reconstructieplan geven aan waar nieuwvestiging en uitbreiding voor de verschillende bedrijfssoorten mogelijk is. Het kwaliteitsbeleid voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding is een vervolg op het BOM+ beleid. Module voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding De module voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven is van toepassing op agrarische bedrijven, agrarische hulp- en nevenbedrijven, boomkwekerijen, paardenhouderijen en hoveniersbedrijven e.d. Specifiek voor glastuinbouwbedrijven geldt aanvullend op deze module, de module uitbreiding glastuinbouw. Anders dan bij de andere modules van het Kwaliteitsmenu geldt hier dat de module ook van toepassing is bij bebouwing waar geen bestemmingsplanwijziging van toepassing is. (zie paragraaf 1.1 voetnoot) Nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven is alleen toegestaan na een positieve ruimtelijke afweging en onder voorwaarde dat de agrarische bedrijven een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving middels inpassing en kwaliteitsverbetering. Bij nieuwvestiging dient de agrariër aan te tonen dat zijn bedrijf – op (korte) termijn- volwaardig is. De kwaliteitsverbetering is maatwerk op basis van aard en omvang van de ontwikkeling en de waarde van de omgeving.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

47

Als basis geldt voor elke ontwikkeling met betrekking tot bouwen, bouwwerken en verharding van agrarische bedrijven dat: „„

de ontwikkeling wordt ingepast op basis van een inrichtingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke en ruimtelijke inpassing);

„„

er ten aanzien van de nieuwe ontwikkeling voorzieningen worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater, waarbij afhankelijk van de situatie dit infiltratie of retentie kan zijn.

In geval van: „„

nieuwvestiging (inclusief omschakeling) of,

„„

overschrijding van de referentiemaat (zie de handreiking RO) of,

„„

ontwikkeling in gebieden met méér dan alleen agrarische waarde volgens het bestemmingsplan (landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarde),

geldt naast de basis ook een aanvullende kwaliteitsverbetering. Onderdeel van deze kwaliteitsverbetering is bijvoorbeeld sloop van bebouwing, aanleg van nieuwe natuur of landschap en andere kwaliteitsverbeterende maatregelen. Indien aanvullende kwaliteitsverbeterende maatregelen aan de orde zijn, dient in ieder geval de volledige kavel te worden ingepast (bij het basispakket hoeft alleen de uitbreiding ingepast te worden). Bij nieuwvestiging zal er dus naast het basispakket (water) en een volledige inpassing ook altijd een kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop van bebouwing of aanleg van natuur of landschap aan de orde zijn. Normering voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding De inpassingen en kwaliteitsbijdrage zijn in hoge mate maatwerk. De aard, grootte en vorm van de ontwikkeling tezamen met de waarden van de omgeving zijn hierin leidend. Verder wordt verwezen naar de geactualiseerde voorbeeldensite op www.limburg.nl. Bij landschappelijke inpassing kan gewerkt worden met het landschapskader Noord- en Midden-Limburg en de landschapsvisie Zuid-Limburg. Geadviseerd wordt om, afhankelijk van de lokale situatie een minimumbreedte voor de inpassing op te nemen.

48

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

Het oprichten van nieuwe bouwwerken, bebouwing en verharding binnen de vigerende agrarische bouwkavel

Uitbreiding onder de referentiemaat binnen een bestemming ‘puur’ agrarische gebied

Uitbreiding onder de referentiemaat binnen een bestemming ‘agrarisch met waarden’

Uitbreiding boven de referentiemaat ongeacht de omliggende bestemming

Nieuwvestiging/ omschakeling

Landschappelijke en ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing, bouwwerken en verharding.

+

+

+

+

+

Voorzieningen ter voorkoming van problematiek hemelwater als gevolg van nieuwe bebouwing/ verharding. Afhankelijk van de situatie kan dat infiltratie of retentie zijn

+

+

+

+

+

Kwaliteitsverbeterende maatregelen zoals sloop,de aanleg van natuur, landschap of andere ruimtelijke kwaliteitsverbeterende maatregelen

-

-

+

+

+

+ verplicht - niet verplicht

Aandachtspunten In de module landbouw is het in het algemeen wenselijk om de ontwikkelingen en de kwaliteitsverbeterende maatregelen zo veel mogelijk op de ontwikkelingslocatie te koppelen aan de effecten van de locatieontwikkeling. De maatregelen (inpassing etc.) vinden op het bedrijf zelf plaats of in de directe omgeving (sloop, aanleg natuur etc.). Bij landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s), concentratiegebieden én bij projectvestigingsgebieden is inpassing op gebiedsniveau mogelijk, bijvoorbeeld aan de randen van de gebieden. Bij projectvestigingsgebieden moet overigens ook rekening worden gehouden met infrastructuur en gemeenschappelijke voorzieningen. Wanneer het niet mogelijk of beleidsmatig wenselijk is om de voorzieningen ter plekke uit te voeren kan dit ook elders gebeuren. Waarbij het voor het draagvlak van belang is om de voorkeursvolgorde aan te houden dat als eerste wordt gekeken naar directe fysieke maatregelen op de kavel(s), daarna naar directe fysieke maatregelen in de omgeving en als laatste naar een bijdrage in fondsen. Daarbij kan de geldelijke waarde van de normaal gebruikelijke inpassing van de bouwkavel gebruikt worden als bijdrage aan het fonds of de ontwikkeling elders. Door de gemeente kan deze waarde bepaald worden.

Wanneer sprake is van bedrijven die worden verplaatst naar een ontwikkelingsgebied, kan voor de versteningswinst naar sloop op de oude locatie worden gekeken, mits deze sloop niet door middel van subsidies of andere regelingen al wordt gerealiseerd. Naast het vastleggen van de kwaliteitsverbetering middels aanpassing van het bestemmingsplan is ook aanpassing van de milieuvergunningen aan de orde.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

49

Het kleinschalig kamperen (kamperen bij de boer) is onderdeel van het verbrede agrarische bedrijf. Het vindt plaats op of aansluitend aan de bouwkavel. Op Kamperen bij de Boer, zowel binnen als aansluitend aan de bouwkavel, is de module agrarische nieuwvestiging en uitbreiding van toepassing. In het heuvelland (Nationaal Landschap Zuid Limburg) geldt daarbij de voorwaarde dat de ontwikkeling moet passen binnen een visie die de regio of gemeente voor recreatie en toerisme en meer specifiek het kamperen heeft opgesteld (zie 6.5.). Het ontwikkelen van kamperen bij de boer binnen de EHS (P1) is niet mogelijk. De module voor agrarische bedrijven geldt (evenals de voorganger BOM+) ook binnen de grenzen stedelijke dynamiek in de perspectieven P2, P3 en P8 zoals deze in het POL staan aangegeven. Als ondersteuning bij de ontwikkeling en uitvoering van het beleid zijn op de provinciale website aanvullende documenten aanwezig. O.a.: wordt de gemeenten een aantal zaken meegegeven: „„

het geactualiseerde bedrijfsontwikkelingsplan als instrument om voorgenomen ontwikkelingen te kunnen beoordelen;

„„

de geactualiseerde voorbeeldensite;

„„

veelgestelde vragen en tips.;

50

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.8

Uitbreiding glastuinbouw

Toelichting De glastuinbouw is in Nederland een belangrijke agrarische sector. In Noord- en Midden-Limburg is de bedrijfstak sterk aanwezig. Door nieuwvestiging van bedrijven en door omschakeling van bedrijven heeft een grote verspreiding van glastuinbouwbedrijven plaatsgevonden. Het streven van de Provincie is er op gericht om de concentratie in concentratie- en projectvestiginsgebieden verder te stimuleren. Gelijktijdig wordt beoogd om een geleidelijke afbouw op minder duurzame locaties elders te realiseren. Voor solitair glas, glastuinbouw gelegen buiten de concentratie- en projectvestigingsgebieden, wordt aanvullend op de module ‘agrarische nieuwvestiging en uitbreiding’ ingezet op een specifieke regeling voor de sector. Bij uitbreidingen dient een extra kwaliteitsverbeterende maatregel te worden geleverd. Deze bestaat uit de sloop van solitair glas elders. Via deze module wordt tevens tegemoet gekomen aan de afspraken die gemaakt zijn door IPO, VROM en LNV omtrent de stimulering van sanering van ongewenste bebouwing. Module voor uitbreiding glastuinbouw Nieuwvestiging is buiten de concentratiegebieden en projectvestigingen glastuinbouw niet mogelijk op basis van provinciaal beleid. Uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (P1 en P2) is uitgesloten.

In de overige gebieden, met uitzondering van de concentratiegebieden en projectvestigingen glastuinbouw, is bij uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven boven de referentiemaat 5 van 3 hectare netto glasopstand, en in P3 altijd, de module voor de uitbreiding van glastuinbouw aan de orde. Aanvullend op de toepassing van de module ‘agrarische nieuwvestiging en uitbreiding’ (paragraaf 6.7) dient een extra kwaliteitsverbetering te worden gerealiseerd bestaande uit de sloop van solitair gelegen glasopstanden. Normering uitbreiding glastuinbouw Bij de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven buiten de concentratie- en projectvestigingsgebieden geldt (in P3 altijd, en in de overige gebieden bij uitbreidingen boven de 3 hectare netto glas) boven op de landschappelijke en ruimtelijke inpassing en de afkoppeling van hemelwater als gevolg van de toepassing van de module “Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding” een extra kwaliteitsverbetering. Deze bestaat uit de sloop van 2 vierkante meter (in onbruik zijnd) verspreid liggende glasopstanden buiten de concentratie en projectvestigingsgebieden voor elke vierkante meter uitbreiding. De betreffende gemeenten stellen hiervoor een regeling op. Voorwaarden voor de regeling zijn dat: 5

De referentiemaat is opgenomen in de handreiking RO van de provincie Limburg.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

51

„„

de gemiddelde verhouding voor uitbreiding en sloop in netto vierkante meters glasopstand in de regeling 1:2 is;

„„

er gedifferentieerd kan worden in de gemeentelijke regeling in verband met grootte van de kassen en de landschappelijke en natuurlijke waarden van de omgeving. De gemiddelde verhouding blijft echter 1:2;

„„

de sloop van glas in de landschappelijk en natuurlijk waardevolle gebieden sterker kan worden gestimuleerd dan in de gebieden met weinig waarden.

De Provincie zal zich bovendien inzetten om de sloop van in onbruik geraakt verspreid glas buiten de concentratie- en projectvestigingsgebieden verder te ondersteunen middels aanvullende regelingen die in overleg met de sector worden opgezet. Hierover worden nadere afspraken gemaakt met de betreffende gemeenten en de sector. Aandachtpunten De module voor glastuinbouw is niet van toepassing in Zuid-Limburg, omdat in Zuid-Limburg geen vestiging of uitbreiding van glastuinbouw mogelijk is. Een nadere onderbouwing is te vinden in de notitie provinciale glasregeling. De module is, evenals die voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding ook van toepassing binnen de grenzen stedelijke dynamiek in de perspectieven P2, P3 en P8 zoals die in het POL staan aangegeven. Bij voorkeur worden de vierkante meters te slopen glas gevonden in de meer kwetsbare gebieden P2, P3 en P4. Bij uitbreiding van een bedrijf komt ook vaak sloop en vervanging van de bestaande glasopstanden voor. Dit telt niet mee voor de glasregeling, daar gaat het om de netto uitbreiding aan vierkante meters glas.

52

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.9

Uitbreiding bedrijventerreinen

Toelichting De ruimtelijke ordening, gericht op ontvlechting van functies en het toenemende milieubewustzijn met de daaruit voortvloeiende milieuregels hebben er, samen met rationalisatie en de toenemende transportbehoefte van bedrijven, voor gezorgd dat bedrijven zich steeds meer op aparte bedrijventerreinen vestigen. Door het vertrek van bedrijven uit steden en dorpen, door vertrek van bedrijven vanaf het platteland, alsmede door de autonome ontwikkeling van de sector is er een afnemende maar vrijwel continue behoefte aan bedrijventerreinen. Beschikbaarheid van ruimte is een belangrijke vestigingsfactor voor bedrijven, diensten en detailhandel. Vanwege werkgelegenheids- en welvaartsaspecten dienen bedrijven voldoende vestigingsruimte te hebben. Daar staat tegenover dat bedrijventerreinen een beslag leggen op de schaarse ruimte in het buitengebied. Mede doordat de grond voor (nieuwe) bedrijventerreinen vaak relatief goedkoop is, wordt er snel gekeken naar uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen. Vanuit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik verdienen herstructurering en revitalisering van bestaande en verouderde bedrijventerreinen de voorkeur. De rijksoverheid heeft daarom bij de afweging ten aanzien van de uitbreiding van bedrijventerreinen de SER-ladder geïntroduceerd.

Deze SER ladder heeft de provincie Limburg overgenomen in het provinciale omgevingsbeleid. Module voor uitbreiding van bedrijventerreinen Uitbreiding van bedrijventerreinen in het buitengebied is alleen mogelijk onder voorwaarde dat een kwaliteitsbijdrage wordt geleverd. De kwaliteitsbijdrage komt bovenop de goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing. De kwaliteitsbijdrage dient ter compensatie van het verlies aan waarden in het buitengebied die door de ontwikkeling wordt veroorzaakt. Voor de kwaliteitsbijdrage wordt een drempelwaarde gegeven. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet voor realisering van groen, natuur, landschap en herstel van landschappelijke cultuurhistorie. (niet zijnde de inpassing) Normering uitbreiding bedrijventerreinen Voor de uitbreiding van bedrijventerreinen buiten de contour geldt als drempelwaarde voor de kwaliteitsbijdrage € 5 per m2 bedrijventerrein (exploitatiegebied). De goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het terrein maakt geen onderdeel uit van de kwaliteitsbijdrage. Deze dient aan additionele kwaliteitsverbeterende maatregelen te worden besteed. De gemeente kan de kwaliteitsbijdragen op basis van lokale ervaringen verhogen.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

53

Bedrijventerrein

Bedrijventerrein

Kwaliteitsbijdrage per

Kwaliteitsbijdrage

eenheid

in €

m2 bestemd bedrijventerrein

€5

Aandachtspunten In Zuid-Limburg wordt, buiten de stedelijke gebieden niet voorzien in de uitbreiding van bedrijventerreinen. Dit in verband met de waarden van het nationaal landschap en de bufferzones. Daarom is deze module hier niet van toepassing. De module is wel van toepassing in de perspectieven P2 en P3 binnen de begrenzing stedelijke dynamiek, zowel in Zuid- als in Noord- en Midden-Limburg. In Noord- en Midden-Limburg waren nog niet alle bedrijventerreinen voorzien van een contour in de contourenatlas. Dit is bij de vaststelling van het Limburgs Kwaliteitsmenu nu wel het geval. De bijdrage in deze module uitbreiding bedrijventerreinen is gebaseerd op de compensatiegedachte. Daarbij wordt via de mogelijkheden van de Grondexploitatiewet een bijdrage gevraagd ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij uitbreidingen van bedrijventerreinen kan de gemeente daarnaast aanvullend gebruik maken van de mogelijkheden van de Grondexploitatiewet om bijdragen te vragen voor (andere) ruimtelijke ontwikkelingen. Daarmee wordt inzet voor leefbaarheid, herstructurering, revitalisering etc. mogelijk. Deze bijdragen maken evenwel geen onderdeel uit van het Limburgs Kwaliteitsmenu. De gemeente kan in het gemeentelijke kwaliteitsbeleid aanvullende regels opnemen.

Zo kan bij bestaande onbebouwde bedrijfsbestemmingen een bijdrage worden gevraagd wanneer hier een bestemmingswijziging plaatsvindt die het mogelijk maakt nieuwe bebouwing op te richten

54

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.10

Uitbreiding solitaire bedrijven in het buitengebied

Toelichting Niet alle bedrijven zijn gevestigd op een bedrijventerrein. Door omschakeling en/of gegroeid vanuit een kleine eenmanszaak of familiebedrijf bevindt zich in het buitengebied ook een aantal solitaire bedrijven, die we in hun huidige omvang en activiteiten daar niet zouden toelaten indien ze zich nieuw zouden willen vestigen. Voor deze solitaire, niet aan het buitengebied gebonden, bedrijven die gelegen zijn in het buitengebied staan we een kwalitatieve benadering voor. Dit als vervolg op de regeling zoals deze was opgenomen in de provinciale handreiking RO. Bij uitbreiding van solitaire bedrijven in het buitengebied zal in de ruimtelijke afweging als eerste naar de mogelijkheid van verplaatsing naar een bedrijventerrein moeten worden gekeken. Ook dient de SER ladder te worden doorlopen. Pas als dit geen oplossing biedt, kan onder de voorwaarde van een kwaliteitsverbetering, naar een uitbreiding ter plaatse worden gekeken. Module uitbreiding solitaire bedrijven in buitengebied De uitbreiding van bestaande bedrijven in het buitengebied is alleen mogelijk onder strikte voorwaarden. Indien blijkt dat er geen andere mogelijkheden zijn dan uitbreiding ter plekke, dan is uitbreiding alleen mogelijk wanneer naast een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing ook een kwaliteitsbijdrage geleverd wordt.

Via deze kwaliteitsbijdrage wordt de ingreep in het buitengebied gecompenseerd. Voor de hoogte van de kwaliteitsbijdrage wordt een drempelwaarde gegeven. Normering uitbreiding bedrijfsterrein (solitair) in het buitengebied Voor solitaire bedrijven in het buitengebied, waarbij een uitbreiding kan worden toegestaan, geldt als drempelwaarde voor de kwaliteitsbijdrage € 35 per m2 nieuw bestemd bedrijfsterrein. De gemeente kan op basis van deze algemeen geldende minimumhoogte een eigen benadering of berekeningswijze gebruiken, afhankelijk van de locale situatie. Uitgangspunt hierbij is de bestemming “bedrijven” waarbij binnen deze bestemming bouw, opslag, transport, etc. plaats kan vinden. Bedrijventerrein

Kwaliteitsbijdrage per eenheid

Kwaliteitsbijdrage in € (drempel)

Bedrijfsterrein - solitair

m2 bestemd bedrijfsterrein.

€ 35

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

55

Aandachtpunten De module uitbreiding solitaire bedrijven in het buitengebied is van toepassing in het buitengebied buiten de contouren. Binnen de begrenzing ‘stedelijke dynamiek’ geldt de module in de perspectieven P2 en P3. In het provinciale ruimtelijke beleid zoals dat in het POL is opgenomen, wordt geen mogelijkheid geboden voor de vestiging van nieuwe solitaire bedrijven in het landelijk gebied. Een uitzondering is mogelijk voor bedrijven die zich vestigen in VAB’s, (Vrijkomende Agrarische Bedrijven), waar de mogelijkheid bestaat om – binnen de bestaande gebouwen - passende functies te vestigen. De spelregels hiervoor staan in de provinciale handreiking ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente kan het gemeentelijke kwaliteitsbeleid aanvullende regels opnemen. Zo kan bij bestaande onbebouwde bedrijfsbestemmingen een bijdrage worden gevraagd wanneer hier en bestemmingswijziging plaatsvindt die het mogelijk maakt nieuwe bebouwing op te richten.

56

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

6.11

Nieuwe (solitaire) woningbouw

Toelichting Woningen dienen in principe binnen de contouren te worden gebouwd zodat het buitengebied gevrijwaard wordt van verdere verstedelijking en verstening. In de praktijk van de afgelopen jaren is dit beleid in eerste instantie vormgegeven door middel van het Contourenbeleid: binnen de contouren kan gebouwd worden, daarbuiten niet. Uit een evaluatie van het beleid in 2004 is echter gebleken dat de contouren te ‘hard’ waren. Het bleef wenselijk het bouwen van een beperkt aantal woningen in het buitengebied onder een aantal duidelijke voorwaarden toe te staan. De bevindingen uit die evaluatie hebben mede geleid tot het ontwikkelen van het VORm-beleid in de ‘POL- herziening op onderdelen Contourenbeleid Limburg uit 2005’. Inmiddels heeft de Provincie veel ervaring opgedaan met het VORm-beleid. De resultaten van de eerste twee jaar VORm-beleid zijn beschreven in de Monitor en Evaluatie van VORm in oktober 2007 en hebben als inspiratie gediend voor de module ‘nieuwe (solitaire) woningbouw’ en de module ‘projectmatige woningbouw in uitleggebieden’ van het kwaliteitsmenu. Module voor solitaire woningen De module is een vervolg op het in Limburg gevoerde VORm-beleid. Het beleid is van toepassing op die gevallen waarin de bestemming van een perceel wordt gewijzigd in een woonbestemming, waardoor woningbouw mogelijk wordt gemaakt.

Of indien op een woonbestemming via bestemmingswijziging een nieuwe woning (extra) kan worden gebouwd. Deze ontwikkeling is alleen mogelijk indien ze per saldo tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering leidt. Om invulling te geven aan deze voorwaarde zal ter plaatse sprake moeten zijn van kwaliteit, maar dient ook een kwaliteitsbijdrage te worden geleverd. Voor de hoogte van de kwaliteitsbijdrage is een drempelwaarde gegeven. De bestemmingswijziging is alleen mogelijk op een locatie binnen een bestaand lint of cluster of aansluitend aan de contour 6. Het bouwen van solitaire woningen “in het vrije veld” blijft uitgesloten, met uitzondering van de nieuwe landgoederen. De woningen dienen te passen in de regionale woningbouwafspraken en de afspraken met betrekking tot Ruimte voor Ruimte.

6

Wanneer reeds aansluitend aan de contour een uitbreiding heeft plaatsgevonden kan hier, wanneer dit uit ruimtelijk planologisch oogpunt wenselijk is, op aangesloten worden. Er is dan weliswaar strikt formeel geen sprake meer van aansluitend aan de contour, maar sprake van aansluitend aan bebouwing die op de contour aansluit. De ruimtelijke kwaliteit staat hier voorop.

Limburgs Kwaliteitsmenu 2012

57

Normering nieuwe (solitaire) woningbouw Het uitgangspunt voor de kwaliteitsbijdrage is dat de bouw plaatsvindt op onbebouwde grond op locaties waar de ontsluiting (hoofdinfrastructuur) reeds aanwezig is en kosten van bouw- en woonrijp maken relatief laag zijn (betreffen vooral huisaansluitingen). Om het bouwen van woningen in het buitengebied niet te stimuleren adviseren wij de gemeenten om de kwaliteitsbijdrage per gemeente af te stemmen op het lokale prijsniveau. Dat betekent dat in ‘dure’ gemeenten een hogere kwaliteitsbijdrage wordt gevraagd dan de drempelwaarde. Voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen in het buitengebied geldt als drempelwaarde voor de kwaliteitsbijdrage € 100 per m2 uitgeefbare grond/nieuwe woonbestemming. Voor appartementen geldt als drempelwaarde voor de kwaliteitsbijdrage € 125 per m2 bruto vloeroppervlak. Woningbouw - kleinschalig (geen infra)

Kwaliteitsbijdrage per

Kwaliteitsbijdrage in €

eenheid Woningbouw

m2 uitgeefbaar kavelopp.

€ 100

Appartementenbouw

m2 uitgeefbaar b.v.o.7

€ 125

Aandachtspunten Het Limburgs Kwaliteitsmenu is voor solitaire woningbouw niet van toepassing op de volgende gevallen: het splitsen van woningen, het invullen van Voormalige Agrarische Bedrijven (VAB’s) middels woningen in overeenstemming met de Handreiking RO, het inpandig bouwen of het aanbouwen van 1 zorgwoning (kangoeroewoning) voor een familielid of naaste op het perceel van de huidige woning van de initiatiefnemer. De handreiking RO kan voor deze gevallen uitkomst bieden. De gemeente kan hier in het gemeentelijke kwaliteitsmenu wel een eigen invulling aan geven. Voor de bouwkavel is geen ondergrens meer opgenomen. Dit om de gemeenten de gelegenheid te geven om zelf de maten van de bouwkavels te bepalen en daarmee een goede afstemming op de lokale situatie te bewerkstelligen. De module is van toepassing op het buitengebied van Limburg. Binnen de begrenzing stedelijk gebied is de module alleen van toepassing in P2 en P3. 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=ca30e6d1-f130-4248-a4ff-361fb885a17a