CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS Vaststellen bestemmingsplan Boogaardweg 2 Zonnemaire bijlage 1 bpl

Gemeenteraad 23 juni 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Boogaardweg 2 Zonnemaire (581814)26.823 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

27

4.1.8.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in vormverandering van een bouwvlak bij een land- en tuinbouwbedrijf en de verplaatsing van een bedrijfswoning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen toename van het aantal woningen. Ook als de verplaatsing van een woning wordt gezien als een nieuwe woning dan is nog steeds geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde. Tevens is een ontwikkeling, wanneer sprake is van nieuwe woningen, alleen m.e.r.-beoordelingsplichtig als sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht voor het verplaatsen van de bedrijfswoning. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal woningen zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. 4.1.8.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. 4.1.8.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu.

Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2

Ecologie

Wet natuurbescherming kent soorten en gebiedsbescherming. Soorten gaat voor dier-en plantensoorten. gebiedsbescherming gaat over beschermende gebieden in berband met het behoud of versterken van bepaalde habitats. verlening van vergunning is hierbij mogelijk als de ontwikkeling effecten heeft op de beschermende natuurwaarden.

28

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Grevelingen) is gelegen op een afstand van ongeveer 2,7 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een activiteit die een uitstoot van ammoniak tot 29

gevolg heeft. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), niet in onevenredige mate toenemen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogde uitstoot van stikstof als gevolg van de bedrijfsvoering en/of de verkeersbewegingen. Mogelijk komen tijdens de sloop en herbouw van de te verplaatsen bedrijfswoning stikstofoxiden vrij als gevolg van de gebruikte machines en materialen tijdens de werkzaamheden. Om te bepalen of deze werkzaamheden mogelijk tot nadelige effecten leiden op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt van de te verwachten effecten van de werkzaamheden op de betreffende gebieden. Hierbij is uitgegaan van de worst-case situatie. De daadwerkelijke effecten in de praktijk zullen daarmee kleiner zijn dan de berekende effecten. Zoals blijkt uit de uitgevoerde berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting, zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Naast de uitstoot van ammoniak en/of stikstofoxiden zijn effecten als licht, geluid en/of trillingen mogelijk van invloed op de betreffende gebieden.

Bij de voorgenomen bedrijfsvoering vinden geen activiteiten plaats die structureel leiden tot lichthinder, geluidshinder en/of trillingen naar de omgeving. Mogelijk vinden tijdens de sloop en herbouw van de te verplaatsen bedrijfswoningen incidenteel situaties plaats met tijdelijke uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter zullen deze effecten op een afstand van ongeveer 2,7 kilometer niet merkbaar zijn in het betreffende gebied. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk.

Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker 30

aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.

Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de verplaatsing van een bedrijfswoning. Daarbij wordt een nieuwe woning gebouwd en wordt de huidige, verouderde bedrijfswoning aan het gebruik als bedrijfswonig onttrokken. Op termijn zal deze eveneens worden gesloopt. De nieuwe bedrijfswoning zal worden gebouwd op het huidige bestaande erf ter plaatse van de huidge waterbassins. Gezien het gebruik van de gronden ter plaatse voor agrarische activiteiten en voor de opslag van water dat regelmatig wordt gebruikt is het niet aannemelijk dat zich ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning beschermde soorten hebben gevestigd. Vooralsnog is geen sprake van sloop van bebouwing waarin zich beschermde soorten hebben kunnen vestigen. Wanneer de verouderde huidige bedrijfswoning zal worden gesloopt zal voorafgaand aan de sloop van het pand een onderzoek naar mogelijk voorkomende soorten worden uitgevoerd. Hiermee is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten worden aangetast.

Om echter degelijk onderzocht te hebben of er sprake is van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten is door een ecologisch deskundige een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierbij is onderzocht of ter plaatse mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn of kunnen zijn. Uit de uitgevoerde quickscan, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het rapport dat als bijlage ... bij deze toelichting is gevoegd, blijkt het volgende: 31

"Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten worden er van de (niet vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde planten- en/of diersoorten geen aantasting van groeiplaatsen, verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht op de ingreeplocatie. Bij de werkzaamheden geldt altijd de zorgplicht, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. De sloop van het huisje en de bouw van een nieuwe woning kan dan ook zonder gevolgen voor de Wet natuurbescherming plaats vinden." Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten worden aangetast.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies, die regels opnemen in het ruimtelijk beleid ter bescherming van het NNN. De provincie Zeeland heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ).

In het provinciale ruimtelijk beleid zijn regels opgenomen ter bescherming van het NNZ. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNZ gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNZ-gebied is direct aangrenzend aan het bouwvlak gelegen. De Blooisedijk is aangemerkt als NNN/NNZ-gebied.

Uitsnede kaart NNN/NNZ. 32

Bron: Provincie Zeeland. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het bouwvlak aan de zijde van het NNN/NNZ-gebied worden verkleind. Aan de achterzijde, juist op grotere afstand van het NNN/NNZ-gebied, wordt het bouwvlak vervolgens uitgebreid. Deze wijziging van het bouwvlak is ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning. Deze komt op een grotere afstand van het betreffende gebied te liggen. Daarmee zal de mogelijke invloed van het bedrijf op het betreffende gebied alleen maar afnemen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuurlijke waarden van het NNN.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Schouwen-Duiveland voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente heeft de gebeiden waarin mogelijk archeologische waarden voorkomen opgenomen ni het geldende bestemmingsplan door middel van het toekennen van dubbelbestemmingen ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische resten. Ter plaatse van de locatie is geen dubbelbestemming voor archeologie toegekend, waarmee geen sprake is van een mogelijk archeologisch waardevol gebied. Nader onderzoek wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.

33

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Zeeland. De eerste bedrijfswoning van het bedrijf is aangemerkt als historisch pand, zijnde een MIP object (Monumenten Inventarisatie Project). Voor dergelijke panden gelden aanvullende regels voor het behoud van de historische waarden ervan. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats aan het betreffende pand. De tweede bedrijfswoning wordt verplaatst. Deze is niet aangemerkt als waardevol of historisch pand. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op het betreffende waardevolle pand. De Blooisedijk is aangemerkt als waardevolle infrastructuur. Dit omdat het een waardevolle dijk en een voormalige trambaan betreft. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats aan de Blooisedijk. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling een deel van het bouwvlak aan de Blooisedijk worden verwijderd en worden verplaatst naar de achterzijde van het perceel. Tevens zal de te verplaatsen bedrijfswoning verder van de Blooisedijk worden geplaatst, waarmee de voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een verkleining van de eventuele invloed op de Blooisedijk. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de historische infrastructuur.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

34

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Boogaardweg. De locatie is voorzien van inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.

Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning. Er is geen sprake van een wijziging in de bedrijfsvoering en er zal geen sprake zijn van een uitbreiding van het bedrijf. Het aantal verkeersbewegingen neemt daarmee niet toe in vergelijking met de huidige situatie. De activiteiten blijven immers gelijk, alleen zullen deze op een andere plek binnen het erf plaatsvinden. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals 35

die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Scheldestromen (hierna: het waterschap). Het waterschap stelt zichzelf de volgende taken: Beheer van de buitenwegen in Zeeland; De zorg voor schoon water in sloten en kreken; De zorg voor veiligheid van dijken; Zorg voor voldoende water in sloten en kreken. Bij het toetsen aan het aspect water hanteert het waterschap de volgende thema's: Veiligheid waterkering: waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte; Wateroverlast: bij de bouw dient voldoende hoog te worden gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen en het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden/bergen/afvoeren van water; Riolering/RWZI: waarborging van optimale werking van RWZI's en gemeentelijke rioleringen en het afkoppelen van (schone) verharde oppervlakten in verband met de hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten; Waterschapsobjecten: ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet beperken; Volksgezondheid: minimaliseren van het risico op watergerelateerde ziekten en/of

plagen en het voorkomen van verdrinkingsgevaar; Bodemdaling: voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken; Grondwateroverlast: het voorkomen en/of tegengaan van grondwateroverlast; Oppervlaktewaterkwaliteit: het behoud en/of de realisatie van oppervlaktewaterkwaliteit en het vergroten van de veerkracht van het watersysteem; Grondwaterkwaliteit: het behoud en/of de realisatie van de grondwaterkwaliteit; Verdroging: bescherming van karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; Natte natuur: ontwikkeling en/of bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur; Onderhoud waterlopen: het adequaat onderhouden van oppervlaktewateren; Waterschapswegen: in stand houden van een goede bereikbaarheid en van wegen in onderhoud en beheer bij het waterschap. 4.5.1 Veiligheid waterkering Een van de uitgangspunten uit het beleid van het waterschap ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen is dat waterkeringen niet mogen worden belemmerd om het veiligheidsniveau tegen water te waarborgen. Hierbij is het van belang of nabij het plangebied waterkeringen gelegen zijn die mogelijk nadelig beïnvloed kunnen worden met de voorgenomen ontwikkeling. De Blooisedijk is een dijk met een waterkerende functie. Deze mag met de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig worden belemmerd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het ter plaatse toegekende agrarische bouwvlak gewijzigd om de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning naar de achterzijde van het erf mogelijk te maken. Daarbij wordt een deel van het agrarisch bouwvlak dat aan de Blooisedijk grenst verplaatst naar de achterzijde van het erf. Daarnaast zal de te verplaatsen bedrijfswoning verder van de Blooisedijk komen te liggen. Hiermee zal de invloed die het bedrijf mogelijk heeft op de waterkering alleen maar afnemen. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige aantasting van de betreffende waterkering.

36

4.5.2 Wateroverlast Om wateroverlast te voorkomen dient bij de bouw voldoende hoog te worden gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Tevens dient voldoende ruimte te worden gereserveerd voor het vasthouden, het bergen en/of het afvoeren van water. Hierbij is de voorkeursvolgorde van het waterschap vasthouden - bergen - afvoeren. Om te bepalen of voldoende ruimte gereserveerd kan worden voor het vasthouden en/of bergen van water dient het plan nader bekeken te worden.

4.5.3 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het agrarisch bouwvlak ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning naar de achterzijde van het perceel. Er is daarbij geen sprake van een uitbreiding van het bedrijf. De te verplaatsen woning zal op een vergelijkbare wijze worden teruggebouwd dan de huidige woning. Er zal daarbij nagenoeg geen sprake zijn van een toename van het verharde oppervlak. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap een buffer van 75 millimeter. Dat betekent dat de toename van het verhard oppervlak moet worden vermenigvuldigd met 0,075 om het aantal kubieke meter aan compenserende waterberging te berekenen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het nieuwe verhard oppervlak een totale grote van 250m³ bevatten, 0,0075mm*250m² = 18,75m³. Hier wordt extra waterberging gerealiseerd door de sloot voor het huis te voorzien van een natuurvriendelijke oever. de bestaande woning wordt gesloopt en wordt erf, dus daar is geen afname. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.4 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

37

4.6

Duurzaamheid/Energie

Nederland werkt aan een energiesysteem waarbij nauwelijks nog CO2 vrij komt. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De regeringsleiders van de Europese Unie (EU) hebben in december 2020 afgesproken te streven naar een Europees CO2-reductiedoel van 55%. Een overgang naar een duurzame energievoorziening is belangrijk om klimaatverandering tegen te gaan. Ook zijn er in Nederland steeds minder fossiele brandstoffen, vooral aardgas, beschikbaar. En wil Nederland niet volledig afhankelijk zijn energie uit andere landen. Zoals uitgewerkt in paragraaf 3.3 wil de initiatiefnemer een bijdrage leveren aan de gestelde doelen van de energie agenda die aansluit op de energie ambities van zowel Schouwen-Duivenland als Nederland. Daarom wenst de initiatiefnemer gebruik te maken van goede isolatie zoals het gebruik van vloer isolatie, dakisolatie, gevelisolatie en isolatie glas. Op deze manier wordt energie verbruik bespaard, tevens zal er een gasloos systeem worden geïmplementeerd wat past binnen de energie agenda van de gemeente. Daarnaast wordt er besproken over de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen.

38

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.

In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Schouwen-Duiveland. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een partiële herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Schouwen-Duiveland en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld 39

zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3

Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

40

Hoofdstuk 6 6.1

Wijze van bestemmen

Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.

het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2

Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 41

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 42

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3

Voorliggend plan

Voorliggend wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: 'Agrarisch', waarbij de functie voor het uitvoeren van een agrarisch bedrijf wordt neergelegd. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: Het bouwvlak ter plaatse is van vorm veranderd. De oppervlakte neemt daarbij niet toe. Een en ander is weergegeven op de bij dit plan behorende verbeelding. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

43

44

Bijlagen bij de toelichting

45

Bijlage 1

Situatietekening op schaal

46

Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal Aanduiding voorgevel

www.dlvadvies.nl

DLV

Benaming:

Situatie

Schaal:

Omgevingsvergunning: activiteit bouwen

1 : 1000

Formaat:

A2

ADVIES &RESULTAAT

Opdrachtgever:

Datum:

G.J. de Vlieger Boogaardweg 2 4316 PS, Zonnemaire Telefoon: 0111 69 50 19 Mobiel: 06 53182572 E-mail: gjdev@agroweb.nl

DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden

Bouwlocatie:

Projectleider:

Boogaardweg 2 4316 PS, Zonnemaire

Telefoon:

Telefoon: E-mail:

E-mail:

28-05-2020

AvdR

Wijzigingen: A

0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl

J. Commissaris 06-51383994 j.commissaris@dlvadvies.nl

B

16-06-2020 19-03-2021

AvdR E EJ F

C

G

D

H

Klantnummer:

205740

Werknummer:

B190120-91

Blad:

S10

Bijlage 2

Landschappelijk inrichtingsplan

48

Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal Aanduiding voorgevel

Overzicht beplanting uitvoering windsingel aan zuidzijde:

www.dlvadvies.nl

DLV

Benaming:

Situatie

Schaal:

Omgevingsvergunning: activiteit bouwen

1 : 1000

Formaat:

A2

ADVIES &RESULTAAT

Datum:

Opdrachtgever:

Dhr. G.J. de Vlieger Boogaardweg 2 4316 PS Zonnemaire Telefoon: 0111 69 50 19 Mobiel: 06 53182572 E-mail: gjdev@agroweb.nl

DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden

Bouwlocatie:

Projectleider:

Boogaardweg ong. 4316 PS Zonnemaire

Telefoon:

Telefoon: E-mail:

28-05-2020 A

0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl

B C D

E-mail:

AvdR

Wijzigingen:

J. Commissaris 06-51383994 j.commissaris@dlvadvies.nl

16-06-2020 06-08-2020 25-11-2020 08-03-2021

Klantnummer:

205740

AvdR FvdA AvdR AvdR

E F

14-07-2021 13-12-2021

AvdR RD

G H

Werknummer:

B200246-91

Blad:

S10

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

50

Laarseweg 24-1, 8171 PR Vaassen (T) (T) 0578 0578 –- 76 90 60 • KvK 082 04 400 www.sainadvies.nl • info@sainadvies.nl

Notitie Project:

Boogaardweg 2, Zonnemaire

Betreft:

Geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai

Kenmerk:

2020-3037-b3420/1630

Datum:

18 november 2020

Inleiding Het bedrijf aan de Boogaardweg 2 te Zonnemaire is van plan om het agrarisch bouwvlak wijzigen, waarbij onder andere de tweede bedrijfswoning verplaatst wordt naar een andere locatie op het perceel. Om de plannen mogelijk te maken is een ruimtelijke procedure nodig. De nieuwe (bedrijfs)woning komt te liggen binnen de geluidszone van de Boogaardweg en de Stapelsweg. Daarom is in het kader van de ruimtelijke procedure een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nodig. Er is onderzocht of de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de nieuwe woning voldoet aan de wettelijke eisen.

Wettelijk kader Gezoneerde wegen In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door wegverkeer. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit het jaar 10 jaar na realisatie of na het uitvoeren van het akoestisch onderzoek. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde. Als aan deze waarde wordt voldaan, is er voor de Wet geluidhinder geen belemmering voor het bouwplan. Onder voorwaarden is een hogere grenswaarde mogelijk. Het onderhavige plan ligt buiten de bebouwde kom en er is sprake van een nieuwe agrarische bedrijfswoning. In dit geval gelden de volgende grenswaarden: • Voorkeursgrenswaarde: 48 dB; • Maximale grenswaarde: 58 dB. Op grond van de Wet geluidhinder mogen, alvorens te toetsen aan de grenswaarden, op de berekende geluidsbelastingen enkele correcties worden toegepast. Er geldt een generieke correctie van 5 dB als het gaat om wegverkeer met een snelheid van minder dan 70 km/u en (minimaal) 2 dB 1 als het gaat om wegverkeer met een snelheid van 70 km/u of meer. Daarnaast geldt er een correctie die afhankelijk is van het soort wegdek van 1 dB of 2 dB voor wegverkeer met een snelheid van 70 km/u of meer.

Verkeersgegevens Van de Stapelsweg zijn twee tellingen aangeleverd door het Waterschap Scheldestromen (de wegbeheerder). In het onderzoek is uitgegaan van de telling met de hoogste verkeersintensiteit (worstcase benadering). Deze verkeerstelling is uitgevoerd in 2006. Van de Boogaardweg zijn geen tellingen beschikbaar. Van de in het verlengde gelegen Zuidbosweg is er wel een telling (uit 2012) beschikbaar. Er is aangegeven, dat deze telling gebruikt kan worden voor de Boogaardweg. Naast de tellingen zijn ook de te hanteren autonome groei en de wegdekverharding door het waterschap aangeleverd.

1

Afhankelijk van de geluidsbelasting bedraagt de correctie 3 dB of 4 dB.

pagina 1 van 2

De gehanteerde periode- en voertuigverdeling volgen uit de tellingen, evenals de gehanteerde rijsnelheid2. De etmaalintensiteiten in 2030 (voor een gemiddelde weekdag) zijn berekend door de aangeleverde weekdagintensiteit met een autonome groei van 0,25% per jaar op te hogen tot het jaar 2030. In bijlage 1 zijn de verkeersgegevens in detail opgenomen.

Berekening De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de geplande woning is berekend volgens de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en Meetvoorschrift geluid 2012. Het gebruikte programma is Geomilieu V2020.2 van dgmr. Op basis van de aangeleverde verkeersgegevens zijn rijlijnen gemodelleerd. De rijlijnen zijn per weg in een groep gemodelleerd. Aan de groep ‘Stapelsweg’ is een groepsreductie toegekend van 2 dB en aan de groep ‘Boogaardweg’ 5 dB, overeenkomstig de (minimale) generieke correctie die mag worden toegepast. De berekeningsresultaten, inclusief groepsreductie, zijn nu direct te toetsen aan het wettelijke kader. De correctie die wegdekafhankelijk is, wordt door Geomilieu automatisch toegepast. In het rekenmodel zijn verder de nieuwe woning en het nieuwe bijgebouw gemodelleerd. Voor de ligging van de (nieuwe) planbebouwing is gebruik gemaakt van de op 2 november 2020 aangeleverde plantekening. Het rekenmodel rekent met een standaard absorptiefractie van 1,0. Akoestisch reflecterende gebieden (zoals wegen en water) zijn ingevoerd met een absorptiefractie van 0,0. De ligging van de nieuwe erfverharding volgt uit de aangeleverde plantekening. De ligging van de overige verhardingen volgt uit luchtfoto’s. In bijlage 2 zijn de invoergegevens van het rekenmodel en een weergave van het rekenmodel opgenomen.

Resultaten In tabel 1 is de berekende geluidsbelasting weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting vanwege elk van de wegen op de nieuwe woning voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. In bijlage 3 zijn de rekenresultaten meer gedetailleerd weergegeven. Tabel 1: Geluidsbelasting Lden in dB, incl. aftrek ex art. 110g Wgh Omschrijving

Geluidsbelasting

Boogaardweg

36 dB

Stapelsweg

48 dB

Conclusie De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai zal ter plaatse van de nieuwe woonbestemming voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig. Bijlage(n):

2

1. 2. 3.

Verkeersgegevens Gegevens rekenmodel Resultaten

In het onderzoek dient uitgegaan te worden van de “representatief te achten rijsnelheid”. Voor de Boogaardweg is dit de wettelijke maximumsnelheid. Voor de Stapelsweg wijkt de wettelijke maximumsnelheid duidelijk af van de gebruikelijke rijsnelheid. Daarom is voor deze weg in de berekeningen uitgegaan van de rijsnelheid “V85”, de snelheid waar 85% van het verkeer zich aan houdt.

kenmerk 2020-3037-b3420/1630 pagina 2 van 2

Bijlage 1 Verkeersgegevens

Stapelsweg Etmaalintensiteit (aangeleverd en toekomstig, weekdag) Aangeleverd jaar: 2006 Gemiddelde groei per jaar: 0,25% Intensiteit in aangeleverd jaar 788 Totale groei over 24 jaar: 6,18% Gewenst jaar: 2030 Intensiteit in gewenst jaar 840 Aangeleverd jaar (2006) intensiteit per periode periode lv* mv zv totaal dag 546 56 16 avond 113 6 1 nacht 61 6 2 etmaal 720 68 19 807 voertuigverdeling (% per periode) periodeverdeling (% per uur) periode lv mv zv dag 88,3 9,1 2,6 6,4 avond 94,2 5,0 0,8 3,7 nacht 88,4 8,7 2,9 1,1 Overige gegevens Snelheid: 60 km/u (wettelijke maximumsnelheid; V85 = 85 km/u) Wegdektype: Oppervlaktebewerking 4/8 * Hierbij zijn de voertuigen in de categorie ‘Overig’ inbegrepen, conform artikel 1.1 eerste lid van het RMG2012.

Zuid Bosweg Etmaalintensiteit (aangeleverd en toekomstig, weekdag) Aangeleverd jaar: 2012 Gemiddelde groei per jaar: Intensiteit in aangeleverd jaar 106 Totale groei over 18 jaar: Gewenst jaar: 2030 Intensiteit in gewenst jaar 120 Aangeleverd jaar (2012) intensiteit per periode periode lv* mv zv dag 79 11 1 avond 7 1 0 nacht 3 0 0 etmaal 89 12 1 voertuigverdeling (% per periode) periode lv mv zv dag 86,8 12,1 1,1 avond 87,5 12,5 0,0 nacht 100,0 0,0 0,0 Overige gegevens Snelheid: 60 km/u Wegdektype: Oppervlaktebewerking 4/8 * Hierbij zijn de voertuigen in de categorie ‘Overig’ inbegrepen, conform artikel 1.1 eerste lid van het RMG2012.

0,25% 4,60%

totaal

102 periodeverdeling (% per uur) 7,4 2,0 0,4

Telpunt: 1520-01-01 Locatie: Stapelsweg, ZONNEMAIRE Type apparaat: Marksman 400 series Van: 26 apr 2006 t/m 22 mei 2006 Uitgesloten dagen: Begin- en Einddag, 30-04-2006 zondag (Koninginnedag) Alle uren Totaal

Kanaal 2

Kanaal 1

Telpunt

: 1520-01-01

Straatnaam : Stapelsweg Locatie

: provw-boogw

Wijk

: Geen

BeginJaar : 2006 periode van : 26 apr 2006 T/m

: 22 mei 2006

Woonplaats : ZONNEMAIRE Telpunt Max. snelheid Telnaam Apparaat IntSpec

1520-01-01

1520-01-01

1520-01-01

60

60

60

STAPELSWEG 1

STAPELSWEG 1

STAPELSWEG 1

Marksman 400 series Marksman 400 series

Marksman 400 series

CLS+SPD

CLS+SPD

CLS+SPD

Start

27-04-06 [00:00]

27-04-06 [00:00]

27-04-06 [00:00]

Eind

21-05-06 [23:00]

21-05-06 [23:00]

21-05-06 [23:00]

Provincialeweg

Boogaardweg

1

2

Totaal

Zondag

321

353

674

Maandag

379

385

764

Dinsdag

386

363

749

Woensdag

420

388

808

Donderdag

442

368

810

Vrijdag

499

382

880

Zaterdag

438

352

789

Etmaal (weekdag)

418

370

788

Werkdag

430

377

807

Weekenddag

388

352

740

07-19 uur (werkdag)

327

290

618

19-23 uur (werkdag)

67

54

121

23-07 uur (werkdag)

36

32

69

Licht

368

319

687

Middel

36

32

68

Zwaar

10

10

20

KanaalInfo Kanaal Gemiddeld aantal voertuigen

Gemiddelden

Voertuigcategorie Werkdagen gemiddelden

Tweewieler

0

0

0

Overig

16

17

33

Licht

276

246

522

Middel

30

25

56

Zwaar

8

8

16

Tweewieler

0

0

0

07-19 uur (werkdagen) gemiddeld

1

pagina 1 van 3

Telpunt: 1520-01-01 Locatie: Stapelsweg, ZONNEMAIRE Type apparaat: Marksman 400 series Van: 26 apr 2006 t/m 22 mei 2006 Uitgesloten dagen: Begin- en Einddag, 30-04-2006 zondag (Koninginnedag) Alle uren Totaal

Kanaal 2

Kanaal 1

Overig

13

11

24

Licht

60

49

109

Middel

3

3

6

Zwaar

1

0

1

Tweewieler

0

0

0

Overig

2

2

4

Licht

32

25

56

Middel

3

3

6

Zwaar

1

1

2

Tweewieler

0

0

0

Overig

1

3

5

19-23 uur (werkdagen) gemiddeld

23-07 uur (werkdagen) gemiddeld

Snelheidsklassen Gemiddeld werkdag aantal 0 - 10 km/h

2

2

5

10 - 15 km/h

1

1

2

15 - 20 km/h

1

1

2

20 - 25 km/h

1

1

2

25 - 30 km/h

1

1

2

30 - 35 km/h

5

4

9

35 - 40 km/h

6

4

10

40 - 45 km/h

12

8

20

45 - 50 km/h

13

9

22

50 - 55 km/h

30

24

54

55 - 60 km/h

35

28

62

60 - 65 km/h

50

40

90

65 - 70 km/h

61

48

110

70 - 75 km/h

60

51

111

75 - 80 km/h

58

51

109

80 - 85 km/h

35

34

68

85 - 90 km/h

29

29

58

90 - 95 km/h

13

16

28

95 - 100 km/h

9

12

21

100 - 105 km/h

3

6

9

105 - 110 km/h

2

4

6

110 - 115 km/h

1

2

3

115 - 120 km/h

0

1

2

120 - 125 km/h

0

0

1

125 - 130 km/h

0

0

0

130 - 140 km/h

0

0

1

140 - 150 km/h

0

0

0

2

pagina 2 van 3

Telpunt: 1520-01-01 Locatie: Stapelsweg, ZONNEMAIRE Type apparaat: Marksman 400 series Van: 26 apr 2006 t/m 22 mei 2006 Uitgesloten dagen: Begin- en Einddag, 30-04-2006 zondag (Koninginnedag) Alle uren Totaal

Kanaal 2

Kanaal 1

150 - 160 km/h

0

0

0

160 - 170 km/h

0

0

0

170 - 200 km/h

0

0

0

200 - 240 km/h

0

0

0

V15

54 km/h

56 km/h

55 km/h

gemiddelde snelheid

70 km/h

72 km/h

71 km/h

V85

84 km/h

87 km/h

85 km/h

V90

88 km/h

91 km/h

89 km/h

75 %

79 %

77 %

Snelheid werkdagen

% te hard rijders

3

pagina 3 van 3

Telpunt: 1525-01-01 Locatie: Zuid Bosweg, NOORDGOUWE Type apparaat: Marksman 400 series Van: 28 feb 2012 t/m 27 mrt 2012 Uitgesloten dagen: Begin- en Einddag Alle uren Totaal

Kanaal 2

Kanaal 1

Telpunt

: 1525-01-01

Straatnaam : Zuid Bosweg Locatie

: weeld-noordgouwe

Wijk

: Geen

BeginJaar : 2012 periode van : 28 feb 2012 T/m

: 27 mrt 2012

Woonplaats : NOORDGOUWE Telpunt Max. snelheid Telnaam Apparaat IntSpec

1525-01-01

1525-01-01

1525-01-01

60

60

60

ZUIDBOSWEG 1

ZUIDBOSWEG 1

ZUIDBOSWEG 1

Marksman 400 series Marksman 400 series

Marksman 400 series

CLS+SPD

CLS+SPD

CLS+SPD

Start

29-02-12 [05:00]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11547188/1