RVS Vaststellen bestemmingsplan Boogaardweg 2 Zonnemaire bijlage 1 bpl
Tekst van het document
BOOGAARDWEG 2 ZONNEMAIRE bestemmingsplan
Boogaardweg 2 Zonnemaire bestemmingsplan
Vastgesteld
Projectleider Bouw Dhr. J. Commissaris Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp
Datum: 4 juli 2022
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten 4.6 Duurzaamheid/Energie Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend plan
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Situatietekening op schaal Landschappelijk inrichtingsplan Akoestisch onderzoek Bodemonderzoek Resultaten berekeningen Aerius Quickscan flora en fauna
Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Artikel 5 Algemene bouwregels Artikel 6 Algemene gebruiksregels Artikel 7 Algemene afwijkingsregels
6 6 7 7 8 9 9 10 13 13 14 16 18 18 28 33 35 35 38 39 39 39 40 41 41 41 43
45 46 48 50 71 115 127
151 152 152 158 159 159 165 165 166 167 168 2
Artikel 8 Algemene wijzigingsregels Artikel 9 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht Artikel 11 Slotregel
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Positieve lijst Nieuwe Economische Dragers Staat van bedrijfsactiviteiten Landschappelijk inrichtingsplan
169 170 171 171 172
173 174 177 202
3
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Schouwen-Duiveland ten behoeve van het wijzigen van het agrarisch bouwvlak aan de Boogaardweg 2 te Zonnemaire om de gewenste verplaatsing van de bestaande legale tweede bedrijfswoning mogelijk te maken. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert ter plaatse samen met zijn zoon momenteel een grootschalig akkerbouwbedrijf uit. Het is de wens om de bedrijfsvoering op (korte) termijn uit te breiden naar een totale teelt van ongeveer 340 hectare. Omdat vader en zoon beiden in het bedrijf actief zijn is het noodzakelijk dat beiden op het bedrijf woonachtig zijn om een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering te borgen en om snel te kunnen schakelen bij eventuele calamiteiten. Derhalve zijn momenteel twee bestaande en legale bedrijfswoningen aanwezig op het bedrijf. De huidige tweede bedrijfswoning is echter sterk verouderd en dient te worden vervangen. Daarom is de sloop en herbouw van de tweede bedrijfswoning noodzakelijk om deze bewoonbaar te houden. Daarnaast is de huidige plaats van de tweede bedrijfswoning midden op het erf niet wenselijk.
Deze staat in de weg van een optimale routing op het bedrijf en zorgt voor veel hinder ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het is daarom noodzakelijk deze bedrijfswoning te verplaatsen naar een meer geschikte locatie. Eerder is met de gemeente gesproken over een verplaatsing van de tweede bedrijfswoning naar de overzijde van de Boogaardweg. De gemeente heeft destijds aangegeven dat deze locatie niet wenselijk is voor het realiseren van een tweede bedrijfswoning. Ook de eerder met de gemeente besproken locatie aan de kruising van de Boogaardweg en de Stapelweg bleek vanuit gemeentelijk oogpunt niet wenselijk. De initiatiefnemer heeft in overleg met de gemeente bekeken waar de tweede bedrijfswoning naar toe kan worden verplaatst. Uit het overleg, waarin zowel de belangen van de gemeente als van de initiatiefnemer zijn geuit, is de achterzijde van het huidige erf, op de plaats waar momenteel de waterbassins zijn gelegen, een geschikte plaats gebleken. Een deel van de aanwezige waterbassins zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden behouden. Dit omdat in het gebouw aansluitend aan dit deel van het bassin en erf gebruikt wordt als wasplaats voor de geteelde goederen. Verplaatsing van het bassin dat hiervoor nodig is zou betekenen dat ook het gebouw met de wasplaats moet worden verplaatst. Daarvoor zou het huidige gebouw moeten worden gesloopt en moeten worden herbouwd.
Dit is vanuit zowel ruimtelijk als financieel oogpunt niet wenselijk. Het huidige bouwvlak biedt onvoldoende ruimte om de gewenste verplaatsing van de tweede bedrijfswoning mogelijk te maken. Daarom is een vormverandering van het huidige bouwvlak noodzakelijk. Aan de noordzijde van het huidige bouwvlak zal een deel van ongeveer 1.000 m² worden verwijderd van het bouwvlak. Aan de zuidzijde van het erf, op de plaats van een deel van de huidige waterbassins, zal een vlak van ongeveer 1.000 m² worden toegevoegd om daar de tweede bedrijfswoning te kunnen plaatsen. De gewenste ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan vanuit het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is, in artikel 3.7.1, een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een wijziging van de bouwstede en/of het bouwvlak. Echter heeft deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend betrekking op het vergroten van het bouwvlak. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het bouwvlak, waarbij de oppervlakte niet toeneemt. Omdat de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend betrekking heeft op vergroting van het bouwvlak kan deze niet worden toegepast voor de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve is een nieuw bestemmingsplan op verzoek nodig conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt dit nader aangetoond en gemotiveerd.
6
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Boogaardweg 2 te Zonnemaire en ligt aan de westkant van Zonnemaire in het landelijk gebied van gemeente Schouwen-Duiveland. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Brouwershaven, sectie F, nummer 118. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Schouwen-Duiveland, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 maart 2009, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak' en 'maximum aantal woningen, dienst- of bedrijfswoningen - 2' van toepassing.
7
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Bij besluit van 11 juni 2013 is voor de locatie een omgevingsvergunning voor het gebruik van de gronden ter plaatse als bouwvlak met een totale oppervlakte van 2,5 hectare verkregen (nummer 2012 0944). Middels deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is daarmee feitelijk een bouwvlak van 2,5 hectare verkregen. De huidige bedrijfsvoering past binnen deze maximale oppervlakte. Vanuit het geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse reeds twee bedrijfswoningen toegestaan. Tevens is de huidige agrarische bedrijfsvoering mogelijk vanuit de agrarische bestemming. De gewenste ontwikkeling kan niet mogelijk worden gemaakt met een wijzigingsbevoegdheid of een afwijkingsmogelijkheid. Daarom is voor de voorgenomen ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan op verzoek (postzegelbestemmingsplan) nodig, volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het voorliggende document dient als toelichting bij de herziening.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
8
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Schouwen-Duiveland. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Op grotere afstand van de locatie zijn enkele burgerwoningen en de kern Zonnemaire gelegen.
2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een akkerbouw gevestigd. Ter plaatse zijn, naast de noodzakelijke bedrijfsgebouwen en bassins voor de opslag van water, twee bedrijfswoningen aanwezig. De huidige tweede bedrijfswoning is midden op het erf gelegen en is sterk verouderd. De tweede bedrijfswoning dient daarom te worden gesloopt en te worden herbouwd. De huidige locatie staat echter in de weg van een optimale routing op het bedrijf en leidt tot een beperking van de efficiëntie van de bedrijfsvoering. Verplaatsing van de tweede bedrijfswoning is daarmee noodzakelijk. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak, zoals is opgenomen in het geldende bestemmingsplan, is ongeveer 2 hectare groot. Echter is in het verleden (bij besluit van 11 juni 2013) een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening verkregen voor het gebruik van de gronden als bouwvlak met een oppervlakte van in totaal 2,5 hectare. De huidige bedrijfsvoering past binnen deze oppervlakte. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
9
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de tweede bedrijfswoning te vervangen en te verplaatsen naar een meer geschikte plaats op het erf. Na uitvoerig overleg met de gemeente is besloten de tweede bedrijfswoning te verplaatsen naar een plaats achter op het erf waar momenteel (een deel van) de waterbassins zijn gelegen. De betreffende waterbassins zullen daarbij worden ontmanteld en worden verplaatst naar een plaats aan de westzijde van het huidige erf. Een deel van de waterbassins dient echter behouden te blijven voor het water dat noodzakelijk is aan de naastgelegen wasplaats van geteelde goederen. Ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning zal een deel van ongeveer 1.000 m² aan de voorzijde van het bouwvlak worden verwijderd en zal een deel van ongeveer 1.000 m² (ongeveer 31 x 32 m²) aan de zuidzijde van het erf worden toegekend voor het oprichten van de vervangende woning. De huidige tweede bedrijfswoning zal worden gesloopt zodat geen sprake is van het oprichten van een extra (derde) bedrijfswoning. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatieschets weergegeven. De volledige situatietekening is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.
10
situatieschets gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Het bouwvlak ter plaatse is niet toereikend om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te wijzigen. De omvang van het bouwvlak zal daarbij niet toenemen.
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
11
Tekening landschappelijke inpassing. Bron: DLV Advies. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Tevens zijn de uitgangspunten uit het Landschappelijk Raamwerk van de gemeente hierin als uitgangspunt genomen. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
12
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.
Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 13
belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 De provincie Zeeland heeft op 21 september 2018 het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 vastgesteld. Het omgevingsplan bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen. Landbouw is in Zeeland een belangrijke economische sector en draagt in belangrijke mate bij aan de kwaliteiten rust en ruimte in het landelijk gebied en daarmee aan de recreatieve aantrekkingskracht. De provincie streeft, vanuit de rol en verantwoordelijkheden voor het landelijk gebied en het belang van een vitale landbouw als economische drager van dit landelijk gebied, naar het bijdragen aan het realiseren van een transitie naar een meer duurzame natuurinclusieve landbouw. In overleg met de sector en overige maatschappelijke partners wil de provincie de komende jaren deze opgave nader concretiseren, waarbij de aandacht zich in eerste instantie richt op het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid, de beschikbaarheid van voldoende zoet water en het versterken van de landschappelijke diversiteit. De provincie zet in op grondgebonden landbouw, biologische landbouw en aquacultuur. Voor deze vormen van landbouw worden ruime ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Voor de niet-grondgebonden landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) zijn de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van grondgebonden landbouw. Aan deze vorm van landbouw worden voldoende ontwikkelingsmogelijkheden geboden. De inzet op vitaliteit en innovatie vraagt echter om een invulling door ondernemers. Daarvoor wordt in algemene zin ruimte geboden. Ditzelfde geldt voor nieuwvestiging of uitbreiding van grondgebonden veehouderij, mits wordt voldaan aan de regelgeving ter bescherming van kwetsbare gebieden. In kwetsbare gebieden met stikstofgevoelige natuur, wordt nieuwvestiging van grondgebonden veehouderij niet toegestaan. Dit geldt ook voor nieuwe hoofdtakken veehouderij en nieuwe neventakken grondgebonden veehouderij bij bestaande bedrijven. 14
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van nieuwvestiging en/of van het uitvoeren van veehouderij als hoofdtak of als neventak. Tevens is de locatie niet in een kwetsbaar gebied met voor stikstof gevoelige natuur gelegen. Het Zeeuwse landschap kenmerkt zich door openheid. Deze openheid wil de provincie behouden; mede door bundeling van bebouwing binnen het agrarische bouwvlak. Een integrale afweging, nadere invulling en maatwerk wordt aan de gemeenten gelaten, waarbij zij rekening houden met het voorkomen van verstening van het landschap, versnippering van de agrarische gronden en zorg dragen voor een zorgvuldige landschappelijke afweging. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal worden voorzien in een goede, bij het landschap en het gebied passende landschappelijke inpassing. Ten behoeve daarvan is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Hiermee wordt in voldoende mate rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten en de openheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarnaast sprake zijn van een het concentreren van bebouwing op een reeds bestaand erf. Er wordt daarbij gekozen voor een zo compact mogelijke situering van bebouwing en voorzieningen op het erf, waarmee de impact op de openheid van het landschap wordt geminimaliseerd.
Ten slotte zal de voorgenomen ontwikkeling de maximale omvang voor een agrarisch bedrijf uit zowel het provinciaal als gemeentelijk beleid niet overschrijden. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 van de provincie Zeeland.
3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 Op 21 september 2018 heeft de provincie Zeeland de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Op basis van artikel 2.6.1 van de omgevingsverordening dient alle bebouwing bij agrarische bedrijven geconcentreerd te worden binnen een agrarisch bouwvlak. Als uitzondering daarop geldt dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde als sleufsilo's en kuilvoerplaten aansluitend aan een bouwvlak, tijdelijke mestopslag op veldkavels en als onderdeel van een agrarisch bedrijf, teelt ondersteunende voorzieningen en bassins toelaatbaar zijn buiten een bouwvlak. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het bouwvlak zodanig gewijzigd (niet vergroot) dat alle bebouwing, uitgezonderd een deel van de waterbassins, hierbinnen komt te liggen. Voor de waterbassins geldt dat deze kunnen worden toegelaten buiten het bouwvlak. Er is daarmee sprake van een concentratie van de bebouwing binnen een bouwvlak. Daarnaast geldt op basis van artikel 2.28 een zorgplicht voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in een gebied.
De locatie is gelegen in een gebied dat in de omgevingsverordening niet specifiek is aangemerkt met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Wel dienen de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten zoveel mogelijk behouden worden en waar mogelijk te worden versterkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiervoor is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en is uitgewerkt. Er is daarmee sprake van een goede landschappelijke inpassing ter plaatse die aansluit bij de kenmerken en waarden van het landschap in de omgeving. Er is daarmee sprake van een bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit van het gebied. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 van de provincie Zeeland.
15
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit De gemeente Schouwen-Duiveland heeft op 26 maart 2009 de structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit vastgesteld. In 2018 is de gemeente bezig geweest met het opstellen van een nieuwe omgevingsvisie voor het landelijk gebied, maar deze is wegens omstandigheden niet vastgesteld en daarmee niet van toepassing, waarmee het beleid uit de structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit nog steeds het geldende beleidskader biedt voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente. De visie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De visie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Na een analyse van het buitengebied blijkt dat zowel inwoners als belangenorganisaties trots zijn op het buitengebied van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt in de visie is dan ook respect voor het bestaande landschap met al haar kwaliteiten. Dit betekent echter niet dat alles moet blijven zoals het is, want het buitengebied is immers een gebied waarin gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt en deze functies vragen om een ontwikkeling van het buitengebied.
Trefwoorden in het ruimtelijke beleid vanuit de visie zijn dan ook ontwikkelen met kwaliteit en het benutten van kansen voor het verfraaien van het landschap en voor economische ontwikkeling. Het beleid met betrekking tot de landbouw is met name gericht op een duurzame grondgebonden landbouw met goede economische perspectieven in evenwicht met het landschap, waarbij ondernemers zo veel mogelijk ruimte hebben om zelf de ontwikkelingsstrategie van het bedrijf te bepalen. Daarbij wordt gestreefd naar een verdere verduurzaming van de landbouw en een landbouw die in evenwicht is met een zo natuurlijk mogelijk watersysteem. De grondgebonden landbouw zal de grootste drager zijn en blijven in het buitengebied en is beeldbepalend voor het landschap. Gezien het grote belang van de grondgebonden landbouw voor het bestaande landschap en de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het buitengebied is het beleid er met name op gericht om de grondgebonden landbouw te versterken. De grondgebonden landbouw is namelijk de belangrijkste beheerder van het landschap. Om een duurzaam landschapsbeheer door de grondgebonden landbouw in stand te houden wordt daarom de nodige ontwikkelingsruimte geboden aan de grondgebonden landbouw. Daartegenover staat dat de mogelijkheden voor de niet-grondgebonden landbouw, zoals bijvoorbeeld de intensieve veehouderij en glastuinbouw, beperkt zijn.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling van en bij een grondgebonden agrarisch bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling is nodig om het bedrijf, ook op langere termijn in stand te kunnen houden en om een bedrijfsopvolging te borgen. Hiermee wordt het duurzame landschapsbeheer dat het bedrijf van de initiatiefnemer verzorgt voor langere termijn geborgd. Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een verdere optimalisatie van de routing en efficiëntie op het bedrijf. Daarmee wordt het bedrijfsproces verbeterd en kan meer rendement worden behaald uit hetzelfde geteelde goed. Dit betekent dat het grondgebruik niet toeneemt en daarmee de impact op het landschap zeer beperkt is. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de uitgangspunten uit de visie. De ontwikkeling van de grondgebonden landbouw dient echter te worden afgestemd op het landschap. Daarom is bij nieuwe ontwikkelingen een goede landschappelijke inpassing van belang, zodat ook de grondgebonden ontwikkelingen goed in het landschap passen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing, waarbij de uitgangspunten uit het Landschappelijk Raamwerk van de gemeente Schouwen-Duiveland in acht worden genomen.
Daarmee is sprake van een goede landschappelijke inpassing van de ontwikkeling en is de impact op het landschap zeer beperkt. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee in de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit van de gemeente Schouwen-Duiveland. 16
3.3.2 Energie agenda Schouwen-Duiveland in 2012 heeft het eiland Schouwen-Duiveland om willen gaan met de mondiale energie transitie die plaats vindt en bereidt zich mede op basis van de strategische visie ''Tij van de Toekomst'' voor op een toekomst waarin zij niet meer afhankelijk is van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het doel is dan ook in 2040 energie neutraal te zijn. Energie uit de wind, water, zon en ook andere duurzame bronnen is in de plaats gekomen van energie uit gas en olie. De energie-agenda Schouwen-Duiveland is opgesteld met de volgende vier hoofddoelstellingen: In de energieagenda worden onze ambities op het gebied van energie, energiegebruik, energiebesparing en de omschakeling op duurzame energie vastgelegd. Abstracte ambities worden concreet vertaalt in doelen, projecten en acties voor de komende vijf jaar. Werk maken van de ambities de zie hebben. De verkenning uit 2016 leert ze dat toekomst van de energie zich moeilijk laat voorspellen. Doel van de agenda is daarom dat deze vooral dynamisch en flexibel is. Nieuwe ontwikkelingen en initiatieven houden we in de gaten en zijn inpasbaar. Dit zonder de stip op de horizon, energieneutraal in 2040 te verliezen. De energieagenda inspireert en verbindt en vormt de basis om gezamenlijk (nog meer) werk te maken van de energietransitie op Schouwen-Duivenland.
De energieagenda is een document door, voor en van de samenleving. De agenda levert een bijdrage aan de verdere bewustwording dat de energietransitie gevolgen zal hebben voor ons allemaal. De volgende acties en activiteiten gericht op samenwerking en draagvlak verbreding worden in de periode 2018-2023 opgepakt. Verbreden bekendheid bestaan en werkzaamheden coöperatie Energie Werkt. Organiseren jaarlijkse energiemarkt Opstellen plan van aanpak en communicatiestrategie gericht op het vergroten van de betrokkenheid van inwoners bij de energietransitie Benaderen dorpsraden en inzetten op dorpsagenda's energie Uitwerken thema recreatie, energiebesparing en duurzame energie. Betrekken van de sector. Organiseren bijeenkomst denktank 3 maal per jaar. Periodiek overleg Energiecoöperatie Schouwen-Duiveland Werkt Organiseren eilandelijk debat over Ruimte en Energie in de periode 2018-2023 De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar deze energieneutrale omgeving door deel energie te besparen, dit wordt gedaan door gebruik te maken van goede isolatie zoals het gebruik van vloer isolatie, dakisolatie, gevelisolatie en isolatie glas. Op deze manier wordt energie verbruik bespaard, tevens zal er een gasloos systeem worden geïmplementeerd wat past binnen de energie agenda van de gemeente. Daarnaast wordt er besproken over de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen.
17
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het bouwvlak bij een akkerbouwbedrijf. Ten aanzien van akkerbouwbedrijven zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object, zijnde de burgerwoning aan de Stapelsweg 5, bevindt zich op een afstand van ongeveer 165 meter (gemeten van bouwvlak van de initiatiefnemer tot bestemmingsgrens van de woning). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.
Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de verplaatsing van een bedrijfswoning. Een bedrijfswoning is een gevoelig object. Met de verplaatsing van de betreffende bedrijfswoning is sprake van het verplaatsen van een gevoelig object, waarbij dit gevoelig object mogelijk dichterbij mogelijk hinder veroorzakende functies komt te liggen. Het is daarbij van belang dat de te verplaatsen bedrijfswoning de omliggende bestemmingen en functies niet in de (ontwikkelings)mogelijkheden zal beperken. Nabij de locatie (binnen 500 meter) zijn de volgende inrichtingen/functies gelegen: Blooisedijk 21: Recreatieterrein (verblijfsrecreatie); Blooisedijk 24: Agrarisch bedrijf (land- en tuinbouwbedrijf); Stapelsweg 7: Agrarisch bedrijf (woonfunctie met mogelijkheden voor grondgebonden agrarisch bedrijf/paardenhouderij); Stapelsweg 5: Burgerwoning; Stapelsweg 1: Burgerwoning; 18
Stapelsweg 3: Agrarisch bedrijf met minicamping (land- en tuinbouwbedrijf met verblijfsrecreatie). Blooisedijk 21: Aan de Blooisedijk 21 te Zonnemaire is een recreatieterrein met mogelijkheden voor verblijfsrecreatie gelegen. Voor een dergelijke inrichting zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 30 meter. De betreffende inrichting is gelegen op een afstand van ongeveer 330 meter (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot de bestemmingsgrens van de betreffende inrichting). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Blooisedijk 24: Aan de Blooisedijk 24 te Zonnemaire is een land- en tuinbouwbedrijf gelegen. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. De betreffende inrichting is op een afstand van ongeveer 415 meter van de locatie gelegen (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de bouwstede van de betreffende inrichting). Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Stapelsweg 7: Aan de Stapelsweg 7 te Zonnemaire is een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd. Echter is de locatie inmiddels als gebruik als woning met mogelijkheden voor grondgebonden agrarische activiteiten en mogelijk voor paardenhouderij. Er dient sprake te zijn van een grondgebonden bedrijfsvoering. Als wordt uitgegaan van de worst-case situatie dan kan deze inrichting voorzien in grondgebonden veehouderij. Voor een grondgebonden veehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. De betreffende inrichting is gelegen op een afstand van ongeveer 360 meter van de locatie (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot de bouwstede van de betreffende inrichting). Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Stapelsweg 1 en 5: Aan de Stapelsweg 1 en de Stapelsweg 5 te Zonnemaire zijn burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving en worden daarmee niet nadelig beperkt door het oprichten van gevoelige objecten.
Daarnaast is de afstand tot de locatie van de initiatiefnemer dusdanig groot (ongeveer 165 meter van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot de bestemmingsgrens van de woning aan de Stapelsweg 5 en ongeveer 285 tot aan de bestemmingsgrens van de woning aan de Stapelsweg 1) dat de voorgenomen ontwikkeling geen invloed zal hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende woningen. Stapelsweg 3: Aan de Stapelsweg 3 te Zonnemaire is een grondgebonden land- en tuinbouwbedrijf met daarbij een 19
minicamping gelegen. Voor een land- en tuinbouwbedrijf zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Ten aanzien van een minicamping (verblijfsrecreatie) gelden vanuit de handreiking de volgende richtafstanden: Geur: 30 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 30 meter. De grootste richtafstand is daarmee 50 meter. De betreffende inrichting is (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de bouwstede van de betreffende inrichting) gelegen op een afstand van ongeveer 330 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een land- en tuinbouwbedrijf en de verplaatsing van een bedrijfswoning. Een land- en tuinbouwbedrijf en een bedrijfswoning veroorzaken geen onevenredige geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige geurhinder aan de omgeving mag veroorzaken dient, wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning verplaatst. Dit wordt milieutechnisch gezien als het oprichten van een (nieuw) gevoelig object. In de ruime omgeving van de locatie (binnen 500 meter) zijn geen inrichtingen gelegen die een onevenredige geurhinder aan de omgeving veroorzaken. Er zijn immers geen (grote) veehouderijbedrijven gelegen in de omgeving. Het is daarmee aannemelijk dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
20
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de luchtvervuiling.
De regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen: "Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen) Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden: a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;* b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw;* c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;* d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare; e. kinderboerderijen. * al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf." Een land- en tuinbouwbedrijf is in elk geval als 'niet in betekenende mate' (NIBM) aangemerkt. Hier valt onderhavig land- en tuinbouwbedrijf dus ook onder. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
21
4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.3.3 Luchtkwaliteit ten aanzien van de locatie Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage van de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten, te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning verplaatst. Dit wordt op milieutechnisch gebied gezien als het oprichten van een gevoelig object.
Vanuit de landelijke wetgeving ten aanzien van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden beiden niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen. Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksintituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn opgenomen, bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse, zoals is weergegeven in de volgende figuren, ongeveer 16,1 µg/m³ en ongeveer 13,2 µg/m³. Dit is ruimschoots onder de norm van 40 µg/m³, waarmee ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
22
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
23
4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning verplaatst. Op milieutechnisch vlak is daarmee sprake van het oprichten van een gevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woonbestemming zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig.
Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Hierbij dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Op gebied van geur, fijnstof en geluid dient onderzocht te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Geur" (paragraaf 4.1.2), "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) en "Geluid" (paragraaf 4.1.4) zal ten aanzien van de aspecten geur, luchtkwaliteit en geluid sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 24
4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
25
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). In de omgeving van de locatie zijn een aantal mogelijk risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft echter in alle gevallen bedrijven waarop een opslagtank voor propaan aanwezig is. Voor opslagtanks van propaan is geen invloedsgebied vastgesteld, maar geldt uitsluitend een plaatsgebonden risicocontour. Voor tank voor de opslag van propaan geldt, afhankelijk van de inhoud en grootte van de tank, een plaatsgebonden risicocontour van maximaal 25 meter. De te verplaatsen bedrijfswoning zal niet binnen 25 meter van een van de propaantanks worden opgericht. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's ten aanzien van het plaatsgebonden risico. 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water en/of buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.
4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
26
4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse licht verhoogde waarden van verontreinigende stoffen zijn aangetroffen, maar dat deze niet boven het criterium voor vervolgonderzoek liggen en geen bedreiging vormen. Voor wat betreft asbest zijn geen verontreinigingen aangetroffen, waarmee het aannemelijk is dat de locatie niet verontreinigd is met asbest. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.
4.1.8 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.