RVS Vaststellen bestemmingsplan Hoogenboomlaan 42 Renesse Bijlage 3 Regels
Tekst van het document
32
uitzondering van: 1. een overkapping waarvan de bouwhoogte ten hoogste bedraagt: 3 m; 2. licht- en vlaggenmasten waarvan de bouwhoogte ten hoogste bedraagt: 8 m; c. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de bouwhoogte van een tuin- of erfafscheiding, die gebouwd wordt vóór de voorgevellijn ten hoogste 1 m. 7.2.5 Zwembaden a. uitsluitend binnen het bouwvlak mogen onoverdekte zwembaden worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: 1. het zwembad minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevellijn van de woning is gelegen; 2. de oppervlakte van het zwembad bedraagt ten hoogste 15% van het zij- en achtererf een maximum van 100 m²; 3. het bouwen van een zwembad heeft niet tot gevolg dat het zij- of achtererf voor meer dan 50% wordt bebouwd; 4. de afstand tot de perceelsgrenzen ten minste 1 m bedraagt; 7.3
Nadere eisen
7.3.1 Eisen Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de grens van een bouwperceel en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.3.2 Voorwaarden Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten. 7.4
Afwijken van de bouwregels
7.4.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. b. c. d. e. f.
lid 7.2.2 onder e tot een steilere dakhelling; lid 7.2.2 onder c en d tot een overschrijding met maximaal 1 m; lid 7.2.2 onder f voor een kortere afstand tot minimaal 1 m van de zijdelingse perceelsgrens; lid 7.2.3 onder a sub 5 voor een kortere afstand tot minimaal 1 m; lid 7.2.3 onder a sub 1 tot een maximum van 60 m² indien de totale oppervlakte van het zij- en achtererf ter plaatse minimaal 360 m² bedraagt; lid 7.2.4 onder b tot een bouwhoogte van maximaal 10 m, met uitzondering van overkappingen.
7.4.2 Bouwen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.3 voor het bouwen van een gebouw buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. het totale bebouwingsoppervlak maximaal 40 m2 per perceel mag bedragen ongeacht het bepaalde in 7.2.1 onder b, tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in 7.4.1 onder a; b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,3 m en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m; c. de afstand van het gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 m bedraagt;
33
7.4.3 Verruimen aanduidingsvlak Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2 voor het uitbreiden van het hoofdgebouw, met dien verstande dat: a. b. c. d.
uitbreiding binnen het bouwvlak dient plaats te vinden; de goothoogte niet meer bedraagt dan de bestaande goothoogte van het hoofdgebouw; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de bestaande bouwhoogte van het hoofdgebouw; de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 m bedraagt.
7.4.4 Afwegingskader De omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.1, 7.4.2, 7.4.3 kan slechts worden verleend, mits: a. dit passend in het straat- en bebouwingsbeeld is; b. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 7.5
Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als uitstallings-, opslag-, standplaats van kampeermiddelen, b. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als winterstalling voor kampeermiddelen; c. het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als zelfstandige woonruimte; d. het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf; 7.5.2 Niet strijdig gebruik In het geval van een bedrijfswoning is het beroepsmatig gebruik van de woning of bedrijfsmatig gebruik van de woning en/of bij deze woning behorende bijgebouwen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het beroep of bedrijf is ondergeschikt aan het wonen, waarbij ten hoogste 50 m² vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, aan- of uitbouwen en bijgebouwen wordt gebruikt ten behoeve van het beroep of bedrijf; b. het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning; naast de uitoefening door de bewoner is ten behoeve van het beroep of bedrijf ten hoogste één extra arbeidsplaats toegestaan; c. er is voldoende parkeergelegenheid aanwezig op eigen terrein dan wel in de directe omgeving; er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan de parkeerkencijfers van de CROW publicatie nr.
381 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" of aan de normen uit daaropvolgende uitgaven; d. uitsluitend ondergeschikte detailhandel is toegestaan, waarbij een webwinkel (zonder showroom en zonder afhaalmogelijkheden voor consumenten) wel is toegestaan; e. niet toegestaan is: 1. horeca; 2. een seksinrichting; 3. buitenopslag van goederen; 4. verlichte of opvallende reclame-uitingen die zichtbaar zijn aan de gevel.
34
7.5.3 Bed & breakfast Het aanbieden van bed & breakfast in een woning is toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. 7.6
bed & breakfast mag uit maximaal vijf slaapplaatsen bestaan; de woning dient te zijn bewoond door de hoofdbewoner(s); de woning is geschikt voor permanente bewoning; er mag geen onevenredige verkeers- of parkeeroverlast ontstaan voor de omgeving; er mogen alleen terughoudende reclame-uitingen geplaatst worden, neonreclame is niet toegestaan. Afwijken van de gebruiksregels
7.6.1 Beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.3.3 onder c voor een beroepsmatig gebruik van de woning en/of bedrijfsmatig gebruik van de woning en/of bij de woning behorende bijgebouwen met een oppervlakte van maximaal 50 m², met dien verstande dat: a. een onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat; b. de woning blijft voldoen aan het Bouwbesluit; c. geen detailhandel is toegestaan tenzij als ondergeschikte functie van de bedrijfsmatige c.q. beroepsmatige activiteit; 7.6.2 Gastenverblijf Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.5.1 onder d voor het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf, met dien verstande dat: a. omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor percelen waarop een woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is; b. de aanvrager eigenaar en/of bewoner is van het bouwperceel; c. het hoofdgebouw op het bouwperceel permanent wordt bewoond; d. per bouwperceel ten hoogste 1 aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf is toegestaan; e. het gastenverblijf uitsluitend voor niet-permanente bewoning wordt gebruikt; f. het gastenverblijf uitsluitend niet-commercieel wordt gebruikt; g.
de algemene Bouwregels voor een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw in acht worden genomen, met dien verstande dat de afstand van het bijgebouw tot de grens van een bouwperceel ten minste 1 m moet bedragen; h. de omgevingsvergunning niet tot gevolg heeft dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad; i. er aangetoond wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het betreffende bijgebouw (veiligheid, milieuhinder); j. op eigen terrein voorzien wordt in parkeerruimte voor minimaal één auto. 7.7
Wijzigingsbevoegdheid
7.7.1 Verplaatsen/hersitueren bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het verplaatsen dan wel hersitueren van het aanduidingsvlak met de woningtypologie 'vrijstaand' alsmede het bijbehorende bouwvlak, met in achtneming van het volgende: a. het aanduidingsvlak en het bouwvlak niet komen te liggen op gronden aangewezen als 'natuur- en landschapswaarden', tenzij met onderzoek is aangetoond dat de aanwezige waarden niet of niet onevenredig worden aangetast;
35
b. de milieuplanologische en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid is aangetoond; c. bij verplaatsing van het aanduidingsvlak dient de bestaande bebouwing buiten de nieuwe aanduidingsvlak te worden gesloopt. 7.7.2 Afwegingskader De wijziging als bedoeld in 7.7.1 kan slechts worden toegepast, mits: a. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; b. voorafgaand aan de ontwikkeling in een vroegtijdig stadium overleg zal worden gevoerd met het waterschap.
36
Artikel 8
Waarde - Archeologie 6
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. 8.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 8.2.1 Bouwen ten behoeve van de bestemming a. op of in deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van de bouwwerken genoemd onder a bedraagt ten hoogste 2 m. 8.2.2 Bouwen ten behoeve van andere bestemmingen a. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m beneden het maaiveld plaatsvinden; b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 8.3
Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Afwijking voor groter en dieper bouwen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.2, onder a ten behoeve van het bouwen groter dan 2500 m² en dieper dan 0,5 m, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd, waarin wordt aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld. 8.3.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Indien uit het onder lid 8.3.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een archeologische deskundige.
37
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden binnen deze bestemming zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; b. het ophogen van de bodem met meer dan 0,5 m; c. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 0,5 m; d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 0,5 m bedraagt; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op één of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 0,5 m; f. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, voor zover dit geen bevoegdheid van het waterschap betreft; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 0,5 m; h.
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 0,5 m. 8.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het in lid 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m²; b. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 8.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal. 8.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. voor zover de in lid 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden: b.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; c. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; d. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; e. de vergunning kan alleen worden verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin
38
f.
8.5
de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; alvorens de gevraagde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in lid 8.4.3. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologische deskundige de verder te nemen stappen aan te geven. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
8.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden bouwwerken die zich op gronden met deze dubbelbestemming bevinden zonder, of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk) te slopen. 8.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in lid 8.5.1 niet van toepassing indien de sloopwerkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 8.2.2 onder b in acht is genomen; b. een oppervlakte hebben van minder dan 2.500 m² en/of de grondlagen dieper dan 0,5 m beneden het maaiveld niet verstoren; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. 8.5.3 Regels aan een omgevingsvergunning In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen burgemeester en wethouders regels verbinden aan een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk op of in gronden ter plaatse van de bestemming 'Waarde - Archeologie 6'.
8.5.4 Voorschrift Aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk voor de gronden, als bedoeld in lid 8.5.1 kan het bevoegd gezag het voorschrift verbinden dat de sloopwerken vanaf 0,3 m boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een archeologische deskundige, indien de latere verstoringsoppervlakte groter is dan 2.500 m² en de verstoringsdiepte meer is dan 0,5 m. 8.5.5 Melding Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende regels kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning voor het slopen. 8.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen, met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie - 6', geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
39
Hoofdstuk 3 Artikel 9
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
40
Artikel 10
Algemene bouwregels
10.1 Bestaande maten Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende: a. voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden; b. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken, als opgenomen in dit plan, niet van toepassing.
41
Artikel 11
Algemene aanduidingsregels
11.1 Veiligheidszone - propaan Binnen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-propaan zijn geen kampeermiddelen toegestaan.
42
Artikel 12
Algemene gebruiksregels
12.1 Verbod Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken voor een doel of op een wijze, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming(en). 12.2 Strijdig gebruik Als een gebruik in strijd met het bestemmingsplan, geldt in ieder geval het gebruik van gronden en bouwwerken: a. ten behoeve van een seksinrichting of straatprostitutie; b. voor de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, schroot- en afbraak- en bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; c. voor de opslag en het be- en verwerken van explosieve stoffen; d. als woonwagenstandplaats.
43
Artikel 13
Algemene afwijkingsregels
13.1 Maten en bouwgrenzen a. Tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is, kan bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit plan voor: 1. het overschrijden van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelsgrens bepaalde minimumafstand door: erkers, balkons en bordessen tot maximaal 1 meter; 2. ingangspartijen tot maximaal 2 meter, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3 meter zal bedragen; b. Deze regel is van toepassing voor het overschrijden van grenzen voor zover deze niet leiden tot wijziging van bestemmingen; 1. het oprichten van antennes en masten tot een bouwhoogte van 15 meter.
44
Artikel 14
Algemene wijzigingsregels
14.1 Algemeen a. Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen ten behoeve van: 1. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,5 m; 2. het overschrijden van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelsgrens bepaalde minimumafstand door: erkers, balkons en bordessen tot maximaal 1 m; ingangspartijen tot maximaal 2 m, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3 m zal bedragen; b. Deze regel is van toepassing voor het overschrijden van grenzen voor zover deze leiden tot wijziging van bestemmingen; 1. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5 m toelaatbaar. 14.2 Wonen Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door de woningen met de aanduiding 'bedrijfswoning' binnen de bestemming Recreatie - Kampeerterrein te wijzigen naar de bestemming Wonen, met dien verstande dat: a. de oppervlak van de bestemming niet wordt vergroot; b.
de milieuplanologische haalbaarheid is aangetoond.
45
Artikel 15
Overige regels
15.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 15.2
Parkeerregeling
15.2.1 Voldoende parkeergelegenheid Bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien en in stand te worden gehouden, overeenkomstig het 'Parkeerbeleid 2017-2020' of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid. Hierbij wordt de parkeernorm berekend over het nieuw te bouwen of het te wijzigen gedeelte. 15.2.2 Afwijkingsbevoegdheid parkeergelegenheid Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2.1: a. indien op een andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien, in het geval dat de noodzakelijke parkeergelegenheid in onvoldoende mate op eigen terrein kan worden gerealiseerd; b. door af te wijken van de toe te passen parkeernorm indien voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden in het "Parkeerbeleid 2017-2020' of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid.
46
Hoofdstuk 4 slotregels Artikel 16
Overgangs- en
Overgangsrecht
16.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 16.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 16.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 16.1 met ten hoogste 10%. 16.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Lid 16.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 16.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
16.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 16.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 16.6 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in lid 16.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 16.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 16.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan
47
Artikel 17
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Hoogenboomlaan 42 Renesse'.
48
Laan van St. Hilaire 2 4301 SH Zierikzee Postadres: Postbus 5555 4300 JA Zierikzee T (0111) 452 000 F (0111) 452 452 gemeente@schouwen-duiveland.nl www.schouwen-duiveland.nl